Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU5191

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
13-693014-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden tot vijf jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/693014-10 (Promis)

Datum uitspraak: 17 november 2011

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1983],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring "Zwaag" te Zwaag.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 31 oktober 2011, 2 november 2011 en 3 november 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. H. Hoekstra, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging op de zitting van 20 september 2010 - ten laste gelegd dat

1.

hij op in of omstreeks de periode van 8 december 2009 tot en met 23 maart 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of te Maasmechelen, in elk geval in België,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk die [slachtoffer] en/of (een) ander(en), te weten een of meerdere familieleden en/of bekenden van voornoemde [slachtoffer], te dwingen iets te doen of niet te doen, immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- met gebruikmaking van een Volkswagen Transporter zich begeven naar de coffeeshop Goed-Goed, gelegen aan de Churchillaan 86 te Amsterdam, en/of

- met gebruikmaking van een of meer vuurwapen(s) voornoemde [slachtoffer] en de aldaar aanwezigen bedreigd, en/of die [slachtoffer] en/of die aanwezigen de woorden toegevoegd: "politie, politie", en/of

- vervolgens voornoemde [slachtoffer] beetgepakt en/of geslagen, en/of

- voornoemde [slachtoffer] onder bedreiging van die vuurwapen(s) gedwongen om de coffeeshop te verlaten en/of mee te gaan in voornoemde gereedstaande Volkswagen Transporter en/of die [slachtoffer] in die Volkswagen Transporter getrokken en/of geduwd, en/of

- voornoemde [slachtoffer] meegenomen naar een kelder van een woning (te weten [A-straat nr] te Maasmechelen in België), en/of

- voornoemde [slachtoffer] aan handen en/of voeten geboeid vastgehouden in voornoemde woning, en/of

- tegen een of meerdere familieleden en/of bekenden van voornoemde [slachtoffer] gezegd dat zij aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) een geldbedrag moesten betalen voor de vrijlating van voornoemde [slachtoffer];

subsidiair:

hij op in of omstreeks de periode van 8 december 2009 tot en met 23 maart 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of te Maasmechelen, in elk geval in België,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en / of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij, verdachte, en / of (een of meer) van zijn mededader(s)

- met gebruikmaking van een Volkswagen Transporter zich begeven naar de coffeeshop Goed-Goed, gelegen aan de Churchillaan 86 te Amsterdam, en/of

- met gebruikmaking van een of meer vuurwapen(s) voornoemde [slachtoffer] en de aldaar aanwezigen bedreigd, en/of die [slachtoffer] en/of die aanwezigen de woorden toegevoegd: "politie, politie", en/of

- vervolgens voornoemde [slachtoffer] beetgepakt en/of geslagen, en/of

- voornoemde [slachtoffer] onder bedreiging van die vuurwapen(s) gedwongen om de coffeeshop te verlaten en/of mee te gaan in voornoemde gereedstaande Volkswagen Transporter en/of die [slachtoffer] in die Volkswagen Transporter getrokken en/of geduwd, en/of

- voornoemde [slachtoffer] meegenomen naar een kelder van een woning (te weten [A-straat nr] te Maasmechelen in België), en/of

- voornoemde [slachtoffer] aan handen en/of voeten geboeid vastgehouden in voornoemde woning;

2.

hij in of omstreeks de periode van 8 december 2009 tot en met 23 maart 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of te Maasmechelen, in elk geval in België een computer (HP Compac Presario C300) heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

3. Voorvragen

3.1 Ontvankelijkheid openbaar ministerie

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard nu Nederland geen rechtsmacht heeft. De strafvervolging ten aanzien van feit 2 is door België immers evident niet overgedragen aan Nederland. Ten aanzien van feit 1 geldt dat uit het dossier niet blijkt dat Nederland heeft gevraagd om de feitelijke overdracht van strafvervolging, noch dat België een dergelijk verzoek middels een officieel stuk zou hebben geaccordeerd. De Belgische autoriteiten hebben de strafvervolging derhalve niet conform de wet overgedragen. Ook een beroep door het openbaar ministerie op artikel 6 van het Wetboek van Strafvordering gaat niet op.

De officier van justitie heeft in reactie op dit verweer betoogd dat het niet noodzakelijk is dat Nederland vraagt om overdracht van de strafvervolging, dat uit de - overigens zonder meer onjuist op 27 november 2006 gedateerde - brief van M. Zegers, Procureur des Konings te Tongeren, België, blijkt dat België het verzoek heeft gedaan aan Nederland de strafvervolging van de ontvoeringszaak over te nemen, dat het volstrekt duidelijk is dat Nederland de vervolging heeft overgenomen en het openbaar ministerie derhalve ontvankelijk is in de vervolging van verdachte ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 5, lid 1 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit hetwelk door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het is begaan, straf is gesteld. Verdachte heeft de Nederlandse nationaliteit, zo blijkt uit zijn verklaring ter zitting en de identiteitsstaat in de strafrechtsketendatabank. Op de aan hem onder 1 ten laste gelegde feiten is in België straf gesteld, zo blijkt uit de Belgische wetsbepalingen die zich in het dossier bevinden (Aanvulling dossier vanuit België). Het is voorts een feit van algemene bekendheid dat in België straf is gesteld op opzet- en schuldheling zoals aan verdachte onder 2 ten laste gelegd.

Hiermee is de originaire rechtsmacht van Nederland gegeven en tevens de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Ten overvloede wijst de rechtbank op het volgende. In de hiervoor genoemde brief van

M. Zegers, welke brief vergezeld is van de processen-verbaal en toepasselijke wetsbepalingen, verzoekt hij de Nederlandse autoriteiten de strafvervolging terzake de wederrechtelijke vrijheidsberoving en de ontvoering over te nemen. De Nederlandse autoriteiten hebben dit verzoek ingewilligd, zo blijkt uit de vervolgens ingediende rechtshulpverzoeken aan de Belgische autoriteiten en de onderhavige vervolging van verdachte en zijn medeverdachten voor de betreffende feiten.

3.2 Geldige dagvaarding, bevoegde rechtbank, geen schorsing van de vervolging

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van het onder 1. primair ten laste gelegde voert de officier van justitie - zakelijk weergegeven - het volgende aan.

Het slachtoffer [slachtoffer] is op 8 december 2009 uit zijn coffeeshop in Amsterdam ontvoerd door vier mannen, waarvan er zeker drie gewapend waren. Zij nemen het slachtoffer mee in een grijze Volkswagen Transporter (hierna: de bus). Alle daders dragen een bivakmuts. Van de ontvoering zijn camerabeelden beschikbaar.

Een omstander weet de achterruit van de bus nog in te slaan wanneer deze met grote vaart wegrijdt. Aan de hand van de verklaring van een getuige wordt de bus 's avonds aangetroffen. In de bus worden DNA- en dactyloscopische sporen aangetroffen die wijzen naar verschillende personen.

Van het slachtoffer wordt bijna vier maanden niets vernomen. Op 23 maart 2010 weet hij echter in Maasmechelen te ontsnappen. Het slachtoffer verklaart later bij zijn aangifte dat hij geboeid in een kelder in een huis in Maasmechelen heeft vastgezeten.

Als het slachtoffer is ontsnapt en zich bij een tankstation aan de overkant van de weg meldt, rijdt bij de woning waar hij vandaan komt, perceel [A-straat nr], een Renault Kangoo weg. Later blijkt dat deze op naam staat van een broer van verdachte. De broer van verdachte verklaart dat verdachte deze auto heeft gebruikt.

De auto wordt leeg aangetroffen in Maastricht. In de auto worden diverse spullen gevonden, onder meer papieren met daarop dactyloscopische sporen van verdachte. Ook worden vijf mobiele telefoons en een paspoort op naam van [alias] aangetroffen. Op één van die telefoons wordt een DNA-mengprofiel van verdachte aangetroffen. In deze telefoon staat het telefoonnummer van een andere broer van verdachte.

Naast de bewuste woning wonen de verhuurders met hun dochter, alsmede twee anderen. Deze getuigen leggen verklaringen af over de bewoner van [A-straat nr]. Zij kennen hem als [alias]. Twee van de getuigen herkennen verdachte zonder twijfel op een hen getoonde foto als [alias]. Geen van hen herkent de echte [alias] op een foto en bewegende beelden.

In de woning in Maasmechelen wordt een bivakmuts gevonden met daarin een DNA-mengprofiel van verdachte en het slachtoffer. Verder worden in de woning verschillende dactyloscopische en DNA-sporen van verdachte gevonden.

Verdachte heeft lange tijd niets willen zeggen, tot 10 oktober 2011. Hij legt dan een uitvoerige verklaring af, die erop neerkomt dat hij niet de huurder is geweest van de woning. Hij is ook niet de bestuurder van de Kangoo geweest. Hij is benaderd door ene [persoon 1] voor de kweek van wiet. Hij is in de woning geweest om de hennepplantage op te bouwen en later om op de wiethokken te passen. Hij zat nooit langer dan een week in de woning. Hij weet niets van de ontvoering van het slachtoffer of diens verblijf daar.

De officier van justitie vindt de verklaring van verdachte dat hij in de woning in Maasmechelen heeft verbleven, hetgeen wordt ondersteund door technisch bewijs, geloofwaardig. Dat geldt niet voor de verklaring omtrent [persoon 1], de periodes dat verdachte in de woning zou zijn geweest en het feit dat hij niets weet van de ontvoering.

In het dossier komt geen enkele aanwijzing of verwijzing naar voren ten aanzien van deze [persoon 1]. De officier van justitie is dan ook van mening dat [persoon 1] niet bestaat.

Op grond van de verklaringen van de Belgische getuigen is zeer aannemelijk dat verdachte de woning heeft gehuurd.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte ook voor het medeplegen van de feitelijke ontvoering en dus voor gijzeling kan worden veroordeeld. Immers, als bewaker van het slachtoffer moet hij geweten hebben dat deze uit zijn coffeeshop was ontvoerd en niet vrijwillig in de kelder geketend vastzat. Verdachte heeft de woning enige tijd voor de ontvoering al gehuurd. In dit huis is een cel in gereedheid gebracht. Dat geeft aan dat er voor de ontvoering contact moet zijn geweest tussen de ontvoerders en de bewakers en er sprake is geweest van bewuste en nauwe samenwerking.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde heeft de officier van justitie gewezen op de aangifte van diefstal van de laptop, het aantreffen van de laptop in de woning aan de [A-straat nr] in Maasmechelen, de verklaring van verdachte dat hij deze laptop wel eens heeft gezien en het onderzoek ten aanzien van [persoon 2].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich aanzien van het onder 1. primair en subsidiair ten laste gelegde op het standpunt dat er geen wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.

De raadsman voert allereerst aan dat er geen sprake is van feiten en/of omstandigheden die een nauwe en bewuste samenwerking op de ontvoering kunnen onderbouwen, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van de eerste vijf gedachtestreepjes.

Ten aanzien van het zesde gedachtestreepje (en naar de rechtbank begrijpt ook ten aanzien van het zevende gedachtestreepje in het onder 1. primair ten laste gelegde) voert de raadsman aan dat het klopt dat er technisch bewijs ten aanzien van verdachte is gevonden in de woning in Maasmechelen, doch dat dit te maken heeft met de hennepkwekerij die in diezelfde woning aanwezig was en in werking was. Verdachte is immers benaderd door [persoon 1], die hem heeft gevraagd de kwekerij op te bouwen en te onderhouden hetgeen verdachte daadwerkelijk heeft gedaan. Bij de reis naar de woning in Maasmechelen heeft verdachte in opdracht van [persoon 1] twee bivakmutsen gedragen. Verdachte heeft periodes in de woning verbleven. Dit alles verklaart de van verdachte in de woning aangetroffen sporen en zijn aanwezigheid aldaar.

Het feit dat verdachte hierover pas in een laat stadium een verklaring heeft afgelegd is in de eerste plaats niet aan zijn schuld te wijten, en in de tweede plaats evenmin onlogisch, gelet op de wereld waarin verdachte verkeerde. Verdachte heeft niets geweten van de aanwezigheid van het slachtoffer in de woning en heeft geen enkele betrokkenheid bij diens vrijheidsberoving.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen wat onder 2. ten laste is gelegd.

De rechtbank overweegt dat op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist, dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de computer/ laptop, een door diefstal of in elk geval een door misdrijf verkregen goed betrof.

Verdachte zal van dit feit dan ook worden vrijgesproken.

4.3.2 De rechtbank gaat ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.i

Op 8 december 2009 bevindt [slachtoffer] zich in zijn coffeeshop "Goed Goed" aan de Churchilllaan 86 in Amsterdam.ii Er stopt een grijs voertuig direct voor de ingang van de coffeeshop.iii Vier met bivakmutsen gemaskerde mannen komen de coffeeshop binnen.iv [slachtoffer] wordt mee naar buiten getrokkenv en de bus ingetrokken.vi

Op 23 maart 2010 komt [slachtoffer] in Maasmechelen, België, een tankstation binnenlopen, met onderaan zijn linkerbeen een paar handboeien waarvan één zijde open is. Hij verklaart te zijn ontsnapt uit een woning gelegen aan de overzijde van het tankstation langs de [A-straat], waar hij vier maanden is vastgehouden in de kelder. De woning betreft het perceel [A-straat nr].vii

[slachtoffer] wordt door de Nederlandse politie in België opgehaald. Hij heeft rond beide polsen donkergekleurde striemen.viii [slachtoffer] verklaart dat hij met handen en voeten geboeid vastzat. Kettingen die aan zijn hand en voeten zaten, zaten vast aan een schroef in de grond. [slachtoffer] verklaart verder dat (in het begin) twee mannen hem koekjes en water kwamen brengen. Deze twee jongens droegen bivakmutsen en [slachtoffer] zelf kreeg ook een bivakmuts op. Later kwamen er vijf of zes andere mannen bij hem.ix [slachtoffer] verklaart dat hij werd bewaakt door mannen met bivakmutsen op.x [slachtoffer] heeft niemand het recht of de toestemming gegeven dit feit te plegen.xi

Tijdens zijn ontsnapping ziet [slachtoffer] vanaf de woning waar hij werd vastgehouden, een grijze Renault Kangoo wegrijden. Het kenteken van de auto blijkt te zijn [kenteken].xii

De Renault Kangoo wordt later op 23 maart 2010, zonder inzittende(n) in Maastricht aangetroffen.xiii

Het kenteken staat op naam van de broer van verdachte, [broer van verdachte].xiv

In de auto liggen onder meer een paspoort op naam van [alias] en mobiele telefoons.

Eén van de mobiele telefoons, een Ericsson, bevindt zich in een mapje met een onderhoudsboekje van de auto, in het vak van het linker voorportier. Deze mobiele telefoon, met itemnummer 3949, wordt bemonsterd (spooridentificatienummer - SIN AABT6069NL).xv

Uit het rapport van het NFI d.d. 28 oktober 2011 blijkt dat van het DNA in deze bemonstering een onvolledig DNA-profiel is verkregen, dat matcht met het DNA-profiel van verdachte. Dit betekent dat het celmateriaal in deze bemonstering afkomstig kan zijn van de verdachte.xvi

Na het uitlezen van een andere in de auto gevonden mobiele telefoon (een Nokia, 3807378)xvii, blijkt dat het abonneenummer daarvan +[tel nr] is.xviii

Na een dactyloscopisch onderzoek ingesteld op een aantal papieren afkomstig uit de Renault Kangoo, wordt een tweetal sporen geïdentificeerd op een ten name van verdachte vervaardigd dactyloscopisch signalement.xix

Bij onderzoek in de woning aan de [A-straat nr] in Maasmechelen wordt in de kelder een ketting aangetroffen die met een draaibout in de vloer is bevestigd.xx

Ook worden in de woning drie bivakmutsen gevondenxxi en in beslag genomen.xxii

Uit onderzoek door het NFI wordt in de bemonstering van bivakmuts AACK2769NL een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen, waaronder verdachte en het slachtoffer, aangetroffen.xxiii

In de woning worden voorts tal van dactyloscopische sporen gevonden die na onderzoek zijn geïdentificeerd op een ten name van verdachte vervaardigd dactyloscopisch signalement.xxiv

Ook wordt in bemonsteringen van onder meer een tandenborstel en scheermessen, gevonden in de woning, DNA-materiaal aangetroffen dat afkomstig kan zijn van verdachte.

Daarnaast worden later bij opruimwerkzaamheden door de verhuurders nog een pistool, twee paar handboeien en een paar enkelboeien gevonden in de slaapkamer op de eerste verdieping.xxv Verdachte heeft later verklaard dat hij in de slaapkamer boven sliep.xxvi

De eigenaar van de woning [A-straat nr] te Maasmechelen, tevens verhuurder, blijkt naast die woning woonachtig te zijn, op nummer [nr].xxvii

Hij verklaart dat eind september/begin oktober 2009 een man bij hem langs kwam om te vragen of de woning (nog) te huur was. Deze man heeft toen met hem de woning bezichtigd. De man heeft zich aan hem voorgesteld als [alias]. Hij had een mager postuur. Op een gegeven moment reed de huurder een bestelwagentje, een Kangoo of iets dergelijks.xxviii Het telefoonnummer van de huurder van de woning luidt: +[tel nr].xxix

De getuige wordt geconfronteerd met een aantal foto's en films.xxx

Hij verklaart dat de man op foto 7 op [alias] lijkt.xxxi

Bij de rechter-commissaris verklaart de getuige dat de huurder van november 2009 tot februari/maart 2010 daadwerkelijk in de woning heeft verbleven. Hij heeft hem wel eens zien hardlopen.xxxii

De echtgenote van de verhuurder verklaart dat de huurder zich [alias] noemde. Zij en haar man hebben samen de woning van binnen aan hem laten zien. De huurder had een mager postuur, een sportief type. De getuige zag hem regelmatig hardlopen. Ze heeft de huurder in drie auto's zien rijden, op het laatst in een Renault Kangoo. Zij heeft [alias] altijd alleen in zijn auto's zien rijden. Er was dan nooit iemand in zijn gezelschap.xxxiii

De getuige wordt geconfronteerd met een aantal foto's en films.xxxiv

Zij verklaart dat de man op foto 7 [alias] is. Hij is de huurder waar zij het over heeft.xxxv

Bij de rechter-commissaris verklaart de getuige dat de woning was verhuurd aan [alias] en dat hij daar van 1 november 2009 tot 23 of 24 maart 2010 heeft gewoond. Zij zag hem als hij ging joggen, en heeft hem zeker eenmaal per week gezien.xxxvi

De dochter van de verhuurders verklaart dat zij de huurder van de woning [A-straat nr] kent als [alias]. Zij heeft hem een paar keer gezien rond het ondertekenen van het huurcontract. Hij had een zeer mager postuur. Ze zag hem meestal als hij ging lopen en hardlopen.xxxvii

De getuige wordt geconfronteerd met een aantal foto's en films.xxxviii

Zij verklaart dat de man op foto 7 de huurder is, die zij kent als [alias].xxxix Dit beaamt zij later bij de rechter-commissaris.xl

Foto 7 betreft een foto van verdachte.xli

4.3.3 Overwegingen rechtbank ten aanzien van het Meer en Vaartverweer

De Belgische getuigen zijn aanvankelijk door de Belgische politie gehoord. De Belgische politie heeft de getuigen kopieën van het paspoort en een uitvergroting van de paspoortfoto van [alias] getoond en de getuigen hebben verklaard dat deze man de huurder was en daar ook steeds had gewoond. Hij werd regelmatig gezien wanneer hij ging hardlopen.

Naderhand hebben de getuigen echter verdachte aan de hand van diens foto herkend als de huurder en werd [alias] niet langer als zodanig herkend. De rechtbank acht de nadere verklaringen van de getuigen geloofwaardig en aannemelijk, om de volgende redenen.

Bij de Belgische politie heeft kort na de ontsnapping van [slachtoffer] een enkelvoudige confrontatie plaatsgevonden aan de hand van een paspoortfoto. De gebruikte methode van confrontatie was enkelvoudig en daarmee in zijn algemeenheid minder betrouwbaar. Bovendien werd hen een afdruk van een paspoort getoond dat op naam staat van de persoon aan wie de getuigen meenden de woning te hebben verhuurd.

Bij de Nederlandse politie en rechter-commissaris verklaren de getuigen veel gedetailleerder en uitgebreider. Bij het verhoor bij de politie worden verscheidene foto's en audiovisuele beelden aan de getuigen getoond.

Foto 5 betreft een foto van 'de echte' [alias]. Ook de audiovisuele beelden betreffen 'de echte' [alias]. Op film 1 is hij te zien, op film 2 is hij te zien en te horen.xlii

De verhuurder verklaart bij het zien van de man op foto 5 dat hij deze totaal niet kent en ook nog nooit heeft gezien. Over de video-opnamen zegt de getuige dat hij de persoon daarop niet kent. Wat betreft de opname met geluid verklaart hij dat dat niet de stem is van de persoon die hij kent als [alias].xliii

De echtgenote van de verhuurder antwoordt op de vraag of zij de op foto 5 afgebeelde persoon kent of ooit heeft gezien ontkennend.

Wat betreft de video-opname verklaart zij op de vraag of zij die persoon kent, dat zij de man in het geheel niet kent. Zij heeft de man nooit gezien.xliv

Hun dochter verklaart de persoon op foto 5 niet te kennen en nog nooit te hebben gezien. Ook de persoon op de video-opname kent zij niet en heeft zij nog nooit gezien. Zij herkent de stem van die man ook niet. Het is niet [alias], de huurder van de woning, want die is veel magerder.xlv

De rechtbank acht deze latere eensluidende en onafhankelijk van elkaar afgelegde verklaringen van deze getuigen geloofwaardig gelet op de aard van het getoonde materiaal en de gedetailleerdheid van hun verklaringen. Aan hun eerdere verklaringen ten overstaan van de Belgische politie hecht de rechtbank om bovengenoemde redenen geen waarde.

Nu deze getuigen steeds over een en dezelfde persoon spreken als huurder, bewoner, jogger en bestuurder van diverse auto's waaronder de Renault Kangoo, volgt hier naar het oordeel van de rechtbank uit dat het verdachte is geweest die de woning aan de [A-straat nr] in Maasmechelen heeft gehuurd en daar steeds heeft verbleven.

Dit oordeel maakt dat de rechtbank de door verdachte bij de politie op 10 oktober 2011 afgelegde verklaring, die hij ter terechtzitting heeft herhaald, volstrekt ongeloofwaardig acht, althans daar waar hij een verklaring wil geven voor het aantreffen van sporen. De rechtbank acht dus onder meer niet geloofwaardig dat verdachte de woning niet heeft gehuurd, dat hij daar door [persoon 1] heen is gebracht, dat hij twee bivakmutsen moest dragen om te voorkomen dat hij zou zien waar de woning was gelegen, dat hij daar alleen was in verband met een hennepkwekerij, dat hij daar nooit langer dan een week is geweest en niets wist van het verblijf van [slachtoffer] in deze woning.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

4.3.4. Overige overwegingen rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen het onder 1. primair ten laste gelegde. Voor het oogmerk op het een ander te dwingen iets te doen of niet te doen is voorwaardelijk opzet niet voldoende en is ten minste noodzakelijkheidsbewustzijn op het gewenste gevolg of resultaat vereist. Dit is in casu niet komen vast te staan. Verdachte zal van dit feit dan ook worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1. subsidiair, eerste tot en met vijfde gedachtestreepje, overweegt de rechtbank als volgt. Voor het opzet op het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving is niet vereist dat alle medeplegers de uitvoeringshandeling verrichten. De nauwe en bewuste samenwerking kan bijvoorbeeld blijken uit afspraken en taakverdelingen. Daarvan is in casu niet gebleken. Het enkele feit dat verdachte in oktober 2009 (voor de feitelijke ontvoering op 8 december 2009) de woning in Maasmechelen heeft gehuurd, is daartoe onvoldoende. Handelingen verricht na het delict kunnen een indicatie opleveren voor medeplegen maar zijn in beginsel onvoldoende om medeplegen aan te nemen; tevens zal moeten vaststaan dat verdachte voorafgaande aan of tijdens de daadwerkelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving daaraan een bijdrage heeft geleverd. Dat verdachte vanaf december 2009 [slachtoffer] van zijn vrijheid beroofd heeft gehouden in Maasmechelen, impliceert naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat hij een bijdrage heeft geleverd aan de feitelijke vrijheidsberoving in Amsterdam. Ook overigens is van een dergelijke bijdrage niet gebleken.

Verdachte zal dan ook van die onderdelen van het onder 1. subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1. subsidiair ten laste gelegde

in de periode van 8 december 2009 tot en met 23 maart 2010 te Maasmechelen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders voornoemde [slachtoffer] aan handen en voeten geboeid vastgehouden in een woning, te weten [A-straat nr] te Maasmechelen in België.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1. primair en 2. bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar, met aftrek van voorarrest.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1. primair en subsidiair ten laste gelegde vrijspraak bepleit.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met anderen gedurende langere tijd schuldig gemaakt aan vrijheidsberoving. Het slachtoffer van deze vrijheidsberoving is uit zijn coffeeshop ontvoerd en heeft vervolgens onder mensonterende omstandigheden maandenlang geboeid vastgezeten in een kelder van een woning in België, waarbij hij voor zijn leven heeft gevreesd. Verdachte heeft, samen met anderen, het slachtoffer bewaakt.

Verdachte en zijn mededaders hebben door hun handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Het is algemeen bekend dat de ervaring van een dergelijke gebeurtenis ernstige psychische gevolgen heeft voor het betrokken slachtoffer en zijn omgeving.

Dit soort feiten veroorzaakt bovendien angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Voor een feit als het onderhavige kan dan ook slechts een gevangenisstraf voor de duur van jaren als een passende bestraffing gelden.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel Justitiële Documentatie van 28 oktober 2010. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld, met name wegens vermogensdelicten, al dan niet in combinatie met geweld/bedreiging met geweld.

Gezien het feit dat de rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde, wijkt de rechtbank af van de eis van de officier van justitie. Hoewel verdachte voor een groot deel van het subsidiair ten laste gelegde wordt vrijgesproken, is de rechtbank desondanks van oordeel dat na te noemen gevangenisstraf passend en geboden is, gelet op de duur van de vrijheidsberoving en de omstandigheden waaronder het slachtoffer heeft vastgezeten.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 63 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart het onder 1. primair en onder 2. ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1. subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1. subsidiair bewezenverklaarde

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.P.E. Meewisse, voorzitter,

mrs. H.P.H.I. Cleerdin en F.J. van de Poel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. Noomen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 november 2011.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii P. 235 (rubriek Bevindingen).

iii P. 50 (rubriek Bevindingen).

iv P. 25 (rubriek Getuigen).

v P. 51 (rubriek Bevindingen).

vi P. 6 en p. 25 (rubriek Getuigen).

vii Een geschrift, Pro Justitia, aanvankelijk pv nr.: TG.10.L9.001485/2010 d.d. 23/03/2010, ongenummerde blz. (rubriek Aanvulling dossier vanuit België).

viii P. 139 (rubriek Bevindingen).

ix P. 236 en 237 (rubriek Bevindingen).

x Verhoor [slachtoffer] van de rechter-commissaris d.d. 6 mei 2011 (p. 7).

xi P. 241 (rubriek Bevindingen).

xii P. 145 (rubriek Bevindingen).

xiii Een geschrift, zijnde een mutatie, p. 162 t/m 164 (rubriek Bevindingen).

xiv P. 145 (rubriek Bevindingen).

xv Een kopie van een proces-verbaal, p. 80 t/m 82 (persoonsdossier [verdachte]).

xvi Rapport t.t.z. van 31 oktober 2011 door officier van justitie overgelegd.

xvii P. 84 (rubriek KVI/BVO).

xviii P. 406 t/m 408 (rubriek Digi).

xix P. 199 (forensische opsporing).

xx Een geschrift, Pro Justitia, navolgend proces-verbaal 001738/2010 - 24-03-2010, ongenummerde blz. (rubriek Aanvulling dossier vanuit België).

xxi Een geschrift, Inventaris van overtuigingsstukken, ongenummerde blz. (rubriek Aanvulling dossier vanuit België).

xxii P. 146 (rubriek KVI/BVO).

xxiii P. 326 t/m 338 (rubriek Forensische opsporing).

xxiv P. 205 en p. 302 (rubriek Forensische opsporing).

xxv Een geschrift, Pro Justitia, PV No 003073/2010, ongenummerde blz. (rubriek Aanvulling dossier vanuit België).

xxvi Een geschrift, zijnde een afschrift van een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 10 oktober 2011.

xxvii Een geschrift, zijnde een afschrift van een proces-verbaal van verhoor, pv nr.: TG.10.L9.001487/2010 d.d. 23/03/2010, ongenummerde blz. (rubriek Aanvulling dossier vanuit België).

xxviii P. 330 en 331 (rubriek Getuigen).

xxix Zie noot 27.

xxx P. 249 t/m 252 (rubriek Bevindingen).

xxxi P. 333 (rubriek Getuigen).

xxxii Verhoor van [verhuurder] van de rechter-commissaris d.d. 26 april 2011 (p. 3).

xxxiii P. 313 (rubriek Getuigen).

xxxiv P. 249 t/m 252 (rubriek Bevindingen).

xxxv P. 315 (rubriek Getuigen).

xxxvi Verhoor van [echtgenote van verhuurder] van de rechter-commissaris d.d. 26 april 2011 (p. 6 en 8).

xxxvii P. 303 (rubriek Getuigen).

xxxviii P. 249 t/m 252 (rubriek Bevindingen).

xxxix P. 305 (rubriek Getuigen).

xl Verhoor van [dochter van verhuurder] van de rechter-commissaris d.d. 26 april 2011 (p. 10).

xli P. 250 (rubriek Bevindingen).

xlii P. 250 en 252 (rubriek Bevindingen).

xliii P. 332 en 333 (rubriek Getuigen).

xliv P. 315 (rubriek Getuigen).

xlv P. 305 (rubriek Getuigen).