Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU2969

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-10-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
AWB 10-1406 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herroeping bouwvergunning, volledige heroverweging niet gebonden aan bezwaargronden, geen reformatio in peius.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/1406 WW44

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. R. Muurlink,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laren,

verweerder,

gemachtigde mr. I.M. van Gompel.

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:

[belanghebbende], wonende te Laren,

belanghebbende.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een reguliere bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vergroten van een woonhuis gelegen op het perceel Melkweg 64 te Laren.

Bij besluit van 16 februari 2010, verzonden op 25 februari 2010, heeft verweerder het bezwaar van belanghebbende tegen het primaire besluit gegrond verklaard, het besluit van

4 juni 2009 herroepen en de bouwvergunning alsnog geweigerd (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2011. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Belanghebbende is verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres is eigenaar van het perceel Melkweg 64 te Laren. De woning op dit perceel is aangewezen als gemeentelijk monument. Belanghebbende, de broer van eiseres, huurt en bewoont een deel van de woning. Het bouwplan waarvoor eiseres bouwvergunning heeft aangevraagd voorziet onder meer in het slopen van de woning van belanghebbende.

2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende bouwvergunning, omdat hij niet wil dat zijn woning wordt gesloopt. Verweerder heeft de bouwvergunning vervolgens herroepen omdat het bouwplan bij heroverweging in strijd met het bestemmingsplan ‘Zevenend 2004’ bleek te zijn. Het bouwplan overschrijdt namelijk de maximale oppervlakte van artikel 5.3, onder a, sub 2, van de voorschriften van het bestemmingsplan (de planvoorschriften). Er kan bovendien geen vrijstelling of ontheffing worden verleend wegens strijd met de Beleidsnota artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) gemeente Laren (de Beleidsnota). Het bouwplan voorziet in een uitbouw, die ongeveer net zo groot is als en hoger is dan de woning en voorzien is van twee vrij grote dakkapellen. Daarmee voldoet de uitbouw niet aan het vereiste van ondergeschiktheid aan het hoofdgebouw.

3.1. Eiseres stelt in beroep allereerst dat verweerder het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk had moeten verklaren, omdat belanghebbende te laat zijn gronden heeft ingediend.

3.2. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het bezwaar ontvankelijk is, omdat het bezwaar tijdig is ingediend en een bezwaargrond bevat, te weten dat de bouwvergunning ten onrechte voorziet in sloop van zijn woning. Dat de nadere gronden een dag later dan de daartoe gestelde termijn zijn ingediend, kan niet tot niet-ontvankelijkheid leiden, nu het bezwaar al een grond bevat. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.1. Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder buiten de grondslag van het bezwaar is getreden, waardoor eiseres in een nadeliger positie is gekomen. Nu belanghebbende geen bezwaar heeft gemaakt tegen de toets aan het bestemmingsplan kon dit in de heroverweging niet meer aan de orde komen.

4.2. Verweerder heeft hierover opgemerkt dat de bezwarenprocedure een volledige heroverweging is, die niet gebonden is aan de aangevoerde gronden van bezwaar.

4.3. Vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld in de uitspraak van 1 april 2009, LJN BH9259) is dat de bezwaarprocedure is bedoeld voor een volledige heroverweging, die niet is gebonden aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft verweerder vastgesteld dat het bouwplan niet voldoet aan de maximale oppervlakte van het bestemmingsplan en dat op grond van de Beleidsnota geen vrijstelling kan worden verleend. Op grond van die bevinding diende verweerder de gevraagde vergunning alsnog te weigeren. De omstandigheid dat het besluit op het bezwaar aldus een achteruitgang betekent voor een belanghebbende, in dit geval eiseres, is eigen aan de aard van de bestuurlijke heroverweging. De gebondenheid van het bestuur aan de wet staat eraan in de weg staat dat verweerder gehouden zou zijn in weerwil van de bevindingen waartoe de heroverweging had geleid, de verleende bouwvergunning te handhaven.

4.4. Verweerder heeft voorts niet in strijd met het zogenoemde verbod van reformatio in peius gehandeld, nu niet door eiseres maar door belanghebbende bezwaar is gemaakt en belanghebbende door het maken van bezwaar niet in een slechtere positie is geraakt. Daar komt bij dat eiseres er niet op mag vertrouwen dat een bouwvergunning in stand blijft zolang deze nog niet onherroepelijk is. Eiseres wist dat derden gedurende zes weken de tijd hadden om bezwaar tegen de verleende bouwvergunning te maken, en dat is in dit geval ook gebeurd. Deze beroepsgrond slaagt mitsdien niet.

4.5. Ingevolge het bestemmingsplan ‘Zevenend 2004’ is het bouwplan gesitueerd op gronden met de bestemming ‘Erf’. Ingevolge artikel 5.3, onder a, sub 2, van de planvoorschriften mogen gronden met de bestemming ‘Erf’ groter dan 100 m², voor de eerste 100 m² voor 50% en voor het meerdere deel voor 10% worden bebouwd tot een maximaal bebouwde oppervlakte van 100 m².

4.6. Verweerder heeft berekend dat het gedeelte van het perceel Melkweg 64 met de bestemming ‘Erf’ een oppervlakte heeft van circa 238 m². Toepassing van artikel 5.3, onder a, sub 2, van de planvoorschriften leidt tot een maximaal te bebouwen oppervlakte van 63,8 m². Uit de bouwtekening blijkt dat het nieuwe gedeelte, bestaande uit een studeerkamer, logeerkamer, hal, berging en badkamer, al een oppervlakte heeft van 74,85 m², waarbij de doorgang naar de uitbouw niet is meegerekend.

4.7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder een onjuiste berekening van de te bebouwen oppervlakte heeft gehanteerd. De berekening is door eiseres ook niet betwist. Het bestemmingsplan biedt niet de mogelijkheid een binnenplanse ontheffing te verlenen voor het overschrijden van de maximale oppervlakte. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

5.1. Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de eerder verleende vergunningen en de thans bestaande situatie.

5.2. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat de aanvraag om bouwvergunning, gelet op artikel 44 van de Woningwet, moet worden getoetst aan de regels van het op dat moment geldende bestemmingsplan ‘Zevenend 2004’. In deze beoordeling hiervan worden de eerder verleende bouwvergunningen, die op grond van een ander (ouder) bestemmingsplan zijn verleend, niet betrokken.

6.1. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen, nu de overschrijding van de maximale bouwoppervlakte uit het bestemmingsplan gering is. Bovendien geeft verweerder een onjuiste uitleg aan het begrip uitbouw.

6.2. Verweerder heeft aangegeven dat in de Beleidsnota, die ook nog gelding heeft onder de nieuwe Wro, staat vermeld dat vrijstelling in ieder geval wordt geweigerd indien het een gemeentelijk monument betreft en de maximaal toelaatbare oppervlakte aan bebouwing in de bestemming ‘Erf’ met meer dan 25% wordt overschreden. In dit geval betekent dit dat maximaal 79,75 m² is toegestaan. Dit bouwplan overschrijdt die oppervlakte omdat het een oppervlakte heeft van 74,85 m² plus de doorgang van circa 10 m², dus in totaal 84,85 m². Het verlenen van een vrijstelling is dus in strijd met de Beleidsnota.

6.3. De rechtbank stelt vast dat de Beleidsnota ten tijde van het bestreden besluit nog gold, nu deze nota eerst op 20 juli 2010 (gedeeltelijk) is ingetrokken. In de Beleidsnota staat aangegeven voor welke afwijkingen van de in het bestemmingsplan genoemde bouwmogelijkheden vrijstelling kan worden verleend. In dat licht bezien kan bij afwijkingen tot 25% gesproken worden van geringe afwijkingen. In het bouwplan is echter sprake van een grotere afwijking dan in de Beleidsnota is voorzien. Nog afgezien van het feit dat het een gemeentelijk monument betreft, heeft verweerder zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat voor deze afwijking geen vrijstelling kan worden verleend. Eiseres heeft haar stelling dat verweerder een onjuiste uitleg geeft aan de begrippen bijgebouw, aanbouw en uitbouw niet onderbouwd, maar de rechtbank vermag ook niet in te zien dat deze stelling tot gevolg heeft dat aan de Beleidsnota kan worden voldaan. Er is dus geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat voor dit bouwplan geen vrijstelling of ontheffing kan worden verleend.

7.1. Eiseres heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel, omdat het bouwplan in overleg met de gemeente en de welstandscommissie tot stand is gekomen en is vergund. Het alsnog intrekken van de bouwvergunning is in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.

7.2. Verweerder heeft aangegeven dat de bouwplantoetser in het primaire besluit verkeerd heeft getoetst, hetgeen in het kader van de bezwaarprocedure mag worden rechtgetrokken. Ook al verdient het voortraject geen schoonheidsprijs, dan mag verweerder nog geen bouwvergunning in strijd met de Woningwet verlenen. Dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand is onvoldoende.

7.3. De omstandigheid dat eiseres het bouwplan in overleg met ambtenaren van de gemeente heeft ontwikkeld betekent niet dat verweerder gehouden is de bouwvergunning te verlenen dan wel, na bezwaar, in stand te laten. De ambtenaren kunnen niet worden aangemerkt als adviseurs van eiseres en kunnen bovendien geen rechtsgeldige toezeggingen doen, omdat niet de ambtenaren, maar burgemeester en wethouders beslissen over bouwvergunningen. Dit geldt nog sterker in het geval het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan blijkt te zijn. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.

7.4. Eiseres heeft na het bestreden besluit een omgevingsvergunning gekregen voor een nieuw bouwplan op hetzelfde perceel. Nu belanghebbende tegen dat besluit rechtsmiddelen heeft aangewend, is dat besluit niet onherroepelijk. Dit betekent dat eiseres belang houdt bij een oordeel over dit beroep.

8. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.E. Nicolai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

20 oktober 2011.

de griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB