Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU4053

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
11-11-2011
Zaaknummer
AWB 11-3449 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AKW, ingezetenschap, criteria arrest Hoge Raad 21 januari 2011. Eiser werd tot vierde kwartaal 2008 aangemerkt als ingezetene. Niet is komen vast te staan dat eiser gedurende de periode in geding niet in Nederland woonde. Onvoldoende motivering SVB dat vanaf vierde kwartaal 2009 geen sprake is van een duurzame band met Nederland van persoonlijke aard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/3449 AKW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. D.S. de Ploeg,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank,

verweerder,

gemachtigde mr. O.F.M. Vonk.

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om kinderbijslag afgewezen.

Bij besluit van 1 juli 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiser ontving voor zijn kinderen [kind 1] en [kind 2] kinderbijslag in de zin van de Algemene kinderbijslagwet (Akw). Na een melding van eiser dat [kind 2] per 4 juli 2007 in Turkije is gaan wonen en eiser niet kon aantonen te voldoen aan de onderhoudsplicht ontving eiser vanaf het eerste kwartaal van 2008 nog slechts kinderbijslag voor [kind 1].

1.2. Bij besluit van 15 mei 2009 heeft verweerder de kinderbijslag volledig beëindigd (lees: ingetrokken) met ingang van het vierde kwartaal van 2008 omdat twijfel bestond over de vraag of eiser nog als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd en eiser niet heeft gereageerd op verzoeken van verweerder om informatie te verstrekken.

1.3. Op 27 december 2010 heeft eiser een nieuwe aanvraag om kinderbijslag ingediend voor beide kinderen, welke bij het primaire besluit is afgewezen. Verweerder heeft beoordeeld of eiser vanaf het vierde kwartaal van 2009 voor kinderbijslag in aanmerking komt.

2. Standpunten van partijen

2.1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor kinderbijslag omdat hij niet kan worden aangemerkt als ingezetene van Nederland. Er is weliswaar sprake van een juridische band met Nederland, maar de sociale band met Nederland is zwak en van een economische band is in het geheel geen sprake, aldus verweerder.

2.2. Eiser heeft in beroep – kort gezegd – gemotiveerd aangevoerd dat wel sprake is van ingezetenschap.

3. Wettelijk kader

3.1. Op grond van artikel 2 van de Akw is ingezetene degene die in Nederland woont.

3.2. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Akw wordt de vraag waar iemand woont beoordeeld aan de hand van de omstandigheden.

3.3. In artikel 6, eerste lid, van de Akw is bepaald dat verzekerd is overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene, die nog niet de leeftijd van 65 heeft bereikt, en ingezetene is, danwel geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

4. Beoordeling

4.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder ingevolge zijn – destijds geldende – beleid heeft geoordeeld over de vraag of eiser al dan niet als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt. Hierbij heeft verweerder rekening gehouden met de juridische, economische en sociale binding van eiser met Nederland.

4.2. Ter zitting is het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011, LJN: BP1466, over het begrip ‘ingezetene’ aan de orde gekomen. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat dit arrest in het geval van eiser niet leidt tot een ander oordeel over de vraag of sprake is van ingezetenschap. In dit verband heeft verweerder aangevoerd dat, ook indien met alle omstandigheden rekening wordt gehouden, eiser niet als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt. Het totale feitencomplex leidt verweerder in het licht van het arrest van de Hoge Raad dan ook niet tot een ander standpunt.

4.3. In het arrest van 21 januari 2011 heeft de Hoge Raad geoordeeld over het begrip ingezetenschap zoals dit wordt gehanteerd in de volksverzekeringswetten. In dit verband heeft de Hoge Raad – onder meer en kort weergegeven – het volgende overwogen.

- voor het bepalen van de ‘woonplaats’ van de belanghebbende in de volksverzekeringswetten moet worden aangesloten bij het fiscale woonplaatsbegrip;

- volgens vaste rechtspraak, zie onder meer het arrest van de Hoge raad van 20 december 1995, nummer 60452, BNB 1996/161, is in dit verband van belang dat tussen de betrokkene en Nederland een duurzame band van persoonlijke aard bestaat;

- die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt (zie het arrest van de Hoge Raad van 22 december 1971, nummer 16650, BNB 1973/120);

- voor de aanwezigheid van een woonplaats in Nederland is niet vereist dat de betrokkene economische banden heeft met Nederland, bijvoorbeeld door het verrichten van betaalde arbeid;

- het oordeel dat voor de vraag of iemand woonplaats heeft in Nederland alleen omstandigheden een rol kunnen spelen die kunnen worden gerubriceerd als factoren die een juridische, economische of sociale binding opleveren, is onjuist.

4.4. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.1. reeds is vastgesteld heeft verweerder ingevolge zijn beleid beoordeeld of eiser vanaf het vierde kwartaal van 2009 een duurzame persoonlijke band had met Nederland. Bij die beoordeling heeft verweerder – in lijn met vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep van vóór het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011 – van belang geacht in welke mate sprake is van een sociale, economische en juridische binding met Nederland. Uit het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011 blijkt echter dat het standpunt dat voor de vraag of iemand woonplaats heeft in Nederland alleen omstandigheden een rol kunnen spelen die een juridische, economische of sociale binding met Nederland opleveren, onjuist is. Gelet hierop zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

4.5. Nu van de zijde van verweerder is gesteld dat geen sprake is van ingezetenschap en de regelgeving en het beleid van verweerder een zekere beoordelingsvrijheid bieden ten aanzien van de afhandeling en beoordeling van zaken als de onderhavige, zal de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien. Dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft aangegeven dat de beslissing niet anders zal luiden indien alle op eiser van toepassing zijnde omstandigheden in de besluitvorming worden betrokken, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Daarbij is van belang dat het voor de rechtbank ter zitting onvoldoende duidelijk is geworden of verweerder het door de Hoge Raad geformuleerde criterium juist heeft toegepast en daadwerkelijk alle van belang zijnde omstandigheden heeft meegewogen. Vast staat immers dat eiser tot het vierde kwartaal van 2008 kinderbijslag ontving en – dus – door verweerder als ingezetene werd beschouwd. Of eiser ten tijde in geding als ingezetene kan worden beschouwd, moet worden vastgesteld op basis van het totaalbeeld van feiten en omstandigheden, waaruit blijkt dat nog steeds of niet langer sprake is van een duurzame band met Nederland van persoonlijke aard. Daarbij acht de rechtbank van belang dat niet is komen vast te staan dat eiser ten tijde in geding niet langer woonde op het adres waar hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens stond ingeschreven. Het feit dat eiser niet reageerde op brieven van verweerder vormt onvoldoende grondslag voor de conclusie dat eiser daar niet meer woonde, nu eiser eerder al had aangegeven geen post te ontvangen en dat de post wellicht was kwijtgeraakt als gevolg van een verbouwing in het complex waar eiser woonde. De gedingstukken bevatten bovendien geen aanwijzingen dat eiser elders woonde. Uit het gegeven dat de gemeente Amsterdam in het kader van de bijstandverlening aan eiser een onderzoek was gestart naar zijn woonadres, kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin de conclusie worden verbonden dat geen sprake meer was van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Indien bovendien al kan worden aangenomen dat eiser Nederland (tijdelijk) heeft verlaten, heeft dat niet altijd zonder meer tot gevolg dat eiser vanaf dat moment niet langer als ingezetene kan worden beschouwd.

4.6. De rechtbank zal verweerder gelet op het voorgaande opdragen een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen, waarbij verweerder zal dienen in te gaan op de criteria zoals geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad. Tevens zal verweerder in dit nieuwe besluit in dienen te gaan op het door eiser gedane verzoek tot schadevergoeding.

4.7. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze worden begroot op € 874,- in beroep. Voorts dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling, rechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Wevers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB