Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BT8517

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
EA 11-109
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door werkgever voorgestelde wijziging arbeidsvoorwaarde. Kantonrechtersformule niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0855
Prg. 2011/306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

SECTOR KANTON - LOCATIE HILVERSUM

Kenmerk: EA 11-109

Datum: 1 juni 2011

251

BESCHIKKING VAN DE KANTONRECHTER TE HILVERSUM

op een verzoek als bedoeld in artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek, ingediend door[verzoekster]

[verzoekster]

gevestigd te Hilversum

verzoekster

nader te noemen [verzoekster]

gemachtigde: mr. M.I. van Dijk

t e g e n:

[verweerder]

wonende te Breda

verweerder

nader te noemen [verweerder]

gemachtigde: mr. M. Geurts

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[verzoekster] heeft op 4 april 2011 een verzoek ingediend dat strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. [verweerder] heeft op 6 mei 2011 een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 12 mei 2011. [verzoekster] is verschenen bij [naam financieel directeur], financieel directeur, [naam], medewerker personeelszaken en haar gemachtigde. [verweerder] is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote en zijn gemachtigde.

Beschikking is op heden bepaald.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Feiten en omstandigheden

1. Uitgegaan van de volgende vaststaande feiten en omstandigheden:

1.1. [verweerder], thans 36 jaar oud, is op 1 december 2010 via een headhunter voor onbepaalde tijd met een proeftijd van twee maanden in dienst van [verzoekster] getreden in de functie van sales director scheepvaart. Zijn brutosalaris bedraagt € 7.000,-- per maand exclusief vakantietoeslag en emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst van partijen zijn de voorwaarden van toepassing vervat in een arbeidscontract d.d. 9 september 2010.

1.2. Met ingang van maart 2011 heeft een reorganisatie bij [verzoekster] plaats gevonden, waarbij de functie van sales director scheepvaart is vervallen. Begin februari 2011 heeft [verzoekster] aan [verweerder] voorgesteld om de nieuwe functie van sales manager shipbuilding onder voor het overige dezelfde arbeidsvoorwaarden te gaan vervullen.

1.3. Hierover zijn enkele gesprekken tussen directeur [naam directeur] en [verweerder] gevoerd. Bij e-mail van 14 februari 2011 heeft [verweerder] aan directeur [naam directeur] die gesprekken bevestigd en daarbij aangegeven met de gang van zaken veel moeite te hebben en “het” niet redelijk te vinden. Gezien de stelligheid en het karakter van het voorstel had hij, aldus [verweerder], meer tijd nodig om met een antwoord te komen. Hij zegde toe op 21 februari 2011 een antwoord te zullen geven. Bij e-mail van 15 februari 2011 heeft directeur [naam directeur] op zijn beurt een en ander bevestigd en [verweerder] laten weten vóór 18 februari 2011 de bevestiging van hem te willen ontvangen of hij zijn baan nog steeds leuk vond en wilde doen “of anders je ontslagbrief”.

1.4. Op 18 februari 2011 heeft [verweerder] de door [verzoekster] aangeboden functie afgewezen, waarop [verzoekster] gereageerd heeft met de mededeling dat zij dan bij gebreke van een andere passende functie voor [verweerder] de arbeidsovereenkomst met hem zou moeten beëindigen. Vervolgens is [verweerder] op non actief gesteld. Bij brief d.d. 23 februari 2011 heeft [verzoekster] aan [verweerder] een voorstel tot minnelijke beëindiging van het dienstverband gedaan, inhoudende – kort gezegd – ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2011 onder doorbetaling van salaris etc., het vervallen van het concurrentie- en relatiebeding. Dit voorstel is door [verweerder] niet geaccepteerd.

1.5. De functieprofielen van de vervallen functie en die van de nieuwe functie laten de volgende verschillen zien. In die nieuwe functie van sales manager shipbuilding had [verweerder] moeten rapporteren aan de director export, die op zijn beurt rapporteert aan de algemeen directeur van [verzoekster], terwijl hij in zijn functie van sales director scheepvaart rechtstreeks aan de algemeen directeur rapporteerde. Was toen [verweerder] aantrad, bij zijn functie van sales director erin voorzien dat een tweetal “sales engineers” in dienst genomen zou worden, bij de creatie van de functie van sales manager werd het in dienst nemen van “enkele sales engineers” afhankelijk gesteld van “gebleken succes”.

Het verzoek

2. [verzoekster] verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen in de zin van een verandering in de omstandigheden van zodanige aard dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen billijkheidshalve dadelijk behoort te eindigen en dit zonder toekenning van een vergoeding.

3. Daartoe stelt [verzoekster] dat zij noodgedwongen ter vermeerdering van de groei van haar omzet heeft moeten besluiten haar sales divisie te reorganiseren, waarbij alle buitenlandse activiteiten met ingang van maart 2011 in één afdeling werden ondergebracht.

Hierdoor werden de afdelingen fire protection en shipbuilding geïntegreerd in de afdeling export en kwam onder meer de functie van [verweerder] te vervallen.

4. Op 7, 8 en 14 februari 2011 is dit door [verzoekster] uitgebreid met [verweerder] besproken. Zij heeft toen aan hem kenbaar gemaakt dat voor hem de nieuwe functie van sales manager shipbuilding zou worden gecreëerd die inhoudelijk vrijwel gelijk zou worden aan de vervallen functie van sales director scheepvaart. Het enige verschil met zijn oude functie betreft de benaming en de wijze van rapporteren. Die nieuwe functie is hem aangeboden, waarbij aangegeven is dat [verzoekster] in de toekomst indien de resultaten daarvoor de financiële ruimte zou bieden, een nieuwe bedrijfsunit shipbuilding zal opzetten en [verweerder] hierin vanzelfsprekend een belangrijke rol zal krijgen.

5. Zij heeft [verweerder] een redelijke bedenktijd voor acceptatie van de nieuwe functie geboden, doch de functie is door [verweerder] niet geaccepteerd, waardoor bij gebreke van een andere passende functie voor [verweerder] de arbeidsovereenkomst van partijen beëindigd moet worden. Ook haar voorstel tot minnelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft [verweerder] afgewezen.

6. De nieuw gecreëerde functie van sales manager shipbuilding is passend en vergelijkbaar aan de vervallen functie van [verweerder]. Nu [verweerder] bovendien niet akkoord wenst te gaan met haar redelijke voorstel tot minnelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet de verstoring van de arbeidsverhouding geheel toegeschreven worden aan hem. [verzoekster] is daarom van mening dat toekenning van een vergoeding aan hem niet op zijn plaats is.

Het verweer

7. [verweerder] betwist dat er gewichtige redenen voor ontbinding zijn in de door [verzoekster] bedoelde zin maar verzet zich niet tegen de door [verzoekster] verzochte ontbinding. [verweerder] verzoekt voor het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst zal ontbinden om toekenning van een vergoeding aan hem van € 75.000,-- ten laste van [verzoekster].

8. [verweerder] bestrijdt ten stelligste dat de nieuwe aan hem aangeboden functie vrijwel gelijk is aan de functie waarvoor hij in september 2010 is aangenomen. Niet alleen in niveau en breedte verschilt de nieuwe functie van de oude, maar ook op strategisch, producttechnisch, oganisatorisch en geografisch vlak verschillen de beide functies zodanig dat van hem in redelijkheid niet gevergd kon worden met de nieuwe functie akkoord te gaan.

9. Blijkens de functieomschrijving van de oude functie zou er aan zijn unit twee sales engineers worden toegevoegd. Ook tijdens zijn sollicitatiegesprek is hem voorgehouden dat hij een eigen binnen- en buitendienst zou krijgen. Als hem dat niet was toegezegd, had hij de functie niet genomen. Aan hem zou het zijn om de strategie van het team te bepalen. Als director shipbuilding genoot hij grote zelfstandigheid om de activiteiten van zijn unit uit te breiden.

10. Na het aantreden van [naam directeur] als nieuwe algemeen directeur werd zijn functie stukje bij beetje uitgekleed, waarna hij in de gesprekken op 7 en 8 februari 2011 te horen kreeg dat hij zijn functie zou verliezen en het gedaan zou zijn met zijn zelfstandigheid. De vorming van een verkooporganisatie voor scheepsvaart zou niet plaats vinden en evenmin zou hij uitbreiding van en ondersteuning voor zijn activiteiten krijgen. Hij zou de functie krijgen die tijdens zijn sollicitatiegesprekken de benaming “accountmanager shipbuilding” droeg en zou komen te vallen onder de commercieel directeur [naam commercieel directeur], die op zijn beurt de directeur van de bussiness unit “[naam unit]” boven zich heeft. Hij zou dus niet één laag “zakken”, maar twee lagen.

11. Toen hij begin februari 2011, twee maanden na zijn indiensttreding, dit te horen kreeg, was hij met stomheid geslagen. In de gesprekken op 7 en 8 februari 2011 werd hij vervolgens voor het blok gezet: hij diende de nieuwe functie te accepteren en – zo neen – ontslag te nemen. Hem werd slechts luttele dagen bedenktijd gegeven.

12. Op zich is al verwijtbaar dat een werkgever de functie van een werknemer na twee maanden nadat hij of zij in dienst getreden is, overbodig verklaart. De manier waarop vervolgens met hem is gecommuniceerd, is slechts als stuitend te betitelen. Nu [verzoekster] voornemens was zijn functie op te heffen, had zij nooit van hem mogen verlangen dat bij niet acceptatie van de nieuwe aan hem aangeboden functie hij zelf ontslag zou nemen. De arbeidsrelatie is niet door zijn toedoen verstoord, maar door de handelwijze van [verzoekster].

13. Ter onderbouwing van de door hem verzochte vergoeding ten bedrage van € 75.000,-- bruto bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2011, voert [verweerder] ook nog aan dat hij niet zelf het initiatief tot indiensttreding bij [verzoekster] heeft genomen, doch door een headhunter voor de (oude) functie bij [verzoekster] werd benaderd. Op dat moment vervulde hij de functie van marketing & s[naam werkgever]nager bij [naam werkgever] te Rotterdam, waar hij al negen jaar in dienst was, volop doorgroeimogelijkheden had en gunstige arbeidsvoorwaarden genoot. Terugkeer naar [naam werkgever], die nog geprobeerd heeft hem door middel van een loonsverhoging te behouden, is niet meer mogelijk. Het korte dienstverband bij [verzoekster] is een smet op zijn curriculum vitae. Gezien de huidige economische omstandigheden zal het erg lastig worden om op korte termijn een nieuwe werkkring te vinden.

Beoordeling

14. Tussen partijen is geen verschil van mening over de noodzaak dat hun arbeidsovereenkomst binnen korte tijd vanwege een verandering in de omstandigheden tot een einde komt, maar wel over de vraag of met het oog op de omstandigheden van het geval toekenning van een vergoeding ten laste van [verzoekster] aan [verweerder] billijk is.

15. In geschil tussen partijen is daarbij of van [verweerder] nu tengevolge van de reorganisatie bij [verzoekster] zijn functie verviel, in redelijkheid verwacht had mogen worden dat hij de nieuwe aan hem aangeboden functie van sales manager shipbuilding had aanvaard.

16. Bij de beantwoording van die vraag moet in de eerste plaats onderzocht te worden, of [verzoekster] in de wijziging van de omstandigheden als goed werkgeefster aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel aan [verweerder] tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden en of het door haar gedane voorstel redelijk was. Is dat het geval dan moet in de tweede plaats onderzocht worden of aanvaarding van het door [verzoekster] in redelijkheid gedane voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van [verweerder] gevergd kon worden. Bij dat tweede onderzoek moet onder meer in aanmerking genomen worden de positie van [verweerder] en diens belang bij het ongewijzigd blijven van zijn arbeidsvoorwaarden (zie H.R. 11 juli 2008, JAR 2008, nr. 204).

17. Bij het onderzoek ter beantwoording van de eerste vraag moet voorop gesteld worden dat het aan een werkgever, die meent op bedrijfseconomische of bedrijfskundige gronden zijn onderneming of delen daarvan te moeten reorganiseren, is om te bepalen hoe dat moet en de rechter slechts marginaal de consequenties daarvan waarmee hij of zij in een procedureel geschil geconfronteerd wordt, kan en mag toetsen.

18. Aldus meent de kantonrechter dat aangenomen moet worden dat er sprake was van een wijziging van omstandigheden waarin [verzoekster] als goed werkgeefster aanleiding heeft kunnen vinden om aan [verweerder] een voorstel tot wijziging van zijn arbeidsvoorwaarden te doen en op zich genomen in het kader van de reorganisatie het voorstel in concreto aan [verweerder] redelijk was, ook al hield dat voorstel een veel ingrijpender wijziging van zijn functie in dan [verzoekster] het in deze procedure probeert te doen voorkomen.

19. Dit laatste is relevant voor de beantwoording van de tweede vraag en wel of in het licht van de omstandigheden van het geval met name de positie van [verweerder] en diens belang bij het ongewijzigd blijven van zijn arbeidsvoorwaarden in redelijkheid van hem gevergd kon worden het op zichzelf genomen redelijke voorstel van [verzoekster] te aanvaarden. Die vraag nu moet ontkennend beantwoord worden.

De nieuwe functie hield in dat zijn oude functie werd uitgekleed en zijn plaats in de hiërarchie van het bedrijf aanzienlijk verlaagd werd. Daar stond weliswaar tegenover dat de financiële voorwaarden van het arbeidscontract ongewijzigd bleven, maar dat laat onverlet dat hij via een headhunter door [verzoekster] aangetrokken was om een stap in zijn carrière te maken die bij aanvaarding van de nieuwe functie ongedaan gemaakt zou zijn. Dat kon in redelijkheid niet door [verzoekster] van hem gevergd worden.

20. In plaats van begrip voor de beslissing van [verweerder] op te brengen, heeft [verzoekster] zich, zoals uit de hiervoor onder 1 weergegeven feiten en omstandigheden blijkt, jegens [verweerder] in deze gedragen op een wijze die ronduit strijdig is geweest met hoe een goed werkgeefster zich jegens een werknemer behoort te gedragen. Daardoor en niet door de opstelling van [verweerder] is de verhouding tussen partijen zodanig verstoord dat de arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 juli 2011.

21. Uit het vorenstaande volgt dat met het oog op de omstandigheden van het geval op gronden van billijkheid aan [verweerder] ten laste van [verzoekster] een vergoeding toegekend dient te worden. In het geval als het onderhavige kunnen bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding de in de zogenaamde kantonrechtersformule vervatte aanbevelingen niet van nut zijn.

22. Gezien alle voormelde omstandigheden en mede in aanmerking genomen dat zeker niet uit te sluiten valt dat [verweerder] minstens een half jaar na de ontbinding van de arbeidsovereenkomst nodig zal hebben om een andere baan te vinden, bepaalt de kantonrechter de hoogte van de vergoeding op € 60.000,-- bruto.

23. Nu aan [verweerder] een vergoeding wordt toegekend, moet aan [verzoekster] de gelegenheid worden geboden haar verzoek in te trekken.

24. Gezien de uitkomst van deze procedure dient [verzoekster] hoe dan ook veroordeeld te worden in de proceskosten.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2011;

II. kent aan [verweerder] een vergoeding toe ten laste van [verzoekster] ter hoogte van € 60.000,-- bruto, een en ander strekkende tot aanvulling van door [verweerder] te ontvangen uitkeringen dan wel elders verdiend loon;

III. veroordeelt [verzoekster], uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van deze vergoeding;

IV. bepaalt dat het onder I t/m III gestelde rechtskracht ontbeert, indien het verzoek door [verzoekster] uiterlijk op 15 juni 2011 wordt ingetrokken;

V. wijst het meer of anders verzochte af;

VI. veroordeelt [verzoekster], uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van deze procedure die aan de zijde van [verweerder] gevallen zijn en die tot op heden worden begroot worden op € 545,-- inclusief BTW voor salaris van zijn gemachtigde.

Aldus gegeven door mr. F.M.P.M. Strengers, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2011 in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter