Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BT6834

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-2011
Datum publicatie
06-10-2011
Zaaknummer
13/650667-10 en 13/853792-09 TUL (Promis)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BV8417, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De 'Damschreeuwer' wordt veroordeeld wegens lichamelijk letsel door schuld, terwijl de schuld bestaat uit roekeloosheid, en nog enkele feiten. Hij wordt veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde dat hij vijf jaar lang niet bij de jaarlijkse dodenherdenking op de Dam in Amsterdam aanwezig mag zijn.

De schreeuw van verdachte is geschikt om paniek in een mensenmassa en daarmee het letsel teweeg te brengen. Er is sprake van een causaal verband tussen de schreeuw van verdachte en het ontstane gevolg. Het feit dat andere mensen zijn gaan schreeuwen en dat hekken zijn gevallen heeft bijgedragen aan het gevolg maar dat neemt niet het causaal verband weg. Verdachte heeft kunnen voorzien dat zijn schreeuw een paniekreactie met alle gevolgen van dien zou veroorzaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/650667-10 en 13/853792-09 TUL (Promis)

Datum uitspraak: 6 oktober 2011

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],,

geboren te [geboorteplaats] op [1971],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] [plaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 september 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. O.J.M. van der Bijl en van hetgeen de raadsman, mr. Th.U. Hiddema, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 04 mei 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

roekeloos, althans grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of

onachtzaam en/of nalatig,

- hinderlijk is doorgedrongen in de op de Dam in verband met de

dodenherdenking aanwezige menigte, gedurende de twee gezamenlijke minuten

stilte, en vervolgens

- meermalen, althans eenmaal, zijn armen heeft gespreid en angstaanjagend

luidkeels heeft geschreeuwd: "Ahhhh, Ahhhh" (zie pvb van verbalisant [verbalisant 1]

en verbalisant [verbalisant 2] pag 18 tot en met 20),

waardoor (een gedeelte van) die menigte ongecontroleerd in beweging kwam,

waardoor een aantal personen waaronder:

1. mw. [slachtoffer 1], en/of

2. mw. [slachtoffer 2], en/of

3. mw. [slachtoffer 3], en/of

4. mw. [slachtoffer 4] en/of

5. dhr. [slachtoffer 5] en/of

6. [slachtoffer 6] en/of

7. dhr. [slachtoffer 7] en/of

8. mw. [slachtoffer 8] en/of

9. een aantal tot nu toe nog onbekend gebleven personen

zwaar lichamelijk letsel en/of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte

en/of verhindering in de uitoefening van zijn of haar ambts- of

beroepsbezigheden is ontstaan, heeft bekomen, te weten:

1. een fractuur van het been en/of de knie ([slachtoffer 1])

2. een fractuur van het linker sleutelbeen ([slachtoffer 2])

3. een fractuur van de rechterelleboog en een litteken op de rechterelleboog

([slachtoffer 3])

4. een fractuur van de rechter bovenarm ([slachtoffer 4])

5. zware kneuzingen aan de linkerschouder, -elleboog, -pols, -knie en -been

([slachtoffer 5])

6. een fractuur van de wijsvinger van de rechterhand ([slachtoffer 6])

7. een zware kneuzing van de heup ([slachtoffer 7])

8. een kneuzing van de onderrug en de linkerheup ([slachtoffer 8])

hetgeen aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is;

(artikel 308 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 04 mei 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

opzettelijk door valse alarmkreten en/of signalen de rust heeft verstoord,

immers is verdachte opzettelijk hinderlijk doorgedrongen in de menigte op de

Dam die daar was in verband met de dodenherdenking, gedurende de twee

gezamenlijke minuten stilte, en heeft hij, verdachte,vervolgens meermalen,

althans eenmaal zijn armen gespreid en angstaanjagend luidkeels geschreeuwd:

"Ahhhh, Ahhhh" (zie pvb van verbalisant [verbalisant 1] en verbalisant [verbalisant 2] pag

18 tot en met 20), waardoor (een gedeelte van) die menigte ongecontroleerd in

beweging kwam en de rust (tijdens de twee minuten gezamenlijke stilte) van de

dodenherdenking werd verstoord;

(artikel 142 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair:

hij op of omstreeks 4 mei 2010 te Amsterdam op of aan de weg, namelijk de Dam,

afzonderlijk onnodig heeft opgedrongen, anderen heeft lastig gevallen en/of op

andere wijze de orde heeft verstoord,

immers heeft hij, verdachte,

tijdens en voorafgaand aan de twee minuten stilte opzettelijk hinderlijk op-

dan wel doorgedrongen in de op de Dam aanwezige menigte die daar was in

verband met de dodenherdenking en heeft hij, verdachte, meermalen althans

eenmaal gedurende de twee minuten stilte zijn armen gespreid en

angstaanjagend luidkeels geschreeuwd: "Ahhhh, Ahhhh", waardoor (een gedeelte

van) die menigte ongecontroleerd in beweging kwam en de rust en orde (tijdens

de twee minuten gezamenlijke stilte) van de dodenherdenking werd verstoord.

(artikel 2.2, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening van

Amsterdam)

3.

hij op of omstreeks 4 april 2010 te Harlingen opzettelijk en wederrechtelijk

een ruit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 9], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft

vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door een bloempot door die

ruit te gooien;

(artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 28 maart 2011 te Amsterdam met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een overhemd (merk Alveare) en

een stropdas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de

Bijenkorf, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht)

5.

hij op of omstreeks 12 juni 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met

het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (in/uit een

winkelpand gevestigd Dam 1) (een paar) schoenen (met een waarde van 109 euro),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan De Bijenkorf, in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(artikel 310 Wetboek van Strafrecht)

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van verdachte sprake is van het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel en tijdelijke verhindering van de bezigheden door schuld (feit 1). Verdachte heeft zich op 4 mei 2010 tijdens de dodenherdenking op de Dam in Amsterdam door de menigte heen gedrongen en spreidde op enig moment zijn armen, terwijl hij 'Ahhh Ahhhh' schreeuwde. Direct na de schreeuw van verdachte zijn de omstanders vlak naast hem gaan vluchten. Er ontstond een kring van mensen welke steeds breder werd, omdat iedereen weg rende. Hierdoor begon de hele menigte te rennen en ontstond er paniek. Verschillende getuigen en politieagenten hebben verklaard dat de paniek uitbrak en de mensen begonnen te rennen, na de schreeuw van verdachte. Het voorgaande wordt ook ondersteund door de videobeelden waarop te zien is dat de menigte in beweging komt vanuit het punt waar de verdachte stond en heeft geschreeuwd, direct nadat hij heeft geschreeuwd. Op de videobeelden is tevens te zien en te horen dat de hekken vallen slechts enkele seconden na de schreeuw. De reden waarom de hekken zijn gevallen is omdat er tegenaan werd geduwd. Er werd tegen de hekken geduwd omdat de menigte in beweging kwam na de schreeuw. Alle bijkomende factoren die aan de paniek hebben bijgedragen, zoals het schreeuwen van mensen, zijn redelijkerwijs aan verdachte toe te rekenen. Het zijn allemaal begrijpelijke en te verwachten gebeurtenissen die zich kunnen voordoen als een menigte zo in paniek raakt als direct in de omgeving van de damschreeuwer gebeurde. Dat de menigte in zijn directe nabijheid in paniek raakte was iets wat de verdachte ook kon verwachten. De gebeurtenis op Koninginnedag van het jaar daarvoor heeft bij het ontstaan van die paniek een rol gespeeld. Vele aanwezigen hebben hier meteen aan gedacht, toen zij de schreeuw hoorden. De gebeurtenissen die zich na de schreeuw hebben voorgedaan zijn toe te rekenen aan verdachte. De conclusie is dat er een causaal verband bestaat tussen de schreeuw van verdachte en het letsel dat is opgetreden.

Ook feit 2 primair kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Verdachte heeft de rust verstoord door een valse alarmkreet. De schreeuw van verdachte kan worden geassocieerd met pijn of woede en heeft aldus een waarschuwend effect gehad.

Ook de feiten 3 (vernieling van een ruit), 4 (diefstal) en 5 (diefstal) kunnen wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. De feiten 3 en 4 heeft verdachte zelf ook bekend.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte van het onder 1, 2 primair en 5 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat het duidelijk is dat op 4 mei 2010 rond 20:00 uur een aantal gebeurtenissen elkaar in een zeer kort tijdbestek is opgevolgd. Het is echter onduidelijk waardoor de paniek precies is ontstaan. Op de beelden van het incident die aan het dossier zijn toegevoegd, is duidelijk te zien en te horen dat het na de schreeuw van verdachte een kort moment rustig blijft. Pas nadat een vrouw gilt en er knallen te horen zijn, breekt er massale paniek uit. Uit verschillende getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat de paniek een rechtstreek gevolg is geweest van de knallen. Enig verband tussen de schreeuw van verdachte en de knallen blijkt niet uit deze verklaringen. Op de beelden is ook duidelijk te zien en te horen dat de massale paniek pas uitbreekt na het horen van de knallen. Duidelijk is dat verdachte heeft geschreeuwd, dat andere mensen daarop hebben gereageerd door hem te slaan, dat hij hardhandig is aangehouden door de politie, dat er knallen hebben geklonken en dat er massale paniek is uitgebroken; er kan echter niet met zekerheid gezegd worden of en in hoeverre deze zaken verband met elkaar houden. Er is dan ook geen sprake van een conditio sine qua non verband tussen het handelen van verdachte en en het ontstane letsel. Voorts is het naar algemene ervaringsregels niet voorzienbaar dat een schreeuw tot (zwaar) lichamelijk letsel kan leiden. Evenmin is een schreeuw naar haar aard geschikt om lichamelijk letsel te veroorzaken. Het letsel kan derhalve niet aan verdachte worden toegerekend. Ook is er geen sprake van roekeloosheid oftewel onvoorzichtig gedrag. Het slaken van een kreet brengt geen groot risico op letsel met zich mee, zodat het handelen van verdachte niet of slechts in zeer geringe mate als feitelijk onvoorzichtig kan worden beschouwd. De feitelijke onvoorzichtigheid is echter pas juridisch relevant als het gevolg voorzienbaar is. Het gevolg van de schreeuw van verdachte was absoluut niet voorzienbaar. De ontstane situatie is dermate extreem, dat verdachte deze op geen enkele wijze had kunnen voorzien op het moment dat hij 'zijn letter erin gooide'. De conclusie is dat het handelen van verdachte geen grove schuld oplevert en dat er ook geen sprake is van roekeloosheid.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Ten eerste omdat verdachte geen opzet had op het slaken van een valse alarmkreet. Ten tweede omdat zijn opzet niet gericht was op het verstoren van de rust.

Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte de schoenen niet wilde stelen, maar een proefrondje wilde lopen om te kijken of de schoenen goed zaten. Uit het feit dat hij zijn eigen schoenen in de Bijenkorf had laten staan, kan afgeleid worden dat hij de schoenen niet wilde stelen. Gelet hierop ontbreekt het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. De feiten 3 en 4 kunnen wettig en overtuigend worden bewezen nu verdachte deze feiten heeft bekend.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.4.1. Vrijspraak van een deel van het onder 1 primair tenlastegelegde.

De rechtbank acht met de officier van justitie niet wettig en overtuigend bewezen dat "een aantal tot nu toe nog onbekend gebleven personen" letsel hebben bekomen. Voorts acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde feit dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in art. 82 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte zal daarom van deze onderdelen van de tenlastelegging vrijgesproken dienen te worden.

4.4.2. Vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 2 primair is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hiertoe dat voor een bewezenverklaring van dit feit onder meer is vereist dat verdachte opzettelijk, al dan niet in voorwaardelijke vorm, een alarmkreet heeft geuit. Een alarmkreet moet worden opgevat als een kreet die waarschuwt voor gevaar met als doel dat mensen in actie komen ter vermijding van dit gevaar. Dat het door verdachte geuite geluid, Ahhhh Ahhhh, een alarmkreet zou betreffen blijkt niet uit de bewijsmiddelen. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zijn schreeuw een spontane reactie op de stilte was. Noch uit de verklaring van verdachte noch uit enig ander processtuk valt af te leiden dat verdachte met zijn kreet andere mensen wilde waarschuwen voor gevaar.

4.4.3. Het oordeel over het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen zijn vervat. Waar in dit vonnis een document wordt aangehaald, wordt daarmee bedoeld een ander geschrift in de zin van art. 344 lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafvordering, tenzij anders vermeld. De rechtbank heeft deze alleen in aanmerking genomen met andere bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde:

Op 4 mei 2010 rond 20:00 uur was op de Dam te Amsterdam de Nationale dodenherdenking waar de Koningin en diverse hoogwaardigheidsbekleders aanwezig waren. Tijdens de herdenking waren duizenden mensen aanwezig. Nadat de bel om 20:00 uur acht maal sloeg werd de 2 minuten stilte in acht genomen. Er was geen geluid hoorbaar en alle mensen waren stil. Na ongeveer 1 minuut stilte zagen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat verdachte, die op dat moment naar eigen zeggen een paar borrels op hadi, een zwarte hoed droeg en een lange baard had en er uitzag als een orthodox geklede jood, zich hinderlijk door de menigte bewoog. Terwijl verdachte door de menigte liep duwde hij mensen opzij. Ook was hij aan het praten. Er werd in de richting van verdachte geroepen dat hij stil moest zijn.ii Plotseling spreidde verdachte zijn armen en schreeuwde hierbij luidkeels "AHHHH AHHH".iii Het was een ijzingwekkende gil. Het ging door merg en been.iv Deze schreeuw hield 4 seconden aan.v Direct hierop begonnen omstanders vlak naast hem direct weg te vluchten. Er ontstond een kring van mensen welke steeds breder werd omdat iedereen wegrende. Hierdoor begon de hele menigte te rennen en ontstond er totale paniek.vi Ook de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] zagen dat verdachte zich door de menigte heen duwde, dat mensen daarop geïrriteerd reageerden en dat er na de schreeuw paniek ontstond in de mensenmassa. Zij hoorden mensen gillen en zij zagen mensen rennen en over elkaar heen vallen.vii Er zijn 87 mensen gewond geraakt.viii Van deze 87 mensen heeft zich een deel later gemeld bij de politie.

-Mw. [slachtoffer 2] viel op de grond doordat de mensen in paniek begonnen te rennen. Nadat zij op de grond lag, is een aantal mensen boven op haar gevallen.ix Na onderzoek is een fractuur van het linkersleutelbeen geconstateerd,x Zij is hierdoor twee maanden volledig arbeisongeschikt geweest, daarna enige tijd gedeeltelijk arbeidsongeschikt.xi

Een ander slachtoffer is mw. [slachtoffer 3], ook zij is op de grond terecht gekomen, nadat een groep mensen op haar kwam afrennen en iemand tegen haar opliep. Zij is op haar rechterelleboog gevallen.xii Hierdoor is zij gewond geraakt aan haar rechterelleboog. In het ziekenhuis is de wond gehecht.xiii Drie of vier maanden daarna heeft zij haar arm niet pijnvrij kunnen bewegen en heeft het nog een hele tijd pijn gedaan.xiv

Een volgend slachtoffer is mw. [slachtoffer 4] en ook zij kwam ten val tijdens het uitbreken van de paniek. Direct na de val voelde zij een hevige pijn aan haar arm.xv In het ziekenhuis bleek sprake te zijn van een fractuur van de rechter bovenarm.xvi Zij heeft daarna 4 tot 6 weken rust moeten houden.xvii

Een volgend slachtoffer is dhr. [slachtoffer 5]. Hij is over de hekken heen gevallen nadat de paniek uitbrak. Hierdoor heeft hij zware kneuzingen aan de linkerschouder, -elleboog, -pols, -knie en -been opgelopen. Hij heeft drie weken niet kunnen werken en heeft tot op heden nog last van zijn schouder.xviii

Een volgend slachtoffer is dhr. [slachtoffer 6]. Hij struikelde in de paniek en kwam op de grond terecht. Nadat hij op de grond lag, vielen nog een aantal mensen over hem heen. Later zag hij dat zijn vinger dik werd en na onderzoek in het ziekenhuis bleek dat hij zijn wijsvinger van zijn rechterhand gebroken had. Hij kan tot op heden zijn vinger niet meer helemaal buigen .xix

Een volgend slachtoffer is dhr. [slachtoffer 7] die ook, na het uitbreken van de paniek op de grond is terechtgekomen.xx Hierdoor is hij zwaar gekneusd geraakt aan zijn heup.xxi Daarvan heeft hij 4 tot 5 maanden last gehad; hij heeft 3 weken in het geheel niet gewerkt en daarna een tijd aangepast werk verricht.xxii Ook mw. [slachtoffer 8] is op de grond terechtgekomen, nadat een of meerdere mensen haar naar de grond duwden.xxiii Na onderzoek bleek dat zij een kneuzing van de onderrug en de linkerheup had.xxiv Zij merkt in haar werkzaamheden dat zij last heeft met staan en tillen.xxv

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2010033175-1 van 4 april 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (ongenummerde pag.).

2. De bekennende verklaring van verdachte op 4 april 2010 afgelegd bij de politie (ongenummerde pag.).

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

1. Een geschrift, zijnde aangifte winkeldiefstal bij de onderneming Bijenkorf, gevestigd te Amsterdam, van 28 maart 2011 (doorgenummerde pag. 4 e.v.).

2. De bekennende verklaring van verdachte op 28 maart 2011 afgelegd bij de politie (doorgenummerde pag. 8 e.v.).

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde:

Verdachte heeft op 12 juni 2011 schoenen in de Bijenkorf, gevestigd aan de Dam 1 te Amsterdam, aangetrokken en begaf zich richting de winkeluitgang.xxvi Bij het verlaten van de winkel ging het alarm af. Een beveiligingsmedewerker liep achter verdachte aan en zag dat op de schoenen nog een beveiligings-pin zat. De waarde van de schoenen bedroeg € 109,00,-.xxvii Verdachte heeft hierover verklaard dat hij met de schoenen aan een stukje was gaan lopen en langs de alarmpoortjes is gelopen.xxviii

Nadere overwegingen

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman over het ontbreken van een oorzakelijk verband en overweegt daartoe als volgt.

Causaliteit tussen gedraging en gevolg dient naar vaste rechtspraak te worden bepaald aan de hand van de maatstaf van de "redelijke toerekening". Indien de gedraging naar haar aard geschikt was om het uiteindelijke resultaat teweeg te brengen of het risico daarop in relevante mate heeft verhoogd, doorbreken tussenkomende factoren de causaliteitsketen niet. Dit wordt niet anders doordat de nadien opgekomen omstandigheden in belangrijke mate tot het intreden van het gevolg hebben bijgedragen, of zelfs moeten worden aangemerkt als rechtstreekse oorzaak van dat gevolg.

De rechtbank beziet de gebeurtenis op 4 mei 2010 in het licht van de gebeurtenis op Koninginnedag in 2009 waarbij sprake is geweest van een aanval op het koningshuis toen [persoon 1] met zijn auto op het publiek in reed, waarbij paniek ontstond en waarbij gewonden zijn gevallen. Op deze aanslag, waaraan uitgebreid aandacht werd besteed in de media, is geschokt gereageerd.

De dodenherdenking op de Dam is een eerbiedwaardige traditie, waarbij ieder jaar op 4 mei zowel hoogwaardigheidsbekleders, waaronder de Koningin, Prins Willem-Alexander en Prinses Maxima, als bewoners van de stad Amsterdam, als bezoekers die zich speciaal voor deze bijeenkomst naar Amsterdam begeven, bijeen komen. Gedurende 2 minuten is er een gezamenlijke stilte, die des te indrukwekkender is nu deze wordt gedeeld door vele mensen. Het is een plechtig moment, waarbij men denkt aan de slachtoffers die zijn overleden in de tweede wereldoorlog.

Ten behoeve van de dodenherdenking op 4 mei 2010 waren, net als bij de aanslag op de voorgaande Koninginnedag, beveiligingsmaatregelen genomen. Hiertoe was veel politie aanwezig op de Dam; er was een ME-bus en een mobiel steunpunt. In de aanloop naar de dodenherdenking is er een Dienst Grootschalig Bijzonder Optreden geformeerd.

Verdachte heeft een ijzingwekkend harde schreeuw geuit die ongeveer 4 seconden duurde, terwijl hij opvallend was gekleed, te weten als een orthodoxe jood en nadat hij mensen in het publiek had geduwd.

Dat na een dergelijke schreeuw, geuit tijdens een plechtige situatie van totale stilte, waarbij een hele menigte van mensen aanwezig is die dicht tegen elkaar aan staat en waarbij tevens de Koningin aanwezig is, een gemeenschappelijke paniekreactie volgt is dan ook logisch en onvermijdelijk.

De schreeuw van verdachte was onder deze omstandigheden dan ook 'geschikt' om paniek in een mensenmassa en daarmee het uiteindelijke resultaat, het ontstane letsel, teweeg te brengen. Uit de bewijsmiddelen komt genoegzaam naar voren dat de schreeuw van verdachte het begin is geweest van een reeks gebeurtenissen die hebben geleid tot letsel bij een deel van de aanwezigen. Hierbij is van belang dat de aanwezige verbalisanten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], hebben waargenomen dat direct na de schreeuw omstanders, die vlak naast verdachte aanwezig waren, wegvluchtten. Uit de beelden die in de media zijn verschenen is te zien dat de paniek en de beweging in de menigte is ontstaan na de schreeuw. Ook de rechtbank heeft op de door de officier van justitie ter terechtzitting getoonde beelden kunnen waarnemen dat na de schreeuw, vanuit de plek waar verdachte zich ophield, bij Madame Tussaud, een naar buiten bewegende kring ontstaat die in een zeer korte tijd, namelijk enkele seconden, vrijwel de gehele menigte in beweging brengt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van een causaal verband tussen de gedraging van verdachte en het uiteindelijk ontstane letsel.

Zelfs indien gezegd zou kunnen worden dat na de schreeuw van verdachte opgekomen omstandigheden, te weten dat andere mensen zijn gaan schreeuwen en dat hekken zijn gevallen, in belangrijke mate hebben bijgedragen tot het intreden van het uiteindelijke gevolg, dan nog wordt het causaal verband tussen de schreeuw van verdachte en het letsel door die omstandigheden niet doorbroken. Het gevolg zou immers niet zijn ingetreden indien de gedraging van verdachte was uitgebleven.

Bij de vaststelling van schuld aan de zijde van verdachte is voorts een relevante factor of het gevolg voor de verdachte voorzienbaar is geweest. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. De verdachte heeft kunnen voorzien dat een schreeuw, geuit onder bovengenoemde omstandigheden, een totale paniekreactie onder de aanwezigen zou veroorzaken met alle gevolgen van dien.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van verdachte sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid, zoals bedoeld in art. 308 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Onder roekeloosheid wordt verstaan onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's zijn genomen. Roekeloosheid vereist daarmee niet slechts een aanmerkelijke onvoorzichtigheid, maar een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid. Duidelijk is dat verdachte, die op de bewuste dag en voorafgaande aan het gebeuren enkele eenheden alcohol had genuttigd, op zeer lichtzinnige wijze heeft gehandeld. Verdachte heeft verklaard te hebben gedacht 'ik gooi er een letter in'. Door deze handelwijze heeft verdachte onaanvaardbare risico's genomen.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het opgetreden letsel bij een deel van de aanwezigen bij de dodenherdenking redelijkerwijs aan de gedragingen van verdachte is toe te rekenen en dat er dus ten aanzien van verdachte sprake is van schuld, bestaande uit roekeloosheid, in de zin van art. 308 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 5:

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Uit de gedragingen van verdachte - het met de schoenen van de Bijenkorf aan langs de alarmpoortjes van de Bijenkorf naar buiten toe lopen - kan immers worden afgeleid dat verdachte het oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening van de schoenen had. Dit geldt zeker nu verdachte ongeveer 2 1/2 maand eerder ook bij de Bijenkorf kleren had gestolen en dus op de hoogte is van de situatie aldaar.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 04 mei 2010 te Amsterdam, roekeloos,

- hinderlijk is doorgedrongen in de op de Dam in verband met de

dodenherdenking aanwezige menigte, gedurende de twee gezamenlijke minuten

stilte, en vervolgens

- zijn armen heeft gespreid en angstaanjagend

luidkeels heeft geschreeuwd: "Ahhhh, Ahhhh" ,

waardoor (een gedeelte van) die menigte ongecontroleerd in beweging kwam,

waardoor een aantal personen waaronder:

2. mw. [slachtoffer 2], en

3. mw. [slachtoffer 3], en

4. mw. [slachtoffer 4], en

5. dhr. [slachtoffer 5], en

6. [slachtoffer 6], en

7. dhr. [slachtoffer 7], en

8. mw. [slachtoffer 8], en

zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van zijn of haar ambts- of beroepsbezigheden is ontstaan, heeft bekomen, te weten:

2. een fractuur van het linker sleutelbeen ([slachtoffer 2])

3. een fractuur van de rechterelleboog en een litteken op de rechterelleboog

([slachtoffer 3])

4. een fractuur van de rechter bovenarm ([slachtoffer 4])

5. zware kneuzingen aan de linkerschouder, -elleboog, -pols, -knie en -been

([slachtoffer 5])

6. een fractuur van de wijsvinger van de rechterhand ([slachtoffer 6])

7. een zware kneuzing van de heup ([slachtoffer 7])

8. een kneuzing van de onderrug en de linkerheup ([slachtoffer 8])

hetgeen aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is;

2.

Subsidiair:

op 4 mei 2010 te Amsterdam op de weg, namelijk de Dam, afzonderlijk onnodig heeft opgedrongen en op andere wijze de orde heeft verstoord, immers heeft hij, verdachte,

tijdens en voorafgaand aan de twee minuten stilte opzettelijk hinderlijk op-

dan wel doorgedrongen in de op de Dam aanwezige menigte die daar was in

verband met de dodenherdenking en heeft hij, verdachte, gedurende de twee minuten stilte zijn armen gespreid en geschreeuwd: "Ahhhh, Ahhhh", waardoor (een gedeelte van) die menigte ongecontroleerd in beweging kwam en de rust en orde tijdens de twee minuten gezamenlijke stilte van de dodenherdenking werd verstoord.

3.

op 4 april 2010 te Harlingen opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, toebehorende aan [slachtoffer 9], heeft vernield.

4.

op 28 maart 2011 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een overhemd (merk Alveare) en een stropdas, toebehorende aan de Bijenkorf.

5.

op 12 juni 2011 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, in een winkelpand gevestigd Dam 1, een paar schoenen met een waarde van 109 euro, toebehorende aan De Bijenkorf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een bijzondere voorwaarde waarin wordt bepaald dat verdachte voor de duur van 5 jaar niet aanwezig mag zijn bij de dodenherdenking op de Dam. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, heeft de officier van justitie gevorderd deze volledige toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd om de tenuitvoerlegging van de zaak met parketnummer 13/853792-09.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 2 primair en 5 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ten aanzien van het onder 2 subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Door zijn roekeloos gedrag heeft verdachte zich tijdens de nationale dodenherdenking schuldig gemaakt aan het veroorzaken van lichamelijk letsel aan de in de bewezenverklaring genoemde personen. Bovendien heeft hij de aldaar aanwezige mensen diep gekwetst door hun moment van stilte en gedenking te verstoren. Tevens is door dit handelen van verdachte bij verschillende slachtoffers angst aangejaagd. Uit verschillende slachtofferverklaringen blijkt dat zij, na de gebeurtenis op 4 mei 2010, plaatsen waar veel mensen zijn en gelegenheden waarbij de koningin aanwezig is, proberen te vermijden. Een van de slachtoffers heeft verklaard dat hij, na 20 jaar traditie, niet meer naar de dodenherdenking op de Dam zal gaan. Het handelen van verdachte heeft niet alleen gevolgen gehad voor de ter plekke aanwezige mensen, maar draagt ook bij aan de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij op 4 mei 2010 zo'n plechtige gebeurtenis als de dodenherdenking - mede bezien in het licht van de aanslag op de koningin in 2009, waardoor bij mensen al een onveilig gevoel heerste - heeft verstoord met alle gevolgen van dien. Het handelen van verdachte kan hem ook volledig worden toegerekend nu niets bekend is over een eventuele persoonlijkheidsstoornis of een psychiatrische afwijking.

Niet in het voordeel van verdachte telt ten slotte dat hij er voor gekozen heeft zich niet te verantwoorden ten overstaan van de rechtbank, maar wel in tweetal informatieve televisieprogramma's op de dag van de zitting.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan vernieling van een ruit van de woning van zijn moeder. Door het plegen van dit feit heeft verdachte zijn moeder schade berokkent en inbreuk gemaakt op haar privacy.

Voorts heeft verdachte zich op 28 maart en 12 juni 2011 schuldig gemaakt aan diefstal van goederen bij de Bijenkorf te Amsterdam. Winkeldiefstal is een kwalijk feit, dat schade en hinder veroorzaakt bij de gedupeerden, in dit geval de Bijenkorf.

Blijkens een uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 18 februari 2011 is verdachte reeds vaker veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank acht, naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een voorwaardelijke veroordeling op zijn plaats. Het voorwaardelijk deel dient er toe om verdachte, die door de politie wordt gekenschetst als een veelpleger, er van te weerhouden dat hij zich gedurende de proeftijd opnieuw aan enig strafbaar feit schuldig zal maken. Tevens wordt aan verdachte een bijzondere voorwaarde opgelegd, bestaande uit het verbod op aanwezigheid bij de dodenherdenking op de Dam voor de duur van 5 jaar. Deze voorwaarde dient er toe om verdachte ervan te weerhouden wederom een misdrijf te begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank vindt dit nodig omdat zij niet bekend is geworden met een standpunt van verdachte achteraf waarin hij inzicht toont in hetgeen hij heeft veroorzaakt, of voornemens heeft geuit om dit nooit meer te doen.

Nu de rechtbank op enkele onderdelen tot een vrijspraak is gekomen en anderzijds - bijna - conform de eis van de officier van justitie aan straffen heeft opgelegd nog het volgende. Het zwaartepunt voor de rechtbank ligt bij het verwijt met betrekking tot het schreeuwen op de Dam, waardoor mensen gewond zijn geraakt. Dat vormt dan ook de reden om aan verdachte een aanzienlijke straf op te leggen.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat slechts de behandeling van een deel van de vordering van [slachtoffer 2] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert dit deel op

€ 1322,49 (duizenddriehonderdtweeëntwintig euro en negenenveertig eurocent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het restant van de vordering levert wel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het overige deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [slachtoffer 2] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat slechts de behandeling van een deel van de vordering van [slachtoffer 3] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert dit deel op

€ 1436,54 (duizendvierhonderdzesendertig euro en vierenvijftig eurocent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het restant van de vordering levert wel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het overige deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [slachtoffer 3] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat slechts de behandeling van een deel van de vordering van [slachtoffer 5], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert dit deel op € 1022,57 (duizendtweeëntwintig euro en zevenenvijftig eurocent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 5] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer 6], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 1.000,- (duizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het restant van de vordering levert wel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het overige deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [slachtoffer 6] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer 7], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op

€ 1163,90 (elfhonderddrieënzestig euro en negentig eurocent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 7] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1170,69 (elfhonderdzeventig euro en negenenzestig eurocent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 8] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 6 april 2011 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/853792-09, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 25 augustus 2009 van de politierechter, waarbij verdachte is veroordeeld tot 1 week gevangenisstraf, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, aan veroordeelde is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 62, 308, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2.2 en 6.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening van Amsterdam.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart het onder 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Aan zijn schuld te wijten dat een ander zodanig letsel bekomt dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van zijn/haar ambts-of beroepsbezigheden ontstaat, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Overtreding van het bij artikel 2.2, eerste lid van de Algemene Plaatselijke Verordening van Amsterdam bepaalde.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen.

Ten aanzien van het onder 4 en 5 ten laste gelegde

Diefstal, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast als verdachte tijdens een op 5 jaar te stellen proeftijd de volgende bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

Verbod op aanwezigheid bij de jaarlijkse dodenherdenking, op 4 mei, op de Dam te Amsterdam vanaf 19:00 uur tot 21:00 uur.

Veroordeelt verdachte ter zake van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde feit tot hechtenis van 1 week.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen:

Wijst de vordering van [slachtoffer 2], wonende op het adres [adres] [plaats], toe tot € 1322,49 (duizenddriehonderdtweeëntwintig euro en negenenveertig eurocent).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2], € 1322,49 (duizenddriehonderdtweeëntwintig euro en negenenveertig eurocent) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 23 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Wijst de vordering van [slachtoffer 3], wonende op het adres [adres] [plaats], toe tot € 1436,54 (duizendvierhonderdzesendertig euro en vierenvijftig eurocent).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3], € 1436,54 (duizendvierhonderdzesendertig euro en vierenvijftig eurocent) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 24 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 5], wonende op het adres [adres] te [plaats], toe tot € 1022,57 (duizendtweeëntwintig euro en zevenenvijftig eurocent).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 5] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat € 1022,57 (duizendtweeëntwintig euro en zevenenvijftig eurocent) te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 20 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 6], adres bekend bij de politie en justitie, toe tot € 1000,- (duizend euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 6] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 6], € 1000,- (duizend euro) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 20 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 7], wonende op het adres [adres] te [plaats], toe tot € 1163,90 (elfhonderddrieënzestig euro en negentig eurocent).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 7] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 7] aan de Staat € 1163,90 (elfhonderddrieënzestig euro en negentig eurocent) te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 21 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 8], wonende op het adres [adres] [plaats], toe tot € 1170,69 (elfhonderdzeventig euro en negenenzestig eurocent).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 8] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 8] aan de Staat € 1170,69 (elfhonderdzeventig euro en negenenzestig eurocent) te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 21 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 25 augustus 2009 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk 1 week gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D. van den Brink, voorzitter,

mrs. S.E. Sijsma en P.C. Koopmans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Khattou, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 oktober 2011.

i Het proces-verbaal verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris van 7 mei 2010 (ongenummerde pag.).

ii Het proces-verbaal verhoor van de getuigen [getuige 1], (proces-verbaal nummer 2010111598-16, p. 66) en [getuige 2] (proces-verbaalnummer 2010111632-26, p. 72) , d.d. 5 mei 2010

iii Het proces-verbaal met nummer 2010111598-4 van 4 mei 2010, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2], [verbalisant 6] en [verbalisant 1] (doorgenummerde pag. 18 e.v.).

iv Het proces-verbaal met nummer 2010111632-46 van 6 mei 2010, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] (doorgenummerde pag. 117 e.v.).

v Het proces-verbaal met nummer 20101116321-1 van juli 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daarteoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8] (doorgenummerde pag. 261 e.v.).

vi Het proces-verbaal met nummer 2010111598-4 van 4 mei 2010, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2], [verbalisant 6] en [verbalisant 1] (doorgenummerde pag. 18 e.v.).

vii Het proces-verbaal met nummer 2010111598-7 van 4 mei 2010, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (doorgenummerde pag. 22 e.v.).

viii Het proces-verbaal met nummer 2010111632-53 van 6 mei 2010, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 10] (doorgenummerde pag. 138 e.v.).

ix Het proces-verbaal met nummer 2010111632-76 van 19 augustus 2011, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8] (doorgenummerde pag. 432 e.v.).

x Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring van [verbalisant 11], d.d. 4 mei 2010 (ongenummerde pag.).

xi [0]Een geschrift, zijnde een verklaring van de bedrijfsarts [arts 1] (Arbo Unie B.V.), bijlage 11. bij het voegingsformulier van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

xii Het proces-verbaal 3 augustus 2011, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de officier van justitie O.J.M. van der Bijl (doorgenummerde pag. 427 e.v.)

xiii Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring van [arts 2], d.d. 5 mei 2010 (ongenummerde pag.).

xiv Het proces-verbaal 3 augustus 2011, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de officier van justitie O.J.M. van der Bijl (doorgenummerde pag. 427 e.v.)

xv Het proces-verbaal met nummer 2010069802-1 van 5 mei 2010, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 12] (doorgenummerde pag. 132 e.v.).

xvi Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring van [arts 4], d.d. 4 mei 2010 (doorgenummerde pag. 136 e.v.).

xvii Het proces-verbaal met nummer 2010069802-1 van 5 mei 2010, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 12] (doorgenummerde pag. 132 e.v.).

xviii Het proces-verbaal 3 augustus 2011, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de officier van justitie O.J.M. van der Bijl (doorgenummerde pag. 429 e.v.)

xix Het proces-verbaal met nummer 2010111632-75 van 1 september 2011, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8] (doorgenummerde pag. 437 e.v.).

xx Het proces-verbaal 3 augustus 2011, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de officier van justitie O.J.M. van der Bijl (doorgenummerde pag. 430 e.v.)

xxi Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring van [verbalisant 11], d.d. 4 mei 2010 (ongenummerde pag.).

xxii Het proces-verbaal 3 augustus 2011, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de officier van justitie O.J.M. van der Bijl (doorgenummerde pag. 430 e.v.)

xxiii Het proces-verbaal met nummer 2010043581-1 van 17 juni 2010, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 13] (doorgenummerde pag. 402 e.v.).

xxiv Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring van [arts 4], d.d. 14 juni 2010 (ongenummerde pag.).

xxv Het proces-verbaal met nummer 2010043581-1 van 17 juni 2010, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 13] (doorgenummerde pag. 402 e.v.).

xxvi Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 201149544-4 van 12 juni 2011, opgemaakt door [verbalisant 14] (doorgenummerde pag. 011 e.v.).

xxvii Een geschrift, zijnde aangifte winkeldiefstal bij de onderneming Bijenkorf, gevestigd te Amsterdam, van 12 juni 2011 (doorgenummerde pag. 004 e.v.).

xxviii Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 201149544-4 van 12 juni 2011, opgemaakt door [verbalisant 14] (doorgenummerde pag. 011 e.v.).