Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU2528

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-04-2011
Datum publicatie
28-10-2011
Zaaknummer
CV 11-3473
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Subjectieve cummulatie. Beroep van gedaagden op onbevoegdheid kantonrechter, primair op grond van uitsluitende bevoegdheid Raad van Toezicht van Orde van Advocaten (ex art. 32 Wtbz) en subsidiair op grond van overschrijding van voor kantonrechter geldende competentiegrens van € 5.000 in geval van drie van vijf vorderingen. Kantonrechter oordeelt dat gedaagden hun primaire stelling onvoldoende hebben onderbouwd. Ten aanzien van subsidiaire stelling oordeelt kantonrechter dat overeenkomstig strekking van art. 220 Rv en voorts in belang van goede procesorde is om alle vijf vorderingen in bij kantonrechter aanhangige geding bij elkaar te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

SECTOR KANTON - LOCATIE AMSTERDAM

CV 11-3473

28 april 2011

150

INCIDENTEEL VONNIS

de maatschap

[eiseres]

gevestigd te Amsterdam

eiseres

gedaagde in het incident

nader te noemen [eiseres]

gemachtigde: mr. R.F. Beijne

tegen

1. [gedaagde 1]

2. [gedaagde 2]

3. [gedaagde 3]

4. [gedaagde 4]

5. [gedaagde 5]

allen gevestigd te Amsterdam

gedaagden

eisers in het incident

nader gezamenlijk aan te duiden als [gedaagde]

gemachtigde: mr. E.L. Polak

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 21 januari 2011 met bewijsstukken

- de incidentele conclusie met bewijsstukken van [gedaagde], strekkende tot onbevoegdverklaring door de kantonrechter

- het antwoord van [eiseres] in het incident.

Vervolgens is in het incident vonnis bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. [eiseres] voert een advocatenpraktijk. Mrs [naam] en [naam] zijn als advocaat aan dat kantoor verbonden.

2. De gedaagde vennootschappen maken deel uit van een conglomeraat, dat wordt aangestuurd door belanghebbende [naam belanghebbende].

3. In de periode 2009 – 2010 hebben genoemde advocaten in opdracht en voor rekening van [gedaagde] juridische diensten verleend.

4. Op de terzake uitgebrachte declaraties hebben [gedaagde] de navolgende bedragen onbetaald gelaten:

[gedaagde 1] € 2.933,82

[gedaagde 2] € 19.130,84

[gedaagde 3] € 48.093,31

[gedaagde 4] € 9.476,62

[gedaagde 5] € 2.325,86

5. In de hoofdzaak vordert [eiseres] de veroordeling van ieder van gedaagden afzonderlijk tot betaling van het hiervoor achter hun naam vermelde bedrag met rente en kosten.

6. In dit incident vorderen [gedaagde] de onbevoegdverklaring door de kantonrechter. Zij voeren daartoe twee argumenten.

Primair voeren zij aan dat niet de burgerlijk rechter maar – gezien het bepaalde in art. 32 Wtbz – de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten bevoegd is tot kennisneming van het onderhavige geschil.

Met een beroep op art. 93.2 Rv wordt subsidiair betoogd dat - voor zover de individuele vorderingen een belang van € 5.000,00 te boven gaan – niet de kantonrechter maar de sector civiel bevoegd is.

7. De kantonrechter overweegt dat de bijzondere procedure van art. 32 Wtbz slechts openstaat voor geschillen omtrent de hoogte van het door een advocaat gehanteerde tarief en de hoeveelheid door hem geschreven tijd. Ter beoordeling is daar of de advocaat in redelijkheid tot tarief en urenstaat is kunnen komen.

8. In dit incident beroepen [gedaagde] zich weliswaar op de uitsluitende bevoegdheid van de Raad van Toezicht, maar zij hebben met geen woord aangeduid dat zij daadwerkelijk bezwaren hebben tegen het door [eiseres] gehanteerde tarief of de gepresenteerde urenstaten, laat staan dat zij zodanige bezwaren geconcretiseerd hebben. Uit de stukken blijkt dat [gedaagde] veeleer verweer wensen te voeren op grond van beweerde, toerekenbare tekortkomingen van [eiseres] in de kwaliteit van de juridische dienstverlening.

9. Op grond van het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat [gedaagde] hun beroep op art. 32 Wtbz onvoldoende hebben onderbouwd. Hun verwijzing naar de enkele mededeling van [naam belanghebbende] in een eerder mailbericht dat hij “het recht voorbehield de dossiers te laten begroten” is in dat opzicht ten ene male niet toereikend.

Het beroep van [gedaagde] op de genoemde uitsluitende bevoegdheid van de Orde van Advocaten wordt dan ook gepasseerd.

10. Omtrent het subsidiaire beroep van [gedaagde] op de voor de kantonrechter geldende competentiegrens van € 5.000,00 wordt als volgt overwogen.

In de dagvaarding is geen sprake van objectieve, maar van subjectieve cumulatie van vorderingen. Daarvoor kent de wet geen specifieke regeling zoals met art. 94 Rv voor objectieve cumulatie wél het geval is.

In zoverre zou verwijzing van drie van de onderhavige zaken naar de sector civiel aan de orde zijn. Hieromtrent is echter meer te zeggen.

11. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat tussen alle tegen de onderscheiden gedaagde partijen ingestelde vorderingen een samenhang bestaat, die zich tegen afzonderlijke behandeling daarvan verzet.

Zou [eiseres] de drie vorderingen van boven de competentiegrens bij de sector civiel aanhangig hebben gemaakt, dan had hij niettemin gezamenlijke behandeling van alle vijf zaken kunnen bewerkstelligen door bij de ene sector op de voet van art. 220 Rv verwijzing naar de andere te verzoeken.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het overeenkomstig de strekking van genoemde wetsbepaling en voorts ook in het belang van de goede procesorde om alle vijf vorderingen in het thans bij de kantonrechter aanhangige geding bij elkaar te houden.

Op deze grond wordt het beroep van [gedaagde] op de voor de kantonrechter geldende competentiegrens van € 5.000,00 gepasseerd.

12. Samenvattend wordt hier geoordeeld dat het beroep van [gedaagde] op onbevoegdheid van de kantonrechter moet worden afgewezen.

13. De beslissing omtrent de kosten van het incident wordt aangehouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak.

BESLISSING

De kantonrechter,

in het incident

I. verklaart de kantonrechter bevoegd tot kennisneming van alle in dit geding aanhangig gemaakte vorderingen en

II. houdt de beslissing inzake de kosten van dit incident aan,

en in de hoofdzaak

III verwijst de zaak naar de rol van 26 mei 2011 voor antwoord aan de zijde van [gedaagde]

Aldus gewezen door mr. E.R.S.M. Marres, kantonrechter, en uitgesproken op 28 april 2011.

De griffier De kantonrechter