Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU5067

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
18-11-2011
Zaaknummer
13-529151-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden tot zes jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/529151-09 (Promis)

Datum uitspraak: 17 november 2011

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [1973],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring "Het Schouw" te Amsterdam.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 31 oktober 2011, 2 november 2011 en 3 november 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. H. Hoekstra, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.J. Roelse, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging op de zitting van 20 januari 2011 - ten laste gelegd dat

hij op in of omstreeks de periode van 8 december 2009 tot en met 23 maart 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of te Maasmechelen, in elk geval in België,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk die [slachtoffer] en/of (een) ander(en), te weten een of meerdere familieleden en/of bekenden van voornoemde [slachtoffer], te dwingen iets te doen of niet te doen, immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- met gebruikmaking van een Volkswagen Transporter zich begeven naar de coffeeshop Goed-Goed, gelegen aan de Churchillaan 86 te Amsterdam, en/of

- met gebruikmaking van een of meer vuurwapen(s) voornoemde [slachtoffer] en de aldaar aanwezigen bedreigd, en/of die [slachtoffer] en/of die aanwezigen de woorden toegevoegd: "politie, politie", en/of

- vervolgens voornoemde [slachtoffer] beetgepakt en/of geslagen, en/of

- voornoemde [slachtoffer] onder bedreiging van die vuurwapen(s) gedwongen om de coffeeshop te verlaten en/of mee te gaan in voornoemde gereedstaande Volkswagen Transporter en/of die [slachtoffer] in die Volkswagen Transporter getrokken en/of geduwd, en/of

- voornoemde [slachtoffer] meegenomen naar een kelder van een woning (te weten [A-straat nr] te Maasmechelen in België), en/of

- voornoemde [slachtoffer] aan handen en/of voeten geboeid vastgehouden in voornoemde woning, en/of

- tegen een of meerdere familieleden en/of bekenden van voornoemde [slachtoffer] gezegd dat zij aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) een geldbedrag moesten betalen voor de vrijlating van voornoemde [slachtoffer];

subsidiair:

hij op in of omstreeks de periode van 8 december 2009 tot en met 23 maart 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of te Maasmechelen, in elk geval in België,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en / of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij, verdachte, en / of (een of meer) van zijn mededader(s)

- met gebruikmaking van een Volkswagen Transporter zich begeven naar de coffeeshop Goed-Goed, gelegen aan de Churchillaan 86 te Amsterdam, en/of

- met gebruikmaking van een of meer vuurwapen(s) voornoemde [slachtoffer] en de aldaar aanwezigen bedreigd, en/of die [slachtoffer] en/of die aanwezigen de woorden toegevoegd: "politie, politie", en/of

- vervolgens voornoemde [slachtoffer] beetgepakt en/of geslagen, en/of

- voornoemde [slachtoffer] onder bedreiging van die vuurwapen(s) gedwongen om de coffeeshop te verlaten en/of mee te gaan in voornoemde gereedstaande Volkswagen Transporter en/of die [slachtoffer] in die Volkswagen Transporter getrokken en/of geduwd, en/of

- voornoemde [slachtoffer] meegenomen naar een kelder van een woning (te weten [A-straat nr] te Maasmechelen in België), en/of

- voornoemde [slachtoffer] aan handen en/of voeten geboeid vastgehouden in voornoemde woning.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich - overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir - op het standpunt dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie voert daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aan.

Achterin de bus, die bij de ontvoering is gebruikt, wordt een bivakmuts gevonden met daarin aan de buitenzijde een autosomaal DNA-profiel van verdachte en aan de binnenzijde een mengprofiel van verdachte met [medeverdachte 1] en een onbekende derde. Verdachte geeft hiervoor geen enkele plausibele verklaring.

Naast het technisch bewijs tegen verdachte zijn er de verklaringen van [zus 1] en [zus 2], de halfzus respectievelijk tweelingzus van [zus 3], die destijds de vriendin van verdachte was. Uit de verklaringen van [zus 1] en [zus 2] kan worden afgeleid dat zij beiden voor de aanhouding van verdachte wisten van de ontvoering. Ten aanzien van de verklaring van [zus 3] heeft de officier van justitie verklaard dat zij een onbetrouwbare getuige is, omdat zij aantoonbaar liegt en daar ook een belang bij heeft nu zij de (ex-)vriendin van verdachte is.

Opmerkelijk is verder dat verdachte medio februari 2010, na de aanhouding van [medeverdachte 1], naar het buitenland is verdwenen, zonder dit iemand te melden, zelfs niet zijn vriendin [zus 3] of zijn ex-vrouw, met wie hij een kind heeft.

Voorts heeft verdachte verklaard [medeverdachte 2], alias [bijnaam medeverdachte 2], niet te kennen. [medeverdachte 2], die zelf verdachte is op grond van diverse in de bus aangetroffen sporen, verklaart echter verdachte wel heel goed te kennen.

Uit een opgenomen gesprek tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] in een arrestantenbus op 7 oktober 2010 blijkt dat verdachte [medeverdachte 3] op het hart drukt te zeggen dat zij elkaar niet kennen en dat [medeverdachte 3] ook moet zeggen dat hij het niet is geweest.

Geconcludeerd kan worden dat verdachte niet gelinkt wil worden aan zijn medeverdachten, aldus de officier van justitie.

Volgens de officier van justitie kan op grond van het voorgaande worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij het daadwerkelijk uit de coffeeshop halen van het slachtoffer [slachtoffer]. Op camerabeelden van de ontvoering is te zien dat sprake is van bewuste en nauwe samenwerking tussen de vier ontvoerders, zodat sprake is van medeplegen. De primair ten laste gelegde gijzeling kan voor verdachte worden bewezen, nu het slachtoffer op een gewelddadige wijze is ontvoerd en overgedragen aan zijn bewakers, waarbij de ontvoerders willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat hij langdurig en onder slechte omstandigheden zou worden vastgehouden en er een tegenprestatie zou worden verlangd voor zijn vrijlating.

Ondanks het feit dat niet is komen vast te staan dat de ontvoerders, met uitzondering misschien van medeverdachte [medeverdachte 4], in België zijn geweest, kunnen hen gevolgen van de door hen gepleegde ontvoering wel worden aangerekend. Zij hadden rekening moeten houden met het feit dat het slachtoffer bijna vier maanden van zijn vrijheid beroofd is geweest en dat er losgeld voor hem is gevraagd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde - conform de overgelegde pleitaantekeningen - op het standpunt dat er geen wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.

De raadsman voert onder meer aan dat niet op basis van de verklaringen van [slachtoffer] kan worden gesteld dat de ontvoering zou zijn uitgevoerd door Joegoslaven.

Voorts kan het aantreffen van het DNA-materiaal in de bivakmuts niet tegen verdachte worden gebruikt, omdat niet duidelijk is wat de aard van het DNA-materiaal is, wanneer dit op de bivakmuts terecht is gekomen, of dit door directe of indirecte overdracht is gebeurd, onder welke omstandigheden dit gebeurde en of verdachte de bivakmuts zelf überhaupt heeft gedragen.

Ook de verklaringen van de getuigen [zus 2] en [zus 1] kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt, omdat zij beiden niet uit eigen wetenschap verklaren, maar afgaan op hetgeen [zus 3] hen heeft verteld terwijl juist [zus 3] de juistheid hiervan betwist.

Voorts voert de raadsman aan dat de verklaringen van [zus 1] en [zus 2] innerlijke tegenstrijdigheden bevatten en dat van een deugdelijke herkenning van verdachte op de camerabeelden door [zus 1] geen sprake kan zijn.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.i

Ontvoering

Op 8 december 2009 bevindt [slachtoffer] zich in zijn coffeeshop "Goed Goed" aan de Churchilllaan 86 in Amsterdam.ii Een Volkswagen Transporter rijdt volgens een getuige ter hoogte van Churchilllaan 80 vanaf de rijbaan de stoep op.iii Het voertuig stopt voor de ingang van de coffeeshop.iv De bus staat bijna tegen de voordeur aan, met de schuifdeur in de richting van de voordeur van de coffeeshop.v De schuifdeur van het voertuig gaat open.vi Vier met bivakmutsen gemaskerde mannen komen de coffeeshop binnen.vii Drie van hen hebben vuurwapens bij zich. Dader 1 heeft een op een pistool met geluiddemper gelijkend voorwerp in zijn linkerhand, daders 3 en 4 dragen een op een Kalashnikov AK-47 gelijkend vuurwapen in de rechterhand. Dader 1 richt zijn wapen bij binnenkomst direct op [slachtoffer] en pakt hem vast. Dader 3 en 4 richten zich op de overige aanwezigen. Geen van de daders draagt handschoenen.viii Door de daders wordt geroepen: "politie, politie".ix Dader 2 geeft [slachtoffer] een klap in zijn nek en [slachtoffer] wordt mee naar buiten getrokken.x [slachtoffer] wordt via de schuifdeur de bus ingetrokken.xi

Een neef van [slachtoffer] slaat met een tafel van het terras nog de achterruit van de bus van de mannen stuk.xii De bus rijdt weg.xiii Naar aanleiding van een item in het televisieprogramma "Opsporing Verzocht" meldt een getuige dat zij omstreeks 15:30 uur op 8 december 2009 op de Amsteldijk een grijze Volkswagen bus heeft zien staan, waarvan de achterruiten zijn ingeslagen. Het kenteken van de bus is [kenteken]. De getuige heeft de bus zien staan nabij de ingang van begraafplaats Zorgvlied.xiv

Op de Amsteldijk wordt omstreeks 22:00 uur een Volkswagen Transporter met voornoemd kenteken aangetroffen. De achterramen van de Volkswagen Transporter zijn vernield.xv

De bus wordt onderzocht en er worden stukken van overtuiging veiliggesteld, onder meer twee bivakmutsen en sleutelbossen.xvi Foto's van de sleutelbossen worden later aan de vriendin van [slachtoffer]xvii getoond en zij herkent op één van de foto's de sleutelbos. Een sleutel daaraan is van hun huis in België.xviii

Op de binnenzijde van de rechterachterdeur van de bus zitten bloedvegen.xix Het DNA-profiel van het bloed in de bemonstering van de binnenzijde van de achterdeuren matcht - kort gezegd - met het DNA-profiel van [slachtoffer].xx

Glasvergelijkend onderzoek aan het glas vanuit de sponning van de achterruiten van de bus ('referentieglas') en glas aangetroffen op de plaats delict ('vreemd glas') wijst uit dat de resultaten van het onderzoek veel waarschijnlijker zijn als de glasdeeltjes afkomstig zijn van de ruit(en) waartoe het referentieglas heeft behoord, dan wanneer ze afkomstig zijn van (een) willekeurig andere ruit(en) of glazen object(en).xxi

De eigenaar van de bus, die aangifte heeft gedaan van diefstal van deze bus op 5 december 2009xxii, heeft verklaard dat er tot de diefstal geen kledingstukken in de cabine van de bus hebben gelegen. De op 8 december 2009 in de bus aangetroffen bivakmutsen, die aan de hand van foto's door de politie aan aangever worden getoond, herkent hij niet.xxiii

Tussenconclusie

De rechtbank is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat de aangetroffen Volkswagen Transporter op 8 december 2009 bij de ontvoering van [slachtoffer] is gebruikt en acht tevens de aanname gerechtvaardigd dat de daarin aangetroffen bivakmutsen bij de ontvoering zijn gebruikt.

Ontsnapping

Op 23 maart 2010 komt [slachtoffer] in Maasmechelen, België, een tankstation binnenlopen, met onderaan zijn linkerbeen een paar handboeien waarvan één zijde open is. Hij verklaart te zijn ontsnapt uit een woning gelegen aan de overzijde van het tankstation langs de [A-straat], waar hij vier maanden is vastgehouden in de kelder. De woning betreft het perceel [A-straat nr].xxiv Bij onderzoek in de woning wordt in de kelder een ketting aangetroffen die met een draaibout in de vloer is bevestigd.xxv

[slachtoffer] wordt door de Nederlandse politie in België opgehaald. Hij heeft rond beide polsen donkergekleurde striemen.xxvi [slachtoffer] verklaart dat hij met handen en voeten geboeid vastzat. Kettingen die aan zijn hand en voeten zaten, zaten vast aan een schroef in de grond.xxvii [slachtoffer] heeft niemand het recht of de toestemming gegeven dit feit te plegen.xxviii

DNA-spoor

Uit het rapport van het NFI van 14 december 2009 blijkt dat in de bemonstering van één van de gevonden bivakmutsen [AABS9125] aan de buitenzijde [AABS9125NL]#2 celmateriaal is aangetroffen dat afkomstig kan zijn van 'onbekende man C'. Dit DNA-mengprofiel is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank en vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking is een match gevonden met het DNA-profiel van verdachte. Dit betekent dat verdachte één van de celdonoren kan zijn van celmateriaal in deze bemonstering. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is ongeveer één op één miljard. In de bemonstering aan de binnenzijde van de bivakmuts [AABS9125NL]#1 wordt celmateriaal aangetroffen dat afkomstig kan zijn van minimaal 3 personen.xxix Uit het rapport van het NFI van 22 januari 2010 blijkt dat de DNA-profielen van verdachte en [medeverdachte 1] matchen met dit DNA-mengprofiel. Zij kunnen celdonoren zijn van celmateriaal in deze bemonstering.xxx

Aanhouding [medeverdachte 1]

Op 8 februari 2010 wordt voornoemde [medeverdachte 1] aangehouden.xxxi

Verblijf verdachte in Duitsland

Verdachte heeft op 27 mei 2010 bij de politie verklaard dat hij voor zijn aanhouding op 9 april 2010 in Emmerich, Duitslandxxxii twee maanden in hotel-restaurant "Montenegro" te Emmerich is verbleven.xxxiii

Zusjes [achternaam zussen]

Verdachte heeft eerder op 19 mei 2010 verklaard een serieuze relatie te hebben met [zus 3]xxxiv en dat mensen hem kennen als [bijnaam verdachte].xxxv Door [zus 3] wordt hij [bijnaam verdachte] genoemd.xxxvi [zus 3] heeft een tweelingzus, [zus 2], en een halfzus, [zus 1].xxxvii

Getuige [zus 1]

Getuige [zus 1] heeft op 27 april 2010 tegenover de politie het volgende verklaard:

"Ik ben één keer met haar (de rechtbank begrijpt: [zus 3]) in Duitsland geweest. (...) Toen we in Emmerich aankwamen, stond [bijnaam verdachte] daar.

Ongeveer drie weken voor hij werd aangehouden. (...) De treintickets heb ik niet meer.

Die heb ik weggedaan. Want niemand mocht weten dat we daar geweest zijn.

[bijnaam verdachte] vertelde dat hij gezocht werd voor een zaak in Nederland. En dat niemand mocht weten waar hij was.

(...)

Ja, dat is die [bijnaam verdachte]. Die heeft ook bij haar in huis gewoond.

Voor de feestdagen ben ik bij [zus 3] ingetrokken. Toen woonde [bijnaam verdachte] daar ook al. Ik heb het dan over de [adres].

(...)

Dat hij (de rechtbank begrijpt: [bijnaam verdachte]) betrokken was bij een kidnapping. Zij (de rechtbank begrijpt: [zus 3]) vertelde me dit twee dagen nadat we terug waren uit Duitsland. Het was ook op Opsporing Verzocht geweest. Het zou in Amsterdam zijn gebeurd. Toen was [bijnaam verdachte] nog niet aangehouden. Dat gebeurde pas twee weken later.

(...)

Ja, die dag (de rechtbank begrijpt: heeft de getuige dat gezien bij Opsporing Verzocht). We dachten dat het de tweede was die binnen kwam, of de derde. (...)"xxxviii

Op 9 december 2010 heeft getuige [zus 1] ten overstaan van de rechter-commissaris de volgende verklaring afgelegd:

"(...) Ik heb [bijnaam verdachte] in totaal 4 keer gezien. Drie keer in het huis in [plaats] en 1 keer in Duitsland. Destijds kon ik goed met mijn zus opschieten. Ik kwam toen veel bij haar over de vloer. Dat was in het voorjaar van 2010. Ik heb [bijnaam verdachte] bij die gelegenheden alleen gedag gezegd. In Duitsland heb ik wel met hem gesproken. (...)

Die dag hebben wij met zijn drieën gegeten. (...) Hij spreekt Joegoslavisch en heel gebrekkig Nederlands, maar ik heb wel gehoord, van hemzelf, dat hij zijn zoontje in Nijmegen had gezien en ook dat hij niet terugkon naar Nederland omdat hij problemen had en omdat mensen hem zochten. (...) [zus 3] heeft mij verteld dat hij niet terugkon naar Nederland vanwege een overval op een coffeeshop. Dat vertelde [zus 3] mij toen wij terug waren in Nederland. Ik mocht het van haar tegen niemand zeggen want dat bracht hem in gevaar. Terug in Nederland heeft zij mij ook een filmpje van die overval op YouTube laten zien. (...)

Dat filmpje op YouTube liet [zus 3] mij zien voordat [bijnaam verdachte] werd aangehouden. Ik weet dat omdat [zus 3] daarna nog een aantal keren, elke week, naar Duitsland ging om hem te bezoeken. (...)"xxxix

Getuige [zus 2]

[zus 2] is op 21 april 2010 door de politie telefonisch gesproken. Zij verklaart het volgende:

"(...) [zus 3] heeft mij ongeveer drie maanden geleden verteld over [bijnaam verdachte]. (...) Ik heb [bijnaam verdachte] één keer gezien in het café. (...)

Tevens huurt [zus 3] een kamer in de woning en daar heeft [bijnaam verdachte] ook een kamer gehad. (...)"xl

Op 27 april 2010 heeft getuige [zus 2] ten overstaan van de politie het volgende verklaard:

"(...) Ik hoorde van [zus 3], ongeveer twee maanden geleden, dat [bijnaam verdachte] had gezegd dat hij even weg ging. [bijnaam verdachte] had niet gezegd waar hij naar toe ging. Toen is [bijnaam verdachte] ook vertrokken. [zus 3] heeft toen een periode niets van [bijnaam verdachte] gehoord en was ongerust.

Volgens mij heeft [zus 3] op 24 maart 2010 weer van [bijnaam verdachte] gehoord. Ik weet dit, omdat dit de verjaardag van onze moeder is. Toen is [zus 3] die dag vertrokken naar Emmerich, Duitsland. Daar zat [bijnaam verdachte] namelijk. (...)

[zus 3] is vervolgens nog vier of vijf keer op en neer gereisd naar [bijnaam verdachte] in Emmerich.

(...)

Volgens mij vanaf 24 maart 2010 (de rechtbank begrijpt: wist [zus 3] dat hij gezocht werd). Zij vertelde dat hij werd gezocht en dat hij daarom in Duitsland zat. Dat had [bijnaam verdachte] tegen haar gezegd."xli

Op 29 april 2010 is [zus 2] nogmaals als getuige door de politie gehoord. Zij verklaart:

"(...) [zus 3] had geld geleend bij iemand voor een paspoort, rijbewijs en een pinpas voor [bijnaam verdachte]. Zij had dat geld bij [oud-werkgever zus 3] geleend en naar [bijnaam verdachte] in Duitsland gebracht. Tegen [oud-werkgever zus 3] had ze gezegd dat het geld voor een huurachterstand was. (...)"xlii

Getuige [zus 2] heeft op 24 november 2010 bij de rechter-commissaris het volgende verklaard:

"(...) Op 24 maart 2010 is mijn moeder jarig. [zus 3] kwam niet opdagen op haar verjaardag. Een paar dagen daarna vertelde zij mij dat zij naar Duitsland, naar Emmerich was gegaan, omdat [bijnaam verdachte] daar was. Weer een paar dagen later vertelde zij dat er op Opsporing Verzocht iets was waar hij mee te maken had. (...)

U houdt mij voor dat ik op 27 april 2010 bij de politie heb gezegd dat [zus 3], nadat [bijnaam verdachte] was aangehouden, mij vertelde dat het over een ontvoering ging (...). Dat klopt niet. Zij had mij dat ook al voordat hij werd aangehouden verteld. (...)"xliii

4.3.2 Overwegingen rechtbank

De rechtbank gaat er van uit dat bivakmuts [AABS9125] een dadervoorwerp is, nu vaststaat dat vier personen met bivakmutsen op de coffeeshop binnen zijn gekomen en voornoemde bivakmuts is aangetroffen in de bus die bij de ontvoering is gebruikt.

Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA in/aan die bivakmuts. Verdachte heeft verklaard dat hij nooit een bivakmuts op heeft gehad.xliv

Daar tegenover staat echter dat zowel een enkelvoudig profiel van verdachte aan de buitenzijde van de muts is aangetroffen, als een mengprofiel aan de binnenzijde.

De rechtbank overweegt dat deze sporen alleen niet tot een bewezenverklaring kunnen leiden. Uit de enkele omstandigheid dat op een kennelijk bij de ontvoering gebruikte bivakmuts DNA-sporen van verdachte zijn aangetroffen, kan immers niet zonder meer volgen dat verdachte die ontvoering heeft medegepleegd.

De getuigen [zus 1] en [zus 2] hebben in dit verband echter belangrijke verklaringen afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [zus 1] en [zus 2] wel voor het bewijs kunnen worden gebruikt en overweegt daartoe het volgende.

Anders dan door de raadsman is betoogd, geldt voor de verklaring van [zus 1] dat deze deels op eigen wetenschap berust. [zus 1] heeft immers zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris expliciet verklaard in Duitsland zelf van verdachte te hebben gehoord dat hij werd gezocht voor een zaak in Nederland en dat hij om die reden niet terug kon naar Nederland. Ook verdachte heeft verklaard dat [zus 1] in Duitsland is geweest.xlv

Het overige deel van de verklaring van [zus 1] en de gehele verklaring van [zus 2] zijn gebaseerd op hetgeen zij daarover van [zus 3] hebben gehoord. Dat [zus 3] achteraf heeft betwist dit tegen [zus 1] en [zus 2] te hebben gezegd, brengt de rechtbank op dit punt niet tot een ander oordeel.

De rechtbank is immers, met de officier van justitie, van oordeel dat de verklaring van [zus 3] aantoonbaar onjuistheden bevat.

Zo verklaart [zus 3] dat zij niet weet waar verdachte in [plaats] woonde, terwijl niet alleen [zus 1] en [zus 2] verklaren dat [zus 3] en verdachte enige tijd tegelijkertijd een kamer huurden aan de [adres], maar ook verdachte zelf heeft bij de politie verklaard in hetzelfde gebouw als [zus 3] te hebben gewoond.xlvi

Verder acht de rechtbank van belang dat de verklaring d.d. 29 april 2010 van [zus 2] ten aanzien van het door [zus 3] van [oud-werkgever zus 3] geleende geld, wordt ondersteund door de verklaring van [oud-werkgever zus 3] zelf. [oud-werkgever zus 3] was destijds de werkgever van [zus 3] en hij verklaart op 21 april 2010 tegenover de politie dat hij [zus 3] € 3.000,-- heeft geleend.xlvii Nu verdachte zelf heeft verklaard in die periode geld te hebben geleend om valse papieren te kunnen kopen, maar geen antwoord geeft op de vraag of [zus 3] hem dit geld heeft geleendxlviii, houdt de rechtbank het ervoor dat de verklaring van [zus 2] ook op dit punt klopt. Dit betekent tevens dat de verklaring van [zus 3] bij de rechter-commissaris - inhoudende dat zij van het van haar werkgever geleende geld hotelkosten, een doktersrekening, medicijnen en eten en drinken heeft gekocht - onjuist of onvolledig is.

Mede gelet op het feit dat [zus 3] destijds de vriendin van verdachte was en derhalve een belang zou kunnen hebben bij een verklaring die voor verdachte niet belastend is, acht de rechtbank de verklaring van [zus 3] dan ook ongeloofwaardig en gaat zij om die reden aan de inhoud daarvan voorbij.

Ook het verweer van de verdediging dat de verklaringen van [zus 1] en [zus 2] innerlijke tegenstrijdigheden bevatten treft geen doel. Naar het oordeel van de rechtbank verklaren beiden in ieder geval op hoofdlijnen consistent. Mocht er op detailniveau toch sprake zijn van innerlijke tegenstrijdigheden, dan tast dit de geloofwaardigheid van beide getuigen naar het oordeel van de rechtbank niet aan.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het feit dat verdachte kennelijk sinds de aanhouding van [medeverdachte 1] tot aan zijn eigen aanhouding ook daadwerkelijk in Duitsland heeft verbleven, de geloofwaardigheid van de verklaringen van [zus 1] en [zus 2] ondersteunt.

De rechtbank volgt de raadsman wel in zijn verweer dat van een deugdelijke herkenning van verdachte door [zus 1] op de camerabeelden geen sprake kan zijn, nu de rechtbank bij het bekijken van de camerabeelden op geen van de jassen van de daders een rond embleem heeft kunnen waarnemen. De rechtbank houdt het ervoor dat [zus 1], met hetgeen zij wist in haar achterhoofd, de beelden heeft bekeken en vanuit die wetenschap heeft geconcludeerd dat verdachte de tweede of derde dader moet zijn geweest die binnenkwam. Van een daadwerkelijke herkenning is geen sprake, al was het maar omdat niet een maar twee van de daders worden aangewezen. Anders dan dat deze 'herkenning' door [zus 1] niet voor het bewijs zal worden gebezigd, hoeft dit naar het oordeel van de rechtbank geen verdere consequenties te hebben.

De rechtbank overweegt ambtshalve nog als volgt. [zus 2] en [zus 1] zijn elk een aantal malen door de politie verhoord. Vervolgens zijn zij uitgebreid ondervraagd door de rechter-commissaris, in het bijzijn van de raadsman van verdachte. De raadsman is in de gelegenheid gesteld de getuigen te bevragen en heeft hiervan gebruik gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdediging hiermee in voldoende mate de gelegenheid gehad de verklaringen op hun betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten.

Op grond van hetgeen hierboven is overwogen is de rechtbank, alles in onderlinge samenhang beziend, van oordeel dat verdachte een van de feitelijke ontvoerders van [slachtoffer] is geweest.

Gelet op de uitvoeringshandelingen, zoals die blijken uit de camerabeelden en het daaromtrent opgemaakte proces-verbaal, is sprake van nauwe en bewuste samenwerking ten tijde van de ontvoering. Het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat dit ook geldt ten aanzien van het vervolgens meenemen van [slachtoffer] naar de kelder van de woning in Maasmechelen en het hem daar geboeid vasthouden en aldus wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden. Op dit punt neemt de rechtbank voorwaardelijk opzet aan. Verdachte heeft, door het medeplegen van de feitelijke, gewelddadige ontvoering van [slachtoffer] en het kennelijk overdragen van hem, voor zover hij dit niet geweten heeft, in ieder geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] ergens zou worden vastgezet en gedurende een bepaalde tijd zou worden vastgehouden.

Dit is anders ten aanzien van het oogmerk, zoals primair ten laste is gelegd. Voor het oogmerk op het een ander te dwingen iets te doen of niet te doen is voorwaardelijk opzet niet voldoende en is ten minste noodzakelijkheidsbewustzijn op het gewenste gevolg of resultaat vereist. Dit is in casu niet komen vast te staan. Verdachte zal van dit feit dan ook worden vrijgesproken.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van hetgeen subsidiair is ten laste gelegd.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

in de periode van 8 december 2009 tot en met 23 maart 2010 te Amsterdam en te Maasmechelen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders

- met gebruikmaking van een Volkswagen Transporter zich begeven naar de coffeeshop Goed-Goed, gelegen aan de Churchilllaan 86 te Amsterdam, en

- met gebruikmaking van vuurwapens voornoemde [slachtoffer] en de aldaar aanwezigen bedreigd, en die [slachtoffer] en die aanwezigen de woorden toegevoegd: "politie, politie", en

- vervolgens voornoemde [slachtoffer] beetgepakt en geslagen, en

- voornoemde [slachtoffer] onder bedreiging van die vuurwapens gedwongen om de

coffeeshop te verlaten en mee te gaan in voornoemde gereedstaande Volkswagen Transporter en die [slachtoffer] in die Volkswagen Transporter getrokken en/of geduwd, en

- voornoemde [slachtoffer] meegenomen naar een kelder van een woning, te weten [A-straat nr] te Maasmechelen in België, en

- voornoemde [slachtoffer] aan handen en voeten geboeid vastgehouden in voornoemde woning.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf

8.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar, met aftrek van voorarrest.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde vrijspraak bepleit.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de ontvoering van een coffeeshopeigenaar. Deze ontvoering is op klaarlichte dag gebeurd. Verdachte en zijn mededaders zijn, gewapend en met bivakmutsen op, de coffeeshop binnengestormd en hebben het slachtoffer in een gereedstaande bus gesleurd. Het slachtoffer heeft vervolgens onder mensonterende omstandigheden maandenlang geboeid vastgezeten in een kelder van een woning in België, waarbij hij voor zijn leven heeft gevreesd.

Verdachte en zijn mededaders hebben door hun handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Het is algemeen bekend dat de ervaring van een dergelijke gebeurtenis ernstige psychische gevolgen heeft voor het betrokken slachtoffer en zijn omgeving.

De ontvoering is ook voor de getuigen in de coffeeshop uitermate beangstigend en bedreigend geweest en zij zullen zeer waarschijnlijk ook nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan hebben ondervonden of nog steeds ondervinden.

Dit soort feiten veroorzaakt bovendien angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Voor een feit als het onderhavige kan dan ook slechts een gevangenisstraf voor de duur van jaren als een passende bestraffing gelden.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel Justitiële Documentatie van 28 oktober 2010. Hieruit blijkt dat verdachte in 1998 is veroordeeld wegens bedreiging en een feit strafbaar gesteld in de Wet wapens en munitie. Voorts is verdachte op 26 augustus 2010 veroordeeld wegens feiten, strafbaar gesteld in de Wet wapens en munitie. Deze veroordeling is nog niet onherroepelijk.

Gezien het feit dat de rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde, wijkt de rechtbank af van de eis van de officier van justitie. Gelet op hetgeen in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd komt de rechtbank tot na te noemen onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 63 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.P.E. Meewisse, voorzitter,

mrs. H.P.H.I. Cleerdin en F.J. van de Poel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. Noomen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 november 2011.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii P. 235 (rubriek Bevindingen).

iii P. 4 (rubriek Getuigen).

iv P. 47 en 50 (rubriek Bevindingen).

v P. 6 (rubriek Getuigen).

vi P. 50 (rubriek Bevindingen).

vii P. 25 (rubriek Getuigen).

viii P. 50 en 51 (rubriek Bevindingen).

ix Zie noot 7, p. 14 en p. 17 (rubriek Getuigen).

x P. 51 (rubriek Bevindingen).

xi P. 6 en p. 25 (rubriek Getuigen).

xii P. 25 (rubriek Getuigen).

xiii P. 6 (rubriek Getuigen).

xiv P. 3 (rubriek Getuigen).

xv P. 9 (rubriek Bevindingen).

xvi P. 19 en 21 (rubriek Forensische opsporing).

xvii P. 58 (rubriek Getuigen).

xviii P. 11 (rubriek Bevindingen).

xix P. 20 (rubriek Forensische opsporing).

xx P. 136 t/m 142 (rubriek Forensische opsporing).

xxi P. 144 t/m 149 (rubriek Forensische opsporing).

xxii Een geschrift, zijnde een afschrift van een proces-verbaal, p. 14 t/m 17 (rubriek Bevindingen).

xxiii P. 20 t/m 22 (rubriek Bevindingen).

xxiv Een geschrift, Pro Justitia, aanvankelijk pv nr.: TG.10.L9.001485/2010 d.d. 23/03/2010, ongenummerd blz. (rubriek Aanvulling dossier vanuit België).

xxv Een geschrift, Pro Justitia, navolgend proces-verbaal 001738/2010 - 24-03-2010, ongenummerde blz. (rubriek Aanvulling dossier vanuit België).

xxvi P. 139 (rubriek Bevindingen).

xxvii P. 236 (rubriek Bevindingen).

xxviii P. 241 (rubriek Bevindingen).

xxix P. 124 t/m 131 (rubriek Forensische opsporing).

xxx P. 159 t/m 172 (rubriek Forensische opsporing).

xxxi P. 137 en 138 (persoonsdossier [medeverdachte 1]).

xxxii P. 20 (persoonsdossier [verdachte]).

xxxiii P. 196 (persoonsdossier [verdachte]).

xxxiv P. 34 (persoonsdossier [verdachte]).

xxxv P. 33 (persoonsdossier [verdachte]).

xxxvi P. 200 (persoonsdossier [verdachte]).

xxxvii P. 34 (persoonsdossier [verdachte]).

xxxviii P. 257 t/m 261 (rubriek Getuigen).

xxxix Verhoor getuige d.d. 9 december 2010 van de rechter-commissaris.

xl P. 229 (rubriek Getuigen).

xli P. 231 t/m 233 (rubriek Getuigen).

xlii P. 245 t/m 248 (rubriek Getuigen).

xliii Verhoor getuige d.d. 24 november 2010 van de rechter-commissaris.

xliv P. 199 (persoonsdossier [verdachte]).

xlv P. 35 (persoonsdossier [verdachte]).

xlvi P. 31 (persoonsdossier [verdachte]).

xlvii P. 211 (rubriek Getuigen).

xlviii P. 201 (persoonsdossier [verdachte]).