Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU5220

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-04-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
AWB 09/5653 TOG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verordening (EG) 1408/71 – samenloop van gezinsbijslagen – schorsing van de Nederlandse kinderbijslag vanwege een Poolse invaliditeitsuitkering. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) volgt dat met betrekking tot de juridische aard van een uitkering, de kwalificatie die daaraan wordt gegeven in het nationale recht, niet bepalend is of een uitkering een gezinsbijslag is in de zin van de Verordening (zie het arrest van 15 maart 2001 in de zaak Offermanns, C-85/99, punt 37). Verweerder had de aard van de Poolse uitkering nader dienen te onderzoeken alvorens tot schorsing over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/5653 TOG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats] (Polen),

eiser,

gemachtigde J.L. Horst,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank,

verweerder,

gemachtigde mr. M.F. Sturmans.

Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op kinderbijslag van eiser met ingang van het tweede kwartaal van 2009 gewijzigd.

Bij besluit van 1 december 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2011.

Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1. Eiser werkt sinds 1 oktober 2008 in Nederland. Eiser is gehuwd met [echtgenote]. Zij hebben samen een zoon [zoon], geboren op 18 februari 2004. De echtgenote van eiser en [zoon] wonen in Polen.

1.2. Eiser heeft op 7 april 2009 in Nederland een aanvraag tot kinderbijslag ingediend. Naar aanleiding van de aanvraag heeft verweerder door middel van de formulieren E-401 en E-411 contact op genomen met het Poolse bevoegde orgaan. Het Poolse bevoegde orgaan heeft de formulieren ingevuld teruggestuurd aan verweerder.

2.1 Verweerder heeft in het bestreden besluit het beroep van eiser tegen de wijziging van zijn kinderbijslag ongegrond verklaard. Verweerder overweegt daartoe dat eiser slechts voor een aanvullende Nederlandse kinderbijslag in aanmerking kan komen, omdat aan de echtgenote van eiser voor [zoon] in Polen sinds 1 april 2009 een Poolse gezinsbijslag, een invaliditeitsbijslag, wordt betaald. De Poolse gezinsbijslag wordt door verweerder in mindering gebracht op de Nederlandse kinderbijslag.

2.2 Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de Poolse invaliditeitsbijlage niet gelijkgesteld moet worden met de gewone kinderbijslag, omdat het een extra uitkering is voor gehandicapte kinderen. Eiser stelt dat er sprake is van discriminatie, omdat de Nederlandse uitkering ter Tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende meervoudig en ernstig lichamelijk gehandicapte kinderen (TOG) niet in mindering wordt gebracht op de kinderbijslag.

3.1 De volledige tekst van de relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

3.2 Artikel 76 van EG-Verordening 1408/71 regelt de situatie waarin in twee landen recht bestaat op gezinsbijslagen voor hetzelfde kind. In dat geval keert het land waarin bij voorrang recht bestaat op gezinsbijslagen, die bijslagen uit en schorst het tweede land het recht op gezinsbijlagen ten belope van het bedrag van de gezinsbijlagen van het eerste land. In het land waarin vanwege werkzaamheden recht bestaat op gezinsbijslagen en waar het kind woont, bestaat bij voorrang recht op gezinsbijslagen.

3.3 Niet in geschil is dat eiser in Nederland recht heeft op kinderbijslag voor [zoon]. Evenmin is in geschil dat de echtgenote van eiser in Polen een invaliditeitsbijlage voor [zoon] ontvangt. Nu de echtgenote van eiseres in Polen werkzaamheden verricht, bestaat in Polen bij voorrang recht op gezinsbijslagen.

3.4 In geschil is of de Poolse invaliditeitsuitkering aangemerkt moet worden als een gezinsbijslag, zodat verweerder op grond van artikel 76 van de EG-Verordening 1408/71 bevoegd is de Nederlandse kinderbijslag van eiser te schorsen ten belope van het bedrag van de Poolse invaliditeitsuitkering.

3.5 Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de Poolse invaliditeitsuitkering aangemerkt moet worden als een gezinsbijslag, heeft verweerder ter zitting desgevraagd verwezen naar het formulier E-411. Daaruit blijkt dat het Poolse orgaan de invaliditeitsuitkering als een gezinsbijslag aanmerkt, aldus verweerder. Desgevraagd heeft verweerder verklaard dat geen nader onderzoek is gedaan naar (de aard van) de invaliditeitsuitkering.

3.6 Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) volgt dat met betrekking tot de juridische aard van een uitkering, de kwalificatie die daaraan wordt gegeven in het nationale recht, niet bepalend is of een uitkering een gezinsbijslag is in de zin van de Verordening (zie het arrest van 15 maart 2001 in de zaak Offermanns, C-85/99, punt 37). Voor de analyse van de constitutieve elementen van de uitkering wijst het Hof op artikel 1, sub u-i, van Verordening nr. 1408/71 waarin onder ‘gezinsbijslagen’ worden verstaan, ‘alle verstrekkingen of uitkeringen ter bestrijding van de gezinslasten’. Deze bepaling moet volgens het Hof zo worden uitgelegd dat zij met name ziet op een overheidsbijdrage aan het gezinsbudget ter verlichting van de lasten die voortvloeien uit het onderhoud van kinderen.

3.7 Gelet op voornoemde jurisprudentie van het Hof heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, het besluit tot schorsing van de kinderbijslag niet enkel kunnen baseren op de mededelingen van Poolse orgaan op het formulier E-411. Verweerder had de aard van de Poolse uitkering nader dienen te onderzoeken alvorens tot schorsing over te gaan. De rechtbank wijst in dit verband ook op het arrest van het Hof van 18 oktober 2007 (Commissie tegen het Parlement en de Raad C-299/05). In dat arrest oordeelde het Hof dat een Finse en een Zweedse uitkering voor gehandicapten kinderen, anders dan door Finland en Zweden was betoogd, niet als een gezinsbijslag moest worden aangemerkt, maar als een prestatie bij ziekte, omdat het hoofddoel van die uitkeringen van medische aard is. Nu een (nader) onderzoek door verweerder naar de aard van de Poolse invaliditeitsbijlage is uitgebleven, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand gekomen en komt het voor vernietiging in aanmerking.

3.8 De rechtbank zal het beroep wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser. Aan een beoordeling van eisers stelling dat sprake is van discriminatie komt de rechtbank niet meer toe.

3.9 De rechtbank zal tevens bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem zal vergoeden. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding, nu van dergelijke kosten niet is gebleken.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Riem, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.M.T. Plouvier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB

Bijlage

Toepasselijke regelgeving

Artikel 1 aanhef en onder u-i van de EG-Verordening 1408/71

Voor de toepassing van de Verordening wordt onder gezinsbijslagen verstaan alle verstrekkingen of uitkeringen ter bestrijding van de gezinslasten in het kader van een in artikel 4, eerste lid en onder h) bedoelde wettelijke regeling, met uitzondering van de in bijlage II vermelde bijzondere uitkeringen bij geboorte of adoptie.

Artikel 73 van de EG-Verordening 1408/71

Onder voorbehoud van het bepaalde in Bijlage VI heeft de werknemer of de zelfstandige op wie de wettelijke regeling van een Lid-Staat van toepassing is, voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonen, recht op de gezinsbijslagen waarin de wettelijke regeling van de eerste Staat voorziet, alsof die gezinsleden op het grondgebied van deze Staat woonden.

Artikel 76 van de EG-Verordening 1408/71

1. Wanneer gezinsbijslagen in hetzelfde tijdvak, voor hetzelfde gezinslid en wegens het uitoefenen van een beroepsactiviteit worden toegekend krachtens de wetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de gezinsleden wonen, wordt het recht op de gezinsbijslagen die krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat, in voorkomend geval uit hoofde van de artikelen 73 of 74, verschuldigd zijn, geschorst ten belope van het bedrag dat bij de wetgeving van de eerstgenoemde Lid-Staat is vastgesteld.

2. Indien in de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de gezinsleden wonen, geen verzoek tot uitkering wordt ingediend, kan de bevoegde instelling van de andere Lid-Staat lid 1 toepassen alsof in de eerstgenoemde Lid-Staat wel bijslagen zijn uitgekeerd.