Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU3658

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
HA RK 10-1221
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking ingevolge art. 36 Rv. Verzoek afgewezen. Het wrakingsverzoek had betrekking op een kantonrechter.

Naar het oordeel van de rechtbank leveren de door verzoekster gestelde vooringenomen oordelen, vijandigheid, geïrriteerdheid of desinteresse van de rechter, op zichzelf beschouwd noch in onderling verband bezien, een grond op voor de vrees dat de rechter in dit geval de schijn van partijdigheid op zich heeft geladen. Dat de rechter tijdens de mondelinge behandeling heeft geaccepteerd dat twee documenten in het geding zijn gebracht, is een verzoekster onwelgevallige beslissing van procedurele aard die niet met succes als wrakingsgrond kan worden aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het op 16 december 2010 ingekomen en onder rekestnummer

HA RK 10-1221 ingeschreven verzoek van:

[ ],

wonende te [ ],

verzoekster,

gemachtigde: [ ],

advocaat gevestigd te [ ],

welk verzoek strekt tot wraking van [ ], rechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

- het verzoek tot wraking met bijlagen van 13 december 2010;

- de schriftelijke reactie van de rechter;

- het proces-verbaal van de zitting van 7 december 2010 met daaraan gehecht de pleitaantekeningen van verzoekster.

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 10 februari 2011, waar de rechtbank verzoekster, haar gemachtigde en de rechter heeft gehoord. Verzoekster heeft pleitaantekeningen overgelegd. De uitspraak is bepaald op 22 februari 2011.

1. Het verzoek en de gronden daarvan

Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de navolgende zakelijk weergegeven gronden.

1.1 Verzoekster heeft bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend tot ontbinding van haar arbeidsovereenkomst. Het verzoek is behandeld op 7 december 2010 ten overstaan van de rechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter blijk gegeven van een persoonlijke vooringenomenheid ten aanzien van de deskundigheid van de gemachtigde van verzoekster zonder dat daartoe aanleiding bestond. De rechter heeft tijdens de behandeling voorgesteld de zitting te schorsen teneinde verzoekster in de gelegenheid te stellen te worden geïnformeerd over de juridische implicaties van het door haar ingediende ontbindingsverzoek. Zowel de inhoud als de vorm van het ingediende verzoekschrift rechtvaardigen een dergelijke schorsing en de twijfel die daaruit blijkt niet, ook al omdat bij aanvang van het pleidooi door verzoekster uitgebreid was ingegaan op de juridische implicaties van het verzoek.

1.2 De rechter heeft toegestaan dat de gemachtigde van verweerster een tweetal documenten die nieuwe gegevens bevatten in het geding heeft gebracht waarop verzoekster niet in de gelegenheid werd gesteld te reageren, ook niet na bezwaar. Door deze handelwijze heeft de rechter het beginsel van hoor en wederhoor geschonden.

1.3 De rechter heeft zich vervolgens vijandig en daarom aanhoudend vooringenomen tegenover verzoekster getoond (zie de uitspraak van de wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam d.d. 21 november 2006, LJN AZ3102). Deze houding kwam naar voren bij elk van de hierna te bespreken onderdelen. De persoonlijke vooringenomenheid van de rechter leek een belangrijke rol te spelen bij de beoordeling van elk argument van verzoekster dat zag op de inhoudelijke bespreking van het overgelegde bewijs, daar waar verzoekster op grond van de processuele gang van zaken in redelijkheid had mogen verwachten de essentiële onderdelen van haar stellingen te mogen toelichten (zie Hoge Raad d.d. 6 maart 1992, NJ 1993/79).

a) De rechter nam de door verzoekster uit de adviesaanvraag van verweerster geciteerde voorziene formatieplaatsen en de inhoud van de overgebleven aan verzoekster opgelegde functie zoals opgenomen in de door verweerster overgelegde productie 2 blz. 11 niet serieus en accepteerde zonder verdere vragen dat de verklaring van verweerster een vergissing betrof.

b) De rechter kapte de toelichting van verzoekster op de discrepantie tussen de door verweerster aan verzoekster in april 2010 toegezonden functiebeschrijvingen en de latere door verweerster na de splitsing van de dubbelfunctie van verzoekster geproduceerde functiebeschrijvingen zonder nadere bespreking af. Hierdoor werd het verzoekster onmogelijk gemaakt een behoorlijke toelichting te geven op de door haar ingezonden producties. Elke verdere toelichting van door verzoekster op het in dat verband door haar ingebrachte bewijsmateriaal werd door de rechter als zijnde niet relevant terzijde geschoven, terwijl de enkele niet onderbouwde toelichting van verweerster op de discrepanties tussen de aan verzoekster door de werkgeefster gepresenteerde tegenstrijdige gegevens door de rechter zonder verdere vragen werd geaccepteerd, kennelijk op basis van haar persoonlijke overtuiging dat werknemersverzoeken nu eenmaal eindigen in een ontbinding zonder of met een zeer lage vergoeding en de merites van de zaak er daarom niet toe doen.

c) Ook andere vergissingen van verweerster als opgenomen in het verweerschrift en aantoonbaar onjuiste losse opmerkingen van verweerster weigerde de rechter te onderzoeken. Vragen van verzoekster daarover liet de rechter onbeantwoord.

d) De herhaalde poging van verzoekster om uit te leggen dat een op zichzelf staande functie niet gelijk hoeft te staan aan een in haar geval gelijkwaardige of passende functie werd door de rechter genegeerd.

e) Ook de opmerking van verzoekster dat zij een gang naar de rechter had willen

voorkomen door mediation voor te stellen, werd door de rechter als niet relevant ter zijde geschoven, terwijl zij de daarop haaks staande opmerking van verweerster dat zij niet wenste dat verzoekster als gewaardeerde kracht zou vertrekken, zonder verder onderzoek accepteerde. Dit klemt te meer nu de rechter de verwijzingen van verzoekster naar de letterlijke tekst in brieven waarin haar functioneren ter discussie werd gesteld, weigerde te bespreken.

f) Het voorgaande dient mede beschouwd te worden in het licht van de vraag die de rechter bij aanvang van de zitting aan beide partijen stelde, te weten wat hun belang was bij het voeren bij een ontbindingsprocedure. De rechter miskende daarmee het feit dat verzoekster een omvangrijk en uitgebreid verzoekschrift had ingediend waarin haar belang bij de procedure stond omschreven.

Bovengenoemde feiten en omstandigheden rechtvaardigen de objectief bij verzoekster te rechtvaardigen vrees dat de rechter jegens haar een vooringenomenheid heeft gekoesterd.

2. De reactie van de rechter

2.1 De rechter heeft aangevoerd dat er geen sprake is van partijdigheid dan wel de schijn van partijdigheid. Voor het verloop van de zitting heeft de rechter verwezen naar het proces-verbaal.

2.2 Ten aanzien van onderdeel B (zie hiervoor sub 1.2) van het verzoekschrift heeft de rechter aangevoerd dat door de gemachtigde van verweerster twee documenten zijn overgelegd, die volgens de gegeven toelichting moesten worden gezien als een samenvatting van stukken die al eerder in het geding waren gebracht. De gemachtigde van verweerster had ervoor kunnen kiezen deze samenvattingen te verwerken in haar pleitnota maar koos in plaats daarvan voor het overleggen van deze stukken met een mondelinge toelichting. Zoals volgt uit het proces-verbaal van de zitting heeft de gemachtigde van verzoekster op deze stukken gereageerd. Daarmee was het standpunt van verzoekster ten aanzien van deze documenten duidelijk en achtte de rechter zich op dat punt voldoende voorgelicht. Het is aan haar om bij het nemen van de beslissing te bepalen of en in hoeverre gebruik van de documenten wordt gemaakt, aldus de rechter.

2.3 Ten aanzien van onderdeel C (zie hiervoor sub 1.3) heeft de rechter aangevoerd dat de gemachtigde van verzoekster ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om bij pleidooi en bij repliek de standpunten van verzoekster toe te lichten.

2.4 Ten aanzien van onderdeel D (zie hiervoor sub 1.3a) heeft de rechter aangevoerd dat zoals ook uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dit onderdeel zowel door de gemachtigde van verzoekster als de gemachtigde van verweerster nader is toegelicht.

Gelet daarop achtte de rechter zich op dit punt voldoende voorgelicht. De rechter zag geen aanleiding hierover nog nadere vragen te stellen. Anders dan door de gemachtigde van verzoekster gesteld, is er geen sprake van dat de stellingen van verzoekster niet serieus zijn genomen. Er was simpelweg geen reden meer om door te vragen. Het staat een rechter vrij een dergelijke beoordeling te maken. Hetzelfde geldt voor de door verzoekster onder de onderdelen E, F, G en H gemaakte verwijten (zie hiervoor sub 1.3b, 1.3c, 1.3d en 1.3e)

2.5 Juist in zaken waarin de stellingen uitgebreid op papier staan acht de rechter het nuttig om van partijen zelf te horen wat zij zelf als de kern van de zaak zien. Om die reden vraagt de rechter bij aanvang van de zitting naar de reden, het belang van de procedure. Het is haar ervaring dat dit vaak het verloop van de zaak ter zitting ten goede komt.

2.6 In bijlage B bij het wrakingsverzoek verklaart verzoekster dat zij zag dat de rechter tijdens het pleidooi van haar gemachtigde moeite had om wakker te blijven omdat zij met haar ogen knipperde en die ook dicht had. De rechter herkent zich niet in deze beschrijving. Het knipperen van haar ogen werd veroorzaakt door een medische aandoening.

3. De gronden van de beslissing

3.1 Op grond van het bepaalde in artikel 36 Rv, dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2 Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partij-dig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker daarover is belangrijk, maar niet door-slaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

3.3 De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve criterium en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een specifieke rechter dat de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of onafhankelijk van het gedrag van een specifieke rechter, vastgesteld moet worden dat er sprake is van een bij verzoeker objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij deze rechter ontbreekt.

3.4 Naar het oordeel van de rechtbank leveren de door verzoekster genoemde om-standigheden, op zichzelf beschouwd noch in onderling verband bezien een grond op voor de vrees dat de rechter in dit geval de schijn van partijdigheid op zich heeft ge-laden. Niet enkel de visie van verzoekster is beslissend; de vrees dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt, moet objectief gerechtvaardigd zijn.

3.5 Voorop staat dat de rechter ter zitting een grote mate van vrijheid heeft om de zaak te behandelen op de wijze die de rechter als passend voorkomt. In dit geval heeft de rechter partijen de gelegenheid gegeven hun standpunten naar voren te bren-gen en daarna over en weer nog te reageren. Zelfs als de stelling van verzoekster juist zou zijn, dat de rechter vervolgens een voorstel tot schorsing heeft gedaan met als enig doel om verzoekster in de gelegenheid te stellen te worden geïnformeerd over de juridische implicaties van het door haar ingediende ontbindingsverzoek, dan blijkt daar nog geen vooringenomenheid uit. Verzoekster heeft bij de behandeling van de wraking ter zitting bevestigd dat zij het gevoel had dat de rechter uit vooringenomen-heid de schorsing voorstelde. Nu dit gevoel niet steunt op concrete uitlatingen van de rechter, is de vrees van verzoekster niet objectief gerechtvaardigd.

3.6 Dat de rechter tijdens de mondelinge behandeling heeft geaccepteerd dat twee documenten in het geding zijn gebracht, is een verzoekster onwelgevallige beslissing van procedurele aard die niet met succes als wrakingsgrond kan worden aangevoerd.

3.7 Ook voor de door verzoekster gestelde vooringenomen oordelen, vijandigheid, geïrriteerdheid of desinteresse van de rechter zijn geen concrete aanwijzingen te vinden, zodat deze niet kunnen leiden tot toewijzing van het wrakingsverzoek.

3.8 Verzoekster heeft ter zitting de rechtbank verzocht te bepalen dat de handgeschreven griffiersaantekeningen, waarop het proces-verbaal van de zitting berust, worden overgelegd. Dat is een beslissing die de wrakingskamer van de rechtbank niet toekomt.

3.9 Het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.

4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat de procedure met zaaknummer [ ] wordt voorgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het wrakingsverzoek werd ingediend.

Aldus gegeven door mrs. M. van Walraven, M.V. Ulrici en Y.A.A.G. de Vries, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 februari 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv, geen voorziening open.