Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BT7651

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-10-2011
Datum publicatie
14-10-2011
Zaaknummer
13-401877-09
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2013:BX9407, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in (sprong)cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BX9407
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Cold case: De rechtbank legt een zwaardere straf op aan een serieverkrachter dan op grond van de samenloopregeling, zoals neerlegd in artikel 63 en artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht, mogelijk is. Geconstateerde psychische klachten worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel zoals bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafrecht 55
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 75
Wetboek van Strafrecht 242
Wetboek van Strafrecht 246
Wetboek van Strafrecht 248
Wetboek van Strafrecht 282a
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 317
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2012/468
NBSTRAF 2011/346
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/401877-09 (PROMIS)

Datum uitspraak: 14 oktober 2011

op tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [1978],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres van de Penitentiaire Inrichting Haarlem: Harmenjansweg 4, 2031 WK te Haarlem,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring "De Weg" te Amsterdam.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 en 30 september 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C. Kramer en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.C. Sassen, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, zoals is omschreven in de dagvaarding en de vordering wijziging tenlastelegging, toegewezen ter terechtzitting van 9 juni 2010, dat:

1. hij op of omstreeks 24 april 1996 te Amsterdam door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een (andere) feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte

- (met kracht) die [slachtoffer 1] van een fiets geduwd en/of getrokken (waardoor die [slachtoffer 1] kwam te vallen) en/of

- die [slachtoffer 1] een of meermalen vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- een (deel van een) bijl en/of een mes, in elk geval een scherp en/of puntig en/of dreigend voorwerp aan die [slachtoffer 1] getoond en/of voorgehouden en/of gehouden en/of gezwaaid in de richting van die [slachtoffer 1] en/of

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd; "I want to lick your pussie" en/of "You go to these house, otherwise I focking kill you" en/of "Now I am focking kill you, I cut your leggs off, I cut your hand off" en/of "I have no aids, I am gonna fuck you quickly", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] de bosjes ingetrokken en/of naar een hekwerk gesleurd en/of

- die [slachtoffer 1] (onder bedreiging van een (deel van een) bijl en/of een mes, althans een scherp en/of puntig en/of dreigend voorwerp) gedwongen, althans bewogen over een hekwerk te klimmen en/of gedwongen, althans bewogen, haar kleding uit te trekken en/of

- die [slachtoffer 1] op de grond geduwd en/of

- met zijn, verdachte's tong aan de vagina van die [slachtoffer 1] gelikt en/of

is hij verdachte op de borst van die [slachtoffer 1] gaan zitten en/of heeft hij, verdachte

- aan de haren van die [slachtoffer 1] getrokken en/of

- haar hoofd in de richting van zijn penis geduwd en/of getrokken en/of die [slachtoffer 1] op voornoemde wijze gedwongen, althans bewogen zijn, verdachte's, penis in haar mond te nemen en/of

- (met kracht) de benen van die [slachtoffer 1] uit elkaar geduwd en/of

- zijn, verdachte's penis in de vagina van die [slachtoffer 1] gestopt en/of heen en weer/op en neer bewogen;

(artikel 242 Wetboek van Strafrecht)

2. hij op of omstreeks 24 april 1996 te Amsterdam, op of aan de openbare weg, de Celebesstraat en/of de Valentijnkade, in elk geval op een openbare weg, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee (inhoudende (ondermeer) een bankpasje en/of een stadspas), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, (toen en/of nadat hij, verdachte het feit had gepleegd en/of het geweld had toegepast op die [slachtoffer 1], zoals omschreven in feit 1 van de tenlastelegging)

opzettelijk gewelddadig en/of dreigend tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd; "Give me all the money you have" en/of "Give me your pin-code otherwise I kill you", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

(artikel 317 Wetboek van Strafrecht)

3. hij op of omstreeks 20 mei 1996 te Amsterdam door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een (andere) feitelijkheid [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte

- die [slachtoffer 2] bij de schouder en/of arm vastgepakt en/of vastgehouden en/of de bosjes ingetrokken en/of

- die [slachtoffer 2] in/tegen diens gezicht/gelaat geslagen en/of gestompt en/of

- een of meermalen tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat zij stil moest zijn en/of dat hij net uit de gevangenis was gekomen en/of dat hij haar zou vermoorden en/of dat hij een pistool had (waarbij hij, verdachte, zijn, hand in zijn binnenzak stopte en/of hield), in elk geval bij die [slachtoffer 2] de indruk of suggestie gewekt dat hij een vuurwapen had en/of hiervan gebruik zou gaan/kunnen maken en/of tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat hij haar kutje wilde likken en/of dat zij op de grond moest gaan liggen en/of haar broek moest uitdoen en/of dat hij haar wilde kussen en/of haar borsten wilde voelen en/of dat zij zijn penis in haar vagina moest stoppen en/of dat zij niet mocht zeggen en niet naar de politie mocht gaan, in elk geval een of meer van dergelijke (dreigende) woorden geuit tegen die [slachtoffer 2] en/of

- de (onder)broek van die [slachtoffer 2] (met kracht) naar beneden geduwd en/of getrokken en/of

- de borsten van die [slachtoffer 2] betast en/of

- met zijn, verdachte's, tong tegen en/of in de vagina van die [slachtoffer 2] gelikt en/of

- een of meermalen zijn, verdachte's penis in de vagina van die [slachtoffer 2] gestopt en/of heen en weer/op en neer bewogen;

(artikel 242 Wetboek van Strafrecht)

4. hij op of omstreeks 10 juli 1996 te Amsterdam door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een (andere) feitelijkheid [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers is hij, verdachte, (in de nachtelijke uren) in de woning, alwaar die [slachtoffer 3] (met anderen) wilde(n) gaan en/of aanwezig was/waren, binnen gedrongen en/of heeft hij, verdachte,

- een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp aan die [slachtoffer 3] getoond en/of voorgehouden en/of gehouden bij de keel en/of het gezicht en/of lichaam van die [slachtoffer 3] en/of

- die [slachtoffer 3] vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- tegen en/of in tegenwoordigheid van die [slachtoffer 3] (en/of die anderen) gezegd; "Niet gillen anders gaat zij eraan", daarbij wijzende naar die [slachtoffer 3] en/of "En nu uitkleden allemaal, jij ook, ik begin bij jou, liggen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- de telefoondraad doorgesneden en/of

- zijn, verdachte's broek, open gedaan en/of

is hij verdachte, tussen de benen van die [slachtoffer 3] gaan zitten en/of liggen en/of

heeft hij, verdachte, de hand van die [slachtoffer 3] naar zijn verdachte's penis gebracht en/of tegen die [slachtoffer 3] gezegd; "Doe hem erin, wat is hij groot, he, hij gaat veel dieper en dat gaat pijn doen" en/of "Als je even meewerkt dan hoeven er geen gewonden te vallen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

heeft hij, verdachte, zijn penis (met kracht) in de vagina van die [slachtoffer 3] geduwd en/of gestopt en/of heen en weer bewogen en/of (daarbij en/of vervolgens) het mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, steeds in en uit heeft geklapt/gedaan;

(artikel 242 Wetboek van Strafrecht)

5. hij op of omstreeks 10 juli 1996 te Amsterdam door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers is hij, verdachte, (in de nachtelijke uren) in de woning, alwaar die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] wilde(n) gaan en/of aanwezig was/waren, binnen gedrongen en/of binnen gegaan en/of

heeft hij, verdachte,

- een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp aan die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] getoond en/of voorgehouden en/of gehouden bij de keel en/of het gezicht en/of lichaam van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 5] en/of

- tegen en/of in tegenwoordigheid van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] gezegd; "Niet gillen anders gaat zij eraan", daarbij wijzende naar die [slachtoffer 3] en/of "En nu uitkleden allemaal, jij ook, ik begin bij jou, liggen" en/of "Naar binnen alledrie", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- de telefoondraad doorgesneden en/of

- die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] gedwongen, althans bewogen om in één kamer te gaan en/of om om naakt op de grond te gaan liggen en/of

- zijn, verdachte's broek, open gedaan en/of

is hij verdachte, tussen de benen van die [slachtoffer 3] gaan zitten en/of liggen en/of

heeft hij, verdachte, de hand van die [slachtoffer 3] naar zijn verdachte's penis gebracht en/of tegen die [slachtoffer 3] gezegd; "Doe hem erin, wat is hij groot, he, hij gaat veel dieper en dat gaat pijn doen" en/of "Als je even meewerkt dan hoeven er geen gewonden te vallen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

welk voornoemde feit zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 3] ten gevolge heeft gehad, bestaande het zwaar lichamelijk letsel uit; (over een periode van jaren) een Post Traumatische Stress Stoornis en/of (met als gevolg) voortdurende angst van onveiligheid en/of angst om aangeraakt te worden en/of het eigen lichaam /zichzelf vies vinden en/of voortdurende concentratiestoornis/verlies waarvoor psychiatrische hulp noodzakelijk werd

en/of

welk voornoemde feit zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 5] ten gevolge heeft gehad, bestaande het zwaar lichamelijk letsel uit; (over een periode van jaren) een voortdurende schuldgevoel en/of angst om aangeraakt te worden en/of nachtmerries, beschadigde zelfvertrouwen en/of zelfbeeld en/of flashbacks waarvoor psychologische hulp noodzakelijk werd

en/of

voor welke voornoemde omschreven feit levensgevaar voor een ander te duchten was;

(artikel 246,248 Wetboek van Strafrecht)

6. hij op of omstreeks 10 juli 1996 te Amsterdam opzettelijk één of meer personen, genaamd [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en), te weten die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5], te dwingen iets te doen of niet te doen, immers

is hij, verdachte, (in de nachtelijke uren) in de woning, alwaar die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] wilde(n) gaan en/of aanwezig was/waren, binnen gedrongen en/of binnen gegaan en/of

heeft hij, verdachte,

- een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp aan die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] getoond en/of voorgehouden en/of gehouden bij de keel en/of het gezicht en/of lichaam van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 5] en/of

- tegen en/of in tegenwoordigheid van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] gezegd; "Niet gillen anders gaat zij eraan", daarbij wijzende naar die [slachtoffer 3] en/of "En nu uitkleden allemaal, jij ook, ik begin bij jou, liggen" en/of "Naar binnen alledrie", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- de telefoondraad doorgesneden en/of

- die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] gedwongen, althans bewogen om hun geld op tafel te leggen en/of

- die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] gedwongen, althans bewogen om in één kamer te gaan en/of om om naakt op de grond te gaan liggen, waarna hij, verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 3] heeft gestopt en/of heen en weer bewogen, en/of (daarbij) een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, een of meermalen heeft in- en uitgeklapt en/of gehouden in de richting en/of ter hoogte van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5], in elk geval die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] op voormelde wijze heeft gedwongen te blijven liggen en/of niet in te grijpen en/of in de woning te blijven en/of niet/geen hulp te bieden en/of te vragen;

(artikel 282a Wetboek van Strafrecht)

7. primair:

hij op of omstreeks 10 juli 1996 te Amsterdam te omstreeks 00.15 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemd tijd, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, in/uit een woning gelegen aan/bij de [A-straat] (nr. [nr]) heeft weggenomen een geldbedrag (van ongeveer 30, - gulden), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en / of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte opzettelijk gewelddadig en/of dreigend (in voornoemde woning)

- een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp aan die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] heeft getoond en/of voorgehouden en/of gehouden bij de keel en/of het gezicht en/of lichaam van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 5] en/of

- die [slachtoffer 3] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- tegen en/of in tegenwoordigheid van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] heeft gezegd; "Niet gillen anders gaat zij eraan", daarbij wijzende naar die [slachtoffer 3] en/of "Leg al jullie geld op tafel" en/of "En nu uitkleden allemaal, jij ook, ik begin bij jou, liggen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- de telefoondraad doorgesneden en/of

- het geweld heeft toegepast zoals omschreven in voornoemde feit 4 en/of 5 en/of 6 van de tenlastelegging (te weten de gijzeling en/of aanranding van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] en/of de verkrachting van die [slachtoffer 3]),

welk voornoemde feit zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 3] ten gevolge heeft gehad, bestaande het zwaar lichamelijk letsel uit; (over een periode van jaren) een Post Traumatische Stress Stoornis en/of (met als gevolg) voortdurende angst van onveiligheid en/of angst om aangeraakt te worden en/of het eigen lichaam /zichzelf vies vinden en/of voortdurende concentratiestoornis/verlies waarvoor psychiatrische hulp noodzakelijk werd

en/of

welk voornoemde feit zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 5] ten gevolge heeft gehad, bestaande het zwaar lichamelijk letsel uit; (over een periode van jaren) een voortdurende schuldgevoel en/of angst om aangeraakt te worden en/of nachtmerries, beschadigde zelfvertrouwen en/of zelfbeeld en/of flashbacks waarvoor psychologische hulp noodzakelijk werd;

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair:

hij op of omstreeks 10 juli 1996 te Amsterdam te omstreeks 00.15 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemd tijd, in/uit een woning gelegen aan/bij de [A-straat] (nr. [nr]), met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (van ongeveer 30, - gulden), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, opzettelijk gewelddadig en/of dreigend (in voornoemde woning)

- een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp aan die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] heeft getoond en/of voorgehouden en/of gehouden bij de keel en/of het gezicht en/of lichaam van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 5] en/of

- die [slachtoffer 3] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- tegen en/of in tegenwoordigheid van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] heeft gezegd; "Niet gillen anders gaat zij eraan", daarbij wijzende naar die [slachtoffer 3] en/of "Leg al jullie geld op tafel" en/of "En nu uitkleden allemaal, jij ook, ik begin bij jou, liggen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- de telefoondraad doorgesneden en/of

- het geweld heeft toegepast zoals omschreven in voornoemde feit 4 en/of 5 en/of 6 van de tenlastelegging (te weten de gijzeling en/of aanranding van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] en/of de verkrachting van die [slachtoffer 3]),

welk voornoemde feit zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 3] ten gevolge heeft gehad, bestaande het zwaar lichamelijk letsel uit; (over een periode van jaren) een Post Traumatische Stress Stoornis en/of (met als gevolg) voortdurende angst van onveiligheid en/of angst om aangeraakt te worden en/of het eigen lichaam /zichzelf vies vinden en/of voortdurende concentratiestoornis/verlies waarvoor psychiatrische hulp noodzakelijk werd

en/of

welk voornoemde feit zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 5] ten gevolge heeft gehad, bestaande het zwaar lichamelijk letsel uit; (over een periode van jaren) een voortdurende schuldgevoel en/of angst om aangeraakt te worden en/of nachtmerries, beschadigde zelfvertrouwen en/of zelfbeeld en/of flashbacks waarvoor psychologische hulp noodzakelijk werd;

(artikel 317 Wetboek van Strafrecht)

8. hij op of omstreeks 24 juli 1996 te Amsterdam door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een (andere) feitelijkheid [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte

- een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, getoond en/of voorgehouden en/of gehouden in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 6] en/of

- die [slachtoffer 6], onder bedreiging van een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gedwongen, althans bewogen met hem, verdachte mee te fietsen (naar een afgelegen plek) en/of

(onder bedreiging van een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp)

- tegen die [slachtoffer 6] gezegd dat zij zich moest uitkleden en/of

- zijn, verdachte's penis in de vagina en/of mond en/of anus van die [slachtoffer 6] gestopt en/of heen en weer bewogen en/of

- zijn, verdachte's tong in de vagina van die [slachtoffer 6] gestopt;

(artikel 242 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 24 juli 1996 te Amsterdam door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte

- een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, getoond en/of voorgehouden en/of gehouden in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 6] en/of

- die [slachtoffer 6], onder bedreiging van een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gedwongen, althans bewogen met hem, verdachte mee te fietsen (naar een afgelegen plek) en/of

(onder bedreiging van een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp)

- tegen die [slachtoffer 6] gezegd dat zij zich moest uitkleden en/of

- die [slachtoffer 6] heeft betast en/of aangeraakt bij de vagina en/of

- de hand van die [slachtoffer 6] naar en/of tegen zijn, verdachte's, penis gebracht en/of

