Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU2144

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
28-10-2011
Zaaknummer
AWB 11/3757 WABO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering een omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteiten bouwen en strijdig gebruik. Omzetting van een gebouw met de functie school in een gebouw met de functie wonen. Feitelijke bewoning is niet doorslaggevend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/3837
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/3757 WABO

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Capital Investments B.V., gevestigd te Amsterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. L. Schapink

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde: mr. H. Hosper.

Overwegingen

1. Bij besluit van 24 juni 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd de door eiseres gevraagde omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van het veranderen van een bedrijfsruimte op het perceel Houtmanstraat 2C naar woonruimte.

2. Gelet op het feit dat de aanvraag is ingediend op 2 december 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) van toepassing.

3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Westelijke Eilanden” heeft het perceel de bestemming “Gemengde doeleinden” en de nadere aanduiding “Woningen niet toegestaan”.

4. Verweerder is niet bereid af te wijken van de regels van het bestemmingsplan. In dit gebied zijn in het verleden veel werkpanden omgezet in appartementen. Er zijn in dit gebied nog relatief weinig niet-woonpanden met een oppervlak van meer dan 1000 m2. Het gebouw, waarvan dit perceel een onderdeel is, is circa 1200 m2 groot. Gelet op het beleid om functiemenging te bevorderen is het gewenst om het relatief lage aantal niet-woonpanden te beschermen tegen omzetting naar wonen.

5. Eiseres stelt in beroep dat dit gebouw jaren geleden gesplitst en ondergesplitst is in dertien appartementen. Verweerder is hier nooit tegen opgetreden zodat het een illusie is dat het beleid nog met het bestemmingsplan kan worden nagestreefd. Ten onrechte is geen gebruik gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan. Het beleid is gewijzigd. Het stadsdeel heeft in een conceptnota aanpassingen bestemmingsplangebied 1012 aangegeven ook de woonfunctie in werkpanden groter dan 1000 m2 mogelijk te willen maken. Weliswaar geldt dit voor postcodegebied 1012, maar niet is in te zien waarom dit beleid niet ook voor het naastliggende postcodegebied 1013 wordt doorgevoerd. De achtergrond is namelijk hetzelfde.

6. Verweerder heeft aangegeven dat de nota waar eiseres op doelt specifiek geschreven is voor het gebied 1012 omdat het stadsdeel daar een aantal doelen wil bereiken, waaronder het ontmantelen van de criminele infrastructuur en het stoppen van de verloedering. Het betreft dus een speciale aanpak voor een speciaal gebied. Daarom geldt het niet voor andere delen van het grondgebied van het stadsdeel. In de toelichting bij het bestemmingsplan is op de pagina’s 99 tot en met 102 te lezen waarom voor dit plan geen vergunning wordt verleend. Wijziging van het beleid is niet in voorbereiding. De wijzigingsbevoegdheid is niet bedoeld voor het maken van een woonfunctie in een pand dat de nadere aanduiding “woningen niet toegestaan” heeft. Het pand is geschikt voor kleinschalige werkruimtes en daar is behoefte aan. Het feit dat Houtmanstraat 2B en 2D als woning respectievelijk gemengd pand geregistreerd staan betekent niet dat hiervoor een bestemmingsplanwijziging heeft plaatsgevonden.

7. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. …

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

8. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid van de Wabo, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

9. Niet in geschil is dat het bouwen voor en gebruiken van dit perceel als woning in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het bestemmingsplan bevat geen ontheffingsmogelijkheid of wijzigingsbevoegdheid terzake van de door eiseres gewenste afwijking.

10. Vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is dat de beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van een bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om al dan niet vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 september 2011 LJN: BR6911). Deze rechtspraak is niet gewijzigd door de invoering van de Wabo.

11. In dit geval heeft verweerder zich beroepen op zijn beleid, onder meer uiteengezet in de toelichting bij het bestemmingsplan, inhoudende dat panden boven de 1000 m2 moeten worden beschermd tegen omzetting naar een woonfunctie. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit beleid voor dit gebied niet langer geldt dan wel dat dit beleid de redelijkheidstoets niet zou kunnen doorstaan. De omstandigheid dat een ander beleid in het gebied 1012 wordt gevoerd, betekent niet dat verweerder dat beleid in redelijkheid ook in andere wijken zou moeten voeren.

12. Voor wat betreft de stelling dat het pand, een voormalige school, al jaren geleden is gesplitst, in diverse delen is verkocht, feitelijk wordt bewoond en feitelijk niet meer als bedrijfsruimte in gebruik genomen zal kunnen worden stelt de rechtbank vast dat eiseres geen splitsingsakte of -vergunning heeft overgelegd. Ter zitting is gebleken dat het hier vermoedelijk een notariële splitsing van bedrijfsruimten betreft. Verweerder heeft aangegeven dat eerst onlangs is gebleken dat enkele, niet alle bedrijfsruimten worden bewoond en dat ook is gebleken dat de bedrijfsruimte van eiseres sinds augustus 2011 wordt bewoond. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het in strijd met het bestemmingsplan gaan bewonen van een pand met een niet-woonbestemming reden voor verweerder zou moeten zijn om in afwijking van het gevoerde beleid een vergunning te verlenen.

13. De rechtbank is verder met verweerder van oordeel dat niet gebleken is dat het voor eiseres volstrekt onmogelijk is het perceel conform de -ruim omschreven- bestemming gemengde doeleinden te verhuren. Eiseres heeft deze stelling in het geheel niet onderbouwd.

14. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder in dit geval de omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik niet in redelijkheid had mogen weigeren.

15. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht dan wel voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Sjouke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken

op 12 oktober 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB