Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU4376

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-10-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
AWB 11-4533 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

intrekking WAO; onttrekking vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel; onvoldoende onderzoek; toewijzen vovo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/4533 WAO

[verzoeker],

wonende te [woonplaats], België,

verzoeker,

gemachtigde mr. J.P.M. Sio,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde mr. P.M. Klootwijk.

Procesverloop

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende bezwaar tegen het besluit van verweerder van 3 augustus 2011 (het bestreden besluit).

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 oktober 2011.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. inleidende bepaling

1.1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2. feiten en omstandigheden

2.1. Verzoeker ontving een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de arbeidsongeschiktheidsuitkering van verzoeker met ingang van 1 augustus 2011 beëindigd. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat verzoeker vanaf 18 juli 2005 een door justitie opgelegde straf of maatregel zou moeten ondergaan. Verzoeker heeft zich echter onttrokken aan de tenuitvoerlegging van zijn straf of maatregel, zodat zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 1 augustus 2011 wordt beëindigd.

2.3. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij nooit veroordeeld is geweest in 2005 en dus absoluut niet weet waar het over gaat.

3. beoordeling

3.1. Bij wet van 16 december 2010 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2011, Stb. 2010/838) zijn enkele wijzigingen aangebracht in de WAO.

Op grond van artikel 43, zesde lid, van de WAO, zoals dat geldt sinds 1 januari 2011, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingetrokken, indien degene die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.

Op grond van het nieuw ingevoegde artikel 47c, eerste lid, van de WAO heeft de persoon, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 43, zesde lid is ingetrokken, vanaf de dag dat hij zich niet langer onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op dat tijdstip nog ongeschikt is.

3.2. In artikel 91i van de WAO is voorts een overgangsregeling getroffen welke luidt:

“1. Ten aanzien van de verzekerde wiens recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van artikel XIII, onderdeel Aa, van de Verzamelwet SZW 2011, al is ingegaan en die zich op die dag onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, wordt voor de toepassing van artikel 43, zesde lid, als eerste dag waarop hij zich aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel onttrekt, aangemerkt de dag van inwerkingtreding van artikel XIII, onderdeel Aa, van de Verzamelwet SZW 2011, en eindigt het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering in afwijking van artikel 43, zesde lid, vanaf de dag dat het onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel zes maanden heeft geduurd.

2. Dit artikel vervalt zes maanden na de dag van zijn inwerkingtreding.”

3.3. De wet van 16 december 2010 is op 1 januari 2011 in werking getreden. Bovengenoemd artikel 91i WAO is daarom per 1 juli 2011 vervallen.

3.4. Uit de kamerstukken betreffende het overgangsrecht als bedoeld in artikel 91i van de WAO (Kamerstukken, Tweede Kamer, vergaderjaar 2010-2011, 32 520, nummer 10, pagina 6) blijkt dat de wetgever van mening is dat het ontnemen van de sociale zekerheidsrechten aan personen, die zich onttrekken aan hun vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, in het verlengde ligt van de Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden (WSG). Die toepassing van het overgangsrecht bij de WSG is tot stand gekomen naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 juni 2004, LJN: AP4680. Uit deze rechtspraak leidt de voorzieningenrechter af dat evenwichtige afweging tussen enerzijds de gemeenschapsbelangen en de vereisten die voortvloeien uit artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, met zich meebrengt dat de betrokkene niet rauwelijks wordt geconfronteerd met de intrekking van zijn uitkering. In het geval van detentie van betrokkene is het de belanghebbende uit de aard der zaak bekend wat er aan de hand is.

3.5. De voorzieningenrechter overweegt verder dat het hier gaat om de intrekking van een eerder toegekend recht op WAO-uitkering en dat het dus gaat om een voor betrokkene belastend besluit. Dit brengt met zich mee dat het aan verweerder is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden en dat op verweerder de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot intrekking van het recht op WAO-uitkering over te gaan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 mei 2009, LJN BI4343).

3.6. Bij de onderhavige wetstoepassing zal het verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter op grond van objectieve gegevens duidelijk moeten zijn dat het de betrokkene bekend is, dan wel redelijkerwijs bekend moet zijn dat het Ministerie zich op het standpunt stelt dat er sprake is van een onttrekken van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, alvorens tot de intrekking van de uitkering als bedoeld in artikel 43, zesde lid, van de WAO wordt overgegaan. Die gegevens moeten bij een geval als het onderhavige voor de betrokkene controleerbaar en verifieerbaar zijn. Pas dan zal de belanghebbende zich immers in het kader van een bezwaar- op beroepsprocedure kunnen verdedigen of de intrekking op juiste gronden is geschied.

3.7. Nader toegespitst op deze zaak zal verweerder, in het geval waarin hij informatie ontvangt van het CJIB, ressorterend onder het Ministerie van Veiligheid en Justitie (het Ministerie), over aan een belanghebbende opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel en informatie over het feit dat betrokkene zich aan die maatregel onttrekt, naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het algemeen aan zijn onderzoeksplicht en bewijslast hebben voldaan, zonder dat van verweerder op zich kan worden verlangd alle door het CJIB verstrekte gegevens op juistheid te controleren.

Daarbij is naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel vereist dat uit de verkregen gegevens blijkt dat er een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd, door welke instantie die straf of vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd, of de straf onherroepelijk is, en of de straf aan de betrokkene bekend is gemaakt. Tevens is vereist dat aan de hand van het burgerservicenummer van de belanghebbende wordt gecontroleerd of het over dezelfde persoon gaat.

3.8. In het dossier bevindt zich een uitdraai met daarop het burgerservicenummer van verzoeker, zijn geboortedatum, de datum van de laatste betaling (van de uitkering) en de datum van de straf. Voorts bevindt zich in het dossier en brief van 20 september 2011 van het CJIB waaruit blijkt dat verzoeker op 18 oktober 1995 is veroordeeld door de politierechter te Breda tot een ATAN (Arbeid ten Algemene Nutte). Wegens het niet voltooien van Atan is deze straf op 11 maart 1997 omgezet naar 21 dagen gevangenisstraf. Uit de brief blijkt verder dat deze omzetting niet in persoon is betekend.

3.9. Verzoeker was op de hoogte van het strafvonnis van 1995, waarbij hij veroordeeld is tot werk ten algemene nutte, nu hij persoonlijk op de zitting aanwezig was. Van de omzetting van die straf tot een vrijheidsstraf in 1997 was hij echter niet op de hoogte. De voorzieningenrechter acht het, mede gezien de informatie uit de brief van het CJIB dat die beslissing niet aan hem is betekend, aannemelijk dat hij van de omzetting van die straf tot een vrijheidsstraf niet op de hoogte was.

3.10. Mede gezien de hiervoor genoemde uitspraak van de CRvB van 18 juni 2004 had het naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de reden gelegen om verzoeker te confronteren met de informatie van het CJIB, en het eventueel daarop gebaseerde voornemen om tot intrekking van de uitkering over te gaan, in plaats van de nu gehanteerde rauwelijkse intrekking. Verzoeker had dan de mogelijkheid gehad om, naast het rechtzetten van eventuele onjuiste gegevens, actie te ondernemen, door bijvoorbeeld alsnog zijn gevangenisstraf uit te zitten, of, zoals verzoeker in dit geval heeft gedaan, een verzoek tot gratie in te dienen.

Naar oordeel van de voorzieningenrechter is vooralsnog aannemelijk dat verweerder, door dit na te laten, aldus het besluit van 27 juli 2011, in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb, onzorgvuldig heeft voorbereid.

3.11. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende onderzocht of verzoeker zich daadwerkelijk heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende straf, nu verzoeker niet bekend was met de omzetting van de werkstraf naar 21 dagen gevangenisstraf. Gezien de formulering van het nieuwe zesde lid van artikel 43 van de WAO lijkt het er tevens op dat verweerder zich daarover een zelfstandig oordeel dient te vormen en daarbij niet alleen maar kan en mag afgaan op het standpunt van de CJIB daarover. Vooralsnog kan dan ook niet geoordeeld worden dat aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 43, zesde lid, van de WAO is voldaan.

3.12. Gelet op het voorgaande zal het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar geen stand kunnen houden. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding een voorlopige voorziening te treffen en het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de nog te nemen beslissing op bezwaar. Dit betekent dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van verzoeker doorloopt vanaf 1 augustus 2011.

3.13. Nu het verzoek wordt toegewezen zal de voorzieningenrechter verweerder veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten worden onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 874, - (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift + 1 punt voor het verschijnen ter zitting, per punt

€ 437, -). Tevens dient verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit tot zes weken na de nog te nemen beslissing op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan de griffier van de rechtbank;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van

€ 41,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.A.R. Bleijendaal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2011.

de griffier, de voorzieningenrechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D:B

SB