Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU2123

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
28-10-2011
Zaaknummer
Parketnummer: 13/706731-2011 en RK nummer: 11/5393.
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brits EAB in het kader van de vervolging van een aantal verdachten van zedenmisdrijven, waaronder een tot Nederlander genaturaliseerde Brit. De in het EAB beschreven feiten, naar Nederlands recht strafbaar gesteld in de artikelen 244 en 247 Sr, zijn naar Nederlands recht verjaard, naar Brits recht niet.

De weigeringgrond van artikel 9, tweede lid onder f OLW wordt ingeroepen.

De vraag die beantwoord dient te worden is of Nederland rechtsmacht kon uitoefenen over de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht.

Oordeel rechtbank: overlevering is toelaatbaar voor de "247 feiten", maar ontoelaatbaar voor het "244 feit".

Verweer op grond van artikel 11 OLW is verworpen. De opgeeiste persoon kan ook in Groot Brittannië specialistische medische hulp ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/706731-2011

RK nummer: 11/5393

Datum uitspraak: 25 oktober 2011

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 augustus 2011 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op

11 juli 2011 door de District Judge, verbonden aan de Magistrates’ Court, Ipswich, Groot- Brittannië. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats], Groot-Brittannië, op [1944],

wonende op het adres [adres] [woonplaats]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 oktober 2011. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. drs. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Engelse taal.

Verlenging termijn op grond van artikel 22, lid 3 OLW

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid 1 OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er vanwege haar volle agenda niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt arrestatiebevel ten grondslag, uitgevaardigd door de Magistrates’ Court te Ipswich op 11 juli 2011.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan achttien naar het recht van Groot-Brittannië strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in het EAB (‘description of the circumstances’), waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

Het EAB houdt in onderdeel g) tevens een verzoek in tot inbeslagneming en overdracht van inbeslaggenomen voorwerpen. De rechtbank zal dit verzoek niet in haar beoordeling van het EAB betrekken, nu door de officier van justitie een vordering op grond van artikel 552p Sv is ingediend. De beoordeling van deze vordering vindt plaats als aparte procedure.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW gestelde eisen.

De rechtbank stelt vast dat de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van Groot-Brittannië als naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat op deze feiten in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen

en

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

5. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde garantie geeft.

Het Hoofd van de Extradition Policy and Legislation, Home Office, London, heeft bij brief van 23 september 2011 de volgende garantie gegeven:

Should [opgeëiste persoon] (also known as [alias]) receive a custodial sentence in a UK Court following his extradition here, he will be transferred back to the Netherlands to serve his sentence there.(…)

The UK authorities, therefore, hereby give the following undertaking under the Convention on the Transfer of Sentenced Persons of 21 March 1983: in the event that Mr [opgeëiste persoon] is extradited to the United Kingdom and a prison sentence is imposed on him in the United Kingdom then, if the terms of Article 3 of the 1983 Convention (including the condition that [opgeëiste persoon] must consent) and any other relevant terms of that Convention are met, the United Kingdom will, following that transfer, allow the sentence to be adapted by the Netherlands according to the procedure laid down in the 1983 Convention.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.

Aan deze voorwaarde is voldaan, zoals onder 4 reeds vastgesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 VOGP zal kunnen worden omgezet.

6. Verweren

6.1 De weigeringsgrond van artikel 9, tweede lid onder f OLW.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft met een beroep op deze weigeringsgrond, bepleit dat de overlevering moet worden geweigerd. Hij heeft, kort samengevat, aangevoerd dat het eerste feitencomplex, dat zich uitstrekt over de periode juli 1977 tot eind september 1977, in 1995 is verjaard en het tweede feitencomplex, dat de periode juli 1980 tot eind september 1980 beslaat, in 2007 is verjaard. De opgeëiste persoon heeft sinds 23 april 1993 een verblijfstitel voor Nederland, staat sinds 15 juni 1995 in Nederland ingeschreven en heeft een Nederlands paspoort sinds 20 februari 2004.

Het in artikel 7 tweede lid EVRM vermelde verbod op terugwerkende kracht heeft geen betrekking op de rechtsmachtregeling. Hieruit volgt dat Nederland daadwerkelijk rechtsmacht heeft kunnen uitoefenen, gelet op het bepaalde in artikel 5, tweede lid Wetboek van Strafrecht (WvSr) en de opgeëiste persoon had kunnen vervolgen. Erkend wordt dat er daadwerkelijk vervolgingsrecht is geweest voor het tweede feitencomplex. De mogelijkheid om te vervolgen heeft de Nederlandse justitie echter niet meer, nu de feiten naar Nederlands recht verjaard zijn.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt van de raadsman bestreden onder overlegging van een uitspraak van deze kamer en rechtbank d.d. 18 september 2009, parketnummer 13.497.417-2009 (“[naam]”), waarbij hij heeft verwezen naar de onder punt 6. van bedoelde uitspraak opgenomen overweging met betrekking tot verjaring.

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht naar Nederlands recht verjaard zijn, voor het eerste feitencomplex in 1995, en voor het tweede feitencomplex deels in 1999 en deels in 2007. Naar Brits recht zijn zij dit niet.

Anders dan in de door de officier van justitie overgelegde uitspraak betreft onderhavig EAB een man met de Nederlandse nationaliteit.

De vraag die beantwoord dient te worden is of Nederland rechtsmacht kon uitoefenen over de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht.

Bij het beantwoorden van die vraag dient de status van de opgeëiste persoon te worden meegewogen.

Vast staat dat de opgeëiste persoon sinds 23 april 1993 een verblijfstitel voor Nederland heeft, sinds 15 juni 1995 in Nederland staat ingeschreven en sinds 20 februari 2004 een Nederlands paspoort heeft.

Het eerste feitencomplex (de verweten handelingen in het jaar 1977).

Op 1 oktober 2002 is artikel 5a WvSr in werking getreden. Het eerste lid van dit artikel luidt, voor zover toepasselijk, “de Nederlandse strafwet is toepasselijk op de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft en zich buiten Nederland schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 240b, 242 tot en met 250 en 273f, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt (…)”. Het vierde lid luidt: “ de vervolging kan ook plaatshebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen”.

Vóór 1 oktober 2002 kon op grond van de Nederlandse strafwet geen rechtsmacht worden uitgeoefend over misdrijven, begaan buiten Nederland door de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft. Dit betekent dat in het geval van het eerste feitencomplex als omschreven in het onderhavige EAB door Nederland geen rechtsmacht kon worden uitgeoefend. Van de toepasselijkheid van enige vorm van terugwerkende kracht is de rechtbank niet gebleken.

Naar het oordeel van de rechtbank is bedoelde weigeringsgrond dan ook niet van toepassing op het eerste feitencomplex en kan de overlevering voor dit feitencomplex worden toegestaan.

Het tweede feitencomplex (de verweten handelingen in het jaar 1980).

A. Met betrekking tot artikel 247 Wetboek van Strafrecht

Op basis van voorgaande redenering kan de overlevering worden toegestaan voor dat deel van de verweten handelingen die naar Nederlands recht meermalen het strafbare feit als bedoeld in artikel 247 WvSr opleveren en die in het EAB omschreven staan als: ‘ touching his (G.A.’s) bare genitalia’, ‘masturbating G.A.’, sharing a bed with G.A. whilst both himself and G.A. were naked’, ‘whilst in bed (on every night of the trip) placing his penis against the body of G.A. and ejaculating upon him’.

.

B. Met betrekking tot artikel 244 Wetboek van Strafrecht

Artikel 5 WvSr is van toepassing op Nederlanders. Het eerste lid, onder 3e, luidt, voor zover toepasselijk, “de Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 240b, 242 tot en met 250 en 273f, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt (…)”; het tweede lid van dit artikel luidt “in de gevallen, omschreven in het eerste lid, onderdelen 2° en 3°, kan de vervolging ook plaatshebben, als de verdachte eerst na het feit Nederlander wordt”.

Nu naar Nederlands recht rechtsmacht over een deel van het feitencomplex uit 1980 – te weten het deel dat in het EAB omschreven staat als ‘penetrating G.A.’s anus with his penis’ en dat naar Nederlands recht het strafbare feit als bedoeld in artikel 244 WvSr oplevert, had kunnen worden uitgeoefend, maar wegens verjaring naar Nederlands recht geen vervolging meer kan plaatshebben, is naar het oordeel van de rechtbank op dit feit de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid onder f OLW van toepassing en moet de overlevering voor dit feitencomplex worden geweigerd.

6.2 De weigeringsgrond van artikel 11 OLW

Standpunt verdediging

De raadsman heeft een beroep gedaan op de weigeringsgrond van artikel 11 OLW en gesteld dat voor de opgeëiste persoon, gelet op zijn hulpbehoevendheid en invaliditeit, overlevering een dreigende flagrante schending zou opleveren van het bij het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Daarnaast wordt de uitoefening van dit recht in gevaar gebracht doordat de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht meer dan dertig jaar geleden zouden hebben plaatsgevonden, waardoor de waarheidsvinding wordt belemmerd, terwijl er naar Angelsaksisch recht geen verjaringstermijn bestaat. De raadsman acht dit een elementair rechtsbeginsel, bij gebreke waarvan de overleveringsrechter geen vertrouwen kan uitspreken in een toekomstig proces.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft dit standpunt van de raadsman bestreden en in de eerste plaats gewezen op de mogelijkheid voor de opgeëiste persoon om zich in het Verenigd Koninkrijk onder specialistische doktersbehandeling te stellen en in de tweede plaats belang gehecht aan de uitvoerigheid van het Britse opsporingsonderzoek in onderhavige strafzaak; waarheidsvinding wordt niet onmogelijk gemaakt doordat de feiten in het verleden hebben plaatsgevonden.

Oordeel rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer.

Onderkend wordt de noodzaak van specialistische medische behandeling maar er is niet gesteld noch gebleken dat deze behandelingen niet kunnen plaatsvinden binnen het Verenigd Koninkrijk. Het derde lid van artikel 35 OLW geeft de officier van justitie bovendien de bevoegdheid rekening te houden met ernstige humanitaire redenen die aan de feitelijke overlevering in de weg staan. Zolang het, gelet op de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon niet verantwoord is om te reizen, kan de officier van justitie na overleg met de uitvaardigende justitiële autoriteit tijd en plaats bepalen waarop de feitelijke overlevering alsnog kan plaatsvinden. Het is op grond van de wet niet aan de rechtbank om over de feitelijke overlevering te oordelen.

Het argument dat de ouderdom van de feiten de waarheidsvinding zou beletten is een verweer dat voor de Engelse rechter gevoerd dient te worden. Deze beschikt over de resultaten van het gehele, omvangrijke opsporingsonderzoek. De door de raadsman genoemde weigeringsgrond is niet aan de orde.

Dat er naar Angelsaksisch recht geen verjaringstermijn geldt voor de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, is een gegeven dat geen rol kan spelen bij de beoordeling van het EAB.

7. Slotsom

Nu ten aanzien van het eerste feitencomplex en een deel van het tweede feitencomplex waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

Voor het overige dient zij te worden geweigerd.

8. Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 244 en 247 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 van de Overleveringswet.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de District Judge, verbonden aan de Magistrates’ Court, Ipswich, ten behoeve van het in Groot Brittannië tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het eerste feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, in het EAB aangeduid als Offence 1: het betasten van een jongen van 12 jaar in de periode tussen 1 juli 1977 en 30 september 1977 en de Offences 2 tot en met 17 voor zover zij betrekking hebben op het meermalen plegen van ontuchtige handelingen met een jongen van 11 jaar in de periode tussen 1 juli 1980 en 30 september 1980.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de District Judge, verbonden aan de Magistrates’ Court, Ipswich, ten behoeve van het in Groot Brittannië tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het ene feit uit 1980, dat betrekking heeft op handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen bij een jongen van 11 jaar in de periode tussen

1 juli 1980 en 30 september 1980.

Aldus gedaan door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzit¬ter,

mrs. W.H. van Benthem en M.C.J. Rozijn, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 25 oktober 2011.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

A