Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BT6563

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-09-2011
Datum publicatie
04-10-2011
Zaaknummer
13-660597-11 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Cocaïnehandel vanuit een restaurant. Drugsbezit. Wapenbezit. Veroordeling tot 200 uur werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/660597-11 (Promis)

Datum uitspraak: 27 september 2011

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1975],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 september 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.J. de Groot en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. M. Schwab, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 17 juni 2011 te [plaats] (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht of afgeleverd of verstrekt (aan [koper 1] en/of [koper 2] en/of [koper 3] en/of [koper 4] en/of aan één of meer anderen) of vervoerd (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (telkens) een

middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Subsidiair:

[broer van verdachte] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 17 juni 2011 te [plaats] opzettelijk heeft verkocht of afgeleverd of verstrekt (aan [koper 1] en/of [koper 2] en/of [koper 3] en/of [koper 4] en/of aan één of meer anderen) of vervoerd (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

bij het plegen van welk feit verdachte toen en daar opzettelijk behulpzaam is geweest door één of meer wikkels inhoudende cocaïne aan die [koper 1] en/of die [koper 2] en/of aan één of meer anderen te overhandigen/af te leveren;

2.

hij op of omstreeks 17 juni 2011 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 8,73 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op of omstreeks 17 juni 2011 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen een zak inhoudende ongeveer twee kilo, in elk geval een (grote) hoeveelheid

van een materiaal bevattende versnijdingsmiddel, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

4.

hij op of omstreeks 17 juni 2011 te [plaats] een of meer wapens van categorie I, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad;

5.

hij op of omstreeks 17 juni 2011 te [plaats] (een) wapen(s) van categorie II voorhanden heeft gehad, te weten:

- twee wapens van categorie II onder 5°, zijnde (een) voorwerp(en) waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht;

- een busje pepperspray, zijnde een voorwerp dat bestemd is voor het treffen van personen met (een) verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen), in elk geval een wapen van categorie II onder 6°;

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.i

Naar aanleiding van een verklaring van getuige [ex-vriendin van koper 1], waarin zij verklaart dat haar ex-vriend [koper 1] zijn cocaïne haalde bij het Griekse restaurant [restaurant] aan de [A-straat nr] te [plaats]ii, en naar aanleiding van CIE-informatieiii, wordt op vrijdag 17 juni 2011 het restaurant [restaurant] doorzochtiv. Tijdens de doorzoeking worden in totaal 16 wikkels aangetroffen en in beslag genomen.v Deze blijken bij elkaar 8,73 gram van een materiaal bevattende cocaïne te bevatten.vi In een aktetas worden twee stroomstootwapens en een ploertendoder aangetroffenvii, wapens van respectievelijk categorie I en II.viii In de gang wordt ook nog een plastic zak met wit poeder aangetroffen.ix Achter de bar ligt een op een busje pepperspray gelijkend voorwerp.x

[broer van verdachte] en zijn zus [verdachte] (ook wel [verdachte] genoemdxi) worden aangehouden.xii Zij zijn de eigenaren van het restaurant [restaurant].xiii

[koper 1] verklaart dat hij sinds 2010 regelmatig voor zichzelf cocaïne koopt bij [broer van verdachte] (zo noemt hij [broer van verdachte]xiv) in het restaurant [restaurant].xv In 2008 heeft hij voor iemand anders cocaïne bij [broer van verdachte] gekocht.xvi Hij betaalde € 20 voor een halve gram en € 40 voor een hele gram.xvii [verdachte] legde de cocaïne wel eens klaar als [broer van verdachte] niet in het restaurant aanwezig was. Zij gaf de cocaïne dan aan hem. Hij rekende dan niet bij haar af, maar bij [broer van verdachte], als hij hem weer zag. [verdachte] wist dat hij cocaïne kwam halen en dit bij [broer van verdachte] kocht.xviii

[koper 2] verklaart op 20 juni 2011 het volgende. Hij hoorde van zijn vriend [koper 1] dat je bij [restaurant] cocaïne kon kopen. Hij koopt zelf sinds 6 maanden cocaïne bij [restaurant]. Hij koopt de cocaïne bij [broer van verdachte], roepnaam [broer van verdachte].xix [verdachte] heeft hem ook een paar keer cocaïne gegeven. Zij zei toen dat hij de betaling met [broer van verdachte] moest regelen.xx

[koper 3] verklaart op 21 juni 2011 al vier jaar cocaïne bij [broer van verdachte] te bestellen. In het begin kreeg hij dit via [koper 1], maar sinds een jaar koopt hij het direct bij [broer van verdachte], voor € 40 per gram.xxi [verdachte] wist van de handel in cocaïne af.xxii

[koper 4] koopt sinds april 2011 voor € 40 per gram cocaïne bij [broer van verdachte]. Hij ging naar het restaurant en liep dan door naar de keuken, waar [broer van verdachte] hem cocaïne gaf.xxiii

[broer van verdachte] verklaart gedurende een periode van 12 maanden drugs te hebben gedeald. Hij verkocht aan ongeveer 7 tot 8 personen.xxiv De wapens en de drugs die zijn aangetroffen zijn van hem. De wapens heeft hij ter bescherming van zichzelf en zijn personeel aangeschaft.xxv

[verdachte] verklaart dat zij gedurende twee maanden voor haar aanhouding ervan op de hoogte was dat haar broer vanuit het restaurant drugs dealde. Zij heeft een aantal keer dozen met daarin cocaïne gegeven aan mensen die langskwamen bij het restaurant.xxvi De cocaïne lag dan al klaar en zij kreeg aanwijzingen van haar broer.xxvii Zij is ervan op de hoogte dat er twee of drie stroomstootwapens en pepperspray in het restaurant liggen.xxviii

4.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft vrijspraak voor feit 3 geëist, nu niet vaststaat dat de bij verdachte aangetroffen zak met wit poeder versnijdingsmiddel betreft. Niet bewezen kan worden dat verdachte en haar broer zich schuldig hebben gemaakt aan voorbereidingshandelingen met betrekking tot drugshandel. Voorts heeft zij vrijspraak geëist van feit 4, nu niet bewezen kan worden dat verdachte afwist van de aanwezigheid van de ploertendoder in de aktetas.

De officier van justitie acht, kort samengevat, de onder 1 primair en 2 en 5 ten laste gelegde feiten bewezen.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, zakelijk weergegeven, het volgende betoogd. Verdachte is meegesleurd in de praktijken van haar broer. Haar broer had de regie en de rol van verdachte was zeer beperkt. Zij heeft geen betalingen aangenomen en stond afkeurend tegenover de drugshandel. Daarnaast heeft verdachte haar broer verzocht de drugshandel te staken. Meer valt van een zus niet te verwachten. Van een nauwe en bewuste samenwerking is geen sprake en daarom kan medeplegen niet worden bewezen. Primair dient verdachte van het gehele feit te worden vrijgesproken, subsidiair dient zij van het primaire feit - medeplegen - te worden vrijgesproken. De door de officier van justitie bewezen geachte periode van drie maanden is op niets gebaseerd. In geval van bewezenverklaring zou slechts uitgegaan kunnen worden van een periode van twee maanden. Voorts dient verdachte van feit 2 te worden vrijgesproken. Subsidiair dient zij partieel daarvan te worden vrijgesproken: zij wist slechts af van 3 wikkels die in batterijen zaten. De raadsvrouw is het met de officier van justitie eens dat verdachte van feit 3 en 4 dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 5 refereert de zij zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

4.4.1 Vrijspraak van het onder 3 en 4 ten laste gelegde

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsvrouw, niet bewezen wat onder 3 en 4 is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.4.2 Partiële vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde.

In het strafdossier bevindt zich geen rapport betreffende een onderzoek naar de inhoud van het aangetroffen busje, zodat niet kan worden vastgesteld of dit pepperspray bevat. Het onder 5 ten laste gelegde kan in zoverre niet worden bewezen, zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

4.4.3 Het oordeel over het onder 1 primair, 2 en 5 ten laste gelegde

Ten aanzien van feit 1 primair:

De raadsvrouw heeft betoogd dat er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar broer. De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte was ervan op de hoogte dat haar broer vanuