Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU5090

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
18-11-2011
Zaaknummer
13-693022-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor wederrechtelijke vrijheidsberoving. Wel veroordeling voor bezit van een vervalst reisdocument en een vervalst rijbewijs en als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard. Veroordeling tot zes maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/693022-10 (Promis)

Datum uitspraak: 17 november 2011

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [1977],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 31 oktober 2011, 2 november 2011 en 3 november 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. H. Hoekstra, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.G. Vos, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op in of omstreeks de periode van 8 december 2009 tot en met 23 maart 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of te Maasmechelen, in elk geval in België,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk die [slachtoffer] en/of (een) ander(en), te weten een of meerdere familieleden en/of bekenden van voornoemde [slachtoffer], te dwingen iets te doen of niet te doen, immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- met gebruikmaking van een Volkswagen Transporter zich begeven naar de coffeeshop Goed-Goed, gelegen aan de Churchillaan 86 te Amsterdam, en/of

- met gebruikmaking van een of meer vuurwapen(s) voornoemde [slachtoffer] en de aldaar aanwezigen bedreigd, en/of die [slachtoffer] en/of die aanwezigen de woorden toegevoegd: "politie, politie", en/of

- vervolgens voornoemde [slachtoffer] beetgepakt en/of geslagen, en/of

- voornoemde [slachtoffer] onder bedreiging van die vuurwapen(s) gedwongen om de

coffeeshop te verlaten en/of mee te gaan in voornoemde gereedstaande Volkswagen Transporter en/of die [slachtoffer] in die Volkswagen Transporter getrokken en/of geduwd, en/of

- voornoemde [slachtoffer] meegenomen naar een kelder van een woning (te weten [A-straat nr] te Maasmechelen in België), en/of

- voornoemde [slachtoffer] aan handen en/of voeten geboeid vastgehouden in voornoemde woning, en/of

- tegen een of meerdere familieleden en/of bekenden van voornoemde [slachtoffer] gezegd dat zij aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) een geldbedrag moesten betalen voor de vrijlating van voornoemde [slachtoffer];

subsidiair:

hij op in of omstreeks de periode van 8 december 2009 tot en met 23 maart 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of te Maasmechelen, in elk geval in België,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en / of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij, verdachte, en / of (een of meer) van zijn mededader(s)

- met gebruikmaking van een Volkswagen Transporter zich begeven naar de coffeeshop Goed-Goed, gelegen aan de Churchillaan 86 te Amsterdam, en/of

- met gebruikmaking van een of meer vuurwapen(s) voornoemde [slachtoffer] en de aldaar aanwezigen bedreigd, en/of die [slachtoffer] en/of die aanwezigen de woorden toegevoegd: "politie, politie", en/of

- vervolgens voornoemde [slachtoffer] beetgepakt en/of geslagen, en/of

- voornoemde [slachtoffer] onder bedreiging van die vuurwapen(s) gedwongen om de coffeeshop te verlaten en/of mee te gaan in voornoemde gereedstaande Volkswagen Transporter en/of die [slachtoffer] in die Volkswagen Transporter getrokken en/of geduwd, en/of

- voornoemde [slachtoffer] meegenomen naar een kelder van een woning (te weten [A-straat nr] te Maasmechelen in België), en/of

- voornoemde [slachtoffer] aan handen en/of voeten geboeid vastgehouden in voornoemde woning;

2.

hij op of omstreeks 31 juli 2010 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, in het bezit was van een vals of vervalst identiteitsbewijs, in elk geval van een reisdocument, waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het vals of vervalst was, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat het identiteitsbewijs op een andere naam was gesteld dan die van verdachte;

3.

hij op of omstreeks 31 juli 2010 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk voorhanden heeft gehad een vals of vervalst rijbewijs op naam van [valse naam] - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

4.

hij op of omstreeks 31 juli 2010 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich - overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir - op het standpunt dat het onder 1. primair, 2., 3. en 4. ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ten aanzien van het onder 1. primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie - zakelijk weergegeven - het volgende betoogd.

Het slachtoffer [slachtoffer] is op 8 december 2009 uit zijn coffeeshop in Amsterdam ontvoerd door vier mannen, waarvan er zeker drie gewapend waren. Zij nemen het slachtoffer mee in een grijze Volkswagen Transporter (hierna ook: de bus). Alle daders dragen een bivakmuts. Van de ontvoering zijn camerabeelden beschikbaar.

Een omstander weet de achterruit van de bus nog in te slaan, wanneer deze met grote vaart wegrijdt. Aan de hand van de verklaring van een getuige wordt de bus 's avonds aangetroffen. In de bus worden DNA- en dactyloscopische sporen aangetroffen, die wijzen naar verschillende personen.

Van het slachtoffer wordt bijna vier maanden niets vernomen. Op 23 maart 2010 weet hij in Maasmechelen te ontsnappen. Het slachtoffer verklaart later bij zijn aangifte dat hij geboeid in een kelder in een huis in Maasmechelen heeft vastgezeten.

In de bus wordt een bivakmuts gevonden, waarin een DNA-mengprofiel van verdachte is aangetroffen. Dit is een duidelijk daderspoor, nu de bus kort na het delict is aangetroffen. Er is weliswaar sprake van een mengprofiel, maar dit mengprofiel betreft verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1], alias [bijnaam medeverdachte 1], van wie ook een haar in de bivakmuts is aangetroffen. Verdachte geeft geen plausibele verklaring voor het aangetroffen mengprofiel. Verdachte verklaart bij de politie dat hij nooit een bivakmuts draagt. Nadat hij wordt geconfronteerd met het feit dat zijn DNA in een bivakmuts is aangetroffen, komt verdachte met een ongeloofwaardige verklaring.

Het slachtoffer verklaart bij zijn aangifte dat hij had gehoord dat zijn ontvoerders Joegoslaven waren.

Verdachte legt wisselende verklaringen af over de medeverdachten. Zo verklaart hij eerst dat hij medeverdachte [medeverdachte 2] niet kent. Later verklaart hij dat hij hem wel kent en dat diens nummer in de telefoon van verdachte staat onder "[bijnaam medeverdachte 2]", de bijnaam van [medeverdachte 2].

Van [medeverdachte 2] is een handpalmspoor op de buitendeur van de coffeeshop aangetroffen, alsmede een DNA-profiel in bloed aan de greep van de schuifdeur aan de buitenzijde van de bus.

Uit een gesprek dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] op 7 oktober 2010 in een arrestantenbus voeren, welk gesprek is opgenomen, blijkt dat zij elkaar kennen, terwijl zij eerder allebei verklaren elkaar niet te kennen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat zij willen verhullen dat zij elkaar langer kennen.

Mede gezien de getuigenverklaring van [getuige 1], een contact van [vriendin medeverdachte 3], de vriendin van [medeverdachte 3], kan worden geconcludeerd dat verdachte en [medeverdachte 2] en [verdachte] in dezelfde kringen verkeren, sociale contacten met elkaar delen en in dezelfde horecagelegenheden komen.

Verdachte heeft vanuit de penitentiaire inrichting zijn vrouw telefonisch opdrachten gegeven bij de politie te verklaren dat hij, verdachte, steeds thuis was in december 2009.

Volgens de officier van justitie kan op grond van het voorgaande worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij het daadwerkelijk uit de coffeeshop halen van het slachtoffer. Op camerabeelden van de ontvoering is te zien dat sprake is van bewuste en nauwe samenwerking tussen de vier ontvoerders, zodat sprake is van medeplegen. De onder 1. primair ten laste gelegde gijzeling kan worden bewezen, nu het slachtoffer op een gewelddadige wijze is ontvoerd en overgedragen aan zijn bewakers, waarbij de ontvoerders willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat hij langdurig en onder slechte omstandigheden zou worden vastgehouden en er een tegenprestatie zou worden verlangd voor zijn vrijlating.

Ondanks het feit dat niet is komen vast te staan dat de ontvoerders, met uitzondering misschien van medeverdachte [medeverdachte 2], in België zijn geweest, kunnen hen gevolgen van de door hen gepleegde ontvoering wel worden aangerekend. Zij hadden rekening moeten houden met het feit dat het slachtoffer bijna vier maanden van zijn vrijheid beroofd is geweest en dat er losgeld voor hem is gevraagd.

Ten aanzien van de feiten zoals die onder 2., 3. en 4. ten laste zijn gelegd heeft de officier van justitie gewezen op de bekennende verklaring van verdachte, de processen-verbaal betreffende het onderzoek aan het identiteitsbewijs en het rijbewijs en de beschikking betreffende de ongewenstverklaring.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich - conform de door de raadsman overgelegde pleitaantekeningen - ten aanzien van het onder 1. primair en subsidiair ten laste gelegde op het standpunt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. De verdediging heeft daartoe het volgende aangevoerd, zakelijk weergegeven.

