Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BT7171

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-09-2011
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
AWB 11-4181 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering i.v.m. onttrekking aan tenuitvoerlegging van straf of maatregel. Onvoldoende onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/4181 WAO

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker],

wonende te [woonplaats] (Spanje),

verzoeker,

gemachtigde mr. A.J.T.J. Meuwissen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde A.P. Prinsen.

Procesverloop

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende bezwaar tegen het besluit van verweerder van 27 juli 2011.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 september 2011.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigden.

Overwegingen

1. inleidende bepalingen

1.1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2. feiten en omstandigheden

2.1. Verzoeker ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de arbeidsongeschiktheidsuitkering van verzoeker met ingang van 1 augustus 2011 beëindigd. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat verzoeker vanaf 19 oktober 2005 een door justitie opgelegde straf of maatregel zou moeten ondergaan. Verzoeker heeft zich echter onttrokken aan de tenuitvoerlegging van zijn straf of maatregel, aldus verweerder.

2.3. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij zijn taakstraf heeft voldaan en dat hij niet op de hoogte was van het feit dat er nog een gedeelte van zijn taakstraf zou resteren en van de eventuele omzetting daarvan in vervangende hechtenis, zodat geen sprake is van onttrekking aan een vrijheidsstraf. In 1997 doch uiterlijk in 1998 is hij geëmigreerd naar Spanje, in de veronderstelling dat hij zijn taakstraf had voltooid. Verzoeker stelt zich tevens op het standpunt dat verweerder hem niet heeft geïnformeerd over het feit dat hij zich zou onttrekken aan een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel en dat dit in strijd is met artikel 4:8 van de Awb.

2.4. Inmiddels is verzoekers gemachtigde uit contacten met het CIJB duidelijk geworden dat er nog een straf zou openstaan van 20 uur te ondergane gevangenisstraf per datum 19 oktober 2005. De gemachtigde van verzoeker heeft het dossier van het CIJB ingezien stelt dat daaruit blijkt dat bij uitspraak van 29 april 1994 100 uur taakstraf is opgelegd, maar ook dat deze voldaan zou zijn op 26 maart 1998. De gemachtigde van verzoeker heeft brieven overgelegd van het CIJB en van de rechtbank Roermond waaruit blijkt dat er geen schriftelijke gegevens worden verstrekt, zodat verzoeker geen bewijsstukken kan overleggen. Verzoekers gemachtigde is tevens uit contacten met de reclassering duidelijk geworden dat daar geen dossier (meer) bekend is, hetgeen volgens verzoeker impliceert dat de taakstraf is volbracht. Vervolgens heeft de gemachtigde van verzoeker contact gehad met de officier van justitie, Geuns, en hij zou hebben bevestigd dat er nog 20 uur taakstraf openstaat. Tevens heeft OvJ Geuns geadviseerd om een gratieverzoek in te dienen en heeft daarbij gezegd dat dit positief zal worden beoordeeld, aldus verzoekers gemachtigde.

3. inhoudelijke beoordeling

3.1. Bij wet van 16 december 2010 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2011, Stb. 2010/838) zijn onder vernummering van het zesde lid tot achtste lid, twee leden ingevoegd aan artikel 43 van de WAO. Ingevolge het zesde lid van dit artikel, zoals dat geldt sinds 1 januari 2011, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingetrokken, indien degene die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Ingevolge het nieuw ingevoegde artikel 47c, eerste lid, van de WAO heeft de persoon, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 43, zesde lid is ingetrokken, vanaf de dag dat hij zich niet langer onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op dat tijdstip nog ongeschikt is.

3.2. Aan de orde is de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht de arbeidsongeschiktheidsuitkering van verzoeker heeft ingetrokken met ingang van 1 augustus 2011 omdat verzoeker zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel.

3.3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het hier gaat om de intrekking van een eerder toegekend recht op WAO-uitkering, mitsdien een voor betrokkene belastend besluit. Dit brengt met zich mee dat het aan verweerder is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden en op verweerder de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot intrekking van het recht op WAO-uitkering over te gaan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 mei 2009, LJN BI4343).

3.4. In het geval waarin verweerder van het CIJB, ressorterend onder het Ministerie van Veiligheid en Justitie (het Ministerie), informatie ontvangt over aan een belanghebbende opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel en over de informatie dat betrokkene zich aan die maatregel onttrekt zal naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het algemeen aan de onderzoeksplicht en bewijslast zijn voldaan, zonder dat van verweerder op zich kan worden verlangd alle door het CIJB verstrekte gegevens op juistheid te controleren. Daarbij is naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel vereist dat uit de verkregen gegevens blijkt dat er een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd, door welke instantie die straf of vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd, of de straf onherroepelijk is, en of de straf aan de betrokkene bekend is gemaakt. Voorts zal uit de informatie gemotiveerd moeten blijken op grond van welke feiten en omstandigheden het CIJB van oordeel is dat betrokkene zich aan de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel onttrekt. Tevens is vereist dat aan de hand van het burgerservicenummer van de belanghebbende wordt gecontroleerd of het over dezelfde persoon gaat.

3.5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal het verweerder op grond van objectieve gegevens duidelijk moeten zijn dat het de betrokkene bekend is, dan wel redelijkerwijs bekend moet zijn dat het Ministerie zich op het standpunt stelt dat er sprake is van een onttrekken van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, alvorens tot de intrekking van de uitkering als bedoeld in artikel 43, zesde lid, van de WAO wordt overgegaan. Die gegevens moeten bij een geval als het onderhavige voor de betrokkene controleerbaar en verifieerbaar zijn. Pas dan zal de belanghebbende zich immers in het kader van een bezwaar- op beroepsprocedure kunnen verdedigen of de intrekking op juiste gronden is geschied. Ter zitting heeft verzoeker voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voorafgaande aan het bestreden besluit niet bekend was met het gegeven dat hij zich aan een vrijheidsstraf zou onttrekken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het in deze situatie denkbaar is dat verweerder een brief aan verzoeker had doen toekomen over het feit dat hij deze informatie heeft ontvangen en hem voorafgaande aan de intrekking had verzocht om een reactie omtrent de van het Ministerie verstrekte gegevens. Bij gemotiveerde betwisting van de gegevens door de verzekerde ligt bovendien het naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit een oogpunt van een evenwichtige bewijslastverdeling en gelet op de aan verweerder als bestuursorgaan ter beschikking staande onderzoeksmogelijkheden tevens op de weg van verweerder bij het CIJB nader navraag te doen over de aldus verstrekte gegevens.

3.6. In het dossier bevindt zich slechts een uitdraai met daarop het burgerservicenummer van verzoeker, zijn geboortedatum, de datum van de laatste betaling (van de uitkering) en de datum van de straf. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat het bestreden besluit uitsluitend is gebaseerd op de vermelding van de naam van verzoeker op een door het Ministerie van Justitie vastgestelde lijst met namen van personen die zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Ook verweerder heeft geen andere gegevens met betrekking tot verzoeker dan zich thans in het dossier bevinden, aldus verweerders gemachtigde. Vooralsnog kan dan ook niet worden geoordeeld dat aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 43, zesde lid WAO is voldaan.

3.7. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder aldus het besluit van 27 juli 2011 in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende onderzocht of verzoeker zich daadwerkelijk heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende staf. Bovendien is in dit geval door verweerder ten onrechte niet bezien of het voor verzoeker kenbaar was of redelijkerwijs kenbaar kon zijn dat hij zich onttrok aan een nog boven zijn hoofd hangende gevangenisstraf, voordat tot intrekking van zijn WAO-uitkering is overgegaan.

3.8. Gelet op het voorgaande zal het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar geen stand kunnen houden. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding een voorlopige voorziening te treffen en het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de nog te nemen beslissing op bezwaar. Dit betekent dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van verzoeker doorloopt vanaf 1 augustus 2011.

3.9. Nu het verzoek wordt toegewezen ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten worden onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 874,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift + 1 punt voor het verschijnen ter zitting, per punt € 437,00). Tevens dient verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit tot zes weken na de nog te nemen beslissing op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan de griffier van de rechtbank;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.C.W. van der Voort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2011.

de griffier de voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D:

SB