Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU2115

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2011
Datum publicatie
28-10-2011
Zaaknummer
AWB 11-3997 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Brief waarin verweerder mededeelt dat Feuerstein-therapie niet meer wordt vergoed via een persoongebonden budget, is aan te merken als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Brief van eiser waarin hij aangeeft bezwaar te hebben tegen dit standpunt is terecht aangemerkt als bezwaarschrift tegen dit besluit. Verschoonbare termijnoverschrijding wegens het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule. Voorts kan redelijkerwijs niet worden aangenomen dat eiser bekend was met de bezwaartermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/3997 AWBZ

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. I.R. Viertelhauzen,

en

de Raad van bestuur van het Zorgkantoor,

verweerder,

gemachtigde mr. M.A. Wood.

Procesverloop

Bij brief van 9 maart 2011 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de kosten van Feuerstein-therapie vanaf 1 januari 2011 niet meer vanuit een persoonsgebonden budget (pgb) mogen worden bekostigd.

Bij besluit van 8 juli 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de brief van

9 maart 2011 niet-ontvankelijk verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2011.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn vader en wettelijk vertegenwoordiger [vader van eiser], bijgestaan door mr. I.R. Viertelhauzen. Verweerder is vertegenwoordigd door

mr. M.A. Wood.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiser ontvangt zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) in de vorm van een pgb. Via het pgb worden onder meer de kosten van de begeleiding van eiser door Feuerstein Centrum Nederland bekostigd.

1.2. Op 9 februari 2011 heeft verweerder een verantwoordingsformulier van eiser ontvangen over de verantwoording van het pgb in 2010. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder op 9 maart 2011 een brief aan eiser gestuurd. Deze brief vermeld, voor zover van belang, het volgende:

“(…)

Kosten Feuerstein

Met betrekking tot de verantwoording van de kosten van Stichting Feuerstein delen wij u tevens mee dat deze kosten vanaf 1 januari 2011 niet meer vanuit het persoonsgebonden budget (PGB) mogen worden bekostigd. Hiervoor verwijzen wij u naar de vergoedingenlijst PGB 2011. Deze lijst is ook te vinden op onze website www.agiszorgkantoren.nl.

Om duidelijkheid te geven aan budgethouders is de vergoedingenlijst PGB 2011 tot stand gekomen. Bij het tot stand komen van de vergoedingenlijst, is zorgvuldig afgewogen of de zorg onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) valt. En zo nee, of er eventuele wettelijke voorliggende voorzieningen op de AWBZ aanwezig zijn. De zorgvuldige afweging van “wel of geen” AWBZ-zorg geldt ook voor de Feuerstein methode.

Alle zorgkantoren in Nederland hebben onderling de afspraak gemaakt om bij de uitvoering van de PGB-regeling zich aan deze lijst te houden met ingaande van 1 januari 2011. Wij dienen ons te conformeren aan het landelijk beleid. De Agis Zorgkantoren hanteerden tot 1 januari 2011 een gedoog beleid hieromtrent.

(…)”

1.3. Naar aanleiding van de brief van 9 maart 2011 heeft de vader van eiser op 5 april 2011 telefonisch contact opgenomen met verweerder.

1.4. Op 17 juni 2011 heeft de vader van eiser een brief aan verweerder gestuurd. Verweerder heeft de brief van 17 juni 2011 van eiser aangemerkt als bezwaarschrift tegen de brief van 9 maart 2011. Omdat het bezwaar volgens verweerder te laat is ingediend, heeft verweerder gevraagd naar de redenen van de termijnoverschrijding. Hierop is geen reactie gekomen. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

2. Standpunten van partijen

2.1. Eiser stelt zich op het standpunt dat de brief van 9 februari 2011 van verweerder niet kan worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat deze alleen mededelingen van informatieve aard bevat en ook geen rechtsmiddelenclausule is opgenomen. Voorts heeft eiser aangevoerd dat de brief van 17 juni 2011 ten onrechte door verweerder is aangemerkt als bezwaarschrift. Daarin is verweerder namelijk alleen verzocht om een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing te nemen. Ook blijkt uit de brief niet tegen welk besluit bezwaar zou worden gemaakt. Voor zover de brief van 17 juni 2011 wel als bezwaarschrift wordt aangemerkt, heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

2.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de brief van 9 maart 2011 is aan te merken als besluit en dat eiser hiertegen bezwaar heeft gemaakt met zijn brief van 17 juni 2011. Omdat eiser te laat bezwaar heeft gemaakt en geen verschoonbare reden heeft aangevoerd voor de termijnoverschrijding, is eiser volgens verweerder dan ook niet-ontvankelijk in zijn bezwaar.

3. Wettelijk kader

3.1. In artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is vermeld dat een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan is, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

3.2. In artikel 1:5, eerste lid, van de Awb is vermeld dat het bezwaarschrift ten minste een omschrijving van het besluit waartegen het is gericht bevat.

3.3. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

3.4. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4. Inhoudelijke beoordeling

4.1. Tussen partijen is in geschil of verweerder het bezwaar van eiser op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Partijen verschillen hierbij van mening of de brief van 9 februari 2011 van verweerder is aan te merken als besluit in de zin van de Awb en of de brief van eiser van17 juni 2011 moet worden aangemerkt als een hiertegen gericht bezwaarschrift.

4.2. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de brief van 9 februari 2011 moet worden aangemerkt als besluit in de zin van de Awb. Door middel van deze brief vindt immers een rechtsvaststelling plaats met betrekking tot eventueel toekomstige aanspraken van eiser over vergoeding van de kosten van Feuerstein-therapie via een pgb. Eiser heeft een wezenlijk en rechtstreeks belang bij het verkrijgen van duidelijkheid over de vergoeding van deze kosten via het pgb, zodat hij eventueel maatregelen kan treffen door bijvoorbeeld hiervoor zorg in natura (ZIN) aan te vragen of de therapie te staken. De rechtbank acht het onredelijk bezwarend voor eiser indien hij pas na afloop van het zorgjaar bij de verantwoording van het pgb over dat jaar duidelijkheid krijgt over de vergoeding van die kosten. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 juli 2004 en 24 november 2009, LJN: AQ5147 en LJN: BK4988. Dat een rechtsmiddelenclausule ontbreekt, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

4.3. Nu de brief van 9 februari 2011 wordt aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, betekent dit dat tegen dit besluit bezwaar openstond bij verweerder.

4.4. Vaststaat dat de vader van eiser op 17 juni 2011 een brief heeft gestuurd aan verweerder die door verweerder is aangemerkt als bezwaarschrift tegen het besluit van 9 maart 2011. De tekst van de brief van 17 juni 2011 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

Mijn zoon heeft een PGB budget waaruit hij ondermeer de kosten van begeleiding door feuerstein Centrum Nederland te Amstelveen bekostigd. Eerder dit jaar heeft het Zorgkantoor meegedeeld dat deze kosten met ingang van 1 januari 2011 niet langer uit het PGB budget mogen worden betaald. Ik heb toen aan een van uw medewerkers om uitleg gevraagd en aan het einde van het gesprek gevraagd om een voor beroep of bezwaar vatbare beschikking. Ik heb die helaas nog steeds niet mogen ontvangen.

Voor zover nodig teken ik nogmaals bezwaar aan tegen de beslissing deze kosten niet meer vanuit het PGB te bekostigen en verzoek ik u vriendelijk maar dringend mij de gevraagde beschikking zo spoedig mogelijk toe te zenden.

(…)”

4.5. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 17 juni 2011 is aan te merken als bezwaar tegen het besluit van 9 februari 2011. Eiser maakt in zijn brief immers nadrukkelijk bezwaar tegen het standpunt van verweerder dat de kosten voor Feuerstein-therapie vanaf 1 januari 2011 niet meer via een pgb mogen worden bekostigd en verwijst hierbij naar een eerdere brief van verweerder hierover. Verweerder heeft deze brief dan ook terecht aangemerkt als bezwaarschrift.

4.6. Tussen partijen is niet in geding dat eiser met zijn bezwaarschrift van 17 juni 2011 niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 9 februari 2011. Niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft echter achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 van de Awb).

4.7. Eiser heeft aangevoerd dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat in het besluit van 9 maart 2011 geen rechtsmiddelenclausule is opgenomen en hij niet wist dat hij bezwaar kon maken tegen het besluit van 9 februari 2011.

4.8. De CRvB heeft in de uitspraak van 23 juni 2011 (LJN: BR0151) geoordeeld dat het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule in beginsel grond tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding oplevert, indien de betrokkene daarop een beroep doet en stelt dat de termijnoverschrijding daarvan het gevolg is. De termijnoverschrijding zal in het algemeen niet verschoonbaar zijn in gevallen waarin redelijkerwijs aangenomen kan worden dat de belanghebbende wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken. Van bekendheid met de termijn kan verder worden uitgegaan indien de belanghebbende voor afloop van de termijn werd bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener.

4.9. Vaststaat dat in het besluit van 9 februari 2011 geen rechtsmiddelenclausule is opgenomen. Verweerder heeft aangevoerd dat de vader van eiser tijdens het telefoongesprek tussen hem en verweerder op 5 april 2011 erop is gewezen dat hij bezwaar kon maken tegen het besluit van 9 februari 2011, zodat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is te achten.

4.10. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Nog daargelaten dat de vader van eiser de inhoud van de door verweerder gemaakte telefoonnotitie gemotiveerd heeft betwist, blijkt uit de notitie niet dat verweerder de vader van eiser hierbij heeft gewezen op de termijn van zes weken waarin dat bezwaar moet worden ingediend. Aldus kan redelijkerwijs niet worden aangenomen dat aan de zijde van eiser bekend was dat hij binnen zes weken na het besluit van 9 februari 2011 bezwaar diende te maken tegen dit besluit. Nu de vader van eiser voorts ter zitting heeft verklaard dat hij zich toen (nog) niet liet bijstaan door een professionele rechtshulpverlener, is de rechtbank van oordeel dat onder deze omstandigheden sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

4.11. Op grond van het voorgaande heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van eiser is dan ook gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

4.12. Nu het beroep van eiser gegrond zal worden verklaard, dient verweerder te worden veroordeeld in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 874,00 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Voorts zal de rechtbank bepalen dat verweerder het griffierecht aan eiser vergoedt.

4.13. De door eiser gevorderde vaststelling van dwangsommen wegens het uitblijven van een beslissing door verweerder wordt afgewezen nu, zoals hiervoor is overwogen, de brief van 9 februari 2011 van verweerder dient te worden aangemerkt als besluit.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- wijst het verzoek om vaststelling van dwangsommen af;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 874,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 41,00, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.R. Docter, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.M. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

10 oktober 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB