Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU4072

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2011
Datum publicatie
11-11-2011
Zaaknummer
13-650810-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging jegens een hondengeleider van de politie. De rechtbank houdt rekening met de gevolgen van het incident voor verdachte en legt een gevangenisstraf op gelijk aan de duur van het al uitgezeten voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650810-11 (Promis)

Datum uitspraak: 11 november 2011

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats op [1983],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 oktober 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.A.M. Wijffels en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.W. Soeteman, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging op de zitting - ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 14 mei 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland met

een ander of anderen, op of aan de openbare weg, op de Weteringschans ter

hoogte van de Spiegelgracht, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk

in vereniging geweld heeft/hebben gepleegd tegen een hondengeleider van de

regiopolitie Amsterdam-Amstelland, welk geweld bestond uit

- (op agressieve toon) tegen voornoemde hondengeleider te schreeuwen en/of

- zich naar die hondengeleider te begeven (waardoor de afstand tussen die

hondengeleider en/of hij, verdachte en/of zijn mededader(s) nog maar gering

was) en/of

- (een of meermaal) (in de richting van die hondengeleider) slaande

beweging(en) te maken en/of

- (met kracht) (een of meermaal) met een (kampioen)schaal, althans een

daarop gelijkend (hard) voorwerp die hondengeleider in/op/tegen het

hoofd/gelaat/gezicht aan te gooien en/of te slaan en/of

- (een of meermaal) (met kracht) die hondengeleider te schoppen en/of te slaan

en/of met een of meer (opgetrokken) be(e)n(en) te duwen in/op/tegen het

lichaam van die hondengeleider (terwijl die hondengeleider zijn wapenstok

wilde pakken) en/of

- (met kracht) (een of meermaal) die hondengeleider een (karate)schop

in/op/tegen het hoofd/gezicht/gelaat en/of lichaam te geven en/of

- (met kracht) (een of meermaal) die hondengeleider in/op/tegen het

gezicht/gelaat en/of rug en/of (boven)lichaam en/of de/het be(e)n(en) te

schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of te stompen en/of

- (met kracht) die hondengeleider te duwen en/of die hondengeleider (bij zijn

keel) (achterover) te trekken (waardoor die hondengeleider op zijn rug in een

(politie)bus terecht komt en/of al liggend op verdachte en/of zijn

mededader(s)) en/of

- (met kracht) (een of meermaal) een (rechter)arm om de keel/nek van die

hondengeleider te brengen en/of houden waardoor en/of tengevolge waarvan de

keel/nek van die hondengeleider werd dichtgedrukt en/of werd dichtgedrukt

gehouden en/of die hondengeleider achterover te trekken en/of

- (met kracht) aan de/het be(e)n(en) van die hondengeleider te trekken,

en welk door hem en/of zijn mededader(s) gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (te weten een (schaaf)wond op het (linker)(onder)been en/of in het hoofd en/of een benauwd gevoel) voor die hondengeleider ten gevolge heeft gehad.

(Artikel 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3. Voorvragen

3.1 Geldigheid dagvaarding

De rechtbank acht de dagvaarding geldig

3.2 Bevoegdheid rechtbank

De rechtbank is bevoegd kennis te nemen van het ten laste gelegde feit.

3.3 Ontvankelijkheid officier van justitie

3.3.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat er - zakelijk weergegeven - fouten zijn gemaakt in het onderhavige strafrechtelijk onderzoek. Die fouten zijn gemaakt op het gebied van (verstrekking van) camerabeelden, planning van de zitting, de wijze waarop met de betrokken agent is omgegaan, het verstrekken van het dossier aan de advocaat van de agent en overige omstandigheden.

De camerabeelden werden ondanks herhaaldelijk verzoek aan de officier van justitie niet aan het dossier toegevoegd. De raadsman heeft in een zeer laat stadium, pas na de beslissing van de rechtbank op het klaagschrift van de raadsman, de beschikking over de beelden gekregen.

Ten aanzien van de planning van de zitting, is het zo dat de behandeling van zaak van verdachte in eerste instantie op 26 augustus 2011 plaats zou vinden. Toen twee weken voor deze datum nog geen dagvaarding was binnengekomen heeft de raadsman contact opgenomen met de officier van justitie. Zij deelde hem eerst toen mede dat de zitting op deze datum niet door zou gaan.

