Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BT7204

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-08-2011
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
Parketnummer: 13/421393-08, VI-zaaknummer: 99-000024-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afgewezen vordering tot uitstel van voorwaardelijke invrijheidstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/421393-08

VI-zaaknummer: 99-000024-13

BESLISSING OP VORDERING UITSTEL VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING

Beslissing op de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam d.d. 12 augustus 2011 tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) van:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] (Australië) op [1975],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting “Zoetermeer” te Zoetermeer,

verder te noemen veroordeelde.

1. Procesgang

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 14 april 2009 is door deze rechtbank aan veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 54 maanden. Deze straf is met ingang van 8 oktober 2008 ten uitvoer gelegd. De voorlopige datum voor de VI van veroordeelde was 23 september 2011.

Bij advies van 12 juli 2011 heeft de vestigingsdirecteur van de PI Vught de officier van justitie geadviseerd uitstel of afstel van de VI te vorderen vanwege misdragingen van veroordeelde die tijdens de tenuitvoerlegging van de straf meermalen hebben geleid tot het opleggen van een disciplinaire straf .

2. De inhoud van de vordering

De vordering van de officier van justitie, zoals nader ter zitting toegelicht, strekt er toe dat de rechtbank de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling uitstelt met 365 dagen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder voormeld vonnis, alsmede voormeld advies met bijlagen met daarin onder meer de volgende samenvatting van de aan veroordeelde opgelegde disciplinaire straffen:

- 24 mei 2009, 5 dagen afzondering op eigen cel wegens agressief gedrag tegen een medegedetineerde en het vervolgens niet opvolgen van aanwijzingen van het personeel.

- 7 februari 2010, 10 dagen opsluiting in een strafcel omdat hij een kom hete soep gooide richting kamerwacht die deze kom vervolgens volop in zijn gezicht kreeg. Vervolgens wilde hij de kamerwacht aanvliegen, doch door tijdig ingrijpen van een aantal medegedetineerden kon erger voorkomen worden.

- 31 mei 2011, 13 dagen strafcel wegens daadwerkelijke agressie jegens een medegedetineerde en omdat hij zich hevig verzette bij het ingrijpen van het personeel waardoor een personeelslid gewond raakte.

3. De behandeling ter terechtzitting

De rechtbank heeft op 20 september 2011 ter openbare terechtzitting gehoord de officier van justitie, de veroordeelde en diens raadsvrouw mr. E.C. Gijselaar, advocaat te Haarlem, die heeft verklaard waar te nemen voor mr. M.M.J. Nuijten, alsmede als deskundige de heer A.J.M. van Zon, Hoofd Bureau Selectie en Detentiebegeleiding en Selectiecoördinator.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij zijn vordering en daarbij aangegeven dat de proportionaliteit tussen de incidenten en de onderhavige vordering niet van belang is. Het feit dat de veroordeelde voor de misdragingen reeds disciplinair gestraft is, doet ook niet ter zake, aangezien het in deze procedure niet gaat om een straf, maar om een gunst, te weten de voorwaardelijke invrijheidstelling, die in bepaalde gevallen niet wordt verleend. Van dubbele bestraffing is dan ook geen sprake. Het initiatief tot het instellen van de vordering gaat uit van een centraal orgaan dat het openbaar ministerie daartoe adviseert. De officier van justitie stelt zich voorts op het standpunt dat de regeling voorwaardelijke invrijheidstelling geen ruimte biedt om af te zien van de vordering vanwege de enkele omstandigheid dat de veroordeelde na zijn detentie Nederland zal worden uitgezet.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om afwijzing van de vordering, subsidiair beperking van de duur van het uitstel. Zij heeft daartoe aangevoerd dat nog geen beleid is gevormd met betrekking tot de vraag wanneer sprake is van zodanig gedrag dat aan het criterium van artikel 15d van het Wetboek van Strafrecht is voldaan. Zij heeft er tevens op gewezen dat de voorvallen in het onderhavige geval al hebben geleid tot de in het advies genoemde disciplinaire maatregelen. Haar cliënt is dus reeds gestraft voor zijn gedrag. Uitstel van VI treft veroordeelde naar haar mening extra hard, aangezien hij een vreemdeling zonder verblijfsdocumenten is en daardoor niet in aanmerking komt voor (proef)verloven. De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat haar cliënt niet is gewaarschuwd dat uit- of afstel van de VI een consequentie kan zijn van zijn wangedrag. Tenslotte heeft zij gerefereerd aan het standpunt van de heer [persoon 1] van de Dienst Terugkeer en Vertrek van het ministerie van Immigratie en Asiel, zoals door de officier van justitie naar voren gebracht, dat erop neerkomt dat het uitzetten van veroordeelde uit Nederland in het onderhavige geval de voorkeur verdient boven uitstel van de VI.

Het oordeel van de rechtbank

Vooropgesteld wordt dat onder de regeling voorwaardelijke invrijheidstelling als uitgangspunt geldt dat een veroordeelde na het ondergaan van tweederde deel van de straf voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld.

Zoals volgt uit de Memorie van Toelichting bij de regeling is het doel van de regeling gelegen in de bescherming van de samenleving door vermindering van het risico van recidive, welk doel in sommige gevallen slechts voldoende kan worden gewaarborgd door de detentie te laten voortduren (Kamerstuk 2005-2006, 30513, nr. 3, Tweede Kamer). Verder handhaaft de regeling de gronden voor uitstel of achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling, zoals die in de vroegere regeling waren opgenomen, waaronder de grond dat de veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen.

Indien sprake is van één van de in artikel 15d van het Wetboek van Strafrecht genoemde gronden kan de VI op vordering van de officier van justitie worden uitgesteld of geheel achterwege worden gelaten.

Het beleid van het Openbaar Ministerie inzake de regeling Voorwaardelijke Invrijheidstelling is neergelegd in de Aanwijzing Voorwaardelijke Invrijheidstelling.

In het onderhavige geval heeft de officier van justitie op grond van artikel 15d, eerste lid, onder b, sub 2 van het Wetboek van Strafrecht uitstel van de VI gevorderd en daartoe aangevoerd hetgeen hiervoor is vermeld. Uit het hiervoor vermelde advies van 12 juli 2011 en de verklaring van veroordeelde ter zitting blijkt dat veroordeelde tijdens zijn detentie drie maal disciplinair is bestraft wegens agressieve gedragingen die hebben geleid tot letsel bij medewerkers van de inrichting en/of medegedetineerden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldaan aan de in voornoemde wet en regelgeving genoemde voorwaarden voor uitstel of achterwege laten van de VI.

De omstandigheid dat veroordeelde in het onderhavige geval na zijn detentie Nederland zal worden uitgezet is daarbij naar het oordeel van de rechtbank niet van belang, gelet op het feit dat met de regeling niet alleen beoogd wordt een bijdrage te leveren aan de bescherming van de samenleving, maar dat de regeling tevens tot doel heeft wangedrag tijdens de detentie tegen te gaan.

Uit- of afstel van VI is een voor de veroordeelde zeer ingrijpende beslissing. Het ligt daarom in de rede dat een veroordeelde bij de aanvang van de detentie nadrukkelijk wordt meegedeeld dat wangedrag (gevolgd door disciplinaire bestraffing) kan leiden tot dergelijk uit- of afstel van VI en dat die waarschuwing – zo nodig, bijvoorbeeld bij het opleggen van een eerste disciplinaire straf – ook wordt herhaald. Noch uit het advies van 12 juli 2011, noch uit de overige stukken in het dossier, kan echter blijken dat veroordeelde bij de aanvang van zijn detentie is geïnformeerd over de inhoud en gevolgen van de regeling voorwaardelijke invrijheidstelling. Ter terechtzitting heeft veroordeelde verklaard dat hem pas bij oplegging van de derde disciplinaire straf duidelijk werd dat zijn VI in gevaar was. Volgens de ter terechtzitting gehoorde deskundige zal bedoelde waarschuwing niet standaard worden gegeven. Bij de intake in PI Vught wordt het volgens hem “als het goed is” wel genoemd. Veroordeelde heeft voorafgaand aan zijn detentie in Vught echter in verschillende andere inrichtingen verbleven. Gesteld noch gebleken is dat veroordeelde tijdig en deugdelijk is geïnformeerd over de mogelijke consequenties van zijn gedrag tijdens de detentie. De rechtbank is van oordeel dit in het onderhavige geval wel had dienen te gebeuren, gelet op de voor veroordeelde verstrekkende (rechtspositionele) gevolgen, alsmede de omstandigheid dat het hier om (de uitleg van) betrekkelijk nieuwe wetgeving gaat. Nu dit niet is gebeurd, dient de vordering van de officier van justitie tot uitstel van de VI te worden afgewezen.

4. Beslissing

De rechtbank wijst de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling af.

Deze beslissing is genomen door

mr. S. van Eunen voorzitter,

mrs. C.A.E. Wijnker en J.O. Rutten, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 oktober 2011.

De voorzitter is buiten staat te tekenen.