Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU4264

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-03-2011
Datum publicatie
14-11-2011
Zaaknummer
CV10-17294
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag, geen valse of voorgewende reden, maar omdat de werkgever zich niet niet als een goed werkgever heeft gedragen, is aan werknemer een schadevergoeding toegekend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0940
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Rolnummer: 1152990 CV EXPL 10-17294

Vonnis van: 11 maart 2011

F.no.: 472

Vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiser]

wonende te Amsterdam

eiser

nader te noemen [eiser]

gemachtigde: mr. L. Goudkade

t e g e n

[gedaagde]

gevestigd te Amsterdam

gedaagde

nader te noemen [gedaagde]

verschenen bij J. Bouter, algemeen directeur

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 6 mei 2010 inhoudende de vordering van [eiser], met producties;

- de conclusie van antwoord van [gedaagde], met producties.

Ingevolge tussenvonnis van 2 juli 2010 zijn vervolgens nog ingediend:

- de conclusie van repliek van [eiser], met producties;

- de conclusie van dupliek van [gedaagde], met producties;

- de akte waarin [eiser] heeft gereageerd op die laatste producties, met één productie.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

feiten en omstandigheden

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1. [eiser], geboren op 25 juni 1976, is op 1 januari 2007 in dienst getreden van [gedaagde] als tekstschrijver/copywriter. Het salaris bedroeg € 2.805,00 bruto per maand exclusief emolumenten.

1.2. [eiser] had voordien al als freelancer enige werkzaamheden voor [gedaagde] verricht.

1.3. Partijen hebben medio 2008 onderhandeld over beëindiging van het dienstverband van [eiser]. Zij zijn niet tot overeenstemming gekomen en [eiser] is in dienst gebleven.

1.4. [gedaagde] heeft op 14 april 2009 op bedrijfseconomische gronden een ontslagaanvraag bij het UWV ingediend voor [eiser]. Een tijdelijk contract met één andere werknemer, [medewerker 1], liep af op 13 mei 2009. Tijdens de UWV-procedure heeft [gedaagde] de tijdelijke arbeidsovereenkomst met een andere werknemer, [medewerker 2], niet verlengd.

1.5. De ontslagvergunning is bij beslissing van 24 juni 2009 geweigerd, waartoe is overwogen dat door de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [medewerker 2], een ontslag van [eiser] niet noodzakelijk was.

1.6. Tussen [eiser] en directeur [naam directeur] van [gedaagde] heeft een conflict plaatsgevonden op 29 juni 2009, waarbij [eiser] de toegang tot het pand van [gedaagde] is ontzegd. Na interventie van de politie is [eiser] weer toegelaten.

1.7. Bij brief van 30 juni 2009 heeft de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] geschreven dat uit de gedragingen van de werkgever wordt opgemaakt dat zij geen prijs meer stelt op de aanwezigheid van [eiser] en dat hij dan ook niet meer zal komen werken maar wel aanspraak heeft op loon. Voorts wordt gevraagd welke stappen de werkgever denkt te ondernemen nu zij op geen enkele wijze het dienstverband wenst voort te zetten.

1.8. [gedaagde] heeft bij email van 30 juni 2009 aan de gemachtigde terug geschreven – onder meer - dat [eiser] de escalatie zelf heeft uitgelokt, dat zijn afwezigheid ongeoorloofd is en dat een nieuwe ontslagvergunning is aangevraagd.

1.9. [gedaagde] heeft op 1 juli 2009 een tweede ontslagaanvraag ingediend bij het UWV op bedrijfseconomische gronden. [gedaagde] had toen, naast haar twee directeuren, nog twee medewerkers in dienst, namelijk [eiser] en [medewerker 3], de laatste als vormgever/dtp-er.

1.10. [eiser] is vanaf 30 juni 2009 tot en met 17 juli 2009 niet op het werk aanwezig geweest. Zijn gemachtigde heeft aan [gedaagde] meegedeeld dat de vrije periode moet worden beschouwd als afkoelingsperiode conform de STECR-werkwijze van arboartsen en dat [gedaagde] het salaris dient door te betalen.

1.11. [eiser] heeft zich op 29 juli 2009 wegens spanningsklachten ziek gemeld.

1.12. Op 18 augustus 2009 heeft het UWV toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [eiser] op te zeggen. Daartoe is onder meer overwogen:

“Het besluit van werkgever om in verband met thans voorliggende bedrijfseconomische omstandigheden op de personeelskosten te besparen, is mijns inziens niet op onredelijke gronden tot stand gekomen. Daarbij neem ik in aanmerking dat werkgever, ondanks een summiere onderbouwing met financiële stukken, aannemelijk heeft weten te maken dat de omzet essentieel is gedaald ten opzichte van de vergelijkbare periode in het jaar 2008. Ook het feit dat grote opdrachtgevers van werkgever zich hebben terug getrokken of hebben aangekondigd dat binnenkort te zullen doen, rechtvaardigt naar mijn oordeel dat werkgever verder op de personeelskosten wenst te bezuinigen om de verliezen te beperken. Bovendien erkent werknemer, wat daar verder ook de oorzaak van moge zijn, dat hij in de afgelopen maanden nauwelijks declarabel werk heeft verricht. De keuze van werkgever om de functie van Tekstschrijver van betrokkene te laten vervallen, acht ik evenmin onredelijk. Van mogelijke strijd met het afspiegelingsbeginsel is mij daarbij niet gebleken terwijl werkgever de beleidsvrijheid toekomt om zich te richten op het verwerven van vormgevingsopdrachten. (…) Herplaatsing van werknemer binnen de onderneming staat in dit geval op gespannen voet met de noodzaak om arbeidsplaatsen te laten vervallen. Herplaatsing binnen de onderneming kan in dit geval niet van werkgever gevergd worden. Gelet op het karakter van mijn toets kunnen inspanningen van werkgever om door middel van herplaatsing buiten de onderneming ontslag van werknemer te voorkomen slechts marginaal getoetst worden. Inspanningen met dit doel hoeven ook niet daadwerkelijk tot resultaat te leiden. (…)”

1.13. De arbeidsovereenkomst is met ingang van 1 oktober 2009 beëindigd.

1.14. Bij brief van 10 november 2009 heeft [eiser] doen meedelen nog aanspraak te hebben op 4 vakantiedagen en daarvan uitbetaling verlangd. [gedaagde] heeft het standpunt ingenomen dat alle vakantiedagen zijn opgenomen door [eiser].

Vordering en verweer

2. [eiser] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan hem van a) € 10.000,00 als schadevergoeding ter zake kennelijk onredelijk ontslag, b) € 1.949,95 bruto aan achterstallig salaris en c) € 515,86 bruto aan openstaande vakantiedagen met de wettelijke verhoging van 50% van de onder b) en c) genoemde bedragen en de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3. Hij stelt daartoe, zakelijk weergegeven, primair dat de door [gedaagde] aangevoerde bedrijfseconomische reden vals of voorgewend is. [gedaagde] heeft hem bewust en zonder gegronde reden uit haar onderneming willen werken. Er bestond geen financiële noodzaak om [eiser] te ontslaan, [gedaagde] heeft dat ook niet met financiële gegevens aangetoond, ondanks het verzoek van UWV daartoe. In tegenstelling tot hetgeen [gedaagde] beweert, omvatte [eiser]’s functie meer dan alleen tekstschrijven, hetgeen blijkt uit overgelegde verklaringen van diverse oud-medewerkers en partners van [gedaagde]. [eiser] heeft zijn werkzaamheden altijd naar behoren uitgevoerd.

Subsidiair voert [eiser] aan dat de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [gedaagde] daarbij. Voor [eiser] is geen enkele voorziening getroffen, hetgeen gezien de voorgeschiedenis van het ontslag en [eiser]’s perspectieven in een economisch instabiele periode op de arbeidsmarkt, op de weg van [gedaagde] had gelegen. [eiser] is niet begeleid naar ander passend werk. [gedaagde] heeft vanaf medio november 2008 geprobeerd [eiser] weg te pesten door hem geen opdrachten meer te verlenen, hem niet declarabel te doen zijn en zijn aanwezigheid op kantoor te negeren. Zij heeft zich niet als goed werkgever gedragen, aldus [eiser], die daarvoor ook verwijst naar voornoemde verklaringen van oud-collega’s.

4. Voorts voert [eiser] aan dat [gedaagde] ten onrechte het loon over de afkoelingsperiode na het incident op 29 juni 2009 niet heeft uitbetaald en 4 ongebruikte vakantiedagen niet heeft vergoed.

5. [gedaagde] voert verweer, waarvan de diverse onderdelen hieronder zullen worden besproken.

Beoordeling

Valse of voorgewende reden?

6. [gedaagde] heeft in de UWV-procedure en ook in de onderhavige procedure aangevoerd dat haar omzet sinds 2008 elk jaar aanzienlijk is gedaald en dat er sindsdien twee partners en drie medewerkers zijn vertrokken zonder dat hun functies zijn ingevuld. De jaarcontracten van [medewerker 1] en [medewerker 2] zijn niet verlengd. Enkele grote opdrachtgevers hebben hun opdrachten ingetrokken of niet verlengd. [gedaagde] heeft er voor gekozen haar inspanningen meer te richten op het verwerven van vormgevingsopdrachten.

7. Geoordeeld wordt dat het bestaan van een valse of voorgewende reden niet is gebleken. [gedaagde] heeft voldoende aangetoond dat haar onderneming steeds verder is ingekrompen en dat de omzetten zijn gedaald. Het staat haar als onderneming in beginsel vrij om haar werkzaamheden in te richten op een wijze die zij voor het behalen van de beste resultaten noodzakelijk acht. Derhalve kan haar niet worden verweten dat zij kiest voor het verwerven van vormgevingsopdrachten meer dan voor tekstopdrachten. Partijen verschillen van mening over de inhoud van het takenpakket van [eiser], maar onbetwist is dat [eiser]’s expertise niet op het terrein van vormgeving ligt.

De door [gedaagde] aangevoerde bedrijfseconomische reden wordt daarom geacht te hebben bestaan ten tijde van het verkrijgen van de ontslagvergunning.

Gevolgen?

8. [eiser] heeft geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou moeten worden afgeleid dat zijn arbeidsmarktperspectieven slecht waren ten tijde van het ontslag. Hij is hoog opgeleid, 34 jaar oud en was slechts kort in dienst van [gedaagde].

Met [eiser] wordt geoordeeld dat [gedaagde] zich in de opmaat naar de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet als een goed werkgever heeft gedragen. Het ontbreken van enige compensatie daarvoor doet het ontslag kennelijk onredelijk zijn.

Uit de door [eiser] overgelegde verklaringen van twee oud-directeuren en diverse oud-werknemers van [gedaagde] is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] vanaf het afketsen van de onderhandelingen over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst in november 2008, steeds meer werd afgehouden van het verrichten van werkzaamheden. Ook rijst daar het beeld uit dat [eiser] veel minder vrijheden kreeg dan zijn directe collega’s. Nadat het eerste verzoek tot toestemming voor ontslag was afgewezen, is er een incident geweest waarbij directeur [naam directeur] geweigerd heeft [eiser] na een meningsverschil weer toe te laten tot kantoor. Mogelijk droeg [eiser]’s houding daar ook aan bij, maar het getuigt van een weinig professionele en zakelijke houding van [gedaagde] dat interventie van de politie nodig was om [eiser] in de gelegenheid te stellen in elk geval zijn persoonlijke eigendommen uit kantoor te halen. Direct na het incident en 6 dagen na afwijzing van het eerste verzoek, is een tweede verzoek bij het UWV ingediend. Er is daardoor geen gelegenheid meer geweest om de verhoudingen te laten normaliseren.

Onder deze omstandigheden was het op zijn plaats geweest om aan [eiser] enige compensatie voor het beëindigen van zijn dienstverband toe te kennen. Het ontbreken daarvan doet het ontslag kennelijk onredelijk zijn. Redelijk wordt geacht om aan [eiser] € 5.000,00 als immateriële schadevergoeding toe te kennen.

Achterstallig loon?

9. [gedaagde] heeft, nadat [eiser] na het incident op 29 juni 2009 niet op het werk is verschenen, geen loon aan [eiser] betaald over de periode van 1 tot en met 17 juli 2009, terwijl 30 juni 2009 door haar als vakantiedag is aangemerkt.

10. Uit de brief van de gemachtigde van 30 juni 2009 (rechtsoverweging 1.7) had [gedaagde] moeten afleiden dat er sprake was van een arbeidsconflict en had het op haar weg gelegen om te trachten daarvoor een oplossing te vinden. Uit niets blijkt dat dat is gebeurd. [eiser] is niet uitdrukkelijk gesommeerd om weer te komen werken en evenmin is aangekondigd dat loon zou worden opgeschort totdat hij weer zou komen werken. Onder deze omstandigheden komt de omstandigheid dat [eiser] gedurende voornoemde periode niet heeft gewerkt, voor rekening en risico van [gedaagde] en dient zij alsnog het loon te betalen. Ook geldt dat 30 juni 2009 niet als vakantiedag mocht worden aangemerkt.

Vakantiedagen

11. [gedaagde] heeft geen inzicht gegeven op welke wijze zij de vakantiedagen van werknemers registreert of bijhoudt noch over de wijze waarop verlof wordt aangevraagd en verleend. Zij heeft slechts een e-mailbericht aan de gemachtigde van [eiser] overgelegd, waarin een opsomming is gegeven van de volgens [gedaagde] opgenomen dagen.

12. De bewijsnood die ontstaat tengevolge van het niet beschikken over een deugdelijk vakantie-enverlofdagensysteem komt voor risico van de werkgever. Aangenomen wordt daarom, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over 30 juni 2009, dat er ten onrechte 4 vakantiedagen niet zijn vergoed aan [eiser].

Wettelijke verhoging en wettelijke rente

13. Nu het loon en de vergoeding voor vakantiedagen niet tijdig zijn voldaan, zal de gevorderde wettelijke verhoging, gematigd tot het bij de sector kanton van deze rechtbank gebruikelijke tarief van 25%, worden toegewezen. Ook de wettelijke rente is verschuldigd over al hetgeen aan hoofdsom en wettelijke verhoging zal worden toegewezen.

14. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van:

a) € 5.000,00 als schadevergoeding,

b) € 1.949,95 bruto als achterstallig loon onder overlegging van een bruto/netto specificatie,

c) € 515,86 bruto als vergoeding vakantiedagen onder overlegging van een bruto/netto specificatie,

de bedragen onder b) en c) vermeerderd met de wettelijke verhoging van 25 % en alles vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2010 tot aan de voldoening;

II. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op:

€ 208,00 vastrecht

€ 87,93 explootkosten

€ 750,00 salaris gemachtigde

€ 1.045,93 totaal, inclusief eventueel verschuldigde BTW;

III. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

IV. wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. C.M. Berkhout, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter