Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BT6960

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
07-10-2011
Zaaknummer
Parketnummer 13-676328-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor doodslag op zijn vader tot TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/676328-10 (Promis)

Datum uitspraak: 5 oktober 2011

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1972],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] [woonplaats], gedetineerd in het Huis van Bewaring "PPC Amsterdam" te Amsterdam.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 27 juli 2010, 21 oktober 2010, 18 januari 2011, 8 april 2011, 1 juni 2011, 19 juli 2011, 2 augustus 2011 en 21 september 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.J.A.M. Rasker en van wat de raadsman van verdachte, mr. M. van Kuilenburg, naar voren heeft gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 7 april 2010 tot en met 17 april 2010 te [woonplaats], in elk geval in Nederland, opzettelijk (en met voorbedachten rade) zijn vader, [vader] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg) voornoemde [vader] de keel dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of in de hals/nek gestoken/gesneden en/of een of meermalen tegen het gezicht, althans het hoofd, in elk geval het lichaam geslagen en/of gestompt en/of geschopt/getrapt, tengevolge waarvan voornoemde [vader] is overleden;

Subsidiair:

hij in of omstreeks de periode 7 april 2010 tot en met 17 april 2010 te [woonplaats], in elk geval in Nederland, aan een persoon (te weten zijn vader) genaamd [vader], opzettelijk (en met voorbedachte rade) zwaar lichamelijk letsel (een steekwond in de nek en/of een gebroken strottenhoofd en/of ander lichamelijk letsel), heeft toegebracht, door deze opzettelijk de keel dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden en/of in de hals/nek te steken/snijden en/of een of meermalen tegen het gezicht, althans het hoofd, in elk geval het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te schoppen/trappen, terwijl dat feit de dood van die [vader] ten gevolge heeft gehad;

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

De oproeping voor de zitting op 21 september 2011 is aan verdachte in persoon in het huis van bewaring uitgereikt op 16 september 2011. Aldus is niet voldaan aan de wettelijke 10 dagen-termijn. Op de akte is geen aantekening te vinden waaruit kan blijken dat verdachte met een verkorte oproepingstermijn heeft ingestemd. Ter zitting heeft de raadsman verklaard dat wat hem betreft de zitting doorgang kan vinden. De rechtbank begrijpt deze uitlating aldus dat de raadsman namens verdachte afstand heeft gedaan van deze termijn. Naar het oordeel van de rechtbank wordt verdachte aldus niet in zijn belangen geraakt. Verdachte heeft geen enkele zitting bijgewoond. Het is onaannemelijk dat verdachte wat de zitting op 21 september 2011 betreft een ander standpunt zou hebben ingenomen ingeval de oproeping hem tijdig had bereikt. De oproeping is geldig.

4. Waardering van het bewijs

4.1. Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.i

Op 17 april 2010 omstreeks 13:00 uur wilde [zus] ([zus]) samen met haar dochter bij haar vader, wonende aan de [adres] te [woonplaats], op bezoek gaan. Haar vader woont daar samen met haar jongste broer, [verdachte]. [zus] heeft een aantal keren aangebeld, maar er werd niet opengedaan. Zij beschikte over een sleutel waarmee zij de deur opende. Zij merkte dat de deur op slot gedraaid was en zag dat er een stapel post achter de deur lag. Dat bevreemdde haar omdat haar vader de post altijd meteen weghaalt. Haar dochter heeft achter haar de post opgeraapt en op de tafel gelegd. Het viel [zus] op dat de deur van de keuken naar de tuin open stond. Aangezien zij niemand aantrof liep zij naar de eerste etage van de woning, naar de slaapkamer van haar vader. De deur stond open. Zij zag dat haar vader op de grond tussen het bed en de verwarming lag in een heel vreemde houding. Tevens zag zij veel bloed. Zij schrok, wist eigenlijk al dat haar vader was overleden en belde 112.ii

Ter plaatse gekomen verbalisanten zagen een ouder manspersoon naast het bed op de grond liggen met zijn hoofd tegen de verwarming aan. Rondom het lichaam lag een grote hoeveelheid gestolde vloeistof, gelijkend op bloed. Het kussen op het bed was rood gekleurd. Verbalisanten zagen een klein mesje liggen met een zwart handvat. Tevens zagen zij een zilverkleurig lemmet liggen en nabij dat lemmet een stuk van een zwart heft. Aanwezig ambulancepersoneel deelde mede dat zij niets meer voor het slachtoffer konden doen.iii

Het slachtoffer bleek te zijn [vader]. Er zijn volgens de politie aanwijzingen dat zijn zoon, [verdachte], als verdachte kan worden aangemerkt, aangezien geen sporen van braak zijn aangetroffen, [verdachte] is gediagnosticeerd als schizofreen en sinds het aantreffen van zijn vader niet meer op diens adres aanwezig is geweest. Familieleden hebben verklaard dat zij rekening houden met de mogelijkheid dat [verdachte] het delict heeft gepleegd.iv

Verdachte legt zelf op 22 april 2010 bij de politie een bekennende verklaring af. Hij heeft klappen en trappen tegen het hoofd van het slachtoffer gegeven. Dat was in zijn slaapkamer. Toen verdachte wegging, leefde zijn vader nog. Hij heeft geprobeerd hem dood te steken, maar de handvaten van de messen braken af. Het is twee weken geleden dat het is gebeurd. Hij schrok wakker, voelde wat in zijn mond en stikte zowat. Het was zijn vaders geslachtsdeel. Hij heeft het uit zijn mond geramd en zijn vader ging weer terug naar zijn slaapkamer. Verdachte ging achter hem aan. Zij waren samen op het bed toen het bed stuk ging. Hij sloeg zijn vader op zijn hoofd, maar er gebeurde niets. Toen gaf hij er nog tien achteraan, maar er gebeurde nog steeds niets. Zijn vader viel op de grond en verdachte heeft het hoofd van zijn vader tegen de radiator aangeschopt. Verdachte is daarna naar het OLVG gelopen omdat hij last had van zijn hand. Tijdens het afleggen van zijn verklaring over het geweld maakt verdachte stomp- en schopbewegingen.v

In een later verhoor bij de politie legt verdachte een nadere verklaring af waarbij hij als volgt verklaart. Er zat iets onzichtbaars in mijn mond, waardoor ik moest kokhalzen en ik bijna stikte. Het was mijn vader. Hij stond niet naast mijn bed. Mijn vader lag te slapen in zijn bed. Ik werd heel boos en heb hem dood gemaakt. Ik heb mijn vader geslagen en zijn hoofd tegen de radiator aangeschopt. Het was mijn bedoeling om hem met een (1) klap uit te schakelen. Ik heb hem gelijk klappen gegeven en tegen de radiator getrapt. Ik heb hem wel 20 keer tegen een radiator aangeschopt. Ik kwam er achter dat hij maar niet dood ging. Ik heb die messen gepakt uit de keuken, nadat ik hem geslagen had. Ik wilde hem steken met het mes, maar het handvat brak. Met het tweede mes wilde ik zijn keel doorsnijden, maar het handvat brak af. Ik ben het huis uitgelopen. Ik heb de keukendeur open laten staan. Ik heb nog naar mijn vader gekeken, maar hij leefde nog. Ik heb hem met blote voeten geschopt. Ik had ook bloed aan mijn voeten. Ik zag later dat ik bloed op mijn armen had. Mijn vader lag bij de radiator toen ik wegging. Ik wist dat hij toen nog leefde door zijn gorgelen. Ik ben via de keukendeur naar buiten gegaan omdat ik de sleutel van de voordeur niet kon vinden. Wij hebben geleerd om alles op slot te doen. Ik wilde die man dood maken om wat hij had gedaan. Dat lukte niet en toen werd ik wanhopig.vi

Op 8 april 2010 om 03:59 uur werd verdachte na zelfverwijzing opgenomen in het OLVG vanwege een pijnlijke hand. Er werd een zwelling geconstateerd. Tevens werd bloed op de handen waargenomen zonder wond.vii

Op 20 april 2010 werd sectie verricht op het stoffelijk overschot van [vader]. Het sectierapport houdt zakelijk weergegeven het volgende in. Ten aanzien van de doodsoorzaak kan men op grond van de bij sectie verkregen informatie stellen dat het overlijden verklaard kan worden door het sterke bloedverlies, door eventuele wurghandelingen, door een verstoring van de hartfunctie ontstaan door ernstig bloedverlies in combinatie met de afwijkingen aan het hart of door meerdere of alle genoemde factoren, waarbij niet aan te geven is welke factoren in welke mate aan het overlijden hebben bijgedragen. De conclusie luidt dat het overlijden van [vader] wordt verklaard door de verwikkelingen van de toegebrachte letsels al dan niet in combinatie met ziekelijke afwijkingen aan het hart.viii

Er zijn drie insectenmonsters veiliggesteld op de plaats van lijkvinding, waarvan één gefixeerd in alcohol. Volgens de onderzoeker is er sprake van een minimaal postmortaal interval van ongeveer 4 dagen terug te rekenen vanaf het moment waarop het entomologisch monster op de plaats van lijkvinding werd gefixeerd.ix Deze fixatie heeft plaatsgevonden tussen 17 april 2010 te 15:00 uur en 18 april 2010 te 14:30 uur.x

4.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd. Dit baseert hij op het feit dat verdachte veel daderkennis heeft en dat op de plaats delict schoenzoolafdrukken in bloed werden aangetroffen met een overeenkomst qua maat en profiel met de schoenen van verdachte. De officier van justitie acht het het meest waarschijnlijk dat de feitelijkheden hebben plaatsgevonden in de nacht van 7 op 8 april 2010. Verdachte heeft immers in zijn verhoor op 22 april 2010 verklaard zijn vader 2 weken geleden te hebben gedood en dat hij daarna naar het OLVG is gelopen omdat hij last van zijn hand had. Verdachte is op 8 april in het OLVG geweest. Tevens is een weekkrantje gevonden van 8 april en op een aangetroffen kalender is 7 april 2010 als laatste aangestreept. Buurvrouw [getuige 1] werd 2 uur 's nachts op 8 april wakker omdat zij veel lawaai hoorde dat bij [vader] vandaan kwam. In dit scenario moeten de zoon van het slachtoffer, [broer], en diens vrouw zich vergissen als zij verklaren dat zij het slachtoffer op 10 april 2010 hebben bezocht.

De officier van justitie acht de mogelijkheid dat de feitelijkheden in de periode van 13 tot en met 14 april 2010 hebben plaatsgevonden niet geheel uit te sluiten. Gelet op de verklaring ter terechtzitting van dr. Kubat acht de officier van justitie het denkbaar dat de feitelijkheden zijn begaan in de nacht van 7 op 8 april 2010 en dat de dood op 13 of 14 april 2010 is ingetreden. Het feit dient als doodslag gekwalificeerd te worden, aldus de officier van justitie, die bij repliek nog naar voren heeft gebracht dat verdachte, door een oudere man dusdanig toe te takelen en vervolgens achter te laten, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden.

4.3. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat [broer] en zijn vrouw reeds op 17 april 2010 zijn verhoord, kort na 10 april dus, zodat er geen misverstand kan bestaan over de datum van het bezoek, temeer nu zij die datum gerelateerd hebben aan de verjaardag van de echtgenote, een dag eerder. Op 10 april hebben zij geen uiterlijke vormen van geweld waargenomen. Voorts heeft de raadsman bepleit dat aan de eigen verklaring van verdachte niet veel waarde kan worden toegekend, nu verdachte sociaal wenselijke antwoorden geeft. Verdachte heeft in het ziekenhuis in Beverwijk gelegen, in ieder geval van 10 tot en met 14 april 2010, de datum dat het infuus werd verwijderd. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid heeft verdachte in die periode het ziekenhuis niet verlaten. De raadsman wijst er op dat de schouwarts, dr. Bink, bij de rechter-commissaris heeft gesproken over een overlijden drie tot vijf dagen voor het aantreffen van het slachtoffer en de entomoloog over een postmortaal interval van minimaal drie en een halve dag à vier dagen. Het slachtoffer is derhalve overleden in de periode dat verdachte in het ziekenhuis verbleef, zodat hij de dader niet kan zijn. De raadsman heeft voorts het causaal verband tussen het letsel en het overlijden in twijfel getrokken. De patholoog, dr. Kubat heeft ter terechtzitting immers verklaard dat geen van de letsels op zich dodelijk hoeft te zijn. Om die reden kan het subsidiair ten laste gelegde eveneens niet bewezen worden, aldus de raadsman, die tenslotte nog heeft bepleit dat het opzet op de dood ontbreekt, omdat verdachte slechts de in zijn hoofd bestaande fictie heeft willen beëindigen.

4.4. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat verdachte het hierna bewezen geachte heeft begaan en gaat ervan uit dat de feitelijkheden hebben plaatsgevonden in de nacht van 7 op 8 april 2010. Zij overweegt daartoe als volgt.

Verdachte beschikt over daderkennis tot in detail. De bevindingen, gerelateerd in het proces-verbaal op de bladzijden B 086 en B 088 tot en met B 104, passen naadloos op de verklaring van verdachte. De rechtbank noemt in het bijzonder de plek waar het slachtoffer werd aangetroffen, alsmede het kapotte bed en het aantreffen van de gebroken messen. Voorts wordt de verklaring van verdachte gesteund door die van zijn zus [zus] (blz. E 001 e.v.), die immers een afgesloten voordeur en geopende keukendeur aantrof.

Met betrekking tot de pleegdatum stelt de rechtbank allereerst vast dat de kans dat verdachte in de periode van 10 tot en met 15 april 2010 het ziekenhuis in Beverwijk heeft verlaten, waar hij in die periode was opgenomen, te verwaarlozen is. Zij gaat er dan ook vanuit dat dit niet is gebeurd. Verdachte heeft immers van 10 april tot en met 14 april 2010 aan een infuus gelegen. Voorts is de aanwezigheid van verdachte gecontroleerd tijdens visites en etensmomenten. Verdachte kon bovendien zeer moeizaam lopen.

Het oordeel dat de feitelijkheden hebben plaatsgevonden in de nacht van 7 op 8 april 2010 vindt op diverse wijzen steun in het dossier. Getuige [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij die nacht tussen 01:00 uur en 02:00 uur [verdachte] lawaai heeft horen maken. Bij de politie verklaart zij dat zij op 8 april omstreeks 02.00 uur wakker is geworden van veel lawaai. Toen zij goed luisterde hoorde zij dat het lawaai bij [vader] vandaan kwam. Zij hoorde dat er meerdere keren geschreeuwd werd. Getuige [getuige 1] hoorde harde bonken en had het idee dat de boel kort en klein geslagen werd. Voor haar gevoel heeft het lawaai een half uur geduurd, daarna was het opeens stil (blz. E 067 e.v.).

Zoals hiervoor onder 4.1 reeds vermeld heeft verdachte zich die nacht om 03:59 uur in het OLVG gemeld met een pijnlijke hand, hetgeen ook weer past op de eigen verklaring van verdachte, eveneens hiervoor onder 4.1 weergegeven. Tenslotte zijn ook het aantreffen van een krantje van 8 april 2010 (op 17 april 2010 op de deurmat en later op de keukentafel gelegd) en het ontbreken van eerder gedateerde post (blz. B 032), alsmede het feit dat op een in de keuken hangende scheurkalender de data tot en met 7 april 2010 zijn onderstreept aanwijzingen dat de feitelijkheden in de nacht van 7 op 8 april 2010 hebben plaatsgevonden.

Ter terechtzitting heeft de deskundige, dr. Kubat, verklaard dat het moment van overlijden 2 tot misschien 7 dagen voor de sectie (op 20 april 2010) was. Zij sloot niet uit dat er meer dan 7 dagen tussen heeft gezeten. Beoordeling van die periode op basis van postmortale verandering is onnauwkeurig, aldus de deskundige. Zij verklaarde voorts dat een periode kan zijn verstreken tussen het geweld en het overlijden. Ervan uitgaande dat het slachtoffer zich niet meer heeft kunnen bewegen en dus geen vocht tot zich heeft kunnen nemen, kan het in de gegeven omstandigheden nog 5 tot 7 dagen duren voordat een persoon uitdroogt en sterft. Verbloeding kan ook de doodsoorzaak zijn. Dit kan snel gebeuren, maar bij geleidelijk bloedverlies ook lang duren.

Een en ander in ogenschouw genomen gaat de rechtbank ervan uit dat het slachtoffer op enig moment tussen de feitelijkheden in de nacht van 7 op 8 april 2010 en 14 april 2010 moet zijn overleden, waarbij ongewis is hoelang die periode heeft geduurd.

De rechtbank realiseert zich dat zij met dit scenario voorbij gaat aan de verklaringen van 4 getuigen die hebben verklaard dat zij het slachtoffer na de nacht van 7 op 8 april 2010 nog in leven hebben gezien. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze verklaringen oprecht, maar kan het niet anders dan dat deze getuigen zich vergissen. Zij ziet zich in dit oordeel gesteund door alle hiervoor opgesomde omstandigheden. De verklaringen van [broer] en diens echtgenote, inhoudende dat zij het slachtoffer op 10 april 2010 nog hebben bezocht en aldaar ook verdachte hebben gezien, staan op gespannen voet met nog meer feiten die uit het dossier naar voren komen en waaruit blijkt dat het niet waarschijnlijk is dat verdachte op 10 april 2010 in de woning was. Volgens sociaal psychisch verpleger [sociaal psychisch verpleger] is verdachte op 9 april door de politie naar de nachtopvang gebracht. Verdachte heeft volgens hem verklaard dat hij slaande ruzie had gehad met zijn vader en daar sindsdien niet meer woonde (proces-verbaal van bevindingen, blz. B 055). Bij zijn bezoek op 8 april 2010 aan het OLVG is op de arm van verdachte gips aangebracht. Op die datum was ook al sprake van pijn aan een voet (ontslagbrief balie). Volgens een notitie van het Leger des Heils had verdachte ook op 9 april 2010 nog gips om zijn hand (blz. B 050). Op 10 april 2010 wordt verdachte, op een tijdstip dat slechts met moeite aansluit aan het tijdstip dat de getuigen verdachte bij het slachtoffer thuis zouden hebben gezien, door een getuige op een bankje in Heemskerk gezien. Deze getuige, mevrouw [getuige 2], verklaarde dat zij door verdachte werd aangesproken met: "Mevrouw, mevrouw, ik kan niet meer lopen, kunt u een ambulance voor mij bellen?". Deze getuige nam waar dat verdachte een arm in het gips had (blz. B 038 e.v.). Zowel [broer] als zijn echtgenote hebben niets verklaard over gips of moeilijk lopen van verdachte. [broer] heeft bij de rechter-commissaris zelfs nadrukkelijk verklaard dat hij geen gips heeft gezien. Het ligt niet in de rede te veronderstellen dat verdachte tussen 9 en 10 april 2010 zijn gips er zelf vanaf heeft gehaald en er ook weer heeft omgedaan.

Twee andere getuigen hebben tegenover de politie verklaard dat zij [vader] op 13 april 2010 in leven hebben gezien. Ten overstaan van de rechter-commissaris hebben zij zich daarover minder absoluut uitgelaten. De rechtbank is gelet op het bewijsmateriaal van oordeel dat deze getuigen zich één week moeten hebben vergist.

Het verweer van de raadsman van verdachte voor zover dat het causaal verband tussen het letsel en het overlijden en het opzet van verdachte op de dood van het slachtoffer betreft wordt weerlegd door de onder 4.1 genoemde bewijsmiddelen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.1 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte in de periode van 7 april 2010 tot en met 14 april 2010 te [woonplaats] opzettelijk zijn vader, [vader], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet voornoemde [vader] in de hals gestoken/gesneden en meermalen tegen het hoofd gestompt en geschopt, tengevolge waarvan voornoemde [vader] is overleden.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is echter niet strafbaar. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende:

In het op 15 oktober 2010 uitgebrachte rapport betreffende verdachte concluderen A.G.S. de Ranitz en P.E. Geurkink, respectievelijk psychiater en psycholoog, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, dat verdachte lijdt aan ziekelijke stoornissen en dat daarnaast sprake is van een gebrekkige ontwikkeling. Verdachte lijdt aan schizofrenie van het paranoïde type, ononderbroken en met opvallende negatieve symptomen. Hij is afhankelijk van alcohol en cannabis en er is sprake van misbruik van cocaïne.

Er kan met zekerheid gesteld worden dat verdachte lijdende was aan deze stoornissen ten tijde van het ten laste gelegde en dit beïnvloedde verdachtes gedragskeuzes en gedragingen zodanig dat dat mede daaruit verklaard kan worden. De aanleiding voor het ten laste gelegde lijkt geheel psychotisch van aard te zijn. Gezien de ingrijpende aard en de ongunstige wisselwerking tussen de diverse componenten van de vastgestelde pathologie heeft verdachte geen invloed meer kunnen uitoefenen op zijn gedrag.

Geadviseerd wordt verdachte als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen. Verdachte lijdt aan een ernstig ziektebeeld dat in de loop van de tijd verder verergerd is en dat thans leidt tot een toestand waarin betrokkene niet goed voor zichzelf kan zorgen, chronisch psychotisch en daardoor geagiteerd is en waarin snelle reactieve waanvorming naar zijn omgeving voortdurend op de loer ligt. De kans op herhaling is groot. Verdachtes gedrag is onvoorspelbaar en wordt vooral bepaald door de actuele ernst van zijn ziektebeeld. Verdachte is niet in staat invloed uit te oefenen op het ziekteproces. Het zijn externe factoren die het beloop zullen bepalen, namelijk of men er al dan niet in zal slagen de psychose adequaat te behandelen en of er voldoende begeleiding en zorg zal zijn ten aanzien van de verstandelijke beperking en de verslavingsproblematiek.

De kans op recidive is aanzienlijk tot zeer hoog, vooral op de middellange termijn als verdachte nu zonder hulp en begeleiding op straat komt te staan. Een omgeving waarin verdachte onvoldoende zorg krijgt en blootgesteld wordt aan stress en andere prikkels zal een ongunstig effect hebben op de ernst van zijn toestandsbeeld en het gevaar op recidive doen toenemen. Om het risico op recidive te verlagen moet verdachte klinisch langdurig worden gestabiliseerd. Zeer waarschijnlijk zal verdachte levenslang afhankelijk zijn van begeleiding, behandeling en controle. Vanwege het gebrek aan ziekte-inzicht en probleembesef en het grote risico op herhaling indien er onvoldoende behandeling en begeleiding is, is een setting waar verdachte langdurig klinisch kan verblijven met een afdoende beveiliging noodzakelijk. De kans dat een en ander in een ander kader dan terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging kan slagen wordt als zeer gering tot nihil ingeschat.

De rechtbank neemt deze conclusie over en volgt dit advies.

Het bewezen geachte feit kan verdachte wegens gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornissen dus niet worden toegerekend. Verdachte dient daarvoor dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

8. Terbeschikkingstelling

8.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging en dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging aan hem dient te worden opgelegd.

8.2. Het standpunt van de verdediging

Reeds ter terechtzitting van 19 juli 2011 heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat verdachte naar eigen zeggen gedurende vele jaren niet afdoende is behandeld. Verdachte woonde in 2007 in een beschermde woonvorm en had niet moeten terugkeren naar het ouderlijk huis. Met externe hulp, al dan niet via een rechterlijke machtiging, had de tragedie wellicht kunnen worden voorkomen. Verdachte is van mening dat in geval van een veroordeling gevangenisstraf zonder TBS dient te worden opgelegd. Stoppen met medicijngebruik was geen vrije keuze; verdachte beschikte domweg niet over medicijnen toen hij zwervende was, aldus de raadsman die daaraan nog toevoegde dat verdachte voorafgaand aan de zitting van 1 juni 2011 aan de beterende hand was en dat een dag voor de zitting van 19 juli 2011 een goed gesprek met hem te voeren was. De medicatie slaat aan.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

Het strafrecht en in het bijzonder het opleggen van straffen en maatregelen dienen niet slechts een repressief, maar ook een preventief doel. Wezenlijk onderdeel van preventie is het terugdringen van de kans op recidive. Gelet op hetgeen de psychiater en de psycholoog daarover in hun rapport van 15 oktober 2010 hebben gerelateerd is evident dat het opleggen van gevangenisstraf daartoe volstrekt ontoereikend is.

Het bewezen geachte feit is een misdrijf waarop de wet een gevangenisstraf van vier jaren of meer stelt. Om deze reden en vanwege de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, dient verdachte ter beschikking gesteld te worden en van overheidswege te worden verpleegd. Gelet op het bewezen geachte en het strafbare feit dat dat bewezen geachte oplevert, wordt de maatregel opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezene niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- een personenauto, Volvo, kleur groen en

- een autosleutel Volvo

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Salomon, voorzitter,

mrs. C.A.E. Wijnker en D.J. de Jong, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 oktober 2011.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii Een proces-verbaal met nummer 2010096472-6 van 18 april 2010, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], doorgenummerde bladzijden E 001 tot en met 005, inhoudende de verklaring van [zus].

iii Een proces-verbaal met nummer 2010096472-2 van 17 april 2010, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], doorgenummerde bladzijden B 001 tot en met 003, inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisanten.

iv Een proces-verbaal met nummer 2010096472 van 20 april 2010, opgemaakt door [verbalisant 5], doorgenummerde bladzijden B 024 tot en met 026, inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisant.

v Een proces-verbaal samenvatting studioverhoor met nummer 2010096472 van 22 april 2010, opgemaakt door [verbalisant 6], doorgenummerde bladzijden D 016 tot en met 020, inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisant.

vi Een proces-verbaal samenvatting studioverhoor met nummer 2010096472 van 6 mei 2010, opgemaakt door [verbalisant 6], doorgenummerde bladzijden D 21 tot en met 028, inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisant.

vii Een geschrift, zijnde een fotokopie van een ontslagbrief balie van het OLVG, betreffende verdachte.

viii Een geschrift, zijnde een fotokopie van een sectierapport van 20 december 2010, opgemaakt door dr. B. Kubat, arts en patholoog.

ix Een geschrift, zijnde een fotokopie van een entomologisch rapport van 14 mei 2010, opgemaakt door drs. J. Huijbregts, entomoloog.

x Een proces-verbaal met nummer 2010096472-75 van 4 mei 2010, opgemaakt door [verbalisant 7], [verbalisant 8], [verbalisant 9], [verbalisant 10] en [verbalisant 11], bladzijden B 086, 095 en 096, inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisanten.