Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU3167

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
04-11-2011
Zaaknummer
13-693036-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte had door enkele waarnemingen begrepen dat er iets aan de hand moest zijn met de lading die hij uit een container aan het lossen was. Door bij deze waarnemingen door te gaan met het lossen van de container heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de lading, die hij met anderen aan het uitladen was, verdovende middelen bevatte. Daarbij diende verdachte zich te realiseren dat transport van goederen in een container veelal duidt op internationaal zee- of wegvervoer. Er is dan ook sprake van voorwaardelijk opzet bij verdachte. Daarbij is wel aannemelijk de verklaring van verdachte dat al betrekkelijk snel nadat hij tot de conclusie kwam dat het niet goed zat, hij met de andere lossers werd aangehouden. Weliswaar heeft verdachte zich niet aan de situatie onttrokken, waartoe hij zonder meer in de gelegenheid was, maar er was voor hem nauwelijks gelegenheid zich te bezinnen op wat hem in deze situatie te doen stond. Deze omstandigheid zal ten voordele van verdachte tot uitdrukking worden gebracht in de strafmaat. Verdachte is daarmee medeplichtig aan de invoer van 250 kilo cocaïne. Daarnaast heeft verdachte opzettelijk 8.700 hennepplanten geteeld. Verdachte wordt veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 voorwaardelijk, en 180 uur werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/693036-10 (PROMIS)

Datum uitspraak: 18 oktober 2011

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1974],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [A-straat nr] te [woonplaats],

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 en 26 september 2011 en 4 oktober 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Tammes en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.W. Verhoef en door verdachte naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1. hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2010 tot en met 10 december 2010 te Rotterdam en/of [woonplaats], gemeente [gemeente] en/of Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, in ieder geval aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid cocaine, te weten (ongeveer) 250 kilo (verstopt in/vermengd met sojameel), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, in elk geval een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I;

Subsidiair:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer anderen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2010 tot en met 10 december 2010 te Rotterdam en/of [woonplaats], gemeente [gemeente] en/of Amsterdam en/of Badhoevedorp en/of Kudelstaart en/of Aalsmeer en/of Oudemeer, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een grote hoeveelheid cocaine, te weten (ongeveer) 250 kilo (verstopt in/vermengd met sojameel), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, in elk geval een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I

tot en/of bij welk feit hij, verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2010 tot en met 10 december 2010 te [woonplaats], gemeente [gemeente], in ieder geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest door het verschaffen van gelegenheid en/of inlichtingen en/of middelen, immers heeft hij, verdachte zijn terrein/erf en/of loods/schuur ter beschikking gesteld en/of is hij, verdachte behulpzaam geweest bij het uitladen/lossen van de container(s);

2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2010 tot en met 10 december 2010 te [woonplaats], gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [A-straat nr]) (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 8700 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is, zoals weergegeven in het door haar ter terechtzitting overgelegde requisitoir, van mening dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 1, subsidiair, en 2 ten laste gelegde heeft begaan. Zij heeft daartoe, kort samengevat, het volgende betoogd.

Verdachte heeft ten aanzien van feit 1. verklaard dat hem een aantal vreemde omstandigheden was opgevallen, waaruit wellicht niet valt af te leiden dat hij wist dat er cocaïne in de container zat, maar waaruit wel valt af te leiden dat hij welbewust het risico heeft genomen dat de lading cocaïne bevatte. Bij de beoordeling speelt ook een rol dat verdachte eerder verdovende middelen op zijn erf heeft gehad en dat hij een gewaarschuwd mens was. Het onder 1. subsidiair, ten laste gelegde kan dan ook bewezen worden verklaard.

Dat in de hennepplantage die op de bovenverdieping van de schuur van verdachte is aangetroffen, de zogenoemde Varo-mug zat, laat onverlet dat verdachte een hennepplantage had. Gelet op de 448 gebruikte plantenbakken, was verdachte daar ook al enige tijd mee bezig. Bewezen kan worden verklaard het opzettelijk aanwezig hebben van 8.700 hennepplanten.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende betoogd.

Verdachte heeft nooit willens en wetens de aanmerkelijke kans dat er cocaïne in de container zou zitten, bewust aanvaard. De wijsheid die achteraf bij hem is ontstaan, is niet te vergelijken met de wijsheid die hij op dat moment had. Hoewel sommige details niet klopten, was er voor verdachte geen reden om aan de inhoud van de container te twijfelen. Verdachte heeft dan ook geen opzet gehad en dient te worden vrijgesproken van het onder 1, primair en subsidiair, ten laste gelegde. Bovendien ziet de medeplichtigheid zoals omschreven in de tenlastelegging alleen op de invoer van cocaïne en daarvan is in ieder geval geen sprake.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging geen bewijsverweer gevoerd.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1. subsidiair ten laste gelegde.

De zaak tegen verdachte is gelijktijdig - maar niet gevoegd - ter terechtzitting van 22 en 26 september 2011 en 4 oktober 2011 behandeld met de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4]), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5]), [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6]) en [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7]). Heden wordt ook tegen voornoemde medeverdachten vonnis gewezen. Hieronder zal de rechtbank nader ingaan op de feiten en omstandigheden zoals die volgens de rechtbank kunnen worden vastgesteld. Ten behoeve van de leesbaarheid zal de rechtbank daarin niet alleen de rol van verdachte bespreken, maar ook de rol van alle medeverdachten.

Op grond van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.i De inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - wordt slechts gebezigd tot het bewijs van het ten laste gelegde feit waarop het zoals blijkt uit de inhoud kennelijk betrekking heeft.

Op 7 oktober 2010 zijn vanaf de Terminal Puerto Arica te Chili de containers met nummers PONU 165181-0 (hierna: PONU) en MSKU 639111-9 (hierna: MSKU) aan boord geladen van het containerschip Esther Schulte. Dit schip is vertrokken naar Panama. Vervolgens zijn de containers op 16 oktober 2010 gelost in de haven van Balbao Port Terminal te Panama, waarna ze aldaar op 20 oktober 2010 zijn geladen aan boord van het containerschip Maersk Niteroi met als bestemming Rotterdam. Daar komen de containers op 4 november 2010 aan.ii Blijkens de Bill of Lading afgegeven en gedateerd 20 oktober 2010 is de verzender Comertrade Group, Santa Cruz - Bolivia en de ontvanger Creation International, Mozartlaan 57, Aalsmeer.iii Eind oktober 2010 meldt [medeverdachte 2] zich bij [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) voor de twee containers. Voor de aflevering van deze containers is [medeverdachte 2] vier of vijf keer bij [persoon 1] geweest, aangezien hij niet wist wat de vervoersdocumenten betekenden.iv De container met nummer MSKU wordt uiteindelijk bestemd voor de Bloemendalerweg 58 te Weespv om daar op 9 november 2011 te worden afgeleverd.vi

[medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 2] voor de aankoop van een B.V. in contact gebracht met [persoon 2] (hierna: [persoon 2]).vii Omdat [persoon 2] [medeverdachte 1] nog geld schuldig was, heeft [medeverdachte 1] aan [persoon 2] gevraagd of deze de aankoop van de B.V. zou kunnen financieren. Uiteindelijk wordt de aankoop door [persoon 3] gefinancierd door aan [persoon 2] geld te lenen, aangezien [persoon 2] niet over voldoende financiële middelen beschikt.viii Op 27 oktober 2010 wordt [medeverdachte 2] enig aandeelhouder van Amtech B.V. De statutaire naam wordt gewijzigd in Agri World B.V. met als vestigingsadres Bloemendalerweg 58 te Weesp.ix

De aflevering van de container MSKU op 9 november 2010 aan de Bloemendalerweg 58 te Weesp,x had een gecontroleerde aflevering moeten worden. In de buurt van dat afleveradres wordt op voornoemde datum omstreek 08:50 uur door de leden van de aanhoudingseenheid van de FIOD een personenauto gezien met daarin een persoon die sterke gelijkenis vertoont met de zoon van [medeverdachte 1], te weten [zoon van medeverdachte 1].xi Kort daarna, omstreeks 09:14 uur, vindt een telefoongesprek plaats tussen [medeverdachte 2] en [persoon 1], waarin [medeverdachte 2] [persoon 1] verzoekt het transport tegen te houden. Uiteindelijk wordt de container niet afgeleverd en teruggeplaatst op het terminal. [medeverdachte 2] zegt tegen [persoon 1] dat hij de kosten daarvoor nog zal betalen.xii

Als [medeverdachte 2] op 27 november 2010 met zijn familie een weekend weg is naar het Van der Valk hotel te Middelburg, heeft hij een gesprek met [persoon 4] (hierna: [persoon 4]). Aan [persoon 4] vertelt [medeverdachte 2] dat hij die maandag naar zijn advocaat moet omdat hij een probleem heeft. Hij zegt bij die gelegenheid ook tegen [persoon 4] dat in de haven van Rotterdam een container op zijn naam staat en dat daarin iets zit dat tien miljoen euro waard is. [medeverdachte 2] is bang dat hij daarvoor zal worden opgepakt. Ook zegt [medeverdachte 2] dat hij gewoon mee heeft gedaan.xiii

Op 1 december 2010 gaat [persoon 5] naar de woning van [medeverdachte 2] in [plaats]. [persoon 5] is door [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] gestuurd om tegen hem te zeggen dat hij, [medeverdachte 2], naar café Select aan de Buitenveldertselaan moet komen. Kort daarop gaat [medeverdachte 2] naar het café.xiv Daar stapt hij bij [medeverdachte 1] in de auto en ze rijden weg. Tijdens deze rit wordt door de observanten gezien dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kennelijk een fel gesprek voeren. Even later wordt de auto weer bij het café geparkeerd, waarna [medeverdachte 2] uitstapt, Select even binnengaat en vervolgens met zijn auto wegrijdt. Ongeveer een half uur later worden de auto's van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gezien bij horecapaviljoen Chez Favié te Amsterdam, waaruit de rechtbank afleidt dat zij beiden, ieder in zijn eigen auto daarheen zijn gereden. In het horecapaviljoen zitten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen aan een tafel. Even later neemt [persoon 6] plaats aan die tafel en daarna [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3]. Tijdens het gesprek dat tussen deze vijf volgt, is [medeverdachte 1] het meeste aan het woord.xv

De vader van verdachte, [vader van verdachte] (hierna: [vader van verdachte]) wordt door "[persoon 7]", naar later blijkt: [persoon 7], benaderd voor de opslag van sojameel.xvi Nadat [vader van verdachte] aan verdachte heeft gevraagd of hij ruimte had voor de opslag en verdachte daarmee akkoord is gegaan, komen op 6 december 2010 [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] langs bij verdachte op de [A-straat nr] te [woonplaats], gemeente [gemeente]. Tijdens dit bezoek laat verdachte aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] de loods voor de opslag zien. Verdachte maakt met [medeverdachte 4], die het woord voert, onder andere de afspraak dat hij de loods (stal) leeg zal maken. Ook vraagt verdachte aan [medeverdachte 4] een huurcontract op te maken. Hierop antwoordt [medeverdachte 4] dat hij dat via zijn accountant zal regelen. Op 8 oktober 2010 gaat [medeverdachte 3] nogmaals naar verdachte om een tas met handschoenen af te leveren. [medeverdachte 3] zegt tegen verdachte dat zij (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]) de lossers zullen regelen.xvii

Op 9 december 2010 wordt vanuit het Bastion Hotel te Barendrecht naar Progress een fax gestuurd dat de container MSKU afgeleverd kan worden op de [A-straat nr] te [woonplaats]. Daarbij wordt vermeld dat als de chauffeur de weg niet kan vinden, hij kan bellen met het telefoonnummer [tel.nr.].xviii Op 10 december 2010 komt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] naar de [A-straat nr], waarna hij weer wegrijdt. Een paar uur later komt [medeverdachte 3] weer naar de boerderij om hen op te halen.xix Op dat moment krijgt verdachte van [medeverdachte 3] een telefoon, waarin alleen het nummer [tel.nr.] staat opgeslagen. Hierna rijden [medeverdachte 3], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] weg.xx Kort daarna komt de vrachtwagen met container MSKU aanrijden, waarna [medeverdachte 3] terugkomt met [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6]. [medeverdachte 3] rijdt daarop weer weg en verdachte, [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] beginnen met het lossen van de container. Even later komt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 5] aanrijden in een Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken]. Beiden beginnen te helpen met het lossen van de container.xxi Kort hierop gaat de FIOD het terrein op en omstreeks 16:20 uur worden verdachte, [medeverdachte 3], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] aangehouden.xxii In de Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] wordt het rijbewijs van [medeverdachte 3] aangetroffen alsmede een telefoon met het nummer [tel.nr.].xxiii De container MSKU wordt in beslag genomen en met het daarin aangetroffen sojameel blijkt in totaal ongeveer 250 kilogram cocaïne vermengd te zijn.xxiv

[medeverdachte 4] komt dezelfde dag met zijn auto omstreeks 18:00 uur in de buurt van de [A-straat nr] te [woonplaats] aanrijden. Hij stopt even en rijdt vervolgens met hoge snelheid weg. Even later, omstreeks 18:15 uur, rijdt [medeverdachte 4] het terrein van de [A-straat nr] op en stopt, keert de auto daarna en rijdt weg.xxv

Op 11 december 2010 worden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangehouden.xxvi In het kantoor van [medeverdachte 1] aan [adres] te [plaats] worden diverse documenten die betrekking hebben op het transport van de container MSKU aangetroffen.xxvii [medeverdachte 4] wordt op 28 december 2010 aangehouden.xxviii

Nadere overwegingen

Ten aanzien van het onder 1. primair ten laste gelegde:

Met de officier van justitie en de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte zodanig nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachten, dat er sprake is van medeplegen. Duidelijk is dat verdachte evenmin op eigen houtje heeft geopereerd. Verdachte wordt dan ook van het onder 1, primair, ten laste gelegde vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1. subsidiair ten laste gelegde:

Door de raadsman is betoogd dat verdachte niet de (dubbele) opzet heeft gehad op de hem verweten medeplichtigheid aan de invoer van verdovende middelen. Dit verweer wordt verworpen.

Verdachte heeft onder meer ter terechtzitting verklaard dat hem gaandeweg het uitladen van de zakken achtereenvolgens vijf keer iets opviel dat hij vreemd vond. In de eerste plaats dat hij van [medeverdachte 3] een gsm-telefoon kreeg. Ten tweede bevreemdde het hem dat de lossers, anders dan hijzelf (en mogelijk [persoon 8]) geen werkkleding droegen, maar gewone kleding, en op sportschoenen liepen. Ook vond hij het opmerkelijk dat er, gelet op diens taal en Indiaans voorkomen, een Zuid-Amerikaan bij leek te zijn (i) die bovendien de indruk wekte de lading te controleren (ii). Tenslotte viel het verdachte op dat de container maar half vol bleek te zijn, terwijl in de transportwereld geldt dat ruimte geld kost. Gaandeweg het lossen begreep hij op grond van deze waarnemingen dat er iets met de lading aan de hand moest zijn.xxix

Door bij bovenbedoelde waarnemingen door te gaan met het lossen van de container heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de lading, die hij met anderen aan het uitladen was, verdovende middelen bevatte. Daarbij diende verdachte zich te realiseren dat transport van goederen in een container veelal duidt op internationaal zee- of wegvervoer. Er is dan ook sprake van voorwaardelijk opzet bij verdachte. Daarbij is wel aannemelijk de verklaring van verdachte dat al betrekkelijk snel nadat hij tot de conclusie kwam dat het niet goed zat, hij met de andere lossers werd aangehouden. Weliswaar heeft verdachte zich niet aan de situatie onttrokken, waartoe hij zonder meer in de gelegenheid was, maar er was voor hem nauwelijks gelegenheid zich te bezinnen op wat hem in deze situatie te doen stond. Deze omstandigheid zal ten voordele van verdachte tot uitdrukking worden gebracht in de strafmaat.

Verlengde invoer

Nu de medeplichtigheid van verdachte bestaat uit het ter beschikking stellen van een opslagplaats en het lossen van de container, is de rechtbank van oordeel dat verdachte handelingen heeft verricht die gericht waren op het verdere vervoer van de cocaïne die reeds binnen het grondgebied van Nederland was gebracht. Er was dus sprake van invoer als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet en het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

Vastgesteld wordt dat er ten aanzien van het onder 2 bewezen geachte feit sprake is van een bekennende verdachte, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verklaring van verdachte alle onderdelen van de bewezenverklaringen betreft.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de hierna opgegeven bewijsmiddelen.

1. De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 22 september 2010 afgelegd.

2. Een proces-verbaal met nummer 2010185409-2 van 20 december 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], doorgenummerde bijlagennummer AH/H01.

3. Een proces-verbaal met nummer 2010185409-5 van 20 december 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], doorgenummerde bijlagennummer AH/H02.

4. Een proces-verbaal met nummer 2010185409-6 van 20 december 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], ongenummerd.

Het voorgaande leidt tot een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde, als volgt.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1. subsidiair ten laste gelegde:

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en anderen in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 10 december 2010 te Rotterdam en [woonplaats], gemeente [gemeente] en Amsterdam en Badhoevedorp en Oude Meer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een grote hoeveelheid cocaïne, te weten (ongeveer) 250 kilo (vermengd met sojameel)

bij welk feit hij, verdachte, op tijdstippen in de periode van 1 december 2010 tot en met 10 december 2010 te [woonplaats], gemeente [gemeente], opzettelijk behulpzaam is geweest, immers heeft hij, verdachte, zijn terrein/erf en loods/schuur ter beschikking gesteld en is hij, verdachte, behulpzaam geweest bij het lossen van de container;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 10 december 2010 te [woonplaats], gemeente [gemeente], opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan [A-straat nr]) een hoeveelheid van in totaal 8.700 hennepplanten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen

7.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1, subsidiair, en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar, met aftrek van voorarrest.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende betoogd.

De hennepplantage was besmet met de Varo-mug en daarom was verdachte begonnen met het vernietigen van de plantjes. Verder heeft verdachte volledig meegewerkt en heeft hij geen relevante documentatie.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan wordt in het bijzonder laten meegewogen dat verdachte zich, als medeplichtige, heeft bezig gehouden met de internationale handel in verdovende middelen, welke een ernstig gevaar voor de volksgezondheid vormt. Harddrugs, waaronder cocaïne, bevatten voor de gebruikers daarvan schadelijke stoffen. Daar komt bij dat de internationale handel in cocaïne wordt gedreven door criminele organisaties en gepaard kan gaan met geweld en andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft dan ook niet alleen gehandeld met veronachtzaming van de belangen van de volksgezondheid, maar ook, in een wijder verband, de veiligheid van de samenleving in gevaar gebracht. Verder houdt de rechtbank ook rekening met de omstandigheid dat het een grote hoeveelheid cocaïne, te weten 250 kilo, betrof.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met de bewezenverklaringen en op te leggen straffen in de zaken van de medeverdachten in het onderhavige strafrechtelijke onderzoek. Aan de onderlinge verhoudingen tussen de medeverdachten wordt voor wat betreft de aan hen op te leggen straffen aandacht besteed in de in hun zaken te wijzen vonnissen. Dienaangaande wordt hier volstaan met de overweging dat, hoewel er met het oog op het bepalen van de strafmaat geen principieel onderscheid wordt aangebracht tussen de betrokkenen bij de eigenlijke invoer van de container met cocaïne (te weten: [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5]) en de personen die betrokken zijn geweest bij de zogenoemde verlengde invoer, te weten het uiteindelijk doen afleveren en lossen van de container te [woonplaats] (te weten: [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3]), in dit verband wel gesproken kan worden van verschillende rollen, die door deze medeverdachten als medeplegers zijn vervuld, en die aanleiding zijn hun zaken voor wat betreft de op te leggen straf verschillend te beoordelen. Van belang in de zaak van verdachte is dat hij als medeplichtige hoe dan ook een aan de andere verdachten ondergeschikte rol heeft gehad.

Verder heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte om extra geld te verdienen op de bovenverdieping van zijn schuur een hennepplantage heeft ingericht. Deze hennepplantage bestond uit een aanzienlijke hoeveelheid planten, te weten 8.700 stuks. Hierdoor heeft verdachte een bijdrage aan de handel in en verspreiding van voor de gezondheid schadelijke softdrugs en aan de daarmee gepaard gaande vermogens- en andere criminaliteit willen leveren. De vraag of de zogenaamde Varo-mug in de hennepplantjes zat, doet aan dit oordeel niets af. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij hoe dan ook nog afzet voor de planten wilde vinden.

Uit het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 13 december 2010 betreffende verdachte blijkt dat hij reeds eerder voor een soortgelijk feit als feit 2. is veroordeeld en dat verdachte dus voor wat betreft de hennep op dezelfde manier in de fout is gegaan. Verdachte lijkt op het terrein van de Opiumwet telkens verkeerde beslissingen te nemen. In strafmatigende zin houdt de rechtbank echter wel, zoals hierboven reeds is overwogen, rekening met de omstandigheid dat verdachte, nadat hij tot de conclusie kwam dat het niet goed zat, direct werd aangehouden en hij daardoor geen of nauwelijks gelegenheid had zich te bezinnen op hoe te handelen. Gelet hierop en zijn geringere aandeel in de cocaïnezaak als medeplichtige, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft gezeten, niet noodzakelijk. Een gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm is als stok achter de deur op zijn plaats. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de maatschappelijk onaanvaardbare keuze van verdachte andermaal een hennepplantage op te bouwen zal de rechtbank verdachte daarnaast een forse werkstraf opleggen. Al met al wordt aldus afgeweken de straf die de officier van justitie heeft gevorderd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 48 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het onder 1. primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1. subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1. subsidiair bewezen verklaarde:

Medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet geven verbod.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot vijf (5) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M. van den Bergh, voorzitter,

mrs. C. Kraak en J.L. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.D. Coumou, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 oktober 2011.

De jongste rechter is buiten staat

mede te ondertekenen.

i De weergegeven bewijsmiddelen bevinden zich, tenzij anders vermeld, in het dossier van de Belastingdienst/FIOD. De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende bijlagennummers met eventuele paginanummer in het dossier.

ii AH-130, pagina 2. Een geschrift, te weten Vessel Movements Esther Schulte, bijlagennummer D-026. Een geschrift, te weten Vessel Movements Maersk Niteroi, bijlagennummer D-027. Een geschrift, te weten een uitdraai uit het computersysteem betreffende Maersk Niteroi, bijlagennummer D-028. Een geschrift, te weten een uitdraai uit het computersysteem betreffende Esther Schulte, bijlagennummer D-029.

iii Een geschrift, te weten een Bill of Lading d.d. 20 oktober 2010 betreffende de containers PONU 1651810 en MSKU6391119, bijlagennummer D-023.

iv G12-01 (verklaring van [persoon 1])

v Een proces-verbaal van verhoor van [persoon 1] d.d. 8 juli 2011 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank. Een geschrift, te weten een transportorder van MAERSK Line, betreffende de containers PONU 1651810 en MSKU6391119, bijlagennummer D-008.

vi G 12-01 (verklaring van [persoon 1])

vii V08-03 (verklaring van [medeverdachte 2]). V13-01 (verklaring van [persoon 2]).

viii V13-01 (verklaring van [persoon 2]).

ix Een geschrift, te weten een uittreksel uit de Kamer van Koophandel betreffende Agri World B.V., bijlagennummer D-011

x G12-01 (verklaring van [persoon 1])

xi AH-238.

xii AH-240. G12-01 (verklaring van [persoon 1]).

xiii G02-01 (verklaring van [persoon 4])

xiv OBS-004, pagina 2. V08-04 (verklaring van [medeverdachte 2])

xv OBS-004, pagina's 3 en 4. AH-064. AH-090. AH-206.

xvi V18-02, pagina 2 (verklaring van [vader van verdachte]).

xvii Verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 22 september 2011. V01-02, pagina's 1 en 3 (verklaring van [verdachte]). Een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 7 juli 2011 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

xviii Een geschrift, te weten een fax d.d. 9 december 2010 van [persoon 9] aan Htrans B.V., bijlagennummer D-017.

xix Een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 7 juli 2011 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank. V05-01 (verklaring van [medeverdachte 6]). Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7] d.d. 27 juni 2011 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

xx Verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 22 september 2011. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 7 juli 2011 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank. AH-027, met bijlagen.

xxi Verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 22 september 2011. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 7 juli 2011 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank. Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7] d.d. 27 juni 2011 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank. V05-01(verklaring [medeverdachte 6]). OBS-005, pagina's 1 en 2.

xxii VERD01-01 (proces-verbaal van aanhouding verdachte). VERD 03-01 (proces-verbaal van aanhouding, voorgeleiding en overdracht [medeverdachte 3]). VERD04-01 (proces-verbaal van aanhouding [medeverdachte 7]). VERD05-01 (proces-verbaal van aanhouding [medeverdachte 6]). VERD06-01 (proces-verbaal van aanhouding [medeverdachte 5]).

xxiii AH-008 (lijst van in beslag genomen voorwerpen, pagina 2). AH-066.

xxiv Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 4 februari 2011, opgemaakt door Ing. A.G.A. Sprong, inhoudende de verklaring van Sprong, bijlagennummer AH-138.

xxv V09-03 (verklaring van [medeverdachte 4]). AH-042, pagina 1. AH-043. AH-047.

xxvi VERD07-01 (proces-verbaal van aanhouding [medeverdachte 1]). AH-009 (proces-verbaal van doorzoeking).

xxvii AH-010. AH-011, pagina's 1 en 2. Een proces-verbaal met nummer 47726 van 22 september 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], inhoudende de verklaring van de verbalisant. Een geschrift, te weten een telebankopdracht d.d. 1 november 2010 van Progress Sea and Air B.V. betreffende de containers PONU 165181-0 en MSKU 639111-9, bijlagennummer D-005. Een geschrift, te weten een verzonden betalingsopdracht d.d. 2 november 2010 aan begunstigde MAERSK Line met omschrijving boot Esther Schulte, bijlagennummer D-006. Een geschrift, te weten een booking cancellation van Maersk Line d.d. 3 november 2010, bijlagennummer D-007. Een geschrift, te weten een transport order d.d. 4 november 2010 betreffende de containers PONU 165181-0 en MSKU 639111-9, bijlagennummer D-008. Een geschrift, te weten een tracking-result overview van Maersk Line betreffende de containers PONU 165181-0 en MSKU 639111-9, bijlagennummer D-009. Een geschrift, te weten e-mailcorrespondentie van [persoon 1], bijlagennummer D-010.

xxviii VERD09-01 (proces-verbaal van aanhouding, overbrenging en overdracht van [medeverdachte 4])

xxix Verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 22 september 2011.