4.2.1 DNA

Het DNA-mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering van de binnenzijde van één van de in de Volkswagen Transporter gevonden bivakmutsen, matcht met het DNA-profiel van verdachte. Uit de NFI-rapportage van 14 december 2009 blijkt dat over de aan- of afwezigheid van speeksel in de bemonstering geen betrouwbare uitspraak kan worden gedaan.

Volgens het NFI kan verdachte één van de celdonoren zijn van celmateriaal in deze bemonstering. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is ongeveer één op één miljoen. Het DNA-profiel van onbekende man A matcht ook met het DNA-mengprofiel. Ook deze onbekende man A kan celdonor zijn van celmateriaal in deze bemonstering. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-mengprofiel is ongeveer één op één miljoen.

Een DNA-mengprofiel heeft een lagere bewijswaarde dan een volledig DNA-profiel.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 september 2007 bepaald dat uit de enkele omstandigheid dat op een kennelijk bij een misdrijf gebruikt kledingstuk een DNA-spoor van de verdachte is aangetroffen, niet zonder meer kan volgen dat hij dat misdrijf heeft "medegepleegd", althans niet zonder nadere motivering.

Verdachte heeft in casu tijdens zijn voorgeleiding een verklaring gegeven voor de mogelijke aanwezigheid van celmateriaal in de bivakmuts. Zijn verklaring wordt bevestigd c.q. vindt steun in de verklaringen van [medeverdachte 1]. Het aangetroffen DNA-profiel van verdachte betreft een zogeheten nevenprofiel. Dat valt enerzijds af te leiden uit de frequentie van voorkomen, anderzijds uit het feit dat in de bivakmuts, naast het mengprofiel, ook een enkelvoudig DNA-profiel is aangetroffen van [medeverdachte 1], te weten een haar. [medeverdachte 1] is daarmee hoofddonor van het mengprofiel, maar tegelijkertijd ook meervoudig DNA-donor als het gaat om het aantal in de bivakmuts aangetroffen DNA-sporen.

Het DNA van verdachte is op enigerlei wijze op de bivakmuts terecht gekomen, waarna het zich heeft vermengd met het DNA van [medeverdachte 1], toen deze de bivakmuts op een later moment heeft gedragen. Het in de bivakmuts aangetroffen DNA van verdachte levert dan ook geen bewijs op voor de ten laste gelegde gijzeling/vrijheidsberoving.

4.2.2 Telefoon

De omstandigheid dat een telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan medeverdachte [medeverdachte 2] gevonden is in een onder verdachte in beslag genomen telefoon, kan - afgezien van de vraag of verdachte en [medeverdachte 2] elkaar kennen - op geen enkele manier een link leggen tussen beiden die verband houdt met de ontvoering op 8 december 2009.

4.2.3 OVC

De Opgenomen Vertrouwelijke Communicatie tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] op 7 oktober 2010 dient van het bewijs te worden uitgesloten. De bevoegdheid van artikel 126l van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) strekt tot het opnemen van de gegevens, niet tot de enkele kennisneming. In verband met de controleerbaarheid achteraf mag communicatie met een technisch hulpmiddel uitsluitend worden onderschept als zij wordt opgenomen. De technische eisen van de apparatuur moeten daarop zijn ingesteld. Het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering voorziet hierin.

In het dossier zijn geen stukken aangetroffen die zien op het voldoen aan de gestelde vereisten. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat niet aan de in de wet gestelde vereisten is voldaan.

Artikel 126l, lid 8 Sv bepaalt dat van het opnemen binnen drie dagen proces-verbaal wordt opgemaakt. Er is echter pas op 20 oktober 2010 proces-verbaal opgemaakt.

Er is derhalve sprake van schending van strafvorderlijke beginselen. Het verzuim kan niet meer worden hersteld.

Indien de rechtbank niet tot bewijsuitsluiting overgaat, dient subsidiair de vraag te worden gesteld wat het gesprek aantoont. Dat is alleen dat verdachte de verschillende verdachten in het dossier op de één of andere manier kent, meer niet.

4.2.4 Overige feiten

De verdediging heeft zich ten aanzien van de onder 2., 3. en 4. ten laste gelegde feiten op het standpunt gesteld dat deze wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, nu verdachte deze feiten heeft bekend.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Ten aanzien van het onder 1. primair en 1. subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank acht niet bewezen wat onder 1. primair en 1. subsidiair is ten laste gelegd.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De rechtbank stelt op grond van de processen-verbaal van de camerabeelden vast dat

[slachtoffer] op 8 december 2009 met geweld uit zijn coffeeshop in Amsterdam is ontvoerd door vier mannen, die allen een bivakmuts droegen en waarvan er drie gewapend waren. De daders gaan er met [slachtoffer] in een Volkswagen Transporter (verder: de bus) vandoor. De achterruit van de bus wordt ingeslagen door een omstander. Later diezelfde dag wordt een bus met kapotte achterruit aangetroffen. In de bus worden onder meer bivakmutsen en spullen van [slachtoffer] gevonden. De rechtbank is op grond hiervan dan ook van oordeel dat de bus bij de ontvoering van [slachtoffer] is gebruikt. Voorts heeft de eigenaar van de bus, die aangifte heeft gedaan van diefstal van deze bus op 5 december 2009, verklaard dat er tot de diefstal geen kledingstukken in de bus hebben gelegen. De rechtbank acht op grond hiervan de aanname gerechtvaardigd dat de daarin aangetroffen bivakmutsen bij de ontvoering zijn gebruikt. De bivakmutsen worden voor onderzoek naar het NFI gestuurd.

Uit het rapport van het NFI van 14 december 2009 blijkt dat in de bemonstering [AABS9119NL]#1 van de binnenzijde van de bivakmuts, welke zich blijkens een rapport van bevindingen tussen de voorstoelen van de bus bevond, celmateriaal is aangetroffen dat afkomstig kan zijn van 'onbekende man A' en 'onbekende man B'. Dit DNA-mengprofiel is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank en vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking is een match gevonden met het DNA-profiel van verdachte. Dit betekent dat verdachte één van de celdonoren kan zijn van celmateriaal in deze bemonstering. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is ongeveer één op één miljoen.

Uit het rapport van het NFI van 22 januari 2010 blijkt dat in voornoemde bivakmuts [AABS9119NL] tevens een haar [AABP0276NL] is aangetroffen met celmateriaal dat afkomstig kan zijn van 'onbekende man A'. Uit het rapport volgt dat vanwege de match met het DNA-profiel van onbekende man A en omdat het DNA-profiel van onbekende man A is verkregen van celmateriaal op een haar uit dezelfde bivakmuts als waarvan de bemonstering [AABS9119NL]#1 is genomen, aangenomen wordt dat onbekende man A daadwerkelijk één van de celdonoren van het celmateriaal in deze bemonstering is. Onder deze aanname is het DNA-profiel van een tweede celdonor afgeleid. Het DNA-profiel van verdachte matcht met dit afgeleide DNA-profiel. De berekende frequentie van het afgeleide DNA-profiel van de tweede celdonor van het celmateriaal in deze bemonstering is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit afgeleide DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde aanname gerechtvaardigd is, zodat zij de bevindingen en conclusies van het NFI volgt .

Dit spoor alleen - weliswaar aangetroffen op een bij de ontvoering gebruikte bivakmuts - is naar het oordeel van de rechtbank echter niet genoeg om tot een bewezenverklaring van het onder 1. ten laste gelegde te komen. Uit de enkele omstandigheid dat op een kennelijk bij de ontvoering gebruikte bivakmuts DNA-sporen van verdachte zijn aangetroffen, kan immers niet zonder meer volgen dat verdachte die ontvoering heeft "medegepleegd".

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de overige door de officier van justitie aangedragen feiten en omstandigheden niet bijdragen aan het bewijs van het onder 1. ten laste gelegde en bevat het dossier ook overigens geen bewijs dat, tezamen met het aangetroffen DNA-spoor, kan leiden tot een bewezenverklaring.

Het tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] op 7 oktober 2010 in de arrestantenbus gevoerde gesprek is weliswaar opmerkelijk, maar naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende redengevend voor het bewijs van het ten laste gelegde. Ditzelfde geldt ten aanzien van het gesprek tussen verdachte en zijn partner, [partner van verdachte]. Ook het feit dat het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte 2] in de telefoon van verdachte zou staan, levert geen bewijs van het onder 1. ten laste gelegde op.

Ten aanzien van de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring over het dragen van een bivakmuts, merkt de rechtbank op dat zij deze niet onaannemelijk acht. Het enkele feit dat verdachte tijdens het verhoor van 2 augustus 2010 eerst in algemene zin antwoordt dat hij nooit een bivakmuts draagt en, na doorvragen van de politie en de confrontatie met het aantreffen van zijn DNA, aangeeft onder meer tijdens het motorrijden wel eens een bivakmuts te dragen, maakt zijn verklaring nog niet onaannemelijk.

De rechtbank stelt derhalve vast dat er, naast het aangetroffen DNA-spoor, te weinig bijkomende omstandigheden zijn om tot het wettig en overtuigend bewijs van het medeplegen van het onder 1. primair dan wel subsidiair ten laste gelegde te komen. Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

4.3.2 Ten aanzien van het onder 2., 3. en 4. ten laste gelegde

De rechtbank acht op grond van de wettige bewijsmiddelen het onder 2., 3. en 4. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.i

Verdachte is op 31 juli 2010 aangehouden in Rotterdam.ii Onder verdachte zijn op 31 juli 2010 een identiteitskaart en rijbewijs op naam van [valse naam] in beslag genomen.iii

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij weet dat hij ongewenst vreemdeling is en dat hij weet dat hij een rijksdocument en rijbewijs had waar zijn pasfoto op zit met een andere naam. Verdachte heeft verklaard dat hij die ook gebruikte.iv

Uit onderzoek aan het identiteitsbewijs en het rijbewijs, beiden op naam van [valse naam], is gebleken dat deze vervalst zijn.v

In het dossier bevindt zich een afschrift van de beschikking tot ongewenstverklaring van verdachte op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet (de rechtbank begrijpt: Vreemdelingenwet 2000).vi

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4.3.2 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

op 31 juli 2010 te Rotterdam, in het bezit was van een vervalst identiteitsbewijs, waarvan verdachte wist dat het vervalst was, bestaande die vervalsing hierin dat het identiteitsbewijs op een andere naam was gesteld dan die van verdachte;

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde

op 31 juli 2010 te Rotterdam, opzettelijk voorhanden heeft gehad een vervalst rijbewijs op naam van [valse naam] - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

Ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde

op 31 juli 2010 te Rotterdam, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf

8.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1. primair, 2., 3. en 4. bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft de rechtbank tevens verzocht de gevangenneming te bevelen.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1. primair en subsidiair ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het onder 2., 3. en 4. ten laste gelegde stelt de verdediging zich op het standpunt dat, gezien het feit dat verdachte bijna een jaar in voorlopige hechtenis heeft verbleven, hij zijn straf ten aanzien van deze feiten ruimschoots heeft uitgezeten.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte is in het bezit geweest van een vervalst identiteitsbewijs. Daarnaast heeft hij een vervalst rijbewijs voorhanden gehad. Hierdoor heeft hij het vertrouwen geschaad dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in dergelijke documenten.

Tenslotte heeft verdachte een jegens hem door het bevoegd gezag genomen besluit genegeerd, waardoor hij het door de overheid gevoerde vreemdelingenbeleid heeft doorkruist.

Uit een uittreksel Justitiële Documentatie van 28 oktober 2010 op naam van [verdachte] blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke feiten.

Mede gelet op de oriëntatiepunten die plegen te worden gehanteerd voor feiten als de onderhavige, zal de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur opleggen.

Nu de rechtbank niet komt tot een bewezenverklaring van het onder 1. ten laste gelegde wijkt de op te leggen straf in belangrijke mate af van de eis van de officier van justitie.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 197, 225 en 231 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart het onder 1. primair en 1. subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2., 3. en 4. ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 2. bewezenverklaarde

In het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet, dat het vervalst is.

Ten aanzien van het onder 3. bewezenverklaarde

Opzettelijk een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Ten aanzien van het onder 4. bewezenverklaarde

Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.P.E. Meewisse, voorzitter,

mrs. H.P.H.I. Cleerdin en F.J. van de Poel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. Noomen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 november 2011.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii P. 44 en 45 (rubriek Ambtshandelingen).

iii P. 205 en 206 (rubriek KVI/BVO).

iv Verhoor verdachte van de rechter-commissaris d.d. 3 augustus 2010.

v P. 269 t/m 273 (rubriek Bevindingen).

vi Een geschrift, p. 35 t/m 37 (persoonsdossier [verdachte]).