Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU4073

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2011
Datum publicatie
11-11-2011
Zaaknummer
13-650949-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging jegens een hondengeleider van de politie. De rechtbank houdt rekening met de gevolgen van het incident voor verdachte en legt een gevangenisstraf op gelijk aan de duur van het al uitgezeten voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650949-11 (Promis)

Datum uitspraak: 11 november 2011

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1985],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 oktober 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.A.M. Wijffels en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.D. Meerman, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging op de zitting - ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 14 mei 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland met

een ander of anderen, op of aan de openbare weg, op de Weteringschans ter

hoogte van de Spiegelgracht, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk

in vereniging geweld heeft/hebben gepleegd tegen een hondengeleider van de

regiopolitie Amsterdam-Amstelland, welk geweld bestond uit

- (op agressieve toon) tegen voornoemde hondengeleider te schreeuwen en/of

- zich naar die hondengeleider te begeven (waardoor de afstand tussen die

hondengeleider en/of hij, verdachte en/of zijn mededader(s) nog maar gering

was) en/of

- (een of meermaal) (in de richting van die hondengeleider) slaande

beweging(en) te maken en/of

- (met kracht) (een of meermaal) met een (kampioen)schaal, althans een

daarop gelijkend (hard) voorwerp die hondengeleider in/op/tegen het

hoofd/gelaat/gezicht aan te gooien en/of te slaan en/of

- (een of meermaal) (met kracht) die hondengeleider te schoppen en/of te slaan

en/of met een of meer (opgetrokken) be(e)n(en) te duwen in/op/tegen het

lichaam van die hondengeleider (terwijl die hondengeleider zijn wapenstok

wilde pakken) en/of

- (met kracht) (een of meermaal) die hondengeleider een (karate)schop

in/op/tegen het hoofd/gezicht/gelaat en/of lichaam te geven en/of

- (met kracht) (een of meermaal) die hondengeleider in/op/tegen het

gezicht/gelaat en/of rug en/of (boven)lichaam en/of de/het be(e)n(en) te

schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of te stompen en/of

- (met kracht) die hondengeleider te duwen en/of die hondengeleider (bij zijn

keel) (achterover) te trekken (waardoor die hondengeleider op zijn rug in een

(politie)bus terecht komt en/of al liggend op verdachte en/of zijn

mededader(s)) en/of

- (met kracht) (een of meermaal) een (rechter)arm om de keel/nek van die

hondengeleider te brengen en/of houden waardoor en/of tengevolge waarvan de

keel/nek van die hondengeleider werd dichtgedrukt en/of werd dichtgedrukt

gehouden en/of die hondengeleider achterover te trekken en/of

- (met kracht) aan de/het be(e)n(en) van die hondengeleider te trekken,

en welk door hem en/of zijn mededader(s) gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (te weten een (schaaf)wond op het (linker)(onder)been en/of in het hoofd en/of een benauwd gevoel) voor die hondengeleider ten gevolge heeft gehad.

(Artikel 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 14 mei 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) twee, in elk geval een of meer

wikkel(s) (ongeveer) (een totale waarde van 1,55 gram) MDMA, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, in elk geval een middel vermeld

op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(Artikel 2 onder B Opiumwet)

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweldpleging. Verdachte en medeverdachte hebben een significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld tegen aangever en dat daarbij sprake was van samenwerking, blijkt uit de aangifte en uit de camerabeelden. Deze camerabeelden stroken op enkele punten niet met de verklaring van aangever. Zo is op beelden te zien dat aangever éénmaal de kampioenschaal tegen het hoofd gegooid krijgt en niet driemaal, zoals hij verklaart. Ook verklaart aangever dat hij niet uit de verwurging is gekomen, terwijl op de camerabeelden is te zien dat hij zich in eerste instantie zelf bevrijdt. Wat daar ook van zij, op de camerabeelden is duidelijk te zien dat aangever zowel van voren als van achteren aangevallen wordt. Op de beelden is te zien dat op het moment dat medeverdachte [medeverdachte] aangever om zijn lichaam vasthoudt, zodat hij niet uit de bus kan komen, slaat verdachte [verdachte] hem herhaaldelijk op het lichaam. Als aangever zich vervolgens uit de greep van [medeverdachte] weet te ontworstelen, wordt hij opnieuw door [medeverdachte] in een wurggreep gepakt, terwijl verdachte aangever ondertussen herhaaldelijk trapt en slaat. Zelfs na het schot waarbij de broer van [medeverdachte] is geraakt, gaan [medeverdachte] en [verdachte] nog door. Terwijl [medeverdachte] probeert om aangever met zijn benen uit de bus te trekken, blijft [verdachte] aangever schoppen en slaan, zo concludeert de officier van justitie.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat primair de aanhouding van verdachte onrechtmatig is geweest, zodat alles wat na de aanhouding is gebeurd onrechtmatig is en verdachte daarom dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Indien de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van een onrechtmatige aanhouding, verzoekt de raadsman verdachte vrij te spreken van het schreeuwen tegen de agent en van het in het gezicht schoppen van de agent. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd voor wat betreft de bewezenverklaring van het bezit van 2 wikkels inhoudende 1.55 gram MDMA-poeder.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Partiële vrijspraak

De rechtbank is anders dan de officier van justitie van oordeel dat niet al het geweld zoals in de tenlastelegging omschreven bewezen kan worden verklaard althans, niet als geweld dat in vereniging is begaan. Het geweld zoals opgenomen in de tenlastelegging vanaf het eerste tot en met zesde gedachtestreepje, het achtste en tiende gedachtestreepje kunnen niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Het geweld onder deze gedachtestreepjes steunt voornamelijk op de verklaringen van aangever en vindt geen steun in enig ander bewijsmiddel. De rechtbank heeft geconstateerd dat de drie verklaringen over de gang van zaken niet alleen onderling verschillen maar ook op veel en belangrijke punten afwijken van wat daarvan op de beelden te zien is. Aangever heeft zelf ook ter terechtzitting verklaard dat hij bepaalde handelingen anders heeft ervaren dan wat daarvan te zien is op de camerabeelden. De rechtbank acht de verklaringen van aangever om die reden onvoldoende bruikbaar voor het bewijs in deze zaak. Daarbij speelt ook een rol dat deze verklaringen door aangever (deels) zijn afgelegd in de context van een lopende rijksrecherche onderzoek naar zijn eigen geweldshandelingen. Deze verklaringen zal de rechtbank dan ook buiten beschouwing laten.

Ten aanzien van het vierde gedachtestreepje, te weten: het slaan of gooien van een kampioenschaal tegen het hoofd, gelaat of gezicht overweegt de rechtbank nog dat verdachte weliswaar verklaard heeft dat hij met de kampioenschaal heeft geslagen, maar ten stelligste heeft ontkend dat dit tegen het hoofd, gelaat of gezicht was, terwijl daarvan op grond van de beelden ook niets met zekerheid te zeggen valt.

Gekwalificeerde openlijke geweldpleging

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake kan zijn van een strafverzwarende omstandigheid, zoals opgenomen in artikel 141 lid 2 van het wetboek van Strafrecht. De strafverzwarende omstandigheden kunnen alleen aan hen die persoonlijk het strafverzwarende gevolg hebben veroorzaakt worden toegerekend. In casu staat niet vast wie het lichamelijk letsel bij aangever heeft veroorzaakt en dient verdachte hiervan te worden vrijgesproken.

Onrechtmatige aanhouding

De raadsman heeft dit punt op geen enkele wijze onderbouwd en uit het dossier blijkt niet van een onrechtmatige aanhouding, zodat dit punt geen verdere bespreking behoeft.

4.3.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de hierna genoemde feiten en omstandigheden die in de in de voetnoot genoemde bewijsmiddelen zijn vervat.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Op 14 mei 2011 zag een getuige een groep jongeren op de hoek van de Weteringschans met de Spiegelstraat (de rechtbank begrijpt Spiegelgracht) te Amsterdam in gevecht met een politieagent. Hij zag dat de agent geslagen werd.i De agent werkzaam bij de politie Amsterdam-Amstellandii was bezig een arrestant in de politiebus te plaatsen. Later draaide hij zich om en werd hij van achteren bij zijn keel vastgepakt. Vervolgens werd hij naar achteren getrokken.iii Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de agent heeft geschopt en geslagen.iv Op de camerabeelden die ter terechtzitting zijn getoond heeft de rechtbank waargenomen op de beelden afkomstig van camera 21 met tijdstippen 10:21:31, 10:21:34 en 10:21:40 dat medeverdachte [medeverdachte] met zijn arm de agent om zijn keel vastpakte en dat de agent tegelijkertijd door verdachte werd geschopt. Tevens heeft de rechtbank waargenomen dat [verdachte] aan de zijkant van de politiebus stond en slaande bewegingen maakte naar binnen, in de richting van de in de bus liggende agent.v Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de agent heeft geslagen.vi

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Op 14 mei 2011 is verdachte in het VU ziekenhuis te Amsterdam aangehouden.vii Onder hem is een tweetal witte wikkels in beslag genomen.viii Na onderzoek bleek dat 1.55 gram MDMA te zijn.ix

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 14 mei 2011 te Amsterdam, op de openbare weg, op de Weteringschans ter

hoogte van de Spiegelgracht, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een hondengeleider van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, welk geweld bestond uit

- met kracht meermalen die hondengeleider tegen het lichaam te slaan en te schoppen en

- met kracht een arm om de keel van die hondengeleider te brengen en houden en die hondengeleider achterover te trekken;

2.

op 14 mei 2011 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad twee wikkels, een totale waarde van 1,55 gram van een materiaal bevattende MDMA.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

6.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte een beroep op noodweerexces toekomt, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Dit ziet ten eerste op de klap met de kampioenschaal tegen de agent. Verdachte verkeerde in een hevige gemoedstoestand doordat de agent begon met een harde stoot tegen verdachte. Ten tweede ziet het op het geweld na het schieten door de agent. Verdachte hoorde dat de agent twee keer had geschoten en raakte hierdoor in paniek. Hij kon echter niet weggaan omdat de agent hem vast had aan zijn linkerarm. In blinde paniek en angst te worden beschoten, sloeg verdachte verschillende malen op de agent in met de bedoeling dat deze hem los zou laten.

6.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep op noodweerexces toekomt. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat verdachte zelf voor de tegenaanval heeft gekozen nadat hij was weggeduwd en dat er dus geen sprake was van een ogenblikkelijke aanranding waar hij zich tegen moest verdedigen. Op de camerabeelden is ook duidelijk te zien dat verdachte zelf de confrontatie heeft opgezocht. Er is volgens de officier van justitie dan ook geen sprake van noodweer en dus ook niet van noodweerexces.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt hiertoe als volgt. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een noodzakelijke verdediging van zichzelf of van een ander. Op de camerabeelden is duidelijk te zien dat verdachte, ondanks dat hij telkens bij de agent werd weggehaald door enkele teamgenoten, zelf herhaaldelijk de confrontatie met de agent opzocht en zich op geen enkele manier heeft gedistantieerd. De stelling van verdachte dat hij werd vastgehouden door de agent - na het schieten - en dat hij daarom heeft geslagen om weg te komen, heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen.

Nu geen sprake is van noodweer, kan geen sprake zijn van noodweerexces. Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

De slotsom luidt dat de bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

7.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest van verdachte, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf voor de duur van 200 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring en een strafoplegging komt ten aanzien van het eerste feit, bij de strafoplegging rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het schot heeft ernstige gevolgen gehad voor verdachte en ook veel schade in zijn lichaam aangericht. Verdachte is geopereerd en een gedeelte van zijn maag en alvleesklier zijn verwijderd, waarna de dunne darm aan de maag is bevestigd. Verdachte zal hierdoor niet meer als een normaal mens drie maal per dag kunnen eten en mag geen alcoholische drank meer drinken. Verdachte is genoeg gestraft en een schuldigverklaring zonder oplegging van straf is op zijn plaats.

Ten aanzien van feit 2 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich tezamen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan openlijk geweldpleging op de openbare weg tegen een politieagent. De agent is tijdens zijn werkzaamheden en na de aanhouding van de medeverdachte onverhoeds geconfronteerd met het agressieve gedrag en het geweld van verdachte en medeverdachte. Door het handelen van verdachte en medeverdachte is de situatie zo geëscaleerd dat de agent zijn wapen heeft getrokken en heeft geschoten. Verdachte en zijn medeverdachte zijn hierdoor gewond geraakt. Met hun handelen hebben zij niet alleen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar uit de slachtofferverklaring, zoals deze door de officier van justitie ter terechtzitting is voorgehouden, blijkt ook dat de gebeurtenis voor het slachtoffer psychische gevolgen heeft gehad. Een dergelijk feit brengt overigens ook bij de omstanders en in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg.

De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf rekening met de gevolgen die zijn ingetreden na het geweld tegen de agent. Zowel verdachte als medeverdachte zijn door de gevolgen van de gebeurtenis op 14 mei 2011 aanzienlijk getroffen. Verdachte is in zijn buik geraakt door de kogel en heeft na de gebeurtenis lange tijd in coma gelegen. Het gevolg is dat hij gedurende zijn leven niet als een normaal mens driemaal per dag een maaltijd zou kunnen eten, maar moet zijn voedsel steeds in kleine porties over de dag verdelen. Deze gevolgen neemt de rechtbank in ogenschouw bij het opleggen van de straf.

Het vorenstaande neemt echter niet weg dat de situatie aanvankelijk is geëscaleerd door het handelen van verdachte en medeverdachte. Door op een dergelijk agressieve en gewelddadige wijze een politieagent, een ambtsdrager die zijn werk verrichte, in het nauw te drijven, zijn gevolgen ingetreden die weliswaar niemand van te voren had voorzien, maar waarvoor de beide verdachten gelet op hun excessieve handelen wel degelijk tenminste mede verantwoordelijk kunnen en moeten worden gehouden. Verdachte heeft daarnaast een grotere rol dan de medeverdachte gehad in de escalatie van het geweld. Nadat hij door de agent en andere aanwezigen werd weggehouden, keerde hij meermalen terug en gedroeg zich steeds agressiever tegen de agent. De rechtbank zal verdachte dan ook een hogere straf opleggen dan die aan medeverdachte wordt opgelegd.

Verdachte heeft noch ter zitting noch daaraan voorafgaand blijk gegeven inzicht te hebben in het laakbare van zijn eigen handelen. Voor zover er sprake is van spijt, lijkt die betrekking te hebben op de gevolgen van de geloste pistoolschoten. Als de gevolgen van deze pistoolschoten buiten beschouwing zouden worden gelaten, zou een straf conform de door de LOVS vastgestelde richtlijnen, die neerkomt op een gevangenisstraf voor de duur van drie tot zes maanden, zeker op zijn plaats zijn. De rechtbank laat echter bij de bepaling van de straf

- zoals reeds hiervoor al werd overwogen - in belangrijke mate meewegen dat verdachte uiteindelijk zelf door de gevolgen van dit incident ernstig is getroffen.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van verdovende middelen. Deze verdovende middelen bevatten voor de gezondheid schadelijke stoffen.

Blijkens een uittreksel uit het justitiële documentatieregister 6 oktober 2011 is verdachte eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, en het feit dat de rechtbank - anders dan gevorderd - niet al het ten laste gelegde geweld en evenmin de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid bewezen heeft verklaard, aanleiding bestaat af te wijken van de strafeis van de officier van justitie.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 141 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 Opiumwet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Opzettelijk handelen met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 48 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D. van den Brink, voorzitter,

mrs. S.F. van Merwijk en A.J. Wesdorp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Khattou en L. Bertels, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 november 2011.

Griffier Bertels is buiten staat

het vonnis te ondertekenen.

De jongste rechter is buiten staat

het vonnis te ondertekenen.

i Een geschrift, zijnde een getuigenverklaring van [getuige 1], van 15 mei 2011 (doorgenummerde pag. 020 e.v.).

ii Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011122498-67 van 15 mei 2011, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 30 e.v.).

iii Een geschrift, zijnde een getuigenverklaring van [getuige 1], van 15 mei 2011 (doorgenummerde pag. 020 e.v.).

iv Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 oktober 2011.

v Eigen waarneming van de rechtbank gedaan ter terechtzitting van 28 oktober 2011.

vi Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 oktober 2011.

vii Een proces-verbaal van aanhouding met nummer 2011122498-69 van 15 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pag. 398 e.v.)

viii Een proces-verbaal van kennisgeving inbeslagneming met nummer 2011122498-141 van 20 mei 2011, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde pag. B 001 e.v.).

ix Een verslag d.d. 25 mei 2011, laboratoriumnummer 709N11 opgemaakt door dr. P. Hommerson, forensisch expert, in de zaak tegen de verdachte [verdachte] (doorgenummerde pag. 357).