- zijn, verdachte's penis tegen de vagina en/of mond en/of anus van die [slachtoffer 6] gestopt en/of gebracht en/of

- met zijn, verdachte's tong, de vagina van die [slachtoffer 6] gelikt

welk voornoemde feit zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 6] ten gevolge heeft gehad, bestaande het zwaar lichamelijk letsel uit; (over een periode van jaren) overspannenheid en/of een laag zelfbeeld hebben, zich onveilig voelen, gebrek aan concentratie, voortdurende schuldgevoel en/of angst om aangeraakt te worden en/of beschadigde zelfvertrouwen en/of zelfbeeld waarvoor therapie noodzakelijk werd;

(artikel 246,248 Wetboek van Strafrecht);

9. hij op of omstreeks 24 juli 1996 te Amsterdam op de openbare weg(en), het Oosterpark en/of de Beukenweg en/of het Beukenplein en/of de Polderweg, in elk geval op een openbare weg, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonee en/of een geldbedrag en/of een giropas, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte opzettelijk gewelddadig en/of dreigend

- een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond en/of voorgehouden en/of gehouden in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 6] en/of

- die [slachtoffer 6], onder bedreiging van een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gedwongen, althans bewogen met hem, verdachte mee te fietsen en/of

(onder bedreiging van een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp)

- tegen die [slachtoffer 6] heeft gezegd dat zij zich moest uitkleden en/of

- tegen die [slachtoffer 6] het geweld heeft toegepast, zoals omschreven in feit 8 van de tenlastelegging, namelijk die [slachtoffer 6] heeft verkracht en/of aangerand en/of

- die [slachtoffer 6] om geld heeft gevraagd,

welk voornoemde feit zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 6] ten gevolge heeft gehad, bestaande het zwaar lichamelijk letsel uit; (over een periode van jaren) overspannenheid en/of een laag zelfbeeld hebben, zich onveilig voelen, gebrek aan concentratie, voortdurende schuldgevoel en/of angst om aangeraakt te worden en/of beschadigde zelfvertrouwen en/of zelfbeeld waarvoor therapie noodzakelijk werd;

(artikel 317 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 24 juli 1996 te Amsterdam op de openbare weg(en), het Oosterpark en/of de Beukenweg en/of het Beukenplein en/of de Polderweg, in elk geval op een openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee en/of een geldbedrag en/of een giropas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 6], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en / of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte opzettelijk gewelddadig en/of dreigend

- een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond en/of voorgehouden en/of gehouden in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 6] en/of

- die [slachtoffer 6], onder bedreiging van een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gedwongen, althans bewogen met hem, verdachte mee te fietsen en/of

(onder bedreiging van een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp)

- tegen die [slachtoffer 6] heeft gezegd dat zij zich moest uitkleden en/of

- tegen die [slachtoffer 6] het geweld heeft toegepast, zoals omschreven in feit 8 van de tenlastelegging, namelijk die [slachtoffer 6] heeft verkracht en/of aangerand en/of

- die [slachtoffer 6] om geld heeft gevraagd waarna hij verdachte voornoemde goederen en/of geld van die [slachtoffer 6] heeft weggenomen,

welk voornoemde feit zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 6] ten gevolge heeft gehad, bestaande het zwaar lichamelijk letsel uit; (over een periode van jaren) overspannenheid en/of een laag zelfbeeld hebben, zich onveilig voelen, gebrek aan concentratie, voortdurende schuldgevoel en/of angst om aangeraakt te worden en/of beschadigde zelfvertrouwen en/of zelfbeeld waarvoor therapie noodzakelijk werd;

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

10. hij op of omstreeks 24 juli 1996 te Amsterdam ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of met een (andere) feitelijkheid [slachtoffer 7] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte,

(in het Bijlmerpark)

- die [slachtoffer 7] (rijdende op een fiets) (met kracht) bij/om de schouder(s) en/of de nek en/of diens fiets vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- aan die [slachtoffer 7] getrokken en/of gerukt en/of

- die [slachtoffer 7] in de bosjes getrokken en/of gerukt en/of

- een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend en/of dreigend voorwerp aan die [slachtoffer 7] getoond en/of voorgehouden en/of gehouden tegen de nek en/of lichaam van die [slachtoffer 7] en/of

- de bril van het gezicht van die [slachtoffer 7] verwijderd en/of

- (met kracht) een of meermalen met een pistool, in elk geval een op een pistool gelijkend en/of dreigend en/of hard voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 7] geslagen en/of

- een of meermalen aan de broek van die [slachtoffer 7] getrokken en/of gerukt en/of

- met zijn, verdachte's lichaam tegen het lichaam van die [slachtoffer 7] gedrukt en/of geduwd en/of

- een of meermalen in de vinger en/of onderarm en/of duim en/of hand van die [slachtoffer 7] gebeten en/of

- die [slachtoffer 7] omlaag geduwd en/of getrokken en/of

- met zijn, verdachte's, lichaam en/of knieen, op de buik van die [slachtoffer 7] gedrukt en/of

- in de borsten van die [slachtoffer 7] geknepen en/of en/of

- over de buik van die [slachtoffer 7] gewreven en/of

- getracht in de broek van die [slachtoffer 7] te komen door aan die broek te trekken en/of te rukken;

(artikel 242, 45 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 24 juli 1996 te Amsterdam door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 7] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte

(in het Bijlmerpark)

- die [slachtoffer 7] (rijdende op een fiets) (met kracht) bij/om de schouder(s) en/of de nek en/of diens fiets vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- aan die [slachtoffer 7] getrokken en/of gerukt en/of

- die [slachtoffer 7] in de bosjes getrokken en/of gerukt en/of

- een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend en/of dreigend voorwerp aan die [slachtoffer 7] getoond en/of voorgehouden en/of gehouden tegen de nek en/of lichaam van die [slachtoffer 7] en/of

- de bril van het gezicht van die [slachtoffer 7] verwijderd en/of

- (met kracht) een of meermalen met een pistool, in elk geval een op een pistool gelijkend en/of dreigend en/of hard voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 7] geslagen en/of

- een of meermalen aan de broek van die [slachtoffer 7] getrokken en/of gerukt en/of

- met zijn, verdachte's lichaam tegen het lichaam van die [slachtoffer 7] gedrukt en/of geduwd en/of

- een of meermalen in de vinger en/of onderarm en/of duim en/of hand van die [slachtoffer 7] gebeten en/of

- die [slachtoffer 7] omlaag geduwd en/of getrokken en/of

- met zijn, verdachte's, lichaam en/of knieen, op de buik van die [slachtoffer 7] gedrukt en/of

- in de borsten van die [slachtoffer 7] geknepen en/of en/of

- over de buik van die [slachtoffer 7] gewreven en/of

- getracht in de broek van die [slachtoffer 7] te komen door aan die broek te trekken en/of te rukken,

welk voornoemde feit zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 7] ten gevolge heeft gehad, bestaande het zwaar lichamelijk letsel uit; (over een periode van jaren) zich onveilig voelen (leven met angst), gebrek aan concentratie/controle, voortdurende schuldgevoel en/of angst om aangeraakt te worden en/of beschadigde zelfvertrouwen en/of zelfbeeld waardoor therapie noodzakelijk werd en/of wegdrukken van de gebeurtenis en/of problemen in/met de relatie(s);

(artikel 246,248 Wetboek van Strafrecht);

11. hij op of omstreeks 24 juli 1996 te Amsterdam op de openbare weg, het Bijlmerpark, in elk geval op een openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een bril en/of een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 7] en/of een voorbijganger, genaamd [slachtoffer 8], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en / of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte opzettelijk gewelddadig en/of dreigend

- die [slachtoffer 7] (rijdende op een fiets) (met kracht) bij/om de schouder(s) en/of de nek en/of diens fiets heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- aan die [slachtoffer 7] heeft getrokken en/of gerukt en/of

- die [slachtoffer 7] in de bosjes heeft getrokken en/of gerukt en/of

- een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend en/of dreigend voorwerp aan die [slachtoffer 7] heeft getoond en/of voorgehouden en/of gehouden tegen de nek en/of lichaam van die [slachtoffer 7] en/of

- de bril van het gezicht van die [slachtoffer 7] heeft verwijderd en/of afgetrokken en/of weggenomen en/of

- (met kracht) een of meermalen met een pistool, in elk geval een op een pistool gelijkend en/of dreigend en/of hard voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 7] heeft geslagen en/of

- een of meermalen aan de broek van die [slachtoffer 7] heeft getrokken en/of gerukt en/of

- met zijn, verdachte's lichaam tegen het lichaam van die [slachtoffer 7] heeft gedrukt en/of geduwd en/of

- een of meermalen in de vinger en/of onderarm en/of duim en/of hand van die [slachtoffer 7] heeft gebeten en/of

- die [slachtoffer 7] omlaag heeft geduwd en/of getrokken en/of

- met zijn, verdachte's, lichaam en/of knieen, op de buik van die [slachtoffer 7] heeft gedrukt en/of

- in de borsten van die [slachtoffer 7] heeft geknepen en/of

- over de buik van die [slachtoffer 7] heeft gewreven en/of

- (vervolgens) (nadat voornoemde voorbijganger [slachtoffer 8] nader bij kwam en/of hem, verdachte aansprak en/of wilde tegenhouden en/of wilde helpen)

- voornoemde fiets heeft weggenomen en/of

- (vervolgens) een pistool, in elk geval een vuurwapen of daarop gelijkend voorwerp heeft doorgeladen en/of een of meermalen aan die [slachtoffer 7] en/of die [slachtoffer 8] heeft getoond en/of op die [slachtoffer 7] en/of die [slachtoffer 8] gericht en/of daarmee heeft geschoten in de richting van die [slachtoffer 8],

welk voornoemde feit zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 7] ten gevolge heeft gehad, bestaande het zwaar lichamelijk letsel uit; (over een periode van jaren) zich onveilig voelen (leven met angst), gebrek aan concentratie/controle, voortdurende schuldgevoel en/of angst om aangeraakt te worden en/of beschadigde zelfvertrouwen en/of zelfbeeld waardoor therapie noodzakelijk werd en/of wegdrukken van de gebeurtenis en/of problemen in/met de relatie(s);

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 24 juli 1996 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 8] van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool, in elk geval een vuurwapen een of meer kogels heeft gevuurd/afgeschoten op/in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 8];

(artikel 287,45 Wetboek van Strafrecht)

12. hij op of omstreeks 05 augustus 1996 te Amsterdam ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of met een (andere) feitelijkheid [slachtoffer 9] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte,

(in/ter hoogte van het Flevopark)

- die [slachtoffer 9] (rijdende op de fiets) vastgepakt en/of

- die [slachtoffer 9] op de grond en/of in de bosjes gegooid en/of geduwd en/of

- tegen die [slachtoffer 9] gezegd; "Je hoeft toch niet te schreeuwen, want niemand hoort je, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of is hij verdachte, op die [slachtoffer 9] gaan liggen en/of

- een hand op de mond van die [slachtoffer 9] gelegd en/of gehouden en/of

- met een of meer handen de borsten en/of de vagina (over de kleding heen) van die [slachtoffer 9] betast en/of aangeraakt en/of is hij, verdachte met een hand in de richting van de vagina en/of tussen de benen van die [slachtoffer 9] gegaan en/of

- een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend en/of dreigend voorwerp aan die [slachtoffer 9] getoond en/of voorgehouden en/of gericht op die [slachtoffer 9] en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer 9] gezegd;"Als je nu opstaat en verder loopt of als je gaat gillen, dan schiet ik je dood", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

(artikel 242,45 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 05 augustus 1996 te Amsterdam door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 9] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte,

(in/ter hoogte van het Flevopark)

- die [slachtoffer 9] (rijdende op de fiets) vastgepakt en/of

- die [slachtoffer 9] op de grond en/of in de bosjes gegooid en/of geduwd en/of

- tegen die [slachtoffer 9] gezegd; "Je hoeft toch niet te schreeuwen, want niemand hoort je, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of is hij verdachte, op die [slachtoffer 9] gaan liggen en/of

- een hand op de mond van die [slachtoffer 9] gelegd en/of gehouden en/of

- met een of meer handen de borsten en/of de vagina ( over de kleding heen) van die [slachtoffer 9] betast en/of aangeraakt en/of is hij, verdachte met een hand in de richting van de vagina en/of tussen de benen van die [slachtoffer 9] gegaan en/of

- een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend en/of dreigend voorwerp aan die [slachtoffer 9] getoond en/of voorgehouden en/of gericht op die [slachtoffer 9] en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer 9] gezegd;"Als je nu opstaat en verder loopt of als je gaat gillen, dan schiet ik je dood", althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

welk voornoemde feit zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 9] ten gevolge heeft gehad, bestaande het zwaar lichamelijk letsel uit; (over een periode van jaren) zich onveilig voelen (leven met angst), gebrek aan concentratie/controle, voortdurende angst om aangeraakt te worden en/of beschadigde zelfvertrouwen en/of zelfbeeld en/of problemen in/met de relatie(s);

(artikel 246,248 Wetboek van Strafrecht)

3. Voorvragen

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Nu de ten laste gelegde feiten in 1996, en dus een aanzienlijk aantal jaren geleden, gepleegd zijn, is het aangewezen om te controleren of deze feiten verjaard zijn. Hierbij is relevant dat onder 5, 8, 10 en 12 'feitelijke aanranding van de eerbaarheid, terwijl het misdrijf zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft en daarvan (bij feit 5) eveneens levensgevaar voor een ander te duchten is' ten laste is gelegd. Dit feit heeft thans een maximale strafbedreiging van vijftien jaren gevangenisstraf en had in 1996 een maximale strafbedreiging van twaalf jaren gevangenisstraf. Gelet op artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht, waarin is bepaald dat feiten waarop een gevangenisstraf van meer dan tien jaren is gesteld pas na twintig jaren verjaren, zijn deze ten laste gelegde feiten dus niet verjaard.

De verdediging heeft echter betoogd dat de strafverzwarende omstandigheden bij deze feiten niet bewezen kunnen worden verklaard, zodat alleen 'feitelijke aanranding van de eerbaarheid' bewezen kan worden verklaard. Dit feit heeft een maximale strafbedreiging van acht jaren en zou dus wel verjaard zijn, waardoor de officier van justitie ten aanzien van die feiten niet-ontvankelijkheid zou dienen te worden verklaard in haar vordering.

De rechtbank concludeert echter dat geen van de ten laste gelegde feiten verjaard zijn en dat de officier van justitie dus ontvankelijk is in haar vordering. Deze beslissing is nader gemotiveerd in rubriek 4.3.3.

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ook voorts ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle (primair) ten laste gelegde feiten, met uitzondering van de onder 9 cumulatief ten laste gelegde afpersing en de onder 11 cumulatief ten laste gelegde diefstal met geweld, bewezen dienen te worden verklaard. Zij heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

De feiten 1 en 2 kunnen worden bewezen op grond van de aangifte, de DNA-match en de verklaring van de echtgenoot van aangeefster. Verdachte legt geen verklaring af over de reden van het aantreffen van zijn DNA-materiaal bij aangeefster.

Subsidiair kunnen deze feiten worden bewezen met behulp van schakelbewijs.

Feit 3 kan worden bewezen op grond van de aangifte, de DNA-match, het proces-verbaal van bevindingen ten aanzien van het aantreffen van schoensporen overeenkomend met de laarzen van aangeefster en de verklaring van de buschauffeur.

Ook bij dit feit geldt dat het feit subsidiair kan worden bewezen met behulp van schakelbewijs.

De feiten 4 t/m 7 kunnen worden bewezen op grond van de verklaringen van de drie aangeefsters en de rapportages van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) en Independent Forensic Services (hierna: IFS) aangaande het DNA-onderzoek.

Het onder 7 primair ten laste gelegde kan worden bewezen op grond van de verklaring van aangeefster [slachtoffer 4]. [slachtoffer 5] heeft ook verklaard dat het geld weg was nadat de man het huis had verlaten.

[slachtoffer 3] heeft in januari 2010 verklaard dat haar leven sterk is beïnvloed door de verkrachting. Zij heeft psychiatrische hulp gezocht en bij haar is de diagnose post traumatisch stress- syndroom gesteld. Haar moeder geeft tijdens het verhoor aan dat haar dochter van een vrolijk en onbevangen kind is veranderd in een angstige en cynische vrouw. Haar dochter heeft haar verteld dat ze drie jaren niet heeft geleefd. Haar moeder heeft ook veel angst bij haar waargenomen. Zowel [slachtoffer 3] als haar moeder verklaren dat [slachtoffer 3] ook heel fel kan reageren, wat vóór de verkrachting niet het geval was. Het lukte [slachtoffer 3] pas recent om haar studie af te ronden. Tegenover de rechter-commissaris verklaarde ze dat zij de eerste vier jaren na het voorval veel angst- en paniekaanvallen heeft gehad. De laatste twee jaren gaat het weer een stuk slechter met haar.

[slachtoffer 5] verklaarde in januari 2010 dat het voorval veel negatieve invloed op haar leven heeft gehad. Zij geeft aan dat zij sinds het voorval herhaaldelijk psychologische hulp heeft gezocht. Zij heeft last van flashbacks. Uit medische informatie in het dossier blijkt dat bij haar een post traumatisch stress-syndroom is geconstateerd.

De gevolgen voor [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] kunnen als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 248 en 312 lid 2 onder 4 van het Wetboek van Strafrecht beschouwd worden. Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel geweld ernstige gevolgen kan hebben voor het leven van slachtoffers. Dat blijkt ook uit een omschrijving van de gevolgen van aanranding en verkrachting door de Stichting Korrelatie. Volgens artikel 82 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht dient onder zwaar lichamelijk letsel onder andere te worden begrepen een "ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing over laat". In voetnoot 6 bij aantekening 2 in Tekst & Commentaar, achtste druk, bij voornoemd artikel 82 wordt het begrip "ziekte" ook wel omschreven als een "stoornis in de regelmatige werking der normale lichamelijke of geestelijke functiën van de betrokkene". Het arrest van het Gerechtshof Den Bosch van 30 maart 2001, NJ 2001, nr. 486, staat niet in de weg aan de conclusie dat er in deze zaak sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5], nu dit arrest specifiek betrekking heeft op mishandeling en ook de argumentatie uit Noyon-Langemeijer daarin niet terug te vinden is.

De feiten 8 en 9 kunnen worden bewezen op grond van de bevindingen van de verbalisanten met betrekking tot het eerste contact met de aangeefster op de plaats delict en de DNA-rapportages van het NFI en IFS. Op de plaats delict zijn daarnaast voetafdrukken, een fiets en een onderbroek aangetroffen.

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte, terwijl zij op zijn verzoek geld uit haar portemonnee haalde, de hele portemonnee van haar afpakte. Daarom kan dus een diefstal met geweld en bedreiging met geweld bewezen worden verklaard en geen afpersing.

Aangeefster heeft verklaard dat zij jarenlang angstig is geweest tengevolge van dit feit en ook in therapie is gegaan. Zij voelt zich in het donker nog steeds niet veilig op straat. Ze verklaarde ook dat ze volgens haar man haar concentratie niet lang kan vasthouden. Haar moeder verklaarde in april 2010 dat zij een aantal maanden na het feit helemaal niet alleen thuis durfde te zijn en ook niet alleen de straat op durfde. Ook deze gevolgen zijn aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.

Voor de feiten 10 t/m 12 is geen DNA-bewijs voorhanden. Op grond van overeenkomsten in modus operandi en signalementen kunnen deze feiten echter wel bewezen worden verklaard. Het is bij deze feiten zeker noodzakelijk om gebruik te maken van schakelbewijs.

Opvallend is dat de feiten 9, 10 en 11 op dezelfde dag zijn gepleegd. Daarbij zijn er overeenkomsten in de opgegeven signalementen ten aanzien van de jas en de haardracht. Hoewel de feiten 10 en 11 in een ander park én overdag zijn gepleegd, is er sprake van een opvallende overeenkomst in modus operandi, namelijk het van de fiets trekken, de bosjes in worden getrokken en het dreigen met een vuurwapen.

Aangeefster [slachtoffer 7] heeft bij de politie en de rechter-commissaris uitgebreid verklaard over de gevolgen die deze feiten voor haar hebben gehad. Ook ter zake van dit feit kan dus bewezen worden verklaard dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

Bij feit 10 kunnen zowel de poging tot verkrachting als de aanranding bewezen worden verklaard.

De poging tot diefstal met geweld, zoals onder 11 ten laste is gelegd, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard nu de gedragingen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm gezien veeleer betrekking hadden op verkrachting dan op beroving. Er zijn dus onvoldoende aanknopingspunten voor opzet op diefstal met geweld.

De poging tot doodslag kan wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, nu zowel [slachtoffer 7] als [slachtoffer 8] heeft verklaard dat er gericht op hen is geschoten.

Ook [slachtoffer 9] (feit 12) is overdag lastig gevallen in een park dat gelegen is in de buurt van Amsterdam Oost waar de feiten 1 t/m 9 zich afspeelden. Zij werd bedreigd met een vuurwapen en er werd tegen haar gezegd dat zij zou worden doodgeschoten. In het door haar opgegeven signalement zitten diverse opvallende elementen die ook door de andere aangeefsters, in de zaken waarin wel DNA-bewijs aanwezig is, worden genoemd. Ook de modus operandi kent overeenkomsten.

[slachtoffer 9] heeft eveneens aanmerkelijke gevolgen ondervonden van dit feit. Zij heeft daar bij de politie en de rechter-commissaris gedetailleerd en consistent over verklaard. Ook hier is sprake van een aanranding met als gevolg zwaar lichamelijk letsel.

De omstandigheid dat [slachtoffer 7], [slachtoffer 9] en [slachtoffer 8] verdachte niet hebben herkend tijdens een meervoudige fotoconfrontatie staat niet in de weg aan een bewezenverklaring, nu deze fotoconfrontatie pas zeer lange tijd na het plegen van de feiten heeft plaatsgevonden.

De ten laste gelegde feiten vertonen onderling qua signalement en modus operandi grote overeenkomsten. Schakelbewijs is aanvaard door de Hoge Raad. Van belang is dat bewijsmiddelen die betrekking hebben op verschillende feiten elkaar over en weer kunnen ondersteunen voor zover daaruit een gang van zaken blijkt die op essentiële punten overeen komt.

Tot slot wijst de officier van justitie er op dat er geen aangiftes van soortgelijke seksuele misdrijven zijn binnengekomen na de aanhouding van verdachte die plaatsvond enkele dagen na het onder 12 ten laste gelegde.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de onder 1, 3, 4, 6, 7 subsidiair en 8 - voor zover dit de cumulatief ten laste gelegde verkrachting betreft - gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De verdediging heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de onder 2, 7 primair, 9, 10, 11 en 12 ten laste gelegde feiten. Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte partieel vrijgesproken dient te worden van de onder 5 en 8 - voor zover dit de cumulatief ten laste gelegde feitelijke aanranding van de eerbaarheid betreft - ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid, te weten dat de slachtoffers ten gevolge van die feiten zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. Aangezien de 'kale' feitelijke aanranding van de eerbaarheid inmiddels verjaard is, dient dit tot gevolg te hebben dat de officier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard ten aanzien van deze feiten. De raadsvrouw heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Verdachte dient vrijgesproken te worden van feit 2. Aangeefster [slachtoffer 1] heeft, naast aangifte van verkrachting, ook aangifte gedaan van afpersing van haar portemonnee, in ieder geval bevattende een pinpas, en pincode. Uit onderzoek naar de pinpas is gebleken dat deze op 25 april 1996 is geblokkeerd vanwege het gebruik van een foutieve pincode. De politie heeft kennelijk te laat onderzoek verricht naar deze gepoogde transactie. Het enige bewijsmiddel bij de vraag of er sprake is van afpersing, is de aangifte. De Hoge Raad heeft de regels omtrent bewijsminima in 2009 aangescherpt waardoor een tweede bewijsmiddel de verklaring van aangeefster niet alleen meer hoeft aan te vullen, maar ook voldoende moet ondersteunen. Dat verdachte door DNA-materiaal op de plaats delict kan worden geplaatst, levert wel voldoende steunbewijs op voor de verkrachting, maar niet voor de afpersing.

Verdachte dient ook partieel te worden vrijgesproken van het onder 5 ten laste gelegde, voor zover dit de beschuldiging betreft dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] door het feit zwaar lichamelijk letsel zijn toegebracht.

Het staat niet ter discussie dat iemand psychische klachten overhoudt aan een dergelijke gebeurtenis. Het Gerechtshof Den Bosch heeft echter overwogen dat dergelijke psychische klachten geen storing van de verstandelijke vermogens als bedoeld in artikel 82 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht opleveren, zodat dergelijke psychische klachten niet kunnen worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Nu verdachte vrijgesproken dient te worden van deze strafverzwarende omstandigheid, blijft alleen het gronddelict 'feitelijke aanranding van de eerbaarheid' over. Dit feit is reeds verjaard, zodat de officier van justitie ten aanzien van dit feit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.

De onder 7 primair ten laste gelegde diefstal met geweld kan niet bewezen worden, nu de aangeefsters hebben verklaard dat zij onder bedreiging van een mes gedwongen werden tot afgifte van hun geld. Deze feitelijke handelingen leveren geen diefstal met geweld, maar afpersing op.

Ten aanzien van feit 8 geldt, net zoals ten aanzien van feit 5, dat de psychische klachten die aangeefster [slachtoffer 6] heeft overgehouden aan de aanranding niet kunnen worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, zodat verdachte daarvan partieel vrijgesproken dient te worden. Ook ten aanzien van dit feit dient dit tot gevolg te hebben dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.

Subsidiair - voor het geval de rechtbank wel meent dat kan worden vastgesteld dat de psychische klachten kunnen worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel - is er onvoldoende steunbewijs voor de aanwezigheid en aard van het psychisch leed en de mate waarin het psychisch leed is veroorzaakt door het gebeuren in 1996. Een deskundigenrapport ter onderbouwing daarvan ontbreekt immers. Bij [slachtoffer 6] is er voor 1996 sprake geweest van seksueel misbruik. Ze heeft hier nooit hulp voor gezocht, maar heeft bij de rechter-commissaris gesteld dat ze denkt dat het wel nodig was geweest. Aannemelijk is dus dat het psychisch leed van [slachtoffer 6] mede is ontstaan door een eerdere traumatische ervaring, zodat het causale verband tussen dat leed en het handelen van verdachte ontbreekt, dan wel niet in voldoende mate kan worden vastgesteld. Ook om deze reden dient verdachte vrijgesproken te worden van deze strafverzwarende omstandigheid.

Net zoals ten aanzien van feit 2 geldt ook ten aanzien van feit 9 dat er onvoldoende steunbewijs is voor de ten laste gelegde diefstal, dan wel afpersing. [slachtoffer 6] heeft in haar aangifte verklaard dat de man, nadat hij haar verkracht had, haar portemonnee, met daarin haar pinpas, met bijbehorende pincode eiste. Uit onderzoek naar deze pinpas is gebleken dat er op 24 juli 1996 om 02:16 uur was getracht 1.000 gulden op te nemen. De pintransactie was echter niet gelukt. Ook bleek er anderhalf uur voor 02:16 uur en een uur na 02:16 uur te zijn gepind. Dat is op zich vreemd, want anderhalf uur voor 02:16 uur was de pas volgens aangeefster nog niet weggenomen. Er wordt geen melding gemaakt van beelden van de geldautomaat. De ten laste gelegde afpersing is dus alleen gebaseerd op de verklaring van aangeefster. De omstandigheid dat verdachte door DNA-materiaal op de plaats delict kan worden geplaatst, levert hiervoor onvoldoende steunbewijs op.

Ten slotte dient verdachte ook vrijgesproken te worden van de onder 10, 11 en 12 ten laste gelegde feiten omdat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van één modus operandi, waardoor deze feiten wel door dezelfde dader moeten zijn gepleegd als de feiten 1 t/m 9. In deze zaken is er - in tegenstelling tot de andere zaken - geen DNA-materiaal van verdachte aangetroffen in of op de aangeefsters of op de plaats delict. Het door de aangeefsters opgegeven signalement is ook zeer algemeen en dus onvoldoende redengevend om als bewijs te dienen. Bovendien hebben de aangeefsters en getuige [slachtoffer 8] verdachte tijdens een fosloconfrontatie niet aangewezen als de dader en zijn er verschillen tussen de in deze zaken opgegeven signalementen en de signalementen in de andere zaken. De modus operandi komt ook niet overeen. Immers, de andere feiten zijn allemaal 's nachts gepleegd, terwijl deze feiten op klaarlichte dag zijn gepleegd. In de andere zaken was er ook nog sprake van een beroving, terwijl de dader in deze zaken niet geïnteresseerd bleek in goederen van waarde. Hij heeft de door [slachtoffer 7] aangeboden handtas zelfs weggegooid. En voor wat betreft taalgebruik is er geen overeenkomst tussen de dader in deze zaken en de zaken waarin wel DNA-bewijs is. De politie twijfelt zelf ook over de modus operandi. Er lijkt behoorlijk meer geweld te zijn gebruikt tegen [slachtoffer 7] dan tegen de overige aangeefsters. Bovendien blijkt uit informatie van de politie dat er in 1996 kennelijk meer daders van zedenmisdrijven actief waren. Het is dus niet uit te sluiten dat een andere persoon deze feiten heeft gepleegd.

Ten aanzien van de onder 11 ten laste gelegde poging tot doodslag geldt daarnaast nog dat er geen technisch bewijs is waaruit blijkt dat er daadwerkelijk is geschoten. Ook verklaarde alleen [slachtoffer 8] in eerste instantie dat er gericht was geschoten, terwijl [slachtoffer 7] in eerste instantie verklaarde dat de dader in de lucht schoot. Ook daarom dient verdachte van dit feit vrijgesproken te worden.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Vrijspraak

Ten aanzien van het onder 7 primair ten laste gelegde:

De rechtbank acht het onder 7 primair ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan vrijgesproken dient te worden. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Uit de aangiftes van [slachtoffer 3], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] blijkt dat zij onder dwang van verdachte hun geld op tafel hebben gelegd, waarna verdachte dat geld heeft gepakt. Naar het oordeel van de rechtbank dienen deze feitelijke handelingen te worden gekwalificeerd als een afpersing, hetgeen onder 7 subsidiair ten laste is gelegd, en niet als de - kort gezegd - onder 7 primair ten laste gelegde diefstal met geweld.

Ten aanzien van het onder 10 t/m 12 ten laste gelegde:

De rechtbank acht de onder 10 t/m 12 ten laste gelegd feiten niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan vrijgesproken dient te worden. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Vooropgesteld dient te worden dat de rechtbank niet twijfelt aan de inhoud van de door aangeefsters [slachtoffer 7] en [slachtoffer 9] afgelegde verklaringen. De rechtbank gaat er vanuit dat de ten laste gelegde pogingen tot verkrachting en aanrandingen plaats hebben gevonden. Anders dan bij de onder 1 t/m 9 ten laste gelegd feiten, blijkt er echter geen directe betrokkenheid van verdachte bij deze feiten, zoals DNA-bewijs. Ook zijn er geen andere bewijsmiddelen die in de richting van verdachte wijzen. Er dient dus beoordeeld te worden of de opgegeven signalementen en de gebruikte modus operandi dusdanig specifiek zijn dat het buiten enige twijfel is dat ook deze feiten door verdachte gepleegd zijn.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat er zeker overeenkomsten zijn in de opgegeven signalementen en de gebruikte modus operandi. De rechtbank noemt daarbij in het bijzonder de huidskleur van de dader, het gebruik van een vuurwapen en een fiets en overeenkomsten met betrekking tot de door de dader gedragen kleding. Ook de gouden tand van de dader komt in meerdere zaken terug. De rechtbank constateert echter ook dat er verschillen zijn in de opgegeven signalementen, zoals de omstandigheid dat getuige [slachtoffer 8] heeft verklaard dat de dader een staartje had, terwijl aangeefster [slachtoffer 6], die - zoals blijkt uit hieronder weergegeven bewijsmiddelen - eerder op dezelfde dag is verkracht door verdachte, verklaart dat de dader kort kroeshaar had. Ook is het opvallend dat in de zaken 10 t/m 12 aanzienlijk meer geweld is gebruikt en dat deze feiten overdag zijn gepleegd terwijl alle andere feiten 's nachts zijn gepleegd. Bovendien zijn de feiten 10 en 11 niet in dezelfde buurt gepleegd als de andere feiten. Uit informatie van de politie blijkt daarnaast dat er in 1996 nog meer verkrachtingen zijn gepleegd in de Bijlmer, die op basis van bijvoorbeeld het signalement konden worden uitgesloten van de serie. De rechtbank dient er dus rekening mee te houden dat er in 1996 meerdere daders van zedenmisdrijven actief waren. Ten slotte hebben de aangeefsters en getuige [slachtoffer 8] verdachte niet herkend tijdens fosloconfrontaties. Dit acht de rechtbank op zichzelf niet verwonderlijk nu de fosloconfrontaties jaren later pas plaatsgevonden hebben, maar deze confrontaties leveren dus geen bewijs tegen verdachte op. Resumerend is de rechtbank van oordeel dat er zeker aanwijzingen zijn waaruit opgemaakt zou kunnen worden dat verdachte ook de feiten 10 t/m 12 heeft gepleegd, maar dat er - bij gebrek aan direct bewijs - te veel verschillen in de signalementen en de modus operandi zijn om te kunnen stellen dat het buiten enige twijfel is dat verdachte ook deze feiten heeft gepleegd. Om die reden wordt verdachte van deze feiten vrijgesproken.

4.3.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de hierna in samenvattende vorm weergegeven feiten en omstandigheden zoals vervat in de als voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde:

Op 24 april 1996 fietste [slachtoffer 1] in de Celebesstraat te Amsterdam. Vlak voor de kruising met de Valentijnkade dook er plotseling een man naast haar op. De man duwde haar van haar fiets af, waardoor ze hard op straat viel. De man pakte haar vast bij haar schouder en haalde een soort slagersbijl, zonder steel of handvat, uit zijn jaszak. Hij zei: "You must help me" en "I want to lick your pussie". Vervolgens rukte hij aan haar schouder en zei: "You go to these houses, otherwise I focking kill you". De man zwaaide met de bijl voor haar gezicht. Ze kon zich even losrukken, maar de man greep haar direct weer vast. Hij trok haar de bosjes in en zei: "Now I am focking kill you, I cut your leggs off, I cut your hand off". De man sleurde haar naar een metalen hek en dwong haar met de bijl over dat hekje te klimmen. Hij klom achter haar aan en dwong haar om haar kleding uit te trekken. De man duwde haar op de grond en begon met zijn tong aan haar vagina te likken. Vervolgens ging hij op haar borst zitten en dwong haar om hem te pijpen. Hij trok aan haar haren en duwde haar hoofd hard in de richting van zijn stijve penis. Ze heeft toen even zijn penis in haar mond moeten nemen. Even later duwde hij haar benen hard uit elkaar en stopte hij zijn penis in haar vagina. Hij zei toen: "I have no aids, I am gonna fuck you quickly". Zijn penis ging op en neer in haar vaginai.

De bij [slachtoffer 1] in beslag genomen zedenset heeft identiteitszegel ADQ518 gekregenii. Het DNA-profiel van verdachte is op 16 november 2007 opgenomen in de DNA-databank voor strafzaken en vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking zijn matches gevonden met een DNA-profiel van spermaspoor ADQ518. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljardiii.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

Nadat de penis van de man klein was geworden, stond hij op en zei hij: "Give me all the money you have". Hierop gaf [slachtoffer 1] hem haar portemonnee. De man haalde de bankpas van de ABN-AMRO uit de portemonnee en stak die in zijn zak. Hij pakte haar toen bij haar schouder en hield de scherpe kant van de bijl tegen haar keel. Toen zei hij: "Give me your pin-code otherwise I kill you". Ze heeft toen een verkeerde pincode genoemdiv. De man heeft ook de stadspas uit haar portemonnee weggenomenv. De pinpas van [slachtoffer 1] is op 25 april 1996 geblokkeerd vanwege het foutief intoetsen van een pincodevi.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

Op 20 mei 1996 is [slachtoffer 2] uit een bus gestapt op het Galileiplantsoen te Amsterdam. Ze vroeg een jongen de weg. Hij zei dat hij haar de weg zou wijzen dus ze liep met hem mee. Plotseling pakte de jongen haar bij haar schouder en arm en trok haar met kracht de bosjes in. Hij zei: "je moet me helpen". [slachtoffer 2] begon te gillen. Hierop gaf de jongen haar een klap in haar gezicht. Hij zei dat ze stil moest zijn en nam haar, terwijl hij haar nog steeds aan haar arm vasthield, verder mee de bosjes in. Hij zei toen ook dat hij pas uit de gevangenis gekomen was. Hij zei dat hij een pistool bij zich had en deed zijn hand in zijn binnenzak alsof hij het ging pakken. Hij zei meermalen dat ze moest doen wat hij zei, anders zou hij haar dood maken. Ook zei hij dat hij haar af zou maken. Toen zei hij: "Ik wil je kutje likken". Ze moest van de jongen op de grond gaan liggen. Hij zei dat ze haar broek uit moest doen. Hij trok haar broek en slipje tot onder aan haar benen naar beneden. Vervolgens kwam hij met zijn hoofd tussen haar benen liggen en begon haar met zijn tong rond en in haar vagina te likken. Daarna kwam hij met zijn lichaam boven op haar liggen en probeerde zijn penis in haar vagina te krijgen. Toen dat niet lukte, zei hij dat ze hem hiermee moest helpen. Ze moest zijn penis met haar hand begeleiden om hem in haar vagina te krijgen. Toen zat zijn penis wel enigszins in haar vagina. Hij maakte op en neer gaande bewegingen in haar vagina. Vervolgens wilde hij haar van achteren in haar vagina penetreren. Ook daarbij moest ze hem weer helpen om zijn penis in haar vagina te krijgen. Ook hierbij maakte hij op en neer gaande bewegingen in haar vagina. Vervolgens moest ze opnieuw op haar rug gaan liggen en kwam hij weer op haar liggen. Weer penetreerde hij haar vagina en weer maakte hij op en neer gaande bewegingen in haar vagina. Toen [slachtoffer 2] weg wilde lopen, zei hij dat ze niets mocht zeggen en dat ze niet naar de politie mocht gaan. De jongen heeft ook nog tegen haar gezegd dat hij haar wilden kussen en tongzoenen en dat hij haar borsten wilden voelen. Hij heeft haar borsten ook met zijn handen betastvii.

Onder [slachtoffer 2] is een damesonderbroek in beslag genomen. Deze heeft identiteitszegel ADQ531 gekregenviii. Het DNA-profiel van verdachte is op 16 november 2007 opgenomen in de DNA-databank voor strafzaken en vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking zijn matches gevonden met een DNA-profiel van spermaspoor ADQ531. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljardix.

Ten aanzien van het onder 4 t/m 6 en 7 subsidiair ten laste gelegde:

Op 10 juli 1996 kwamen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] om ongeveer 00:15 uur thuis in hun woning op de [A-straat nr] te Amsterdam, waar zij samen met [slachtoffer 4] woonden. Toen de deur open was, ging eerst [slachtoffer 5] naar binnen en daarna [slachtoffer 3]. Toen [slachtoffer 3] de deur bijna achter zich dicht had gedaan, duwde een man hem weer open. Hij stak zijn arm, met een mes in zijn hand, door de opening. Hij kwam de hal binnen. De man hield [slachtoffer 3] met zijn linkerhand bij haar keel en hield met zijn andere hand het mes op een afstand van 30 centimeter van haar gezicht. Vervolgens zei hij tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5]: "Niet gillen anders gaat zij eraan". Daarbij wees hij met de punt van het mes naar [slachtoffer 3]. Toen [slachtoffer 4] uit bed kwam, had de man [slachtoffer 3] nog vast. Ook had hij het mes nog in zijn rechterhand. De man zei toen tegen hen: "Naar binnen alledrie". De man heeft het snoer van de telefoon doorgesneden. Nadat [slachtoffer 3], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] hun geld op tafel hadden gelegd, zei de man: "En nu uitkleden allemaal" en "Dan kan ik straks sneller wegkomen, doe het nou maar". Ze trokken langzaam hun kleren uit. Terwijl ze dit deden, kwam de man steeds bij hen en wees met de punt van het mes naar hen. Daarbij zei hij: "Jij ook, jij ook". Op een gegeven moment waren ze alledrie naakt. Toen wees de man met het mes naar een plek op de grond, waar ze alledrie moesten gaan liggen. Toen ze eerst gingen zitten op de aangegeven plek, zei hij: "liggen, liggen". Op een gegeven moment lagen ze alledrie naast elkaar op de grond. De man keek naar [slachtoffer 3] en zei: "Ik begin bij jou". Direct hierna knoopte hij zijn gulp open. Toen [slachtoffer 3] haar benen niet uit elkaar deed zei hij: "Als je even meewerkt, dan hoeven er ook geen gewonden te vallen". Hij ging tussen haar benen zitten en duwde haar benen uit elkaar. Hij zei steeds: "Benen wijd, benen wijd". Tegen de andere meisjes zei hij: "Niet gillen, niet gillen". Terwijl hij tussen de benen van [slachtoffer 3] lag, pakte hij haar handen en duwde deze op zijn penis. Ze moest zijn penis bij haar naar binnen duwen in haar vagina. Hij zei: "Doe hem erin, doe hem erin" en "Wat is hij groot he". Ook zei hij: "Ja, en hij gaat veel dieper en dat gaat pijn doen". Terwijl [slachtoffer 3] met hem praatte, had hij zijn stijve penis in haar vagina geduwd en maakte hij op en neer gaande bewegingen. Ze moest eerst met haar handen zijn stijve penis in haar vagina duwen. Terwijl de man haar verkrachtte, hield hij het mes bijna tegen het gezicht van [slachtoffer 5] aan. Hij deed het mes steeds in en uit met een knopjex.

De bij [slachtoffer 3] in beslag genomen zedenset heeft identiteitszegel ADQ648 gekregenxi. Van het DNA in de bemonstering (ADQ648) uit de onderzoeksset zedendelicten van [slachtoffer 3] zijn DNA-mengprofielen verkregen. Uit de DNA-mengprofielen is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man van wie het celmateriaal prominent in de bemonstering aanwezig was. Dit DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met het afgeleide DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljardxii.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde:

Ongeveer 2 à 3 jaar na het voorval heeft [slachtoffer 3] psychiatrische hulp gezocht. Er is bij haar een post traumatische stress-stoornis gediagnosticeerd. Ze voelde zich thuis onveiligxiii. Af en toe kan ze aanrakingen niet velen. Ook kan ze haar eigen lichaam soms niet velen en vindt ze zichzelf vies. Na de verkrachting kon ze zich niet meer concentreren op haar studie. Pas in 2008 heeft ze haar studie weer opgepakt en afgemaaktxiv.

Door de jaren heen heeft [slachtoffer 5] meerdere keren een gesprek met een psycholoog gehad. Ze heeft zich heel erg schuldig gevoeld. Ze had ook last van aanrakingen op het seksuele vlak. Ze heeft heel lang nachtmerries gehad. Haar zelfvertrouwen en zelfbeeld zijn beschadigd. Ook heeft ze nog steeds last van flashbacksxv. [slachtoffer 5] is in verband met psychische problemen doorverwezen voor psychologische hulpxvi. Bij de afdeling psychiatrie van het AMC is een post traumatisch stressbeeld bij [slachtoffer 5] geconstateerd. Daarom zijn gesprekken aangeboden die psycho-educatief en integrerend van aard kunnen zijnxvii.

[slachtoffer 4] heeft ten aanzien van de ontstane situatie aangegeven dat zij door de dader bedreigd is met een mes en dat de dader zinnen uitsprak, waaruit zij het angstige gevoel had dat hij haar zou gaan verkrachten, verwonden of zelfs zou gaan dodenxviii.

Ten aanzien van het onder 6 en 7 subsidiair ten laste gelegde:

Nadat de man het telefoonsnoer had doorgesneden, zei hij, zwaaiend met zijn mes: "En nu allemaal je geld op tafel". Hierop haalden [slachtoffer 3], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] het geld uit hun portemonnees. Er lag toen ongeveer 30 gulden op tafel. Nadat de man klaar was gekomen, is hij weggegaan. Toen de man weg was, was het geld ook wegxix.

Ten aanzien van het onder 8 en 9 ten laste gelegde:

Op 24 juli 1996 omstreeks 02:15 uur kwam [slachtoffer 6] totaal overstuur binnen bij [melder]xx. [slachtoffer 6] verklaarde dat ze om 01:10 uur naar de Von Zesenstraat te Amsterdam was gefietst. Toen ze daar aankwam, merkte ze dat er een man achter haar stond. Deze man sprak haar aan en liet een pistool zien. Hij zei: "Fiets met me mee dan gebeurt je niets". [slachtoffer 6] is met hem meegefietst door het Oosterpark en over de Beukenweg en het Beukenplein. Op de Polderweg moest ze van de man over een grasveldje fietsen en toen de bosjes in. Daar moest zij zich toen geheel ontkleden. Dit gebeurde nog steeds onder bedreiging van het pistool. [slachtoffer 6] kleedde zich uit. De man deed zijn broek en onderbroek naar beneden. [slachtoffer 6] moest op de grond gaan liggen en haar benen omhoog doen. De man kwam voor haar zitten. Ze moest hem met haar handen helpen om zijn penis in haar vagina te krijgen. Toen dit was gelukt, kwam de man boven op haar liggen en maakte hij op en neer gaande bewegingen in haar. Hij penetreerde haar volledig met zijn penis. Vervolgens begon hij haar vagina te likken en penetreerde hij ook met zijn tong haar vagina. Vervolgens moest ze hem pijpen. Ze probeerde zijn penis in haar mond te nemen, maar dit lukte niet. Vervolgens moest ze weer gaan liggen. De man penetreerde haar toen weer van achteren in haar vagina en maakte opnieuw heen en weer gaande bewegingen. Hierna probeerde hij zijn penis in haar anus te krijgen. Dit lukte een klein beetje. Nadat hij daarmee was gestopt, deed hij zijn penis weer van achteren in haar vagina. Hierna heeft hij haar nogmaals gebeft en nogmaals zijn penis in haar vagina gedaanxxi.

De bij [slachtoffer 6] in beslag genomen zedenset heeft identiteitszegel ADQ533 gekregenxxii. Van het DNA in de bemonstering (ADQ533) uit de onderzoeksset zedendelicten zijn DNA-mengprofielen verkregen. Het afgeleide DNA-hoofdprofiel van een man matcht met het DNA-profiel van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met het afgeleide DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljardxxiii.

Ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde:

[slachtoffer 6] is in therapie geweest om het misdrijf te verwerken. In het begin volgde ze dagelijks intensieve therapie. Dit liep naar mate de jaren vorderden terug. De therapie was met name gericht op het terugwinnen van haar zelfbeeld. Ze is bij haar werk weggegaan omdat ze overspannen is geraakt. Ze heeft moeite met zichzelf, ze heeft zichzelf verafschuwd. Het eerste jaar durfde ze de straat niet op. Ze heeft er heel lang over gedaan om zelfvertrouwen te krijgen. Ze denkt dat haar zelfbeeld lager is dan die van een ander. In het donker voelt ze zich op straat niet veilig. Ze kan haar concentratie niet lang vasthouden. Ook is ze erg onzeker over haar lichaamxxiv. Volgens haar moeder is [slachtoffer 6] veel angstiger gewordenxxv.

Ten aanzien van het onder 9 ten laste gelegde:

Nadat de man haar had verkracht, vroeg hij aan [slachtoffer 6] of ze geld bij zich had. [slachtoffer 6] pakte haar portemonnee en haalde daar geld uit. Ze bood de man het geld aan. Hij pakte het geld aan en nam vervolgens de portemonnee uit de handen van [slachtoffer 6]. In de portemonnee zat ook een pas van de Postbank. De man vroeg haar om de pincode. Hierop heeft [slachtoffer 6] een verkeerde pincode opgegevenxxvi. Op 24 juli 1996 om 02:16 uur is er getracht geld op te nemen met de als vermist opgegeven giropas. Die poging is misluktxxvii.

4.3.3. Nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank acht namelijk voldoende steunbewijs aanwezig voor de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] dat de dader haar - na de verkrachting - heeft afgeperst. Haar verklaring, dat zij een foutieve pincode aan de dader heeft opgegeven, wordt immers ondersteund door de omstandigheid dat haar pinpas op 25 april 1996, dus een dag na het voorval, is geblokkeerd als gevolg van het invoeren van een foutieve pincode. Nu verdachte als gevolg van het aantreffen van zijn DNA bij het slachtoffer veroordeeld wordt voor verkrachting en aangeefster heeft verklaard dat de persoon die haar afgeperst heeft dezelfde persoon is als de persoon die haar verkracht heeft, staat in voldoende mate vast dat verdachte zich na de verkrachting schuldig heeft gemaakt aan afpersing.

Ten aanzien van het onder 5 en 8 ten laste gelegde:

Onder 5 en 8 is ten laste gelegd dat aangeefsters [slachtoffer 3], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen als gevolg van de aanranding door verdachte. Dit letsel is in de tenlastelegging nader uitgewerkt door de weergave van psychische klachten die zij als gevolg van deze feiten zouden hebben gehad. De rechtbank constateert dat de verdediging niet heeft betwist dat de door de aangeefsters genoemde klachten hebben bestaan, dan wel nog steeds bestaan. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke zedenmisdrijven daar ernstige psychische klachten aan overhouden. Dit wordt bevestigd door een omschrijving van de gevolgen van aanranding en verkrachting op de website van de Stichting Korrelatie, zoals door de officier van justitie weergegeven in haar schriftelijke requisitoir. De rechtbank acht de verklaringen van de aangeefsters over hun klachten betrouwbaar en gaat er derhalve vanuit dat de aangeefsters deze klachten hebben en/of hebben gehad.

De verdediging heeft betwist dat de genoemde klachten kunnen worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht bevat een opsomming van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Dit artikel laat de rechter de vrijheid om daarbuiten ook andere gevallen als zwaar lichamelijk letsel te beschouwen indien dat letsel voldoende ernstig is om naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel te worden aangemerkt. Uit de verklaringen van de aangeefsters blijkt dat zij allen professionele hulp hebben gezocht ter behandeling van hun psychische klachten. Bovendien blijkt uit hun verklaringen dat deze psychische klachten zeer ingrijpend, alsmede langdurig van aard zijn en vaak zelfs nog steeds aanwezig zijn. Ook zijn deze psychische klachten dermate ernstig (geweest) dat het dagelijks leven van de aangeefsters daardoor blijvend en ingrijpend is beïnvloed, doordat deze psychische klachten de aangeefsters bijvoorbeeld onder meer belemmerden in hun seksualiteit en in de mogelijkheid om een goede uitvoering te geven aan hun studie of hun werk. De rechtbank is dus van oordeel dat dergelijke klachten naar algemeen spraakgebruik zullen worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

De verdediging heeft daarnaast betoogd dat het causale verband tussen de psychische klachten van [slachtoffer 6] en de aanranding niet kan worden vastgesteld nu [slachtoffer 6] volgens haar eigen verklaring vóór 1996 slachtoffer is geweest van seksueel misbruik, zodat die psychische klachten ook het gevolg kunnen zijn van een andere gebeurtenis dan de verkrachting op 24 juli 1996. Dat een deskundigenrapport ter onderbouwing van de aanwezigheid en de aard van het psychisch leed en de mate waarin dat is veroorzaakt door het gebeuren in 1996 ontbreekt, levert voor de rechtbank geen aanleiding op om te twijfelen aan het causale verband tussen de psychische klachten van [slachtoffer 6] en de verkrachting in 1996. [slachtoffer 6] heeft hier zelf over verklaard dat alles door de verkrachting en aanranding is veranderd. Ook haar moeder geeft in haar verklaring uit 2010 een duidelijk verschil aan tussen het gedrag van haar dochter vóór het feit en het gedrag daarna. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het causale verband tussen de aanranding en de psychische klachten van [slachtoffer 6] voldoende vaststaat.

De rechtbank is aldus van oordeel dat [slachtoffer 3], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen ten gevolge van de aanranding door verdachte. Daarbij tekent de rechtbank nog aan dat de aanranding weliswaar niet exact dezelfde handelingen omvat als de verkrachting, maar dat dat niet afdoet aan het gevolg van zwaar lichamelijk letsel. Bij de aanranding van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 3] is namelijk bewezen dat dit is gebeurd door het onder meer houden van een mes bij de gezichten van [slachtoffer 3] en van [slachtoffer 5] en door het dwingen tot uitkleden en naakt op de grond gaan liggen en door het op [slachtoffer 3] gaan liggen met open broek en door erbij te zeggen "doe hem er in" etc. en door het doorsnijden van de telefoondraad. Deze handelingen zijn op zichzelf al zodanig ernstig dreigend en onterend dat ook deze handelingen het zwaar lichamelijk letsel in de vorm van ernstig psychisch leed tot gevolg hebben gehad.

Deze redenering geldt tevens voor [slachtoffer 6] nu de aanrandingshandelingen - naast de verkrachting - tevens hebben bestaan uit het met een vuurwapen dreigen, het dwingen zich uit te kleden en het likken van haar vagina met zijn tong.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat er bij het onder 5 ten laste gelegde levensgevaar te duchten was voor een ander. Verdachte heeft tegen [slachtoffer 3], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] gezegd dat ze niet mochten gillen omdat anders [slachtoffer 3] eraan zou gaan. Hierbij wees hij met een mes naar [slachtoffer 3]. Daarnaast hield hij het mes, terwijl hij [slachtoffer 3] verkrachtte, in de buurt van het gezicht van [slachtoffer 5] en klapte hij het wapen steeds in en uit. Onder voornoemde omstandigheden was er bij [slachtoffer 3], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] een gerechtvaardigde vrees dat hun levens in gevaar waren als zij niet mee zouden werken.

Nu de rechtbank de strafverzwarende omstandigheden bij de onder 5 en 8 ten laste gelegde aanrandingen bewezen acht, geldt ten aanzien van deze feiten een maximale strafbedreiging van twaalf jaren gevangenisstraf. Zoals in rubriek 3 is opgemerkt geldt ten aanzien van deze feiten een verjaringstermijn van twintig jaren. De ten laste gelegde feiten zijn dus niet verjaard.

Ten aanzien van het onder 7 subsidiair en 9 ten laste gelegde:

De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat het zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 3], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] mede het gevolg is van de onder 7 subsidiair en 9 ten laste gelegde vermogensdelicten. Naar het oordeel van de rechtbank is dit zwaar lichamelijk letsel het gevolg van de aanrandingen door verdachte, zoals onder 5 en 8 ten laste is gelegd. Dit blijkt uit de verklaringen van de slachtoffers. Het is niet aannemelijk geworden dat de psychische klachten (mede) het gevolg zijn van de vermogensdelicten.

Ten aanzien van het onder 9 ten laste gelegde:

Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat het onder 9 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank acht namelijk voldoende steunbewijs aanwezig voor de verklaring van aangeefster [slachtoffer 6] dat de dader - na de verkrachting - geld en goederen van haar heeft afgenomen. Haar verklaring, dat zij een foutieve pincode aan de dader heeft opgegeven, wordt immers ondersteund door de omstandigheid dat er op 24 juli 1996 om 02:16 uur, dus kort na het voorval, is geprobeerd om geld op te nemen met de giropas, maar dat dit is mislukt. [slachtoffer 6] kan dit niet hebben gedaan omdat zij op dat moment binnen was bij melder [melder]. Nu verdachte als gevolg van het aantreffen van zijn DNA bij het slachtoffer veroordeeld kan worden voor verkrachting en aanranding en aangeefster heeft verklaard dat de persoon die het geld en de goederen van haar heeft afgenomen dezelfde persoon is als de persoon die haar verkracht heeft, kan verdachte dus ook hiervoor worden veroordeeld.

[slachtoffer 6] heeft verklaard dat zij het geld uit de portemonnee heeft gehaald en aan de dader heeft gegeven. De rechtbank kwalificeert deze handeling als een afpersing. [slachtoffer 6] heeft daarnaast verklaard dat de dader, nadat zij hem het geld had gegeven, de portemonnee, met daarin de giropas, uit haar handen heeft gepakt. De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen als - kort gezegd - een diefstal met geweld dienen te worden gekwalificeerd.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen bewezen

* het onder 1 ten laste gelegde, te weten dat verdachte

op 24 april 1996 te Amsterdam door geweld en door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte,

- die [slachtoffer 1] van een fiets geduwd waardoor die [slachtoffer 1] kwam te vallen en

- die [slachtoffer 1] meermalen vastgepakt en vastgehouden en

- een deel van een bijl aan die [slachtoffer 1] voorgehouden en

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd: "I want to lick your pussie" en "You go to these houses, otherwise I focking kill you" en "Now I am focking kill you, I cut your leggs off, I cut your hand off" en "I have no aids, I am gonna fuck you quickly" en

- die [slachtoffer 1] de bosjes ingetrokken en naar een hekwerk gesleurd en

- die [slachtoffer 1] onder bedreiging van een deel van een bijl gedwongen over een hekwerk te klimmen en gedwongen haar kleding uit te trekken en

- die [slachtoffer 1] op de grond geduwd en

- met zijn, verdachte's, tong aan de vagina van die [slachtoffer 1] gelikt en

is hij, verdachte, op de borst van die [slachtoffer 1] gaan zitten en heeft hij, verdachte,

- aan de haren van die [slachtoffer 1] getrokken en

- haar hoofd in de richting van zijn penis geduwd en die [slachtoffer 1] op voornoemde wijze gedwongen verdachte's, penis in haar mond te nemen en

- met kracht de benen van die [slachtoffer 1] uit elkaar geduwd en

- zijn, verdachte's, penis in de vagina van die [slachtoffer 1] gestopt en op en neer bewogen;

* het onder 2 ten laste gelegde, te weten dat verdachte

op 24 april 1996 te Amsterdam aan de openbare weg, de Celebesstraat, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee, inhoudende een bankpasje en een stadspas, toebehorende aan die [slachtoffer 1], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, toen en nadat hij, verdachte, het feit had gepleegd en het geweld had toegepast op die [slachtoffer 1], zoals omschreven in feit 1 van de tenlastelegging

opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: "Give me all the money you have" en "Give me your pin-code otherwise I kill you";

* het onder 3 ten laste gelegde, te weten dat verdachte

op 20 mei 1996 te Amsterdam door geweld en door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte,

- die [slachtoffer 2] bij de schouder en arm vastgepakt en vastgehouden en de bosjes ingetrokken en

- die [slachtoffer 2] in diens gezicht geslagen en

- tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat zij stil moest zijn en dat hij net uit de gevangenis was gekomen en dat hij haar zou vermoorden en dat hij een pistool had, waarbij hij, verdachte, zijn hand in zijn binnenzak stopte, en heeft hij, verdachte, tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat hij haar kutje wilde likken en dat zij op de grond moest gaan liggen en haar broek moest uitdoen en dat hij haar wilde kussen en haar borsten wilde voelen en dat zij zijn penis in haar vagina moest stoppen en dat zij niets mocht zeggen en niet naar de politie mocht gaan en

- de broek van die [slachtoffer 2] naar beneden getrokken en

- de borsten van die [slachtoffer 2] betast en

- met zijn, verdachte's, tong tegen en in de vagina van die [slachtoffer 2] gelikt en

- meermalen zijn, verdachte's, penis in de vagina van die [slachtoffer 2] gestopt en op en neer bewogen;

* het onder 4 ten laste gelegde, te weten dat verdachte

op 10 juli 1996 te Amsterdam door geweld en door bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers is hij, verdachte, in de nachtelijke uren in de woning, alwaar die [slachtoffer 3] met anderen wilde gaan en aanwezig was, binnen gedrongen en heeft hij, verdachte,

- een mes aan die [slachtoffer 3] voorgehouden en gehouden bij het gezicht van die [slachtoffer 3] en

- die [slachtoffer 3] vastgepakt en vastgehouden en

- tegen en in tegenwoordigheid van die [slachtoffer 3] en die anderen gezegd: "Niet gillen anders gaat zij eraan", daarbij wijzende naar die [slachtoffer 3] en "En nu uitkleden allemaal, jij ook, ik begin bij jou, liggen" en

- de telefoondraad doorgesneden en

- zijn, verdachte's, broek open gedaan en

is hij, verdachte, tussen de benen van die [slachtoffer 3] gaan zitten en liggen en

heeft hij, verdachte, de hand van die [slachtoffer 3] naar zijn, verdachte's, penis gebracht en tegen die [slachtoffer 3] gezegd: "Doe hem erin, wat is hij groot, he, hij gaat veel dieper en dat gaat pijn doen" en "Als je even meewerkt dan hoeven er geen gewonden te vallen" en

heeft hij, verdachte, zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 3] geduwd en heen en weer bewogen en daarbij het mes steeds in en uit gedaan;

* het onder 5 ten laste gelegde, te weten dat verdachte

op 10 juli 1996 te Amsterdam door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot het plegen en dulden van ontuchtige handelingen, immers is hij, verdachte, in de nachtelijke uren in de woning, alwaar die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] wilden gaan en/of aanwezig waren, binnen gedrongen en

heeft hij, verdachte,

- een mes aan die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] voorgehouden en gehouden bij het gezicht van die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 5] en

- tegen en in tegenwoordigheid van die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] gezegd: "Niet gillen anders gaat zij eraan", daarbij wijzende naar die [slachtoffer 3] en "En nu uitkleden allemaal, jij ook, ik begin bij jou, liggen" en "Naar binnen alledrie" en

- de telefoondraad doorgesneden en

- die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] gedwongen om in één kamer te gaan en om naakt op de grond te gaan liggen en

- zijn, verdachte's, broek open gedaan en

is hij verdachte, tussen de benen van die [slachtoffer 3] gaan zitten en liggen en

heeft hij, verdachte, de hand van die [slachtoffer 3] naar zijn, verdachte's, penis gebracht en tegen die [slachtoffer 3] gezegd: "Doe hem erin, wat is hij groot, he, hij gaat veel dieper en dat gaat pijn doen" en "Als je even meewerkt dan hoeven er geen gewonden te vallen",

welk voornoemd feit zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 3] ten gevolge heeft gehad, bestaande het zwaar lichamelijk letsel uit: over een periode van jaren een Post Traumatische Stress Stoornis en voortdurende angst van onveiligheid en angst om aangeraakt te worden en het eigen lichaam en zichzelf vies vinden en concentratieverlies waarvoor psychiatrische hulp noodzakelijk werd

en

welk voornoemd feit zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 5] ten gevolge heeft gehad, bestaande het zwaar lichamelijk letsel uit: over een periode van jaren een voortdurend schuldgevoel en angst om aangeraakt te worden en nachtmerries, beschadigd zelfvertrouwen en zelfbeeld en flashbacks waarvoor psychologische hulp noodzakelijk werd

en

voor welk voornoemd omschreven feit levensgevaar voor een ander te duchten was;

* het onder 6 ten laste gelegde, te weten dat verdachte

op 10 juli 1996 te Amsterdam opzettelijk personen, genaamd [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met het oogmerk anderen, te weten die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5], te dwingen iets te doen of niet te doen, immers

is hij, verdachte, in de nachtelijke uren in de woning, alwaar die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] wilden gaan en/of aanwezig waren, binnen gedrongen en

heeft hij, verdachte,

- een mes aan die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] voorgehouden en gehouden bij het gezicht van die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 5] en

- tegen en in tegenwoordigheid van die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] gezegd: "Niet gillen anders gaat zij eraan", daarbij wijzende naar die [slachtoffer 3] en "En nu uitkleden allemaal, jij ook, ik begin bij jou, liggen" en "Naar binnen alledrie" en

- de telefoondraad doorgesneden en

- die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] gedwongen om hun geld op tafel te leggen en

- die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] gedwongen om in één kamer te gaan en om naakt op de grond te gaan liggen, waarna hij, verdachte, zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 3] heeft gestopt en heen en weer bewogen, en daarbij een mes meermalen heeft in- en uitgeklapt en gehouden ter hoogte van [slachtoffer 5];

*

het onder 7 subsidiair ten laste gelegde, te weten dat verdachte

op 10 juli 1996 te Amsterdam omstreeks 00.15 uur in een woning gelegen aan de [A-straat nr], met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer 30 gulden, toebehorende aan die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, opzettelijk gewelddadig en dreigend in voornoemde woning

- een mes aan die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] heeft voorgehouden en gehouden bij het gezicht en lichaam van die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 5] en

- die [slachtoffer 3] heeft vastgepakt en vastgehouden en

- tegen en in tegenwoordigheid van die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] heeft gezegd: "Niet gillen anders gaat zij eraan", daarbij wijzende naar die [slachtoffer 3] en "Leg al jullie geld op tafel" en "En nu uitkleden allemaal, jij ook, ik begin bij jou, liggen" en

- de telefoondraad doorgesneden en

- het geweld heeft toegepast zoals omschreven in voornoemde feiten 4 en 5 en 6 van de tenlastelegging, te weten de gijzeling en aanranding van die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] en de verkrachting van die [slachtoffer 3];

* het onder 8 ten laste gelegde, te weten dat verdachte

op 24 juli 1996 te Amsterdam door geweld en door bedreiging met geweld [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte,

- die [slachtoffer 6] een vuurwapen voorgehouden en

- die [slachtoffer 6], onder bedreiging van een vuurwapen, gedwongen met hem, verdachte, mee te fietsen naar een afgelegen plek en

onder bedreiging van een vuurwapen

- tegen die [slachtoffer 6] gezegd dat zij zich moest uitkleden en

- zijn, verdachte's, penis in de vagina en anus van die [slachtoffer 6] gestopt en heen en weer bewogen en

- zijn, verdachte's, tong in de vagina van die [slachtoffer 6] gestopt;

en

op 24 juli 1996 te Amsterdam door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot het plegen en dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte,

- die [slachtoffer 6] een vuurwapen voorgehouden en

- die [slachtoffer 6], onder bedreiging van een vuurwapen, gedwongen met hem, verdachte, mee te fietsen naar een afgelegen plek en

onder bedreiging van een vuurwapen

- tegen die [slachtoffer 6] gezegd dat zij zich moest uitkleden en

- de hand van die [slachtoffer 6] naar en tegen zijn, verdachte's, penis gebracht en

- zijn, verdachte's, penis tegen de vagina en mond en anus van die [slachtoffer 6] gebracht en

- met zijn, verdachte's, tong de vagina van die [slachtoffer 6] gelikt

welk voornoemd feit zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 6] ten gevolge heeft gehad, bestaande het zwaar lichamelijk letsel uit: over een periode van jaren overspannenheid en een laag zelfbeeld hebben, zich onveilig voelen, gebrek aan concentratie, beschadigd zelfvertrouwen en zelfbeeld waarvoor therapie noodzakelijk werd;

* het onder 9 ten laste gelegde, te weten dat verdachte

op 24 juli 1996 te Amsterdam op de openbare wegen, het Oosterpark en de Beukenweg en het Beukenplein en de Polderweg, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan die [slachtoffer 6], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, opzettelijk gewelddadig en dreigend

- die [slachtoffer 6] een vuurwapen heeft voorgehouden en

- die [slachtoffer 6], onder bedreiging van een vuurwapen, heeft gedwongen met hem, verdachte, mee te fietsen en

onder bedreiging van een vuurwapen

- tegen die [slachtoffer 6] heeft gezegd dat zij zich moest uitkleden en

- tegen die [slachtoffer 6] het geweld heeft toegepast, zoals omschreven in feit 8 van de tenlastelegging, namelijk die [slachtoffer 6] heeft verkracht en aangerand en

- die [slachtoffer 6] om geld heeft gevraagd;

en

op 24 juli 1996 te Amsterdam op de openbare wegen, het Oosterpark en de Beukenweg en het Beukenplein en de Polderweg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee en een giropas, toebehorende aan [slachtoffer 6], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 6], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, opzettelijk gewelddadig en dreigend

- die [slachtoffer 6] een vuurwapen heeft voorgehouden en

- die [slachtoffer 6], onder bedreiging van een vuurwapen, heeft gedwongen met hem, verdachte, mee te fietsen en

onder bedreiging van een vuurwapen

- tegen die [slachtoffer 6] heeft gezegd dat zij zich moest uitkleden en

- tegen die [slachtoffer 6] het geweld heeft toegepast, zoals omschreven in feit 8 van de tenlastelegging, namelijk die [slachtoffer 6] heeft verkracht en aangerand en

- die [slachtoffer 6] om geld heeft gevraagd waarna hij, verdachte, voornoemde goederen van die [slachtoffer 6] heeft weggenomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

7.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft betoogd dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Zij heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft niet meegewerkt aan de rapportages van deskundigen van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: NIFP) over zijn persoonlijkheid en de vraag of de ten laste gelegde feiten aan hem toe te rekenen zijn. Daarom is verdachte ter observatie opgenomen in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC). Ook hieraan heeft verdachte niet willen meewerken. In de rapporten van de psychiater van het NIFP en het PBC is echter ruim aandacht besteed aan rapporten die eerder over verdachte zijn uitgebracht, waaronder een rapportage van het PBC uit 2003 en twee rapporten van psychologe De Bil uit 1995. Het onderzoek uit 1995 is lang geleden, maar de informatie in die rapporten dateert uit een periode niet lang voor het plegen van de feiten die aan de orde zijn.

Uit de rapportage van het PBC blijkt dat het mogelijk is dat bij verdachte nog steeds sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Ook kan er uit worden afgeleid dat niet uit te sluiten is dat de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte tijdens het plegen van de ten laste gelegde feiten van enige invloed is geweest op zijn handelen.

In 2003 is door het PBC een antisociale persoonlijkheidsstoornis vastgesteld. Als gevolg daarvan is verdachte destijds door het PBC als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd. In de twee rapportages uit 1995 oordeelt de psychologe De Bil dat de persoonlijkheid van verdachte twee kanten heeft: enerzijds heel rustig en beheerst, anderzijds is er sprake van spanningen, waardoor het volgens haar goed mogelijk is dat er sprake zal zijn van impulsieve uitbarstingen. Zij geeft in haar rapport uit februari 1995 aan dat er bij verdachte sprake is van een sterke spanningsbehoefte, waarbij hij gevoelig kan zijn voor vormen van stimulatie als alcohol, drugs of ongeremd seksueel gedrag. In haar tweede rapportage uit juli 1995 constateert zij een verdieping en verharding van de problematiek. Volgens haar is er kans op ontremmingsverschijnselen en impulsieve uitbarstingen.

Uiteindelijk beslissen niet de deskundigen, maar de rechtbank op grond van alle haar ter beschikking staande feiten of er sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens waardoor de feiten geheel of ten dele niet aan de verdachte zijn toe te rekenen. In de jurisprudentie zijn voorbeelden te vinden waarbij dat ook is gebeurdxxviii. Voorwaarde daarbij is dat rapportages uit het verleden voorhanden zijn. Dat is in deze zaak het geval. Het is, gezien de ernstige feiten, het zich daarin herhalende grensoverschrijdende gedrag van verdachte en de inhoud van de aangehaalde rapportages uit het verleden en het rapport van het PBC van 24 februari 2011, verantwoord om in deze zaak vast te stellen dat de antisociale persoonlijkheidsstoornis nog bestaat. Die stoornis is aan te merken als een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Het is, gezien de inhoud van de rapportages uit 1995, verantwoord om te stellen dat deze stoornis ook tijdens het plegen van de feiten aanwezig was. Het is logisch om ter zake van de mate van toerekeningsvatbaarheid aan te sluiten bij de conclusie van het PBC uit 2003, nu de psychiater, die ter terechtzitting als deskundige is gehoord, heeft aangegeven dat een persoonlijkheidsstoornis in beginsel niet te genezen is.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat niet vastgesteld kan worden dat er bij verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van een stoornis. Voor het geval deze al aanwezig was, dan kan zijn handelen hem volledig toegerekend worden. De raadsvrouw heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

In 1995 heeft psychologe De Bil verdachte twee keer onderzocht. Volgens haar was er wel sprake van persoonlijkheidsproblematiek, maar er is toen geen diagnose gesteld. Uit het rapport van het PBC van februari 2003 blijkt dat er bij verdachte een antisociale persoonlijkheidsstoornis is vastgesteld met een lacunaire gewetensfunctie. Het PBC kan het ontstaan van de persoonlijkheidsstoornis niet precies aangeven. In 2003 is niet geadviseerd tot behandeling in een strafrechtelijk kader omdat er een gering causaal verband was tussen de antisociale persoonlijkheidsstoornis en het gepleegde feit, waardoor geen uitspraak mogelijk was over de recidivekans op grond van de stoornis.

Psychiater Gerritsen concludeert in 2010 dat er op grond van de beschikbare stukken nu niet (meer) is vast te stellen of verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde leed aan een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Er worden in de stukken geen uitspraken gedaan over problemen in de agressieregulatie. Evenmin komen er gegevens naar voren die wijzen in de richting van stoornissen in de seksualiteit, dan wel seksueel grensoverschrijdend gedrag.

In het rapport van het PBC uit 2011 heeft psycholoog Schilperoord geconcludeerd dat de in 2003 vastgestelde antisociale persoonlijkheidsstoornis goed voorstelbaar is. Anderzijds stelt hij dat er ook in 2003 relatief weinig bekend is geworden over psychische functies als agressieregulatie, impulscontrole, hechting en relationele vaardigheden. Over het strafblad van verdachte concludeert hij dat niet voldoende bekend is of de delicten voortvloeien uit een psychische stoornis of een andere oorzaak. Ten slotte stelt hij ook dat niet te zeggen is of er in 1996 al sprake was van een (zich ontwikkelende) persoonlijkheidsstoornis. Psychiater Grochowska komt tot dezelfde conclusie. Ook op grond van het rapport van het PBC uit 2003 kan niet worden vastgesteld dat er al in 1996 sprake was van een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

Ook wordt in het rapport van het PBC uit 2011 geconcludeerd dat àls de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte in 1996 al aanwezig was en àls die al van enige invloed is geweest op zijn handelen, deze invloed dan naar alle waarschijnlijkheid te gering is geweest om tot een vermindering van de toerekenbaarheid te komen.

Er zijn duidelijke verschillen met de zaak [persoon 1], die de officier van justitie aanhaalt als een zaak waarin TBS is opgelegd terwijl geen daadwerkelijke stoornis werd vastgesteld door de deskundigen. Het Gerechtshof Arnhem heeft in die zaak namelijk overwogen dat er vele aanwijzingen te putten waren uit het dossier over de psychische gesteldheid van de verdachte vóór en vlak na het delict. Over de persoon van onderhavige verdachte in 1996 is echter zeer weinig bekend. In die periode is er nimmer een stoornis vastgesteld. In deze zaak zijn er dan ook geen, dan wel onvoldoende, aanknopingspunten te vinden die duidelijkheid verschaffen over de psychische gesteldheid van verdachte in 1996. Sterker nog, uit de aangiften blijkt niet van een verwarde man.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van de rapportages van psychologe De Bil kan geconcludeerd worden dat er in 1996 al problemen waren op het gebied van de persoonlijkheid van verdachte. Zij signaleert tussen februari en juli 1995 ook een verharding en adviseert een klinische behandeling. In haar rapporten wordt echter nog geen persoonlijkheidsstoornis gediagnosticeerd. Het eerste rapport waarin na 1996 iets over de persoonlijkheid wordt gesteld, is het rapport van het PBC van 6 februari 2003, opgemaakt door psycholoog J.P.M. Hent en arts-assistent psychiatrie E.A. Boorsma. De rechtbank ontleent aan dit rapport - zakelijk weergegeven - het volgende:

Bij betrokkene wordt een antisociale persoonlijkheidsstoornis geconstateerd. Betrokkene is onvoldoende in staat zich in anderen in te leven. De ontwikkeling van de gewetensfunctie is beperkt gebleven. Daardoor wordt betrokkene onvoldoende geremd in antimaatschappelijk gedrag.

In ieder geval heeft de gedragsstoornis, die zich in de vroege adolescentie openbaarde, geleid tot een maatschappelijk onaangepast leven.

De persoonlijkheidsstoornis is in het ten laste gelegde slechts in geringe mate zichtbaar geworden. De gewetensfunctie en de empatische vermogens schieten weliswaar tekort, maar dat heeft hem bij het ten laste gelegde slechts in geringe mate beperkt in het maken van keuzes. Om deze redenen komen wij tot de conclusie van enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Verdachte is in deze zaak weer onderzocht door deskundigen. Hij heeft niet mee willen werken aan deze onderzoeken. Als gevolg daarvan hebben psycholoog Sterk en psychiater Gerritsen niet kunnen vaststellen of verdachte leed aan een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. De rechtbank ontleent wel het volgende aan het rapport van psycholoog R.A. Sterk van 1 juli 2010:

In algemene zin kan gesteld worden dat een persoonlijkheidsstoornis zich kenmerkt door een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen die duidelijk binnen de cultuur van betrokkene afwijken van de verwachtingen. Het duurzame patroon is star en uit zich op een breed terrein van persoonlijke en sociale situaties. Het patroon is stabiel en van lange duur en het begin kan worden teruggevoerd naar ten minste de adolescentie of de vroege volwassenheid.

Hierna is verdachte weer in het PBC geplaatst en onderzocht. De rechtbank ontleent aan dit rapport van 24 februari 2011, opgesteld door psycholoog Schilperoord en psychiater Grochowska - zakelijk weergegeven - het volgende:

Door de weigering van betrokkene is het niet mogelijk geweest om zijn persoonlijkheid nader te onderzoeken. Hoewel het op gedragsniveau aannemelijk is dat bij betrokkene nog steeds sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis kan deze diagnose wegens weinig eigen onderzoek, onvolledigheden bij de eerdere onderzoeken en onvoldoende dossiergegevens niet zonder meer overgenomen worden.

Gelet op het voorgaande is het niet mogelijk de vraag te beantwoorden of er bij betrokkene in het bijzonder ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Het kan, in het licht van eerdere onderzoeken, niet helemaal uitgesloten worden dat tijdens het plegen van het ten laste gelegde de persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene van enige invloed is geweest op zijn handelen. De mate waarin dit geschiedde was echter naar alle waarschijnlijkheid te gering om tot een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid te komen.

De rechtbank acht het, anders dan de verdediging, op grond van het voorgaande voldoende aannemelijk dat er in 1996 bij verdachte sprake was van een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

De rechtbank kan echter, anders dan de officier van justitie, op grond van voornoemde rapporten niet vaststellen dat deze antisociale persoonlijkheidsstoornis dermate van invloed is geweest op het handelen van verdachte in 1996 dat de feiten hem daardoor niet of slechts beperkt toegerekend kunnen worden. Hierbij is van belang dat verdachte in 2003 slechts enigszins verminderd toerekeningsvatbaar werd geacht. Om die reden vonden de deskundigen het toen niet aangewezen om een behandeling te adviseren. Ook in het recente rapport van het PBC uit 2011 wordt aangegeven dat - als persoonlijkheidsproblematiek al aan de orde is - de mate waarin dat invloed heeft gehad waarschijnlijk te gering is om tot een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid te komen. Psychiater Grochowska heeft dit ter terechtzitting bevestigd. Dit in samenhang beschouwd heeft tot gevolg dat de rechtbank niet met voldoende zekerheid kan vaststellen of bij verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten sprake was van verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Verdachte wordt dan ook beschouwd als volledig toerekeningsvatbaar.

Er zijn dus geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf en maatregelen

8.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 3 (drie) maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan verdachte de TBS-maatregel met dwangverpleging zal worden opgelegd. Zij heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

De bewezen te verklaren feiten zijn zeer ernstig en rechtvaardigen dientengevolge op zichzelf een lange gevangenisstraf. In deze zaak doet de bijzonderheid zich echter voor dat verdachte na het plegen van de feiten in augustus 1996 is aangehouden en in de periode tussen toen en nu veroordeeld is tot lange gevangenisstraffen, die in totaal bij elkaar opgeteld een periode van vijftien jaren en negen maanden beslaan. In dergelijke omstandigheden is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: artikel 63) van toepassing.

Op de tenlastelegging staan twee feiten waarop een gevangenisstraf van vijftien jaren is gesteld, namelijk gijzeling en poging tot doodslag. Dit betekent dat, gelet op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: artikel 57), de absolute maximumstraf die in deze zaak kan worden opgelegd twintig jaren is. Gelet op artikel 63 kan in deze zaak nog slechts een gevangenisstraf van vier jaren en drie maanden worden gevorderd. Een dergelijke straf staat niet in verhouding tot de ernst van de feiten. Zonder de bijzonderheid van artikel 63 zou de eis tien jaren gevangenisstraf of meer zijn geweest.

Er dient te worden vastgesteld dat er sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Tevens kan door de rechtbank worden aangenomen dat deze op zijn minst van enige invloed is geweest op het besluit om tot het plegen van de bewezen te verklaren feiten te komen.

Indien deze antisociale persoonlijkheidsstoornis nog bestaat, is er ook sprake van recidivegevaar. Nu verdachte mede onder invloed van deze stoornis is gekomen tot het plegen van een serie zeer gewelddadige feiten met ernstige gevolgen voor de slachtoffers, is er sprake van gevaar voor de veiligheid van anderen en ook voor de algemene veiligheid van personen.

De stoornis van verdachte is volgens de verklaring van de psychiater ter terechtzitting alsmede informatie van het Trimbos-instituut wel te behandelen. Ook eerder is door de psychologe De Bil geoordeeld dat behandeling van verdachte noodzakelijk was. Het is daarom verantwoord om TBS met dwangverpleging te vorderen.

De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de vorderingen van alle benadeelde partijen in zijn geheel toegewezen dienen te worden en gevorderd dat ten aanzien van die vorderingen de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, dat het niet mogelijk is om de TBS-maatregel op te leggen. Daarom - mocht de rechtbank tot een veroordeling komen - zou volstaan moeten worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, die lager is dan de eis van de officier van justitie. De raadsvrouw heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Voor oplegging van de TBS-maatregel is het noodzakelijk dat:

1. De rechter het bestaan van een psychische stoornis vaststelt;

2. De stoornis tijdens het begaan van het misdrijf heeft bestaan;

3. Er sprake is van een verminderde toerekenbaarheid, dan wel de dader volledig ontoerekeningsvatbaar is verklaard;

4. Er een causaal verband wordt gelegd tussen de stoornis en het gevaar voor herhaling.

Aan die voorwaarden is in deze zaak niet voldaan, zodat de TBS-maatregel niet opgelegd kan worden. De gedragsdeskundigen van het PBC hebben in 2011 bij verdachte namelijk geen stoornis kunnen vaststellen ten tijde van de ten laste gelegde feiten in 1996. Ook hebben zij niet kunnen vaststellen dat, als er al een stoornis was, deze dermate van invloed was ten tijde van het plegen van de feiten dat dit tot een vermindering van de toerekenbaarheid, dan wel een volledige ontoerekeningsvatbaarheid dient te leiden. Ten slotte kan de rechtbank ook geen antwoord geven op de vraag of en, zo ja, in welke mate er sprake is van gevaar voor herhaling.

Voor zover de rechtbank de verdediging volgt in de verzochte vrijspraken dienen deze vrijspraken tot uitdrukking te komen in de straftoemeting en dient de rechtbank af te wijken van de eis van de officier van justitie.

De verdediging heeft daarnaast betoogd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 7] en [slachtoffer 9] afgewezen dienen te worden, dan wel niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard aangezien verdachte vrijgesproken dient te worden van de hen betreffende feiten. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 3], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] heeft de raadsvrouw - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Voor het vaststellen van de schade en het toewijzen van de vorderingen zal vast moeten staan dat de aangegeven schade het directe, rechtstreekse gevolg is van het handelen van verdachte. De vorderingen zijn onderbouwd, maar complex van aard. In dergelijke zaken is het lastig om vast te stellen dat de schade het directe gevolg is van het gebeuren in 1996. Het is dan ook de vraag of het strafproces zich leent voor de behandeling van dergelijke complexe vorderingen. Ook valt te verdedigen dat de behandeling van dergelijke vorderingen een onevenredige belasting van het strafproces vormt.

In de zaak [slachtoffer 6] staat vast dat zij eerder slachtoffer is geweest van seksueel misbruik, waardoor het causale verband tussen het gebeuren in 1996 en de schade lastig vast te stellen is. Niet kan immers geconcludeerd worden dat de opgelopen schade het directe gevolg is van het gebeuren in 1996. Bovendien heeft [slachtoffer 6] reeds een paar duizend euro uitgekeerd gekregen van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Dit is een extra argument om de vordering van [slachtoffer 6] af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

8.3.1. De TBS-maatregel

Bij het beantwoorden van de vraag of de TBS-maatregel aan verdachte kan en dient te worden opgelegd, moet de rechtbank rekening te houden met de volgende criteria:

1. Verdachte moet worden veroordeeld voor een feit of feiten waarvoor op grond van artikel 37 a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht het opleggen van de TBS-maatregel is toegestaan;

2. Bij verdachte diende er ten tijde van het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens te bestaan;

3. De feiten moeten verdachte als gevolg van voornoemde stoornis niet of in verminderde mate kunnen worden toegerekend;

4. Als gevolg van de stoornis dient de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in het geding te zijn.

De rechtbank constateert dat aan de eerste twee criteria is voldaan. Zoals echter in rubriek 7.3 is gemotiveerd, kan de rechtbank niet vaststellen dat de antisociale persoonlijkheidsstoornis van zodanige invloed is geweest op het handelen van verdachte in 1996 dat de feiten hem daardoor niet of slechts beperkt toegerekend kunnen worden. Nu de rechtbank de feiten daarom volledig aan verdachte toerekent, is niet voldaan aan het derde criterium voor oplegging van de TBS-maatregel. De rechtbank kan daarom niet overgaan tot oplegging van deze maatregel.

8.3.2. Samenloop en artikel 63 juncto 57

In deze zaak is de samenloopregeling van belang. Het Wetboek van Strafrecht kent in geval van veroordeling voor meerdere feiten de zogenaamde samenloopregeling die is neergelegd in artikel 57. Dit artikel luidt als volgt:

Artikel 57

1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.

2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch - voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft - niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.

Op grond van deze bepaling kan aan verdachte een maximumstraf worden opgelegd voor de duur van de straf voor het zwaarste delict dat bewezen kan worden, vermeerderd met een derde. Zowel nu als in 1996 bestond tegen de thans onder 6 bewezen geachte gijzeling de hoogste strafbedreiging, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren. Ware dit de enige berechting tegen verdachte na 24 april 1996 dan zou aan hem op grond van bovenstaande maximaal een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren, te weten vijftien jaren vermeerderd met een derde, kunnen worden opgelegd. Verdachte is echter na 24 april 1996 herhaaldelijk veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen voor feiten die na 24 juli 1996 zijn gepleegd. In totaal is hij sindsdien veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen voor de duur van vijftien jaren en negen maanden. De officier van justitie heeft in dit verband gewezen op de werking van artikel 63. Dit artikel luidt als volgt:

Artikel 63

Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.

Daar waar artikel 57 uitgaat van een gelijktijdige berechting van een verdachte voor meerdere feiten waarvoor één straf dient te worden opgelegd, bepaalt artikel 63 dat deze regeling ook geldt wanneer niet sprake is van gelijktijdige berechting. De officier van justitie acht deze regeling van toepassing waardoor haars inziens de maximale gevangenisstraf die thans nog aan verdachte zou kunnen worden opgelegd vier jaren en drie maanden bedraagt, zijnde twintig jaren minus vijftien jaren en negen maanden.

De ratio van de samenloopregeling, zoals hiervoor geschetst, is de onbeperkte optelling van mogelijke straffen te beperken tot een bepaald maximum. Dit is naar het oordeel van de rechtbank zonder meer redelijk als sprake is van gelijktijdige berechting van meerdere feiten. Dit is ook het geval wanneer feiten niet gelijktijdig worden behandeld waar dit wel had gekund. Zo moet de verdachte worden beschermd tegen een Openbaar Ministerie dat "vergeet" bepaalde zaken gelijktijdig aan te brengen, dan wel daar een bijzondere reden voor heeft. Artikel 63 biedt de verdachte bescherming in die zin dat bij de laatste berechting rekening wordt gehouden met de eerdere veroordelingen. Dit systeem hoort bij een evenredige berechting waarbij met de belangen van de verdachte rekening wordt gehouden. Het doel van de samenloopregeling is dus om onbeperkte en ongerechtvaardigde cumulatie van mogelijk op te leggen straffen tegen te gaan.

Het is onwenselijk om zonder maximering straffen bij elkaar op te tellen, die dan op een niet reëel te beschouwen straf zou kunnen uitkomen. Hierbij kan gedacht worden aan andere rechtsstelsels waar straffen mogelijk zijn van bijvoorbeeld meer dan 100 jaren. Het is niet rechtvaardig om straffen zonder maximum te laten cumuleren als het Openbaar Ministerie de (al dan niet bewuste) keuze zou hebben om de verschillende feiten gelijktijdig te laten berechten, maar desondanks de feiten op afzonderlijke tijdstippen ter berechting aanbrengt. Hierdoor zou de verdachte het strafplafond worden onthouden. Van een dergelijke keuze van de zijde van het Openbaar Ministerie is in deze zaak echter geen sprake. De DNA-hits, waardoor verdachte gelinkt kon worden aan de tot dan toe onopgeloste reeks verkrachtingen, werden immers pas ruim tien jaren na de verkrachtingen door het NFI ontdekt. Pas vanaf toen was het Openbaar Ministerie in staat om deze feiten te vervolgen.

De rechtbank wijst in dit verband op de overwegingen van het Gerechtshof 's-Gravenhage van 18 november 2003, LJN AS5556. Hierin overweegt het Gerechtshof onder meer: "Voor het hof weegt zwaar, dat door het Openbaar Ministerie is gekozen voor ongelijktijdige berechting, terwijl gelijktijdige berechting en gevoegde behandeling van de moord en de thans bewezenverklaarde feiten heel goed mogelijk was"..."Door te kiezen voor ongelijktijdige berechting heeft het Openbaar Ministerie aan de rechter in eerste aanleg de mogelijkheid van een totaaloordeel en een daarop afgestemde strafmaat onthouden". Ook in de conclusie van Procureur-Generaal Machielse bij het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2005, LJN AU2227, komt dit aan de orde. Machielse schrijft: "Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht ziet op de situatie waarin iemand terecht staat voor een feit dat is gepleegd voordat hij terzake van een ander feit is veroordeeld (1) en waarbij het Openbaar Ministerie de theoretische mogelijkheid moet hebben gehad de zaken gelijktijdig op de zitting te brengen. Artikel 63 zal aan bod komen in het geval het te berechten feit bij een eerdere veroordeling had kunnen worden meegenomen (2)".

Zoals overwogen had het Openbaar Ministerie in de thans aanhangige strafzaak geen keuze, ook niet in theorie. De feiten konden toen, in 1996, nog niet aan verdachte gelinkt worden.

Zoals artikel 63 thans is geredigeerd, wordt geen enkel onderscheid gemaakt ten aanzien van de redenen waarom geen gelijktijdige berechting heeft plaatsgevonden. Dat kan situaties opleveren waarmee naar het oordeel van de rechtbank, kijkend naar de wijze van totstandkoming van deze materie in de wet, nooit rekening lijkt te zijn gehouden en waarbij de eerder genoemde evenredigheid doorslaat in onevenredigheid en leidt tot een op te leggen straf die niet meer uit te leggen is aan de samenleving.

Wanneer een verdachte misdrijven pleegt en daarmee wegkomt omdat hij niet in beeld komt als dader en hij vervolgens voor later gepleegde feiten tot een forse gevangenisstraf wordt veroordeeld, mag en kan het niet zo zijn dat hij de dans ontspringt wanneer nieuwe technieken justitie later in staat stellen hem alsnog ter verantwoording te roepen voor aanvankelijk niet opgehelderde misdrijven. Een strikte en onverkorte toepassing van artikel 63 zou er namelijk zelfs toe kunnen leiden dat een verdachte tot geen enkele gevangenisstraf meer kan worden veroordeeld indien de tussentijds opgelegde straffen in totaal van een langere duur zijn dan de voor de oude feiten op te leggen maximale straf of, zoals in casu dreigt, er slechts een zeer beperkte gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en drie maanden kan worden opgelegd daar waar het 'normale' strafmaximum, twintig jaren bedraagt.

De wetgever heeft naar aanleiding van internationale strafprocesrechtelijke aspecten acht geslagen op dit bovengenoemde onwenselijke effect. In het Kaderbesluit 2008/675/JBZ -betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie - is een bepaling opgenomen, die er op neer komt dat artikel 63 niet van toepassing is in het geval van eerdere veroordelingen afkomstig uit een andere lidstaat van de Europese Unie. De rechter behoudt dus uitdrukkelijk de vrijheid bij het bepalen van de straf, ook al is er sprake van veroordelingen in het buitenland van na het te berechten feit. Hierover staat in de Memorie van Toelichting, Kamerstuk 32 257, nr. 3, het volgende: "Zou de samenloopregeling onverkort van toepassing zijn op eerder in het buitenland opgelegde straffen, dan zou dit ertoe kunnen leiden dat, gelet op de hoogte van de eerder in het buitenland opgelegde straf, er voor de nieuwe zaak geen straf meer over is. De Nederlandse rechter zou in een dergelijk geval moeten volstaan met strafbaarstelling zonder dat een straf wordt opgelegd".

Hoewel de rechtbank zich realiseert dat hier de onwenselijkheid van het verdisconteren van buitenlandse straffen wanneer die niet gelijksoortig zijn met de Nederlandse strafmodaliteiten van belang is, geeft dit wel aan dat de wetgever aldus niet in alle situaties het toepassen van artikel 63 gewenst acht.

Verder acht de rechtbank bij de afweging dat in casu geen sprake is van ongerechtvaardigde cumulatie van straffen, de gewijzigde houding in het strafrecht ten aanzien van slachtoffers van belang. In de loop der tijd is de positie van het slachtoffer in het strafproces steeds meer versterkt. Dit is de weerslag van de huidige breed gedragen opvatting dat naast de dader tevens het slachtoffer een belangrijke positie dient te hebben in het strafproces. Onverkorte toepassing van artikel 63 valt in het onderhavige geval niet uit te leggen aan de samenleving in het algemeen en aan de slachtoffers in het bijzonder.

Gezien bovengenoemde in onderling verband en samenhang bezien acht de rechtbank zich in deze zaak niet gebonden aan artikel 63.

8.3.3. Strafoplegging

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan voorts in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich in 1996 in een korte tijd schuldig gemaakt aan een viertal seksuele misdrijven, waarbij in één geval drie vrouwen slachtoffer zijn geworden die daarbij door verdachte enige tijd zijn gegijzeld. Ook heeft hij zich in drie van de gevallen schuldig gemaakt aan afpersing dan wel diefstal van geld en andere goederen van de slachtoffers.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van verkrachting en/of aanranding langdurig en op indringende wijze hieronder lijden. Dit blijkt ook uit de onderbouwingen van de ingediende vorderingen, de schriftelijke slachtofferverklaringen en de aangrijpende verklaringen die een aantal slachtoffers ter terechtzitting heeft afgelegd. Bij hen is er nu, vele jaren later, nog steeds sprake van grote psychische schade als gevolg van het handelen van verdachte.

De rechtbank acht geen strafverminderende factoren aanwezig. Dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, zal de rechtbank niet in zijn voordeel meewegen, gezien het aantal bewezenverklaringen waar in deze zaak sprake van is.

De rechtbank weegt in strafverzwarende zin wel het volgende mee.

Verdachte heeft alle bewezen verklaarde feiten 's nachts gepleegd en daarbij in drie gevallen kwetsbare slachtoffers, te weten vrouwen die zich alleen over straat begaven, uitgekozen. In één geval is hij 's nachts een woning binnengedrongen waar zich op dat moment drie vrouwen bevonden. In alle gevallen heeft hij gebruik gemaakt van een wapen (of de waan gewekt dat hij een wapen had), alsmede fysiek geweld en bedreigingen geuit. Verdachte heeft met zijn handelen bijzonder zwaar psychisch letsel toegebracht. Dit is in een aantal zaken vertaald in het bewezen geachte zwaar lichamelijk letsel dat de slachtoffers hebben opgelopen als gevolg van het handelen van verdachte.

Nu de rechtbank niet overgaat tot oplegging van de TBS-maatregel en er in de persoon van verdachte geen enkele aanleiding is om een deels voorwaardelijke straf op te leggen of anderzijds de straf te matigen, is de rechtbank van oordeel dat alleen kan worden volstaan met een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren passend en geboden.

8.3.4. De vorderingen van de benadeelde partijen

Ten aanzien de vordering van [slachtoffer 3]:

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft - als voorschot op de vergoeding van immateriële schade - een bedrag van € 8.000, - (achtduizend euro) gevorderd. De rechtbank verstaat dit aldus, dat de benadeelde partij zich ten aanzien van de immateriële schade voor een deel van haar vordering heeft gevoegd in dit strafproces, onder voorbehoud van het recht om het andere deel bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken.

De verdediging heeft ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] alleen aangevoerd dat deze complex van aard is en dat het causale verband met de feiten lastig is vast te stellen. Gelet op de deugdelijke onderbouwing van de vordering is de rechtbank van oordeel dat de vordering onvoldoende gemotiveerd is betwist, zodat deze kan worden toegewezen. Het gevorderde bedrag is, gelet op de geleden schade, redelijk en loopt in de pas met vergelijkbare zaken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 4 t/m 6 en 7 subsidiair bewezen geachte feiten, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 8.000, - (achtduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De rechtbank zal tevens bepalen dat het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

In het belang van [slachtoffer 3] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien de vordering van [slachtoffer 5]:

De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft - als voorschot op de vergoeding van immateriële schade - een bedrag van € 3.329,77 (drieduizenddriehonderdnegenentwintig euro en zevenenzeventig cent) gevorderd. De rechtbank verstaat dit aldus, dat de benadeelde partij zich ten aanzien van de immateriële schade voor een deel van haar vordering heeft gevoegd in dit strafproces, onder voorbehoud van het recht om het andere deel bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken.

De verdediging heeft ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5] alleen aangevoerd dat deze complex van aard is en dat het causale verband met de feiten lastig is vast te stellen. Gelet op de deugdelijke onderbouwing van de vordering is de rechtbank van oordeel dat de vordering onvoldoende gemotiveerd is betwist, zodat deze kan worden toegewezen. Het gevorderde bedrag is, gelet op de geleden schade, redelijk en loopt in de pas met vergelijkbare zaken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 4 t/m 6 en 7 subsidiair bewezen geachte feiten, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.329,77 (drieduizenddriehonderdnegenentwintig euro en zevenenzeventig cent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De rechtbank zal tevens bepalen dat het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

In het belang van [slachtoffer 5] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien de vordering van [slachtoffer 6]:

De benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft - als voorschot op de vergoeding van immateriële schade - een bedrag van € 10.000, - (tienduizend euro) gevorderd. De rechtbank verstaat dit aldus, dat de benadeelde partij zich ten aanzien van de immateriële schade voor een deel van haar vordering heeft gevoegd in dit strafproces, onder voorbehoud van het recht om het andere deel bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken.

Ter terechtzitting is door de verdediging naar voren gebracht dat het causaal verband lastig is vast te stellen nu sprake is geweest van eerder seksueel misbruik. Bovendien is door het Schadefonds Geweldsmisdrijven al een vergoeding uitgekeerd. Dit moet volgens de verdediging leiden tot niet-ontvankelijkheid, dan wel afwijzing van de vordering.

Uit de bewezenverklaring en de aangifte van [slachtoffer 6] blijkt dat zij onverhoeds door verdachte, die een pistool had, is gedwongen om met hem mee te fietsen. [slachtoffer 6] is vervolgens onder dreiging van dat pistool verkracht, waarbij verdachte haar dwong tot meerdere seksuele handelingen waaronder penetratie met zijn penis in haar vagina en in haar anus, alsmede het likken van haar vagina. Uit de verklaring van [slachtoffer 6] van 12 januari 2010, die van haar moeder van 15 april 2010, alsmede de slachtofferverklaring en de ter terechtzitting gegeven toelichting op de vordering komt naar voren dat de verkrachting een grote impact heeft gehad op het leven van [slachtoffer 6]. Zij heeft therapie gehad en heeft destijds haar opleiding niet afgerond. Ook is zij veel angstiger geworden. Haar advocaat heeft namens haar verwoord dat sprake is van een knip in haar leven, voor en na de verkrachting. De bij de vordering gevoegde verklaringen van [persoon 2] en [persoon 3] ondersteunen bovenstaande. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van een verkrachting langdurig en op indringende wijze hieronder lijden.

Dat bij [slachtoffer 6] sprake is van immateriële schade als gevolg van de verkrachting wordt niet weggenomen door het gegeven dat zij - overigens in een enkele bijzin in haar verklaring van april 2010 - naar voren heeft gebracht dat zij vroeger seksueel misbruikt is. Het in verband met deze bijzin alleen opwerpen dat het causale verband met de feiten lastig is vast te stellen tegenover de deugdelijke onderbouwing van de vordering door de benadeelde partij, maakt dat de vordering door de verdediging onvoldoende gemotiveerd is betwist, zodat deze kan worden toegewezen. Het gevorderde bedrag is redelijk en loopt in de pas met vergelijkbare zaken.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie over uitkeringen door het Schadefonds Geweldsmisdrijven opgemerkt dat een dergelijke uitkering wordt beschouwd als een voorschot dat bij eventuele latere toekenning van een schadevergoeding terug dient te worden gestort. De rechtbank acht een dergelijke, niet door de verdediging weersproken, gang van zaken aannemelijk zodat, voor zover [slachtoffer 6] eerder een bedrag heeft ontvangen van voornoemd Schadefonds, dit nu niet aan toewijzing van haar vordering in de weg staat.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 8 en 9 bewezen geachte feiten, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 10.000, - (tienduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De rechtbank zal tevens bepalen dat het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

In het belang van [slachtoffer 6] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien de vordering van [slachtoffer 7]:

Nu aan verdachte - zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - geen straf of maatregel is opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij [slachtoffer 7] in de vordering niet-ontvankelijk is.

Ten aanzien de vordering van [slachtoffer 9]:

Nu aan verdachte - zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - geen straf of maatregel is opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij [slachtoffer 9] in de vordering niet-ontvankelijk is.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 55, 57, 242, 246, 248, 282a, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart het onder 7 primair en 10 t/m 12 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 t/m 6, 7 subsidiair, 8 en 9 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 en 3 ten laste gelegde:

Verkrachting, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 en 7 subsidiair ten laste gelegde:

Afpersing, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 4 en 5 ten laste gelegde:

Eendaadse samenloop van

Verkrachting

én

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, terwijl het misdrijf zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft en daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd

én

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde:

Gijzeling.

Ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde:

Eendaadse samenloop van

Verkrachting

én

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, terwijl het misdrijf zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Ten aanzien van het onder 9 ten laste gelegde:

Eendaadse samenloop van

Afpersing

én

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

* Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

* Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende te [plaats] toe tot een bedrag van € 8.000, - (achtduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 3] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit bedrag dient te worden beschouwd als voorschot op de vergoeding van immateriële schade.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3], te betalen de som van € 8.000, - (achtduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 75 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

* Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5], wonende te [plaats] toe tot een bedrag van € 3.329,77 (drieduizenddriehonderdnegenentwintig euro en zevenenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 5] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit bedrag dient te worden beschouwd als voorschot op de vergoeding van immateriële schade.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 5], te betalen de som van € 3.329,77 (drieduizenddriehonderdnegenentwintig euro en zevenenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 43 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

* Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6], wonende te [plaats] toe tot een bedrag van € 10.000, - (tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 6] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit bedrag dient te worden beschouwd als voorschot op de vergoeding van immateriële schade.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 6], te betalen de som van € 10.000, - (tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 85 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

* Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk in haar vordering.

* Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 9] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. H.P.H.I. Cleerdin en S.E. Sijsma, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Spliet, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 oktober 2011.

i Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van aangifte met nummer 0260-212/96 van 24 april 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] (p. 4 t/m 8).

ii Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming met nummer 0260-212/96 van 24 april 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisant (p. 22 en 23).

iii Een geschrift, te weten een kopie van een deskundigenrapport van het NFI van 16 november 2007, opgemaakt door ing. M.J.W. Pouwels, inhoudende een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een gewapende overval gepleegd in Amsterdam op 30 mei 2007 (p. 32 t/m 41).

Een geschrift, te weten een rapport van IFS van 14 juli 2011, opgemaakt door de forensisch onderzoekers J. van der Meij en R. Eikelboom, inhoudende een contra-expertise betreffende DNA-onderzoek naar aanleiding van een viertal zedendelicten gepleegd in Amsterdam in 1996.

iv Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van aangifte met nummer 0260-212/96 van 24 april 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] (p. 4 t/m 8).

v Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van bevindingen met nummer 0260-212/96 van 14 augustus 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisant (p. 26).

vi Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal met nummer 0260-444-96 van 2 september 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisant (p. 27).

vii Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van aangifte met nummer 0260-271-96 van 20 mei 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] (p. 3 t/m 6).

viii Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming met nummer 0260-271-6 van 20 mei 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4], inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisant (p. 26).

ix Een geschrift, te weten een kopie van een deskundigenrapport van het NFI van 16 november 2007, opgemaakt door ing. M.J.W. Pouwels, inhoudende een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een gewapende overval gepleegd in Amsterdam op 30 mei 2007 (p. 32 t/m 41).

Een geschrift, te weten een rapport van IFS van 14 juli 2011, opgemaakt door de forensisch onderzoekers J. van der Meij en R. Eikelboom, inhoudende een contra-expertise betreffende DNA-onderzoek naar aanleiding van een viertal zedendelicten gepleegd in Amsterdam in 1996.

x Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van aangifte met nummer 0260-387-96 van 10 juli 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] (p. 8 t/m 12).

Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van aangifte met nummer 0260-387/96 van 10 juli 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5], inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4] (p. 14 t/m 19).

Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van aangifte met nummer 0260-387/96 van 10 juli 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6], inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5] (p. 21 t/m 27).

xi Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming met nummer 0260-387-96 van 10 juli 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7], inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisant (p. 40).

xii Een geschrift, te weten een kopie van een rapport van het NFI van 10 december 2009, opgemaakt door ir. H.J.T. Janssen, inhoudende een aanvullend DNA-onderzoek naar aanleiding van een mogelijke verkrachting gepleegd in Amsterdam op 10 juli 1996 (p. 44 t/m 51).

Een geschrift, te weten een rapport van IFS van 14 juli 2011, opgemaakt door de forensisch onderzoekers J. van der Meij en R. Eikelboom, inhoudende een contra-expertise betreffende DNA-onderzoek naar aanleiding van een viertal zedendelicten gepleegd in Amsterdam in 1996.

xiii Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 19 oktober 2010 van de rechter-commissaris, mr. H.M.J. Quaedvlieg, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3].

xiv Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2009331028-5 van 15 januari 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 9], onder meer inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] (p. 59 t/m 62).

xv Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2009331028-7 van 21 januari 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 10], onder meer inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5] (p. 67 t/m 71).

xvi Een geschrift, te weten een notitie betreffende de doorverwijzing van [slachtoffer 5] door haar huisarts van 24 september 2001, opgemaakt door huisarts [huisarts] (p. 84).

xvii Een geschrift, te weten een brief betreffende medische informatie van [slachtoffer 5] van de afdeling psychiatrie van het AMC van 16 september 1997, opgemaakt door arts-assistent R. van der Zwaard en psychiater prof. dr. A.H. Schene (p. 81 en 82).

xviii Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van aangifte met nummer 0260-387/96 van 10 juli 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5], inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4] (p. 14 t/m 19).

xix Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van aangifte met nummer 0260-387-96 van 10 juli 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] (p. 8 t/m 12).

Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van aangifte met nummer 0260-387/96 van 10 juli 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5], inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4] (p. 14 t/m 19).

Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van aangifte met nummer 0260-387/96 van 10 juli 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6], inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5] (p. 21 t/m 27).

xx Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van 24 juli 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 11] en [verbalisant 12], inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisanten (p. 5 t/m 7).

xxi Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van aangifte met nummer 0260-420-1996 van 24 juli 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], inhoudende de verklaring van [slachtoffer 6] (p. 14 t/m 18).

xxii Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming met nummer 0260-420-96 van 24 juli 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4], inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisant (p. 35).

xxiii Een geschrift, te weten een kopie van een rapport van het NFI van 10 december 2009, opgemaakt door ir. H.J.T. Janssen, inhoudende een aanvullend DNA-onderzoek naar aanleiding van een mogelijke verkrachting gepleegd in Amsterdam op 24 juli 1996 (p. 40 t/m 47).

Een geschrift, te weten een rapport van IFS van 14 juli 2011, opgemaakt door de forensisch onderzoekers J. van der Meij en R. Eikelboom, inhoudende een contra-expertise betreffende DNA-onderzoek naar aanleiding van een viertal zedendelicten gepleegd in Amsterdam in 1996.

xxiv Een proces-verbaal van verhoor benadeelde/slachtoffer met nummer 2009331168-2 van 12 januari 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 10] en [verbalisant 13], inhoudende de verklaring van [slachtoffer 6] (p. 48 t/m 52).

xxv Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2009331168-3 van 15 april 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 14] en [verbalisant 8], inhoudende de verklaring van [moeder van slachtoffer 6] (p. 53 t/m 56).

xxvi Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van aangifte met nummer 0260-420-1996 van 24 juli 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], inhoudende de verklaring van [slachtoffer 6] (p. 14 t/m 18).

Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van 24 juli 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 11] en [verbalisant 12], inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisanten (p. 5 t/m 7).

xxvii Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van bevindingen van 29 juli 1996, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 15], inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisant (p. 20).

xxviii Gerechtshof Arnhem d.d. 18 mei 2011, LJN BQ4981.