Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BT8893

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-10-2011
Datum publicatie
21-10-2011
Zaaknummer
500921 / KG ZA 11-1542 WT/JWR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter heeft in het kort geding dat was aangespannen tegen filmproducent IDTV Film B.V. besloten dat de film De Heineken Ontvoering niet wordt verboden.

IDTV is producent van de film “De Heineken ontvoering”. De film is gebaseerd op bekende feiten maar bevat ook fictieve elementen. Eiser is (met vier anderen) veroordeeld wegens betrokkenheid bij de ontvoering.

In de film komt een personage met de naam “Rem” voor, dat volgens eiser zowel qua fysieke kenmerken als wat betreft het levensbeeld dat in de film wordt geschetst, een zodanige gelijkenis met hem vertoont dat er sprake is van inbreuk op zijn portretrecht, waartegen hij zich verzet. Eiser wenst niet dat zijn portret wordt gebruikt voor reclame voor de film en vreest daarnaast dat het publiek de (niet op feiten gebaseerde) gedragingen van “Rem” als daadwerkelijk door hem gepleegde feiten zal opvatten, waardoor hij in zijn belangen wordt geschaad. Eiser wijst er op dat hij in verband met zijn huidige detentie beperkt wordt in zijn mogelijkheden om zich tegen die suggestie te verweren. Eiser vordert een verbod op die passages van de film waarin “Rem” voorkomt. Bij voorwaardelijke incidentele vordering vordert eiser voorafgaande inzage in de film.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vorderingen van eiser gericht op voorafgaande inzage dan wel een vertoningsverbod op (bepaalde onderdelen van) de film neerkomen op preventieve censuur en daarmee op gespannen voet staan met artikel 10 EVRM en artikel 7 van de Grondwet. Toetsing van de eventuele onrechtmatigheid van een publicatie behoort pas plaats te vinden nadat deze ter kennis van het publiek is gebracht. Er is geen grond om hiervan af te wijken. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat de publicatie jegens eiser in zodanige mate onrechtmatig is en voor hem zal leiden tot onherstelbare schade dat een vertoningsverbod of recht op inzage vooraf gewettigd zou zijn. Mocht de film op enig onderdeel achteraf onrechtmatig worden geoordeeld, dan moet zich dat oplossen in schadevergoeding en/of rectificatie.

Voor zover de vorderingen van eiser gericht is op misleidende reclame en/of een verbod tot gebruik van zijn portret voor commerciële doeleinden wordt die vorderingen eveneens afgewezen. Het op de website afgebeelde portret kan niet worden beschouwd als een portret van eiser. Weliswaar is er sprake van een behoorlijke mate van overeenstemming, maar bij het beoordelen van de vraag of sprake is van een afbeelding van een persoon dient mede acht geslagen te worden op de context van de publicatie. Het is niet ongebruikelijk dat bij een verfilming van historische gebeurtenissen de acteurs worden gemodelleerd naar de persoon wiens rol zij moeten uitbeelden. Het publiek mag hiermee bekend worden verondersteld en zal de afbeelding van “Rem” niet aanzien voor een afbeelding van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 500921 / KG ZA 11-1542 WT/JWR

Vonnis in kort geding van 21 oktober 2011

in de zaak van

[eiser],

domicilie kiezende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 6 oktober 2011,

advocaat mr. D.I.N. Levinson-Arps te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IDTV FILM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.P. van den Brink te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en IDTV worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 20 oktober 2011 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding en de akte (voorwaardelijke) incidentele vordering. IDTV heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.

Ter terechtzitting waren aanwezig:

- namens [eiser] mr. A.A. Franken en mr. D.I.N. Levison-Arps;

- namens IDTV mevr. [persoon 1], bijgestaan door mr. J.P. van den Brink.

Bij aanvang van de zitting heeft de voorzieningenrechter aan partijen voorgesteld om de voorwaardelijke incidentele vordering te behandelen en te beslissen tegelijk met de vorderingen in de hoofdzaak. Beide partijen zijn daarmee akkoord gegaan.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

In verband met het spoedeisende karakter van de zaak is op 21 oktober 2011 uitspraak gedaan door middel van een zogenoemd kop-staart vonnis, waarbij is aangekondigd dat de uitwerking daarvan zal volgen op 28 oktober 2011. Dit vonnis vormt die uitwerking.

2. De feiten

2.1. IDTV is producent van een film genaamd “De Heineken ontvoering” (hierna: de film). Deze film heeft als onderwerp de ontvoering en vrijheidsberoving van wijlen de heer A. Heineken en zijn chauffeur [persoon 2] in de periode van 9 tot 30 november 1983. Deze gebeurtenis zal hierna worden aangeduid als “de ontvoering”.

2.2. De film is niet alleen gebaseerd op de feiten zoals die over de ontvoering bekend zijn geworden, maar bevat ook fictieve elementen. Op de titelrol die het publiek voorafgaand aan de vertoning van de film te zien krijgt is gedurende 4 à 5 seconden de volgende tekst te lezen:

“Deze film is een filmische interpretatie van de Heineken Ontvoering in 1983 en beoogt geen waarheidsgetrouwe weergave te zijn. Feiten en fictie zijn vermengd. Ook de in de film voorkomende karakters zijn in belangrijke mate gebaseerd op fictie”.

2.3. [eiser] is wegens betrokkenheid bij de ontvoering veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 jaar. Daarnaast zijn vier andere personen wegens betrokkenheid bij de ontvoering tot gevangenisstraffen veroordeeld.

2.4. In de film komt een personage met de naam “Rem” voor, die wordt gespeeld door de acteur [persoon 3].

2.5. De film wordt door IDTV onder meer gepromoot via de website www.heinekenontvoering.com (hierna: de website). Via de website zijn een zogenoemde trailer en een teaser te bekijken, waarin fragmenten uit de film worden getoond. Verder wordt op deze website onder het item “Het verhaal” over de rol van “Rem” het volgende opgemerkt.:

“Het hele land leeft mee en houdt de adem in. Intussen neemt Rem, een meedogenloze jonge crimineel, de bewaking van de twee ontvoerde mannen voor zijn rekening, waarbij hij Heineken vernedert en angst aanjaagt”.

2.6. Op de website is tevens een afbeelding te zien van het personage “Rem” zoals dat in de film voorkomt.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert – samengevat – IDTV te bevelen zich te onthouden van het openbaarmaken van die passages van de film waarin het personage “ Rem” voorkomt, alsmede afbeeldingen van dat personage van de website te verwijderen, en zich te onthouden van openbaarmaking van afbeeldingen van dit personage voor promotionele doeleinden ten behoeve van de film, op straffe van een dwangsom. Daarnaast vordert [eiser] bij voorwaardelijke incidentele vordering inzage in de film ten behoeve van dit kort geding.

3.2. [eiser] stelt dat het personage “Rem”, zowel qua fysieke kenmerken als wat betreft het levensbeeld dat in de film wordt geschetst, een zodanige gelijkenis met hem vertoont dat er sprake is van gebruik van zijn portret en dat hij een redelijk belang als bedoeld in artikel 21 Auteurswet heeft om zich tegen dit gebruik te verzetten. Dit belang is enerzijds gelegen in het tegengaan van het gebruik van zijn portret als ondersteuning van een commerciële reclame-uiting en anderzijds in bescherming van zijn recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.

In dat verband wijst hij er verder op dat, omdat het publiek het personage “Rem” met hem zal associëren, ook de gedragingen van “Rem” die in de film worden getoond, als daadwerkelijk door hem gepleegde feiten zullen worden opgevat. Op die wijze worden hem misdaden, grofheden en wreedheden aangewreven die geen grond vinden in de feiten. De op dit punt in het leven geroepen suggestie wordt versterkt doordat de weergave van deze fictief bedreven misdrijven vermengd wordt met de weergave van gebeurtenissen die wel daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Aldus heeft de film voor hem een ernstig diffamerend, diskwalificerend en (verder) criminaliserend effect. Door [eiser] is meer concreet gewezen op passages die voorkomen in een script dat zijn raadsvrouw op zeker moment op haar bureau heeft aangetroffen. Verder voert [eiser] aan dat hij voor de ontvoering zijn straf heeft uitgezeten en hiervoor niet opnieuw (via de media) mag worden berecht. Ook wijst [eiser] er op dat hij in verband met zijn huidige detentie en de hem in dat kader opgelegde zwijgplicht niet de mogelijkheid heeft de in de film gepresenteerde versie van de ontvoering te weerspreken. Verder acht [eiser] de door de gelijkenis van “Rem” met hem opgeroepen veronderstelling dat hij zijn medewerking heeft verleend aan het tot stand komen van de film misleidend. Samenvattend is [eiser] van mening dat de film een zodanige inbreuk maakt op de hem toekomende rechten dat dit een verbod rechtvaardigt op vertoning van die onderdelen van de film waarin “Rem” voorkomt. Voor het geval de voorzieningenrechter bij de beoordeling van het gevorderde verbod niet op grond van de artikelen 21 of 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ambtshalve inzage in de film zou gelasten vordert [eiser] bij wijze van voorwaardelijke incidentele vordering een gebod tot inzage in de film op grond van artikel 843a Rv.

3.3. IDTV voert verweer. Zij voert aan dat de vrijheid van meningsuiting meebrengt dat zij een film mag maken over een historische gebeurtenis waarbij bekende feiten worden vermengd met fictieve elementen, om zo een dramatisch interessanter verhaal en daarmee een mooiere film te krijgen. De ontvoering heeft destijds veel aandacht in de media getrokken en is ook nu nog een feit met nieuwswaarde. De betrokkenheid van [eiser] bij de ontvoering staat vast. Dat het publiek “Rem” zal associëren met [eiser] wordt niet betwist, maar “Rem” is geen portret van [eiser]. Het publiek weet dat en zal niet alle gedragingen van “Rem” aan [eiser] toerekenen. Meerdere elementen in de film bevatten feiten die niet overeenstemmen met hetgeen bij het publiek uit andere bronnen reeds over de ontvoering bekend is, zodat ook op basis daarvan het fictieve karakter van het verhaal zoals dat in de film verteld wordt, duidelijk zal zijn. Daar komt bij dat de vertoning van de film wordt voorafgegaan door een disclaimer als vermeld onder 2.2. De in de film vertoonde gedragingen bevatten daarnaast weliswaar een filmische interpretatie van de ontvoering, maar staan niet zover af van hetgeen bekend is over hetgeen daadwerkelijk is voorgevallen dat [eiser] daardoor in een geheel ander – kwalijker – daglicht wordt gesteld. Verder wordt [eiser] als de meest beruchte Nederlandse misdadiger van dit moment beschouwd en is hij in die zin een publiek figuur. Dat betekent dat hij meer zal moeten dulden dan een gemiddelde Nederlander. Gelet op de ernst van de misdrijven waarmee hij in verband wordt gebracht is de door de film veroorzaakte inbreuk op zijn belangen van zo’n geringe aard dat het belang van vrijheid van meningsuiting daarvoor niet heeft te wijken. Van enige misleidende mededeling omtrent de film is geen sprake. Gelet op de rol die “Rem” in de film speelt komen de vorderingen om hem te schrappen neer op een verbod van de gehele film. [eiser] kan geen verbod vorderen van een film die nog niet in de roulatie is, en evenmin inzage. Dat is in strijd met artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 EVRM. Aldus – steeds – IDTV.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Rv - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. Zoals ter zitting met partijen besproken, zal de vordering in de hoofdzaak gelijk met de voorwaardelijke incidentele vordering worden behandeld.

4.3. Allereerst wordt vastgesteld dat IDTV erkent dat het publiek dat de film ziet, het daarin voorkomende personage “Rem” zal associëren met [eiser]. Hiervan zal derhalve bij de beoordeling uitgegaan worden.

4.4. Als vaststaand kan verder worden aangenomen dat de film fictieve elementen bevat. Gelet op hetgeen op basis van de op de zitting vertoonde trailer en de onder 2.5 geciteerde weergave van het verhaal bekend is over de inhoud van de film, kan er verder van worden uitgegaan dat het fictieve element ook in die zin in de film aanwezig is dat niet alle door “Rem” daarin gepleegde handelingen overeenkomen met bekende feiten over de daadwerkelijke gang van zaken bij de ontvoering.

4.5. Bij de beoordeling wordt voorop gesteld dat op grond van artikel 10 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) aan een ieder het recht op vrijheid van meningsuiting toekomt. Deze vrijheid mag slechts worden beperkt indien daarin is voorzien bij wet en deze beperking in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van, voor zover thans aan de orde, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Daarnaast heeft ieder op basis van artikel 8 EVRM recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer en respect voor zijn persoon.

4.6. De Nederlandse wetgever heeft in artikel 7 van de Grondwet bepaald dat voor het openbaren van gedachten of gevoelens door – in dit geval – een film niemand voorafgaand verlof nodig heeft wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

4.7. De vorderingen van [eiser], gericht op voorafgaande inzage in dan wel een vertoningsverbod op (bepaalde onderdelen van) de film, zijn in wezen vorderingen tot toepassing van preventieve censuur en staan daarmee op gespannen voet met artikel 10 EVRM en artikel 7 van de Grondwet.

4.8. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in haar uitspraak van 10 mei 2011 (LJN: BR3174; Mosley) herhaald dat aan de in artikel 10 EVRM genoemde vrijheden groot gewicht dient te worden toegekend. Het EHRM heeft daarbij tevens overwogen dat deze vrijheid haar begrenzing vindt in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Een wettelijke verplichting om, ingeval van een dreigend conflict tussen de vrijheid van meningsuiting en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, de publicatie vooraf aan de betrokkene te melden, werd echter door het EHRM als onwenselijk beoordeeld. In het licht hiervan is terughoudendheid ten aanzien van de vorderingen vereist. Uit deze uitspraak van het EHRM kan immers worden afgeleid dat het EHRM van belang acht dat toetsing van de eventuele onrechtmatigheid van een publicatie, met het oog op het gewicht dat aan de in artikel 10 EVRM gewaarborgde vrijheden wordt toegekend, pas plaatsvindt nadat de betreffende publicatie ter kennis van het publiek is gebracht.

4.9. Ook in de Nederlandse jurisprudentie wordt als lijn aangehouden dat slechts na publicatie kan blijken van onrechtmatig gedrag, wat kan leiden tot verplichte rectificatie, schadevergoeding of, in het meest ernstige geval, verbod tot verdere publicatie.

4.10. Beoordeeld dient derhalve te worden of de feiten in deze zaak van zodanige aard zijn dat dit een afwijking van het hiervoor vermelde uitgangspunt zou rechtvaardigen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit niet het geval.

4.11. [eiser] heeft ter terechtzitting enkele scènes uit de film toegelicht waarin het volgens hem diffamerende karakter van de film tot uitdrukking komt. Daarbij heeft hij zich gebaseerd op het script dat in het bezit is gekomen van zijn raadsvrouw. IDTV betwist dat de inhoud van dat script ten grondslag ligt aan de film.

4.12. Op basis van hetgeen thans wel bekend is, is echter onvoldoende aannemelijk geworden dat de publicatie jegens [eiser] in zodanige mate onrechtmatig is en voor hem zal leiden tot onherstelbare schade dat een vertoningsverbod of recht op inzage vooraf gewettigd zou zijn.

4.13. De ontvoering van wijlen de heer A. Heineken en zijn toenmalige chauffeur [persoon 2] heeft destijds de samenleving ernstig geschokt. Het maken van een film over een dergelijk nieuwsfeit is een door artikel 10 EVRM beschermd belang. Verder staat de betrokkenheid van [eiser] bij de ontvoering vast. Dat leidt ertoe dat iedere verfilming van de ontvoering tot gevolg zal hebben dat er een bepaald verband wordt gelegd met de persoon van [eiser]. Dat maakt een dergelijke verfilming niet onrechtmatig.

4.14. Het gaat hier om een film waarbij aan de gebeurtenissen rond de ontvoering ook fictieve elementen zijn toegevoegd. Daarbij gaat het wat betreft dit kort geding met name om die passages van de film waarin het personage “Rem” zich schuldig maakt aan strafbare feiten, wreedheden en grofheden die niet zijn terug te voeren op over de ontvoering bekende feiten. Een mogelijk gevolg van vertoning van deze passages is dat het publiek ook die handelingen in verband zal brengen met de persoon van [eiser], zonder dat dit steun vindt in de over de ontvoering bekende feiten.

4.15. Bij de beoordeling van de mogelijke onrechtmatigheid van (de vertoning van) deze passages stelt de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 9 oktober 2002 (LJN ZD2776; Danslessen) voorop dat deze passages niet op zichzelf moeten worden bezien, maar in samenhang met de overige inhoud van de film. Daarbij komt tevens betekenis toe aan de omstandigheid of en in hoeverre het vertoonde door de verbeeldingskracht van de maker is losgemaakt van de historische gebeurtenis. Ook is van belang aan wie de in de betreffende passages voorkomende gedragingen worden toegeschreven. Verder dient de beoordeling te geschieden met inachtneming van het belang dat met de vrijheid van artistieke expressie is gemoeid en de aard en de kenmerken van de betreffende kunstuiting.

4.16. Met inachtneming van het voorgaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het staat de maker van een filmwerk over een historische gebeurtenis in beginsel vrij om aan zijn weergave van die gebeurtenis nieuwe, fictieve, elementen toe te voegen. Ook staat het hem vrij om gebruik te maken van acteurs die een zekere overeenstemming vertonen met daadwerkelijk bij de verfilmde gebeurtenis betrokken personen. Een en ander valt onder de vrijheid van artistieke expressie. Deze vrijheid wordt echter begrensd door het belang dat een bij de verfilmde historische gebeurtenis betrokken persoon er bij kan hebben om niet met die fictieve elementen in verband te worden gebracht. Voorshands wordt niet aannemelijk geacht dat deze grens in dit geval is overschreden. Weliswaar vertoont het personage “Rem” wat betreft zijn fysieke kenmerken en het in de film vertoonde levensbeeld een grote mate van overeenstemming met [eiser], maar niet is gebleken dat in de film dan wel anderszins door IDTV wordt gesteld dat de gedragingen van “Rem” een weergave vormen van door [eiser] daadwerkelijk gepleegde feiten. Getuige de onder 2.2 genoemde disclaimer attendeert IDTV het publiek er juist op dat in de film feit en fictie zijn vermengd. Dat desondanks een deel van het publiek de gedragingen van “Rem” toeschrijft aan [eiser] is niet onaannemelijk, maar maakt de handelwijze van IDTV niet onrechtmatig. Zolang IDTV in haar uitingen voldoende duidelijk maakt dat de film niet een feitelijke weergave van de werkelijkheid beoogt te zijn, zoals zij tot nu toe heeft gedaan, kan zij niet verantwoordelijk worden gehouden voor andersluidende conclusies van derden.

4.17. Bovendien is voorshands niet aannemelijk dat, ingeval in een eventueel door [eiser] na de publieke openbaarmaking van de film aanhangig te maken procedure (onderdelen van) de film wel onrechtmatig zullen worden geoordeeld, de voor hem nadelige gevolgen van die openbaarmaking niet meer door middel van een alsdan uit te spreken veroordeling kunnen worden hersteld. Niet aannemelijk is geworden dat de belangen die [eiser] in dit verband heeft genoemd, namelijk schending van zijn portretrecht, schending van zijn recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, het niet lichtvaardig beschuldigd willen worden van strafbare feiten en het resocialisatiebelang niet door middel van schadevergoeding en/of rectificatie kunnen worden hersteld.

4.18. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat er onvoldoende reden is om IDTV reeds voorafgaand aan de publieke vertoning van de film te verbieden de scenes waarin “Rem” voorkomt openbaar te maken en al evenmin om IDTV ambtshalve te verplichten tot het verlenen van inzage in de film.

4.19. Hoewel een recht op voorinzage niet gelijk te stellen is met preventieve censuur moet het wel in nauw verband hiermee worden beschouwd. Immers, bij enkele voorinzage als zodanig heeft [eiser] geen belang. De bij incidentele voorziening gevorderde voorinzage dient te worden gezien in het licht van de vordering in de hoofdzaak. Gelet op het hiervoor onder 4.16 en 4.17 overwogene omtrent de afwijzing van de vordering in de hoofdzaak zal de incidentele vordering eveneens worden afgewezen.

4.20. Het feit dat [eiser] thans is gedetineerd en daardoor wordt belemmerd in zijn mogelijkheid tot het geven van een weerwoord, mag niet ten koste gaan van het aan IDTV toekomende recht van vrijheid van meningsuiting. Daar komt bij dat het publiek reeds via andere publicaties kennis heeft kunnen nemen van gebeurtenissen die zich rond de ontvoering hebben afgespeeld. Een van die publicaties is een boek van [persoon 4], waaraan, zoals IDTV onweersproken heeft gesteld, [eiser] zijn goedkeuring heeft verleend. Zijn versie van het verhaal is derhalve bij het (geïnteresseerde) publiek bekend.

4.21. [eiser] heeft verder nog een beroep gedaan op artikel 6:194 Burgerlijk Wetboek (BW). Hij stelt dat IDTV, door gebruikmaking van zijn portret, een misleidende mededeling (als bedoeld in artikel 6:194 BW) doet omtrent de film.

4.22. IDTV voert aan dat zij geen portret van [eiser] gebruikt maar een portret van de acteur die de rol van “Rem” speelt. Dat portret is geen mededeling over de inhoud van de film. Daarnaast gaat het om een historische gebeurtenis. Een verfilming daarvan is niet misleidend vanwege het feit dat gebruik wordt gemaakt van acteurs die de rol van de daadwerkelijk betrokkenen spelen, aldus IDTV.

4.23. Artikel 6:194 BW biedt bescherming aan personen die handelen in de uitoefening van hun bedrijf. Gesteld noch gebleken is dat aan dit criterium is voldaan. Voorts heeft artikel 6:194 BW slechts betrekking op mededelingen gedaan over een product, in dit geval de film, en niet op in de film zelf gedane mededelingen. Voor zover [eiser], gelet op het voorgaande, een beroep op dit artikel kan doen overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.24. Het op de website afgebeelde portret kan niet worden beschouwd als een portret van [eiser]. Weliswaar is er sprake van een behoorlijke mate van overeenstemming tussen de afbeelding op de website en de in het geding gebrachte foto (genomen omstreeks 1983) van [eiser], maar bij het beoordelen van de vraag of sprake is van een afbeelding van een persoon dient mede acht geslagen te worden op de context van de publicatie. Het is niet ongebruikelijk dat bij een verfilming van historische gebeurtenissen de acteurs worden gemodelleerd naar de persoon wiens rol zij moeten uitbeelden. Het publiek mag hiermee bekend worden verondersteld en zal een bij een filmaankondiging geplaatste afbeelding van een acteur gewoonlijk dan ook niet aanzien voor een afbeelding van zijn in de werkelijkheid voorkomende pendant (hetgeen bij een verfilming van verder in het verleden liggende gebeurtenissen temeer onwaarschijnlijk is). Van enige misleiding is derhalve geen sprake.

4.25. Voor zover de vorderingen van [eiser] er op zijn gericht dat ook los van een verbod op vertoning van die passages uit de film waarin het personage “Rem” voorkomt, een verbod wordt gevorderd van het gebruik van zijn portret op de website en voor andere commerciële doeleinden, worden die vorderingen met het oog op hetgeen hiervoor onder 4.24 is overwogen eveneens verworpen.

4.26. Uit het voorgaande volgt dat de vordering in zijn geheel zal worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van IDTV tot op heden begroot op EUR 560,- aan griffierecht en EUR 816,- aan salaris advocaat.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

in de hoofdzaak en in het incident

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van IDTV, tot op heden begroot op EUR 560,- aan griffierecht en EUR 816,- aan salaris advocaat;

5.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Tonkens - Gerkema, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.W. Rouwendal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2011.

kop-staart vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 500921 / KG ZA 11-1542 WT/JWR

Vonnis in kort geding van 21 oktober 2011

in de zaak van

[eiser],

domicilie kiezende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 6 oktober 2011,

advocaat mr. D.I.N. Levinson-Arps te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IDTV FILM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.P. van den Brink te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en IDTV worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 20 oktober 2011 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding en de akte (voorwaardelijke) incidentele vordering. IDTV heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.

Ter terechtzitting waren onder meer aanwezig:

- namens [eiser] mr. A.A. Franken en mr. D.I.N. Levinson-Arps;

- namens IDTV mevrouw [persoon 1], bijgestaan door mr. J. van den Brink.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

In verband met het spoedeisende karakter van de zaak is heden uitspraak gedaan door middel van dit zogenoemd kop-staart vonnis. De uitwerking van dit vonnis zal volgen op 28 oktober 2011.

2. De feiten

Volgen bij de uitwerking.

3. Het geschil

Volgt bij de uitwerking.

4. De beoordeling

Volgt bij de uitwerking.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van IDTV, tot op heden begroot op EUR 560,- aan griffierecht en EUR 816,- aan salaris advocaat;

5.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Tonkens - Gerkema, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.W. Rouwendal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2011.