Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU3570

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
AWB 11-91 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen sprake van herhaaldelijke gedragingen, een fout is onvoldoende om EMG op te leggen, gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/91 WET

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

verweerder,

gemachtigde mr. M.M. Kleijbeuker.

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser de plicht opgelegd mee te werken aan een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG).

Bij besluit van 17 december 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juli 2011. Eiser is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. In het primaire besluit is neergelegd dat verweerder op 3 september 2010 een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) heeft ontvangen van het Korps landelijke politiediensten (de mededeling). Uit de mededeling blijkt dat eiser op 30 juli 2010 als bestuurder van een motorvoertuig met een veel hogere snelheid reed dan het overige gelijksoortige verkeer en dan ter plaatse was toegestaan. Eiser reed met een gecorrigeerde snelheid van 148 kilometer per uur waar 90 kilometer per uur was toegestaan wegens werkzaamheden. Op dat moment werd er daadwerkelijk aan de werkzaamheden gewerkt. Verweerder heeft eiser een EMG opgelegd, omdat eiser tijdens die rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (de Regeling) behorende Bijlage 1 onder A, onderdeel III, Rijgedrag, onder 2c en 3a.

1.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser, inhoudende dat geen sprake was van het herhaaldelijk verrichten van gedragingen ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder overweegt dat de betrokken bestuurder niet eenmaal bepaald gedrag heeft vertoond, maar tijdens een rit herhaaldelijk het aangegeven ongewenste gedrag heeft vertoond. Onder het begrip ‘tijdens een rit’ moet dan bijvoorbeeld worden verstaan een nagenoeg aaneengesloten periode gedurende welke betrokkene een motorrijtuig bestuurt (verweerder verwijst naar de wijziging Regeling). Nu eiser gezien zijn gedragingen voldoet aan meerdere criteria uit genoemde Bijlage is er in het onderhavige geval sprake van herhaaldelijke gedragingen in de zin van artikel 10b, eerste lid, van de Regeling.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is verweerder van oordeel dat aan eiser kon worden tegengeworpen dat sprake is van gebrek aan inzicht in het verkeer en incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer. Daarmee is volgens verweerder voldaan aan artikel 10b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling. Verweerder heeft haars inziens terecht een EMG opgelegd.

1.3. Eiser voert in beroep – kort samengevat – aan dat één enkele overtreding nooit aanleiding kan zijn tot een maatregel. Hiertoe verwijst eiser naar een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 september 2009 (LJN: BJ8020). Voorts verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 maart 2000 (LJN: AA5198). Daaruit blijkt naar het inzicht van eiser dat het vatten van een enkele gedraging onder twee artikelen niet tot de conclusie kan leiden dat er herhaaldelijk gedrag is vertoond.

Het bestreden besluit wordt door eiser bestempeld als onzorgvuldig. Tot slot verzoekt eiser een schadevergoeding voor de door hem gemaakte kosten.

1.4. In het verweerschrift verwijst verweerder naar de toelichting bij de Regeling (Stcr. 25 september 2008, nr. 186, pag. 14) waarin staat vermeld:

‘Het tweede deel voorziet in een nieuw artikel 10b, waarin wordt aangegeven in welke gevallen de nieuwe EMG wordt opgelegd. Het gaat er hierbij om dat de betrokken bestuurder niet éénmaal bepaald gedrag heeft vertoond, maar tijdens een rit herhaaldelijk het aangegeven ongewenste gedrag heeft vertoond.’

Dus niet herhaaldelijk bepaald gedrag, maar herhaaldelijk het aangegeven ongewenste gedrag (de criteria) moet zich hebben voorgedaan. Dat kan zijn tweemaal voldoen aan één criterium, maar ook eenmaal voldoen aan twee verschillende criteria. Niet bepaald is dat dit op verschillende momenten moet plaatsvinden zoals eiser veronderstelt, maar enkel dat ten minste tweemaal de verkeerde gedragshouding tijdens een rit wordt geconstateerd. Daar het bij de EMG gaat om mentaliteitskwesties, is niet zozeer de actie bepalend, maar de houding/gedraging en de keuzes die men maakt in het verkeer. Hierdoor kan bij één actie voldaan zijn aan meerdere criteria van de Regeling.

Eiser scoort volgens verweerder op een tweetal gedragingen vermeld in de bijlage bij de Regeling. Immers, eiser reed 148 kilometer per uur, waarmee hij ervoor kiest om met een aanzienlijk hogere snelheid dan andere weggebruikers deel te nemen aan het verkeer waardoor er gevaarzettend (rij)gedrag ontstaat. Dit toont aan dat er bij eiser sprake is van incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers, als bedoeld in 3a, Bijlage 1, onder A, onderdeel III Rijgedrag van de Regeling.

Ook kiest eiser ervoor om fout gedrag te vertonen bij omstandigheden die juist aanleiding geven tot (nog) meer zorgvuldigheid waarbij aanpassing van het rijgedrag gewenst is. Eiser kiest ervoor om bij daadwerkelijke wegwerkzaamheden met zeer hoge snelheid langs de wegwerkers te rijden. Dit toont aan dat er bij eiser een gebrek is aan inzicht in risico’s in het verkeer, zoals vermeld in 2c, Bijlage 1, onder A, onderdeel III Rijgedrag van de Regeling.

Verweerder is van oordeel dat het niet behoeft te gaan om dezelfde gedragingen, een combinatie van verschillende gedragingen is ook mogelijk.

2. Wettelijk kader

2.1. Artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994 bepaalt, samengevat, dat indien een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling wordt gedaan aan het CBR.

2.2. Artikel 131, vierde lid, van de WVW 1994 bepaalt, samengevat, dat indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen betrokkene de verplichting oplegt zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat het CBR de aard van de educatieve maatregelen vaststelt en een of meer tot toepassing van die maatregelen bevoegde deskundigen aanwijst.

In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels worden vastgesteld ter uitvoering van het eerste en het vijfde lid.

2.3. Bij Regeling van 17 april 1996 van de Minister van Verkeer en Waterstaat zijn nadere regels gesteld met betrekking tot de maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid, Stcrt. 1996, 81, hierna: de Regeling).

2.4. Ingevolge het per 1 oktober 2008 ingevoerde artikel 10b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling besluit het CBR (onder meer) tot oplegging van een EMG, indien betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij de Regeling behorende Bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag.

2.5. Bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag bepaalt als volgt:

Feiten dan wel omstandigheden, die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid dan wel over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, met uitzondering van categorie AM:

(…)

2. Gebrek aan inzicht in risico’s in het verkeer, zoals:

(...)

c. niet tijdig onderkennen van de invloed van externe factoren, zoals het weer, de toestand van de weg, het tijdstip, de aanwezigheid van scholen, voetgangersoversteekplaatsen, de specifieke eigenschappen en de toestand van het eigen motorrijtuig en van andere voertuigen en van de vervoerde lading, of wegwerkzaamheden, of van interne factoren, zoals het ‘hand held’ bellen, afleiding door audiovisuele middelen of vermoeidheid;

3. Incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer, dat blijkt uit:

a. rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid;

2.6. In de toelichting bij de Bijlage staat onder meer vermeld:

‘Het gaat er hierbij om dat de betrokken bestuurder niet éénmaal bepaald gedrag heeft vertoond, maar tijdens een rit herhaaldelijk het aangegeven ongewenste gedrag heeft vertoond. (…)

Wat de snelheidsovertredingen betreft is ervoor gekozen vooralsnog alleen de hele zware snelheidsovertredingen op wegen binnen de bebouwde kom op te nemen als reden voor het opleggen van een EMG. De reden voor deze op het eerste gezicht wellicht beperkt geformuleerde instroom heeft te maken met het feit dat het hier zeer zware snelheidsovertredingen betreft waarvan kan worden gesteld dat hierdoor de verkeersveiligheid in gevaar is gebracht en die op zichzelf al getuigen van een zodanig verkeerde mentaliteit van de betrokken bestuurder dat alleen al om die reden het vermoeden van het ontbreken van de vereiste rijvaardigheid, meer in het bijzonder het rijgedrag, gerechtvaardigd is. Daarnaast gaat het ook in deze vorm al om behoorlijke aantallen. Ten slotte wil ik het CBR de tijd geven om voldoende ervaring op te doen met de nieuwe maatregelen voordat ik mogelijk de instroom ga uitbreiden. Bij die vraag zal dan ook weer de samenloop met andere bestaande, dan wel in voorbereiding zijnde maatregelen (opnieuw) moeten worden bezien.’

3. Beoordeling van het geschil

3.1. Niet in geschil is dat eiser reed langs een weggedeelte op de snelweg A2 waar aangegeven was dat vanwege wegwerkzaamheden niet meer dan 90 kilometer per uur mocht worden gereden, met een snelheid van (gecorrigeerd) 148 kilometer per uur, derhalve meer dan 50 kilometer per uur te hard.

Voor het rijden binnen de bebouwde kom met een overschrijding van de maximaal toegestane snelheid met meer dan 50 kilometer per uur, is het opleggen van een EMG mogelijk zonder dat sprake is van een herhaalde gedraging. Dat is niet zo ter zake van een overtreding van de maximaal toegestane snelheid van 50 kilometer per uur of meer, buiten de bebouwde kom.

Daarom geldt op grond van het bepaalde in artikel 10b van de Regeling, te dien aanzien dat sprake moet zijn van het ‘tijdens een rit herhaaldelijk verrichten van de in de Bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag genoemde gedragingen’ die twijfel wekken aan de rijvaardigheid van betrokkene.

De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder aldus, dat eiser door het feit dat hij de vanwege de wegwerkzaamheden opgelegde maximumsnelheid van 90 kilometer per uur heeft overschreden tegelijkertijd voldoet aan twee criteria van in de Bijlage genoemd ongewenst gedrag en aldus herhaaldelijk ongewenst gedrag heeft vertoond. Dus tegelijkertijd zowel gevaarzettend rijgedrag door het snelheidverschil met de overige verkeersdeelnemers (criterium 3a van de Bijlage) alsook gebrek aan inzicht in de risico’s in het verkeer door het te snel langs de wegwerkzaamheden rijden (criterium 2c van de Bijlage).

3.2. Gelet op de bepalingen, aard en strekking van de Regeling en de Bijlage oordeelt de rechtbank dat het aan de orde zijnde standpunt van verweerder de grenzen van de Regeling overschrijdt. Het begrip ‘herhaaldelijk gedurende een rit’ kan in de meest ruime zin van het woord genomen, slaan op gedurende een zekere afstand eenzelfde gedraging meerdere keren, dus met tussenpozen verrichten, op het tijdens de rit achtereenvolgens verrichten van verschillende gedragingen en op het tegelijkertijd verrichten van meerdere verschillende gedragingen, zoals bijvoorbeeld het met een te hoge snelheid rijden en tegelijkertijd tussen de andere auto’s door slalommen of tegelijkertijd een mobiele telefoon in de hand hebben.

Uit het enkele rijden met een hogere snelheid dan vanwege de wegwerkzaamheden was toegestaan, kunnen geen twee in dit verband te onderscheiden gedragingen worden geconstrueerd. Dat vormt een uitleg casu quo een gebruik van het begrip herhaaldelijk die de aard en betekenis van dat begrip geweld aan doet. Voorts strookt die opvatting niet met de algemene norm die in de Regeling en de Bijlage besloten ligt, namelijk dat alleen bij met name genoemde heel ernstige verkeersfouten één fout voldoende is om een EMG op te leggen en dat voor overige verkeersfouten er meer nodig is om tot die conclusie te kunnen komen.

3.3. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

3.4. De rechtbank zal verweerder opdragen het door eiser betaalde griffierecht te

vergoeden. Voor een proceskostenvergoeding is geen grond nu eiser geen professionele rechtsbijstand heeft ingeroepen.

3.5. Ten aanzien van de verzochte verletkosten overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens artikel 2, eerste lid onder d van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt het bedrag van de verletkosten vastgesteld overeenkomstig een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 4,54 en € 53,09 per uur bedraagt. De rechtbank dient hierbij acht te slaan op de beroepsuitoefening, de gegoedheid van partijen en de aard van de zaak. De rechtbank acht € 21,06 per uur redelijk als vergoeding van de verletkosten.

Op grond hiervan ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze worden vastgesteld op € 84,24 aan verletkosten, opgebouwd uit vier uur afwezigheid van zijn werk teneinde de zitting bij te wonen à € 21,06 per uur.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 24 september 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 150,- (honderdvijftig euro) vergoedt;

- bepaalt dat verweerder aan eiser verletkosten ten bedrage van € 84,24 (zegge: vierentachtig euro en vierentwintig cent) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, voorzitter,

mrs. S.J. Riem en M.C. Eggink, leden, in aanwezigheid van

mr. J.R. de Savornin Lohman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2011.

de griffier de voorzitter

De griffier is buiten staat

deze uitspraak te ondertekenen.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB