Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU2966

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-10-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
AWB 11-3633 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanwijzing, te weinig oppervlakte per kind, gang telt niet mee. Beleidsregels bindend, begunstigingstermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/3633 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Kindergarden Nederland B.V., gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde mr. Q.J. Tjeenk Willink,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weesp,

verweerder,

gemachtigden mr G. Kuppens en C.M. Seppen-de Kok

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres op grond van artikel 1.65, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp) een aanwijzing gegeven.

Bij besluit van 24 mei 2011, verzonden op 21 juni 2011, heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de gewijzigde registratie niet-ontvankelijk verklaard en in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 13 oktober 2011. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, mr. J.A.R. Vermont en [vertegenwoordiger 1]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Aan het eind van de zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres exploiteert een kinderdagverblijf op het adres Tooropstraat 1 te Weesp.

2. Op 28 juni 2010 heeft verweerder eiseres een last onder dwangsom opgelegd, omdat eiseres in strijd met het Bouwbesluit een verkeersruimte (gang) deels had ingericht voor het spelen van kinderen, waardoor de veiligheid in het geding kwam.

3. Op 19 juli 2010 heeft de toezichthouder van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst Gooi en Vechtstreek (GGD) een inspectie uitgevoerd bij het kinderdagverblijf en geconstateerd dat niet is voldaan aan de eis dat er ten minste 3,5 m² bruto-oppervlakte in de groepsruimte beschikbaar is per kind, waaronder mede begrepen passend voor spelactiviteiten ingerichte ruimtes buiten de groepsruimte.

4. Naar aanleiding van het concept-inspectierapport heeft eiseres op 10 augustus 2010 een zienswijze ingediend.

5. De op 7 december 2010 gegeven aanwijzing hield in dat eiseres binnen twee weken de overtreding van in het bijzonder artikel 5 van de Beleidsregels kwaliteit en kinderopvang diende te beëindigen en binnen vier weken, uitgaande van de feitelijk beschikbare groepsruimte, het aantal kindplaatsen voor kinderopvang diende te beperken tot maximaal 31 kindplaatsen. Daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat de hal uitsluitend als verkeersruimte moet worden gebruikt en niet als speelhal mag worden gebruikt en/of als speelhal mag worden ingericht. Op 18 november 2010 heeft verweerder de registratie aangepast voor wat betreft het maximum aantal op te vangen kinderen.

Wettelijk kader

6.1. Ingevolge artikel 1.50, eerste lid, van de Wkkp organiseert de houder van een kindercentrum de kinderopvang op zodanige wijze, voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief, als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, en voert een zodanig pedagogisch beleid dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang.

6.2. Ingevolge artikel 1.50, derde lid, van de Wkkp kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld omtrent de kwaliteit van kinderopvang bij een kindercentrum. Deze regels kunnen betrekking hebben op:

a. …

g. de beschikbare ruimte voor kinderen.

6.3. Op grond van artikel 1.57a van de Wkkp kan de minister Beleidsregels stellen omtrent onder meer de toepassing van artikel 1.50, derde lid.

6.4. De minister heeft bij besluit van 10 november 2004, gewijzigd bij besluit van 9 juli 2010, de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen (hierna: de Beleidsregels) vastgesteld.

6.5. In artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregels is met betrekking tot de verblijfruimten voor kinderen bepaald dat bij dagopvang elke stamgroep beschikt over afzonderlijke vaste groepsruimte van per kind minimaal 3,5 m² bruto-oppervlakte passend ingerichte speelruimte, daaronder mede begrepen passend voor spelactiviteiten ingerichte ruimtes buiten de groepsruimte.

6.6. Ingevolge artikel 1.65, eerste lid, van de Wkkp kan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin zich een kindercentrum bevindt dat de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate naleeft, de houder een schriftelijke aanwijzing geven.

6.7. Ingevolge artikel 1.61 van de Wkkp zien burgemeester en wethouders toe op de naleving van de bij of krachtens afdeling 3 gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens artikel 1.65 gegeven aanwijzingen. Het college van burgemeester en wethouders wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.

7.1. Eiseres stelt in beroep dat de enige concrete methode voor de berekening van het maximaal aantal op te vangen kinderen is neergelegd in een beleidsregel. Volgens eiseres is deze beleidsregel niet bindend voor haar en kan geen grondslag zijn van de aanwijzing.

7.2. De Minister is volgens artikel 1.57a in samenhang met artikel 1.50, derde lid, van de Wkkp bevoegd nadere regels en beleidsregels vast te stellen over onder meer de beschikbare ruimte voor kinderen. De rechtbank ziet, mede gelet op het bepaalde in artikel 4:81 en volgende van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen grond voor het oordeel dat deze beleidsregels niet in beginsel bindend zijn voor verweerder bij de uitoefening van onder meer zijn toezichthoudende taak en mitsdien ook voor eiseres, die ingevolge artikel 1.50, eerste lid, van de Wkkp als houder van een kindercentrum moet zorgen voor verantwoorde kinderopvang. Niet gebleken is dat het door verweerder handelen overeenkomstig de Beleidsregels voor eiseres gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de Beleidsregels te dienen doelen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

8.1. In geschil is of de gang kan worden aangemerkt als “passend voor spelactiviteiten ingerichte ruimtes buiten de groepsruimte” als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregels en mitsdien bij de beschikbare bruto-oppervlakte kan worden meegeteld.

8.2. Eiseres heeft aangevoerd dat zij voldoende ruimte heeft om 34 kinderen op te vangen. Zij beschikt over een vaste groepsruimte van 40,95 m² bruto-oppervlakte passend ingerichte speelruimte en voor spelen passend ingerichte gang van 35,69 m² bruto-oppervlakte, wat gezamenlijk ten minste 52,85 m² bruto-oppervlakte passend ingerichte speelruimte voor de peutergroep maakt. Dit is al 12 jaar zo, daar is geen rekening mee gehouden.

8.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gang niet kan worden meegerekend en dat gelet op de vaste groepsruimte slechts 31 kinderen mogen worden opgevangen. De toelichting toetsingskaders dagopvang GGD is de inhoudelijke uitwerking van de Beleidsregels. In deze toelichting staat bij artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregels dat bij de bepaling van het oppervlak, ruimten die geschikt zijn om in te spelen buiten de groepsruimte mogen worden meegerekend, maar alleen als deze ruimtes permanent door de kinderen als speelruimte gebruikt kunnen worden en als ze passend zijn ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen en het pedagogisch beeld. Verweerder stelt dat een centrale hal door de functie van verkeersruimte geen geschikte verblijfsruimte is, die hierdoor niet passend kan worden ingericht en daardoor en door zijn functie niet permanent beschikbaar is als speelruimte voor kinderen. Bovendien komt de veiligheid van de aan de gang/centrale hal grenzende ruimten in het geding als speelruimte in gebruik is. Door de wijziging van de Beleidsregels in 2010 gelden er nu andere eisen dan voorheen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij op een andere, gelijkwaardige of betere wijze aan de kwaliteitsnorm van artikel 1.50 van de Wkkp kan voldoen. Al sinds 2008 is er tussen eiseres en de GGD een discussie over de hoeveelheid groepsruimte per kind. Elk jaar heeft de GGD aangegeven dat de hal niet meegerekend mag worden in het benodigde aantal m² per kind en dat er teveel kinderen op de locatie worden opgevangen. De aanwijzing komt dan ook niet onverwacht.

8.4. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gang niet kan worden aangemerkt als “passend voor spelactiviteiten ingerichte ruimtes buiten de groepsruimte” als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregels. Gelet op de ter zitting besproken bouwtekening en bekeken foto’s is de gang ongeschikt als verblijfsruimte, omdat deze vrij smal is en alle groepsruimten erop uitkomen. Hieruit volgt dat er ook geen grond is voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat uit de Beleidsregels volgt dat er slechts voldoende ruimte is voor opvang van in totaal 31 kinderen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

9.1. Eiseres heeft aangevoerd dat de begunstigingstermijn van twee respectievelijk vier weken te kort is.

9.2. Verweerder stelt gebonden te zijn aan het Handhaving en Sanctiebeleid Kinderopvang 2009 Regio Gooi en Vechtstreek. Volgens dit beleid ligt de begunstigingstermijn op 7 tot 14 dagen voordat er overgegaan wordt tot daadwerkelijke handhaving. In de aanwijzing is een langere termijn gegeven van vier weken. Verder is er alleen sprake van een aanwijzing en nog niet van een sanctiebesluit. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat bedoeld is in de aanwijzing een termijn van vier weken te geven voor beide onderdelen van de aanwijzing.

9.3. Mede gelet op de betrekkelijk lange voorgeschiedenis van deze aanwijzing en het handhavingsbeleid van de gemeente ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de in het primaire besluit gegeven termijnen te kort zijn.

10.1. Eiseres heeft aangevoerd dat het onrechtmatig is dat verweerder haar registratie ambtshalve heeft gewijzigd.

10.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de wijziging van de registratie op de website geen besluit is maar een feitelijke handeling. Het gaat om een Landelijk register dat op een website is geplaatst zodat ouders het kunnen raadplegen en voor hen moet duidelijk zijn dat eiseres maar 31 kinderen tegelijkertijd mag huisvesten.

10.3. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de wijziging van het register geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De wijziging van het aantal op te vangen kinderen is geen besluit gericht op rechtsgevolg maar heeft een informatief karakter. Verweerder heeft het bezwaar tegen de registratie terecht niet-ontvankelijk verklaard.

11. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht dan wel voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.E. Nicolai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

20 oktober 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB