Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU4017

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-11-2011
Datum publicatie
11-11-2011
Zaaknummer
13/654071-10 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt voor smaadschrift veroordeeld tot 60 uur werkstraf. Beroep op artikel 10 EVRM wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654071-10 (Promis)

Datum uitspraak: 10 november 2011

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1991],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 oktober 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J.M. Vreekamp en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.G.D. Rutten, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging op de zitting - ten laste gelegd dat hij op of omstreeks de periode van 02 november 2009 tot en met 09 november 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, door middel van verspreiding van (een) geschrift(en), de eer en/of de goede naam van [aangever], dienstdoende bij de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, wijkteam De Pijp als

brigadier heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) met voormeld doel

- een envelop met inhoud (twee brieven), bij voornoemd wijkteam (laten) afleveren en/of bezorgen en/of

- (vervolgens) zevenenzeventig, in elk geval een of meer brieven onder ruitenwissers van auto's gestopt en/of op bomen en/of winkelpanden en/of parkeermeters en/of abri tramhalte en/of gevels en/of in brievenbussen geplakt en/of gehangen en/of gedeponeerd en/of geflyerd en/of verspreid en/of

in deze brieven geschreven:

-'(voor) [aangever] de roekeloze motoragent'

- 'het was geen verrassing voor ons allen toen we hoorden dat het ome [aangever] Schumacher was die mevrouw dood reed' en/of

- 'Hij heeft niet alleen ons onrecht aangedaan maar ook de vrouw die overstak en te vroeg het leven heeft verlaten. OMdat hij weer eens door rood reed zonder zwaailichten of sirenes.' en/of

- 'dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht' en/of

- 'U bent een wetsdienaar maar u houdt zich niet aan de wet' en/of

- 'Je hebt een moord op je geweten beseft u dat wel?' en/of

- 'Nu rijdt u door rood en doodt je een jonge mevrouw die niets vermoedend oversteekt.'

en/of

- '[aangever] was de agent die ons jarenlang heeft getreiterd. De agent strak regelmatig zijn middelvinger op naar ons als we op het pleintje zaten. Ook gaf hij regelmatig onnodige boetes waarvan de jongens tot de dag van vandaag opgescheept zitten met incassobureau's' en/of

- 'Wanneer wij door rood rijden krijgen wij glimlachend een boete van je en lees je ons altijd netjes de les voor. Je wed vaak aangesproken op je agressieve rijgedrag maar kennelijk interesseerde je dat geen ene moer.... Heel jammer want nu keert het tij tegen je...'

- 'Wie kuilen graaft voor anderen zal uiteindelijk zelf daarin vallen....';

De rechtbank leest het in de 27e, respectievelijk 31e regel van het ten laste gelegde vermelde "strak', respectievelijk "wed" als "stak", respectievelijk "werd", omdat hier van kennelijke misslagen sprake is. De verbetering van deze misslagen schaadt verdachte niet in zijn verdediging.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Feiten en omstandigheden

4.1.1 De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.i

Op 2 november 2009 wordt op het politiebureau van Wijkteam de Pijp in Amsterdam een enveloppe afgegeven, geadresseerd aan "het politiebureau Ferdinand Bolstraat te Amsterdam, n.a.v. de fatale ongeluk veroorzaakt door [aangever]". In de enveloppeii zitten twee brieven.iii

De brief met opschrift 'Brief 2' houdt onder meer het volgende in:

- Naar aanleiding van: Motoragent rijdt vrouw dood 24 Oktober te Amsterdam Stadionweg.

- [aangever] de roekeloze motoragent

- Het was geen verrassing voor ons allen, toen we hoorden dat het "Ome [aangever] Schumacher" was die mevrouw dood reed.

- [aangever] was de agent die ons jarenlang heeft getreiterd. De agent stak regelmatig zijn middelvinger op naar ons als we op het pleintje zaten. Ook gaf hij regelmatig onnodige boetes waarvan de jongens tot de dag van vandaag opgescheept zitten met incasso bureaus.

- Hij heeft niet alleen ons onrecht aangedaan maar ook de mevrouw die overstak en te vroeg het leven heeft verlaten. Omdat hij weer eens door rood reed zonder zwaailichten of sirenes.

De brief draagt het onderschrift "Amsterdamse Diamantbuurt jongeren".4

De brief met het opschrift 'Brief 1' houdt onder meer het volgende in:

- Naar aanleiding van: Motoragent rijdt vrouw dood 24 Oktober te Amsterdam Stadionweg.

- Voor [aangever] de roekeloze motoragent.

- dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

- Wanneer wij door rood rijden krijgen wij glimlachend een boete van je en lees je ons altijd netjes de les. Je werd vaak aangesproken op je agressieve rijgedrag maar kennelijk interesseerde je dat geen ene moer

- U bent een wetsdienaar maar u houdt zich NIET aan de wet!

- Je hebt een moord op je geweten, beseft U dat wel?

- Nu rijdt u (...) door rood en doodt je een jonge mevrouw die nietsvermoedend oversteekt.

Onderaan de brief staat 'Namens de Amsterdamse Diamantbuurt jongeren'.

Op 8 november 2009 ziet een inspecteur van politie bij Wijkteam de Pijp, dat er onder de ruitenwisser van zijn dienstvoertuig een tweetal vellen met geprinte tekst (A4) zit gestoken. Een soortgelijk papier zit onder de ruitenwisser van een dienstbus. Bij lezing ziet hij dat brigadier [aangever], werkzaam bij het Wijkteam de Pijp, in het schrijven wordt afgedaan als een onprofessioneel en niet integere politieambtenaar. De twee brieven zijn ondertekend met 'de jeugd Diamantbuurt' . Naar aanleiding hiervan stelt de inspecteur een onderzoek in in de Diamantbuurt. Hij ziet in diverse straten de eerder genoemde brieven achtergelaten op auto's, bomen, winkelpanden en zogenaamde abri's. In de Carillonstraat zitten de brieven achter de ruitenwissers van geparkeerde auto's en op bomen geprikt; in de Jan Lievenstraat zitten ze ook achter ruitenwissers en op de bomen voor de onderdoorgang naar het Smaragdplein; in de Van Woustraat achter ruitenwissers van auto's en op de abri van de tramhalte, gevels, winkelpanden en parkeermeters. De brieven blijken ook in brievenbussen te zijn gedeponeerd. In de Saffierstraat zitten de brieven achter ruitenwissers van auto's. De brieven zijn inbeslaggenomen. iv De brieven bevatten alle de tekst van voornoemde brief 2 v .

Op 8 november 2009 doet [aangever], brigadier, werkzaam in het wijkteam "de Pijp" aangifte. Een van zijn taken is het surveilleren per motor in de Diamantbuurt. Hij vertelt dat de jeugd in die buurt hem goed kent, bij voor- en achternaam.

Op 22 oktober 2009 heeft hij een aanrijding gehad met de dienstmotor op de kruising Stadionweg/Diepenbrockstraat. De voetganger is de volgende dag overleden. Tien minuten na de aanrijding is hij aangesproken door een jongen die hij kent als [verdachte].

Op 2 november 2009 is op het politiebureau Ferdinand Bolstraat een envelop met daarin twee brieven bezorgd. De eerste brief was gericht aan [aangever]. Aangever is er ervan overtuigd dat de inhoud van de brieven op hem slaat en verklaart "De aantijgingen berusten niet op waarheid: ik ben geen moordenaar, ik ben geen roekeloze motoragent".

In de nacht van 7 op 8 november is de tweede brief in grote mate verspreid door de Diamantbuurt en in de omgeving van de aanrijding. Na ontdekking zijn er door collega's van aangever 77 brieven gevonden en veiliggesteld. Aangever voelt zich door de leugenachtige inhoud van de brieven ernstig in zijn goede naam en eer aangetast en acht het een grove aantasting van zijn beroepseer. Door het verspreiden van de brieven met daarin onjuiste en onware feiten voelt hij zich ernstig gekrenkt.vi

Inspecteur [buurtregisseur], buurtregisseur in de Diamantbuurt, treft op 9 november 2009 op het trottoir van de Jan Lievensstraat te Amsterdam twee van de bedoelde brieven aan. De brieven betreffen kopieën. Er lopen horizontale lijnen over de brieven die niet bij de tekst op de brief horen. Beide brieven hebben exact hetzelfde horizontale lijnenpatroon.

Hij stelt een onderzoek in naar kopieerapparaten die publiekelijk gebruikt kunnen worden. Met het in de publieksruimte van de Albert Heijn in de Van Woustraat 152 te Amsterdam geplaatste kopieerapparaat heeft hij een kopie gemaakt van een blanco witkleurig A4 papier. Hij ziet dat op deze kopie exact dezelfde drie strepen staan als op de twee brieven, op precies dezelfde plaats. De bedrijfsleider verklaart dat een medewerker van Albert Heijn hem heeft verteld dat haar op zaterdag 7 november 2009 omstreeks 19.00 uur een Marokkaanse jongen was opgevallen. Hij wisselde papiergeld voor munten van twee euro. Hij moest namelijk veel kopieën maken. Zij kende de jongen want hij zat bij haar op school op het Hervormd Lyceum aan de Beethovenstraat te Amsterdam. Deze jongen heet "[bijnaam]" en woont in de [A-straat] tegenover nummer [nr]. vii

Als verdachte door de politie wordt gehoord geeft hij als adres op [A-straat nr] [postcode] [woonplaats]. Hij vertelt dat hij wel [bijnaam] wordt genoemd, onder meer op school.viii

Een tentamen van [verdachte] wordt door de school aan de politie overhandigd en in beslaggenomen voor handschriftvergelijking. ix

Door een deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut wordt een vergelijkend handschriftonderzoek verricht. De gebruikte stukken van overtuiging betreffen een enveloppe gericht aan het politiebureau Ferdinand Bolstraat, met bijbehorende brief en een door

[verdachte] gemaakt proefwerk op papier van het Hervormd Lyceum Zuid.

De conclusie luidt dat het handschrift op de enveloppe met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is geproduceerd door degene die het vergelijkingshandschrift heeft vervaardigd, volgens opgave [verdachte]. x

4.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerequireerd verdachte te veroordelen terzake van een gekwalificeerde vorm van smaad, te weten smaadschrift. Verdachte heeft aangever beschuldigd van een concreet feit, de beschuldiging zwart op wit gesteld en verspreid door de hele buurt. De impact is dan ook groot. De exceptie voor strafbaarheid, zoals bedoeld in het derde lid van artikel 261 Sr is niet aan de orde en het in artikel 10 EVRM geborgde recht van vrije meningsuiting is niet geschonden. Zij komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de brief met opschrift 'brief 1' kan niet worden bewezen dat verdachte aan het daarin ten laste gelegde ruchtbaarheid heeft willen geven, zodat in zoverre partiële vrijspraak dient te volgen. Ten aanzien van de in 'brief 2' opgenomen teksten kan niet kan worden bewezen dat zij de eer en/of de goede naam van aangever hebben aangerand . De gebezigde teksten zijn niet beledigend, zijn niet grof en roepen niet op tot haat of geweld. Ook zijn zij niet discriminerend. Zij zijn eerder ironisch te noemen en een uiting van verontwaardiging die niet onnodig grievend is geweest. De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de beschuldiging.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt op grond van de onder 4 genoemde bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Zij overweegt daarbij dat verdachte moet hebben beseft dat ook met betrekking tot brief 1 de wijze waarop de op het politiebureau afgegeven enveloppe was geadresseerd, meebracht dat anderen dan [aangever] zelf, onder wie diens collega-agenten, kennis zouden nemen van de inhoud van de beide brieven. Het bezorgen van de beide brieven op het bureau en het verspreiden van brief 2 in de buurt van het politiebureau waar aangever werkzaam is en in de buurt van de plaats waar het ongeval is gebeurd, had, naar het oordeel van de rechtbank, het kennelijke doel ruchtbaarheid te geven aan de bepaalde feiten die de aangever in deze brieven ten laste werden gelegd, namelijk het verwijt dat hij een moordenaar, een roekeloze motorrijder en een onprofessionele wijkagent zou zijn.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht dan ook, zoals gezegd op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte in de periode van 2 november 2009 tot en met 09 november 2009 te Amsterdam, opzettelijk, door middel van verspreiding van geschriften, de eer en goede naam van [aangever], dienstdoende bij de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, wijkteam de Pijp, als brigadier, heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel

- een enveloppe met inhoud (twee brieven), bij voornoemd wijkteam laten afleveren en

- brieven onder ruitenwissers van auto's gestopt en op bomen en op winkelpanden en op parkeermeters en op een abri van een tramhalte en op gevels geplakt of gehangen en in brievenbussen gedeponeerd en in deze brieven geschreven:

-'(voor) [aangever] de roekeloze motoragent' en

- 'het was geen verrassing voor ons allen toen we hoorden dat het "ome [aangever] Schumacher" was die mevrouw dood reed' en

- 'Hij heeft niet alleen ons onrecht aangedaan maar ook de vrouw die overstak en te vroeg het leven heeft verlaten. Omdat hij weer eens door rood reed zonder zwaailichten of sirenes' en

- 'dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht' en

- 'U bent een wetsdienaar maar u houdt zich NIET aan de wet' en

- 'Je hebt een moord op je geweten beseft U dat wel?' en

- 'Nu rijdt u (...) door rood en doodt je een jonge mevrouw die nietsvermoedend oversteekt' en

- '[aangever] was de agent die ons jarenlang heeft getreiterd. De agent strak regelmatig zijn middelvinger op naar ons als we op het pleintje zaten. Ook gaf hij regelmatig onnodige boetes waarvan de jongens tot de dag van vandaag opgescheept zitten met de incassobureaus' en

- 'Wanneer wij door rood rijden krijgen wij glimlachend een boete van je en lees je ons altijd netjes de les voor. Je werd vaak aangesproken op je agressieve rijgedrag maar kennelijk interesseerde je dat geen ene moer.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

6.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de in lid 3 van artikel 261 Sr bedoelde rechtvaardigingsgrond nadrukkelijk niet willen inroepen. Daarentegen heeft hij een beroep gedaan op artikel 10 EVRM, waarin het recht op vrije meningsuiting wordt gewaarborgd. Hij heeft erop gewezen dat voor een inperking van dit recht onder meer vereist is dat sprake is van een dringende maatschappelijke noodzaak daartoe ('pressing social need'). Een dergelijke noodzaak is in de onderhavige casus niet aan de orde, aldus de raadsman. De raadsman heeft betoogd dat artikel 261 Sr op grond van artikel 94 Gw buiten toepassing moet blijven en dat verdachte van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen.

6.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft dit standpunt bestreden en aangevoerd dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens bij de toepassing van artikel 10 EVRM als leidraad neemt het leveren van een bijdrage aan een publiek debat, waaraan vrijheden zijn verbonden. Uit niets echter blijkt dat verdachte met zijn handelen een bijdrage heeft willen leveren aan het publieke debat. Zij heeft in dit verband ook gewezen op de omstandigheid dat verdachte bij de politie en ook ter zitting van zijn zwijgrecht gebruik maakt. Bovendien is uit de nodeloos krenkende vorm waarin hij de bewoordingen heeft gegoten af te leiden dat verdachte het behartigen van het algemeen belang niet voor ogen had.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling of de geschriften die verdachte heeft verspreid een geoorloofde uiting zijn in de zin van artikel 10 EVRM heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Uitgangspunt is het gegeven dat het in artikel 10 EVRM gewaarborgde recht van vrije meningsuiting in principe een ieder toe komt.

Het in artikel 10 EVRM vastgelegde recht mag alleen worden ingeperkt als de beperking bij wet is voorzien, de beperking een geoorloofd doel dient en voor de beperking een noodzaak is in een democratische samenleving.

De rechtbank is van oordeel dat de brieven beschuldigingen bevatten, die zeer grievend zijn en waarvan op geen enkele wijze is aangetoond dat deze op waarheid berusten. Immers [aangever] wordt hierin een moordenaar genoemd, een bij herhaling roekeloos rijdende motoragent en iemand die onprofessioneel ('treitert' en 'onnodige boetes') optreedt als wijkagent. Dat in deze brieven is te lezen dat ze een reactie vormen op een ongeval met dodelijke afloop, waarvoor [aangever] - later! - is veroordeeld wegens dood door schuld, maakt dit niet anders.

Voor zover de beschuldigingen moeten worden opgevat als waardeoordelen, acht de rechtbank deze - bij gebreke van een voldoende feitelijke basis - excessief.

De raadsman heeft nog aangevoerd dat de brieven ironisch zijn bedoeld. Hij heeft echter niet duidelijk gemaakt waaruit dat zou moeten blijken. Ook overigens is de rechtbank niet duidelijk geworden hoe de lezers dat zouden moeten kunnen opmaken uit de brieven.

Verder is op geen enkele manier gebleken dat verdachte door het verspreiden van de gewraakte teksten heeft willen deelnemen aan een publiek debat.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een dringende maatschappelijke noodzaak bestaat voor de beperking van het recht op vrije meningsuiting, zodat artikel 261 Sr niet buiten toepassing moet blijven gelet op artikel 94 Gw. Derhalve is het bewezen feit strafbaar.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is ook overigens niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf en de maatregel

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 150 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen. Voorts heeft de officier van justitie toewijzing van de civiele vordering gevorderd, onder toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft door zijn handelen aangever willen grieven en ruchtbaarheid willen geven aan de vergaande verwijten die hij aangever heeft gemaakt. Aangever heeft zich door de grievende teksten die overal in de buurt verspreid waren ernstig in zijn goede naam en eer - waaronder begrepen zijn beroepseer - aangetast gevoeld. Uit de vordering die aangever als benadeelde partij heeft ingediend blijkt dat hij zijn werk op straat heeft moeten staken en tegen zijn zin is overgeplaatst.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft - zo vertelde hij op zitting - het Hervormd Lyceum met goed gevolg afgesloten en studeert nu Nederlands. Verdachte houdt van schrijven en is geïnteresseerd in taal. Van belang is dat verdachte zich sindsdien niet meer schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.

De rechtbank zal verdachte een werkstraf opleggen, maar de geëiste duur daarvan matigen.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [aangever], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.

De rechtbank waardeert deze op € 1.000, - (duizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [aangever] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22c, 22g, 36f, 261, tweede lid en 267 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

smaadschrift, terwijl het feit wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen.

Wijst de vordering van [aangever], per adres Regiopolitie Amsterdam-Amstelland (DPA/Preventie en Zorg/IPS), Postbus 2287, 1000CG Amsterdam, toe tot € 1.000,- (duizend euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever] aan de Staat € 1.000,- (duizend euro) te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 20 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M.J. Lommen-van Alphen, voorzitter,

mrs. F. Salomon en K.M. van Hassel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 november 2011.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii Blz. 15, 16, een schriftelijk stuk, zijnde een afschrift van de aan het politiebureau Ferdinand Bolstraat geadresseerde enveloppe (voor- en achterkant).

iii Blz. 10 e.v. proces-verbaal bevindingen

iv Blz. 17 e.v., een geschrift zijnde een niet door beide verbalisanten getekend stuk met opschrift proces-verbaal bevindingen.

v Proces-verbaal van bevindingennr. 2009302376-14, d.d. 21 juni 2010, opgemaakt door [verbalisant], inspecteur van politie (niet doorgenummerd).

vi Blz. 5 e.v. proces-verbaal van aangifte

vii Blz. 27 e.v. proces-verbaal van bevindingen

viii Blz. 31 e.v. proces-verbaal van verhoor verdachte

ix Blz. 70 e.v. proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming

x Blz. 39 e.v. schriftelijk stuk, zijnde een vergelijkend handschriftenonderzoek d.d. 22 december 2009 door de gerechtelijk deskundige A.E. van Leeuwen-Bronsgeest, verbonden aan het NFI.