Ten aanzien van de gang van zaken omtrent de agent in kwestie heeft de raadsman aangevoerd dat hij op 17 juni 2011 de officier van justitie per fax en per mail heeft gevraagd om deze agent, tevens aangever in deze zaak, als getuige te doen oproepen voor de zitting en vóór die tijd geen verhoren van aangever meer te laten plaatsvinden buiten de aanwezigheid van de raadsman van verdachte. Hierop is geen reactie gekomen, waarna een aantal weken later de raadsman aanvullende stukken ontving die onder andere een nader verhoor van de agent bevatte, welk verhoor had plaatsgevonden op 4 juli 2011. Nadat de raadsman de officier van justitie hierover een brief schreef, vertelde zij de raadsman dat zij de brief van 17 juni 2011 niet had ontvangen en de mail te laat had gezien. Daarnaast is de officier van justitie per brief door de raadsman verzocht om stukken omtrent het verleden van de agent aan hem te verstrekken. De officier van justitie heeft dit geweigerd.

Ook heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het strafdossier niet volledig verstrekt had moeten worden aan de raadsman van de agent, nu hij als getuige moest worden gehoord. Over het verhoor van 4 juli 2011 merkt de raadsman op dat dit door één verbalisant is afgenomen en niet door twee en dat dat verhoor heeft plaatsgevonden door iemand uit het eigen korps.

De overige omstandigheden waarop de raadsman heeft gedoeld, zien op de perikelen rondom de verklaringen van de agent als verdachte, die later niet bleken te bestaan, en het feit dat drie dagen voor de zitting "stills" aan het dossier zijn toegevoegd.

3.3.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie betwist. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de camerabeelden al bij de voorgeleiding aan de verdediging ter beschikking zijn gesteld en dat de verdediging deze direct kon bekijken. Ten aanzien van het verstrekken van het dossier heeft de officier van justitie gesteld dat de agent tevens slachtoffer is in deze zaak en om die reden recht heeft op relevante stukken uit het dossier. Ten aanzien van de planning van de zitting verklaart de officier van justitie dat gedetineerde verdachten met voorrang op een zitting worden gepland. Zodra een verdachte vrij komt, kan de planning wijzigen en wordt de aanvankelijk geplande zittingsdatum aan een gedetineerde verdachte toegewezen. De raadsman heeft gevraagd om het verleden van de agent na te trekken en de informatie te vestrekken. De agent is echter slachtoffer in deze zaak en het verleden van hem is daarom niet relevant, aldus de officier van justitie. Het feit dat het verhoor van 4 juli 2011 door één rechercheur is afgenomen is niet vreemd en de omstandigheid dat de rechercheur een agent was die ook werkzaam is bij de politie Amsterdam-Amstelland doet hier niet aan af, zo stelt de officier van justitie. De agent is in deze zaak aangever en is ook als zodanig gehoord.

3.3.3 Het oordeel van de rechtbank

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard moet worden.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of sprake is van vormverzuimen. Hierbij moet het - om tot de door de raadsman bepleite niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te komen - gaan om grove of doelbewuste schendingen van het recht op een eerlijk proces, dan wel een schending van fundamentele belangen van verdachte. Daarvan is, zoals hieronder zal worden uiteengezet, geen sprake.

-Camerabeelden -

De raadsman heeft, tijdig voorafgaand aan de zitting, de beschikking gekregen over de beschikbare camerabeelden. Dat hieraan de nodige discussie tussen raadsman en openbaar ministerie vooraf is gegaan, doet daar niet aan af.

-Planning van de zitting-

Het feit dat het openbaar ministerie verdachte en zijn raadsman eerder had kunnen berichten dat de inhoudelijke behandeling niet in augustus 2011 maar in oktober 2011 zou plaatsvinden valt te betreuren, maar is niet aan te merken als een vormverzuim.

-Wijze waarop met agent is omgegaan-

De officier van justitie heeft - naar de mening van de rechtbank genoegzaam - uiteengezet dat het verleden van de betrokken agent geen rol speelt in het dossier van verdachte, nu niet het handelen van deze agent, maar dat van verdachte daarin centraal staat. Hierdoor ontbreekt een grondslag voor het toevoegen van stukken omtrent het verleden van de agent aan het dossier.

De agent heeft in het dossier van verdachte de rol van aangever en daarmee van slachtoffer. Niet valt in te zien waarom aan de agent geen afschrift van een - zoals de officier ter zitting heeft benadrukt - geschoond dossier zou mogen worden verschaft op grond van artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering.

Het is ronduit slordig te noemen dat de officier van justitie het verzoek van de raadsman tot het (nader) horen van de agent in haar mailbox over het hoofd heeft gezien. Dit heeft er toe geleid dat de agent in het onderhavige onderzoek is gehoord door een collega-agent, buiten aanwezigheid van de raadsman van verdachte en daarbij kennis heeft genomen van de beelden. Verdachte is hierdoor echter niet in zijn belangen geschaad, zeker niet nu de verdediging ter terechtzitting in de gelegenheid is gesteld de getuige te ondervragen. De omstandigheid dat de agent reeds op een eerder moment kennis heeft genomen van de beelden, maakt dat in dit geval niet anders. Te meer niet nu uit het verhoor van de agent op de zitting is gebleken dat de agent de visie van de verdediging, ten aanzien van de verschillen tussen de eerder door de agent afgelegde verklaringen over de gang van zaken en wat daarvan op de beelden te zien is, in grote lijnen deelt.

-Overige omstandigheden-

De raadsman noemt in zijn pleitnota verder nog perikelen omtrent de verklaringen van de agent als verdachte. Voor zover de rechtbank bekend is, is het verhoor van de agent als verdachte gepland na de inhoudelijke behandeling van de zaak tegen verdachte, zodat dit punt verder onbesproken blijft.

Voorts merkt de raadsman op dat hij kort voor de zitting een groot aantal "stills" van het openbaar ministerie heeft ontvangen. Dit zijn echter geen nieuwe processtukken, maar afdrukken van de al in het dossier aanwezige camerabeelden.

Zoals de rechtbank zich maar al te goed bewust is, is de rol van verdachte, die tevens de broer is van een dodelijk slachtoffer bij dit incident, precair. Gelet op de inschatting van de zaak aan het begin van het onderzoek heeft het openbaar ministerie een afweging ten aanzien van het tijdstip waarop verdachte is vrijgelaten voor de begrafenis van zijn broer. Wat er van deze afweging ook zij, dit kan geen grond vormen voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, nu verdachte daardoor in zijn persoonlijke, maar niet in zijn verdedigingsbelangen kan zijn geschaad. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk.

3.4 Geen redenen voor schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweldpleging. Verdachte en medeverdachte hebben beiden een significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld tegen aangever en dat daarbij sprake was van een samenwerking, blijkt uit de aangifte en uit de camerabeelden. Deze camerabeelden stroken op enkele punten niet met de verklaring van aangever. Zo is op beelden te zien dat aangever éénmaal de kampioenschaal tegen het hoofd gegooid krijgt en niet driemaal, zoals hij verklaart. Ook verklaart aangever dat hij niet uit de verwurging is gekomen, terwijl op de camerabeelden is te zien dat hij zich in eerste instantie zelf bevrijdt. Wat daar ook van zij, op de camerabeelden is duidelijk te zien dat aangever zowel van voren als van achteren wordt aangevallen, aldus de officier van justitie. Op de beelden is volgens de officier van justitie te zien dat op het moment dat verdachte [verdachte] aangever om zijn lichaam vasthoudt, zodat hij niet uit de bus kan komen, medeverdachte [medeverdachte] hem herhaaldelijk op het lichaam slaat. Als aangever zich vervolgens uit de greep van verdachte [verdachte] weet te ontworstelen, wordt hij opnieuw door verdachte in een wurggreep gepakt, terwijl medeverdachte [medeverdachte] aangever ondertussen herhaaldelijk trapt en slaat. Zelfs na het schot waarbij de broer van verdachte is geraakt, gaan verdachte en [medeverdachte] nog door met het geweld tegen aangever. Terwijl verdachte probeert om aangever met zijn benen uit de bus te trekken, blijft [medeverdachte] aangever schoppen en slaan, zo concludeert de officier van justitie.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat voor het geweld, zoals met de gedachtestreepjes in de tenlastelegging is opgenomen, geen of onvoldoende bewijs is, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Dat gaat zeker op voor het geweld omschreven in het eerste tot en met derde gedachtestreepje. Het geweld omschreven in het vierde gedachtestreepje, dat ziet op het gooien van de kampioenschaal tegen het hoofd van de hondengeleider, kan volgens de raadsman niet aan verdachte worden toegerekend. Uit de verklaringen en de camerabeelden blijkt dat dit eenmaal is gebeurd. De verklaring van de agent is daarmee op dit punt evident onjuist, aldus de raadsman. Verdachte heeft op geen enkele manier geweld gebruikt en ook het geweld zoals opgenomen onder het vijfde gedachtestreepje is volgens de raadsman niet door verdachte uitgeoefend. Dat verdachte zijn benen heeft opgetrokken komt doordat hij pijn in zijn pols had en het gevoel had dat deze zou breken door de strakke handboeien. Het uitdelen van de karateschop door de medeverdachte, zoals opgenomen onder het zesde gedachtestreepje, heeft verdachte ook niet gepleegd. Ten aanzien van het zevende en achtste gedachtestreepjes meent de raadsman dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het schoppen, trappen, stompen en slaan. Voorts heeft de raadsman betoogd dat verdachte van het achterover trekken van de aangever moet worden vrijgesproken nu het achterover trekken uitsluitend op de aangifte is gebaseerd, welke op dit punt eveneens evident onjuist is. Ook dient verdachte van het toebrengen van lichamelijk letsel te worden vrijgesproken, nu uit het dossier niet blijkt dat verdachte geweld heeft gebruikt dat gericht was tegen het hoofd of het linkeronderbeen van aangever, waar het letsel zou zijn geconstateerd. Verdachte kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de strafverzwarende omstandigheid ex artikel 141, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor letsel dat een ander mogelijk heeft toegebracht.

Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is van het plegen van openlijk geweld 'in vereniging'. Verdachte bleef rustig tijdens de aanhouding en heeft geen geweld gebruikt. Verdachte kon zich gezien de situatie waarin hij verkeerde, te weten geboeid aan [persoon 1] en zittend in de politiebus, niet distantiëren van het geweld dat tegen de agent gebruikt werd. Verdachte was immers aangehouden en als hij zou proberen weg te komen, dan zou hij verzet bij aanhouding hebben gepleegd. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken. Indien de rechtbank de officier van justitie ontvankelijk verklaart in de vervolging, dient de verklaring van de agent die hij op 4 juli 2011 heeft afgelegd te worden uitgesloten van het bewijs.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Partiële vrijspraak

De rechtbank is anders dan de officier van justitie en deels met de raadsman van oordeel dat niet al het geweld zoals in de tenlastelegging staat omschreven, bewezen kan worden verklaard althans, niet als geweld dat in vereniging is begaan. Het geweld zoals opgenomen in de tenlastelegging vanaf het eerste tot en met zesde gedachtestreepje, alsmede het achtste en tiende gedachtestreepje, kunnen niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Het geweld onder deze gedachtestreepjes steunt voornamelijk op de verklaringen van aangever en vindt geen steun in enig ander bewijsmiddel. De rechtbank heeft geconstateerd dat de drie verklaringen van de betrokken agent over de gang van zaken niet alleen onderling verschillen maar ook op veel en belangrijke punten afwijken van wat daarvan op de beelden te zien is. De agent heeft zelf ook ter terechtzitting verklaard dat hij bepaalde handelingen anders heeft ervaren dan wat daarvan te zien is op de beelden. De rechtbank acht de verklaringen van de agent om die reden onvoldoende bruikbaar voor het bewijs in deze zaak. Daarbij speelt ook een rol dat deze verklaringen door de agent (deels) zijn afgelegd in de context van een lopend rijksrecherche onderzoek naar zijn eigen geweldshandelingen. Deze verklaringen zal de rechtbank dan ook buiten beschouwing laten.

Ten aanzien van het vierde gedachtestreepje, te weten: het slaan of gooien van een kampioenschaal tegen het hoofd, gelaat of gezicht overweegt de rechtbank nog dat medeverdachte weliswaar verklaard heeft dat hij met de kampioenschaal heeft geslagen, maar ten stelligste heeft ontkend dat dit tegen het hoofd, gelaat of gezicht was, terwijl daarvan op grond van de beelden ook niets met zekerheid te zeggen valt.

Gekwalificeerde openlijke geweldpleging

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake kan zijn van een strafverzwarende omstandigheid, zoals opgenomen in artikel 141 lid 2 van het wetboek van Strafrecht. De strafverzwarende omstandigheden kunnen alleen aan hen die persoonlijk het strafverzwarende gevolg hebben veroorzaakt worden toegerekend. In casu staat niet vast wie het lichamelijk letsel bij aangever heeft veroorzaakt en dient verdachte hiervan te worden vrijgesproken.

4.3.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de hierna genoemde feiten en omstandigheden die in de in de voetnoot genoemde bewijsmiddelen zijn vervat.

Op 14 mei 2011 zag een getuige een groep jongeren op de hoek van de Weteringschans met de Spiegelstraat (de rechtbank begrijpt Spiegelgracht) te Amsterdam in gevecht met een politieagent. Hij zag dat de agent geslagen werd.i De agent, werkzaam bij de politie Amsterdam-Amstelland,ii was bezig een arrestant in de politiebus te plaatsen. Later draaide hij zich om en werd hij van achteren bij zijn keel vastgepakt. Vervolgens werd hij naar achteren getrokken.iii Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de agent bij zijn keel heeft vastgepakt.iv Op de camerabeelden die ter terechtzitting zijn getoond heeft de rechtbank waargenomen op de beelden afkomstig van camera 21 met de tijdstippen 10:21:31, 10:21:34 en 10:21:40 dat verdachte met zijn arm de agent om zijn keel vastpakte en dat de agent tegelijkertijd door de medeverdachte [medeverdachte] werd geschopt. Tevens heeft de rechtbank waargenomen dat [medeverdachte] aan de zijkant van de politiebus stond en slaande bewegingen maakte naar binnen, in de richting van de in die bus liggende agent.v

4.3.3 Bewijsoverweging

De rechtbank acht op grond van de onder 4.3.2 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweldpleging.

Openlijk geweld 'in vereniging'

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt als volgt.

Uit de camerabeelden blijkt dat, hoe snel een en ander zich ook heeft afgespeeld, tussen verdachte en de medeverdachte bewuste en nauwe samenwerking was. De rechtbank heeft waargenomen dat verdachte de agent om zijn keel vast had en dat de medeverdachte op dat zelfde moment tegen het lichaam van de agent schopte. Verder is waargenomen dat, vrijwel direct nadat verdachte de agent, met zijn arm om diens nek geklemd, achterover had getrokken en liggend in zijn eigen politiebus had gemanouvreerd, de medeverdachte slaande bewegingen maakte naar binnen waar de agent en de verdachte zich bevonden.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 5 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 14 mei 2011 te Amsterdam, op de openbare weg, op de Weteringschans ter

hoogte van de Spiegelgracht, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een hondengeleider van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, welk geweld bestond uit

- met kracht meermalen die hondengeleider tegen het lichaam te slaan en te schoppen en

- met kracht een arm om de keel van die hondengeleider te brengen en houden en die hondengeleider achterover te trekken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

6.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte een beroep op noodweer toekomt, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De aanhouding van verdachte is onrechtmatig geweest, zodat daarmee ook het geweld dat door de agent tegen verdachte is gebruikt kan worden beschouwd als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding tegen het lichaam van verdachte waar hij zich tegen moest en mocht verdedigen.

6.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat niet de agent is begonnen met het geweld, maar dat het juist verdachte is geweest die is begonnen. Tijdens de worsteling is de agent boven op verdachte in de bus gevallen en op het moment dat de agent het busje uit probeerde te komen, werd hij door verdachte om zijn nek gepakt en teruggetrokken. Dat verdachte de agent vastpakte is duidelijk te zien op de camerabeelden. Verdachte kan geen geslaagd beroep op noodweer doen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer en overweegt hiertoe als volgt. De rechtbank is van oordeel dat in het dossier onvoldoende steun kan worden gevonden voor de stelling dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door de agent. De agent stond buiten de politiebus en probeerde met zijn wapenstok de medeverdachte [medeverdachte] van zich af te houden en op dat moment werd hij door verdachte van achteren bij zijn keel vastgepakt. Van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich (of een ander) moest verdedigen, was op dat moment geen sprake. Voor zover de beweerdelijk onrechtmatige aanhouding van verdachte al als een dergelijke ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding zou kunnen worden aangemerkt, staat die aanhouding in een te ver verwijderd verband met het bewezenverklaarde geweld van verdachte jegens de agent.

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest van verdachte, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf voor de duur van 200 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat indien de rechtbank tot een bewezenverklaring toekomt, er een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel moet volgen nu het opleggen van een straf geen toegevoegde waarde heeft en verdachte reeds genoeg is gestraft door feiten en omstandigheden die hem na het incident hebben geraakt. De raadsman verwijst hierbij naar de dood van de broer van verdachte, alsmede de schotwonden die verdachte in zijn been heeft opgelopen bij het incident.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich tezamen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan openlijk geweldpleging op de openbare weg tegen een politieagent. De agent is tijdens zijn werkzaamheden en na de aanhouding van de medeverdachte onverhoeds geconfronteerd met het agressieve gedrag en het geweld van verdachte en medeverdachte. Door het handelen van verdachte en medeverdachte is de situatie zo geëscaleerd dat de agent zijn wapen heeft getrokken en heeft geschoten. Verdachte en zijn medeverdachte zijn hierdoor gewond geraakt. Met hun handelen hebben zij niet alleen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar uit de slachtofferverklaring zoals deze door de officier van justitie ter terechtzitting is voorgehouden, blijkt ook dat de gebeurtenis voor het slachtoffer psychische gevolgen heeft gehad. Een dergelijk feit brengt overigens ook bij de omstanders en in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg.

De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf rekening met de gevolgen die zijn ingetreden na het geweld tegen de agent. Zowel verdachte als zijn medeverdachte zijn door de gevolgen van de gebeurtenis op 14 mei 2011 aanzienlijk getroffen. Verdachte is niet alleen geraakt door een kogel in zijn been, maar is bovenal zijn broer verloren en zal hier de rest van zijn leven mee moeten leven.

Het vorenstaande neemt echter niet weg dat de situatie aanvankelijk is geëscaleerd door het handelen van verdachte en medeverdachte. Door op een dergelijk agressieve en gewelddadige wijze een politieagent, een ambtsdrager die zijn werk verrichte, in het nauw te drijven, zijn gevolgen ingetreden die weliswaar niemand van te voren had voorzien, maar waarvoor de beide verdachten gelet op hun excessieve handelen wel degelijk tenminste mede verantwoordelijk kunnen en moeten worden gehouden. Verdachte heeft noch ter zitting noch daaraan voorafgaand blijk gegeven inzicht te hebben in het laakbare van zijn eigen handelen. Voor zover er sprake is van spijt, lijkt die betrekking te hebben op de gevolgen van de geloste pistoolschoten. Als de gevolgen van deze pistoolschoten buiten beschouwing zouden worden gelaten, zou een gevangenisstraf voor de duur van drie tot zes maanden, zeker op zijn plaats zijn. De rechtbank laat echter bij de bepaling van de straf - zoals reeds hiervoor al werd overwogen - in belangrijke mate meewegen dat verdachte uiteindelijk zelf door de gevolgen van dit incident ernstig is getroffen.

Blijkens een uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 17 mei 2011 is verdachte bovendien niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en het feit dat de rechtbank - anders dan gevorderd - niet al het ten laste gelegde geweld en evenmin de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid bewezen heeft verklaard, aanleiding bestaat om af te wijken van de strafeis van de officier van justitie.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 13 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D. van den Brink, voorzitter,

mrs. S.F. van Merwijk en A.J. Wesdorp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Khattou en L. Bertels, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 november 2011.

Griffier Bertels is buiten staat

het vonnis te ondertekenen.

De jongste rechter is buiten staat

het vonnis te ondertekenen.

i Een geschrift, zijnde een getuigenverklaring van [getuige 1], van 15 mei 2011 (doorgenummerde pag. 020 e.v.).

ii Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011122498-67 van 15 mei 2011, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 30 e.v.).

iii Een geschrift, zijnde een getuigenverklaring van [getuige 1], van 15 mei 2011 (doorgenummerde pag. 020 e.v.).

iv Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 oktober 2011.

v Eigen waarneming van de rechtbank gedaan ter terechtzitting van 28 oktober 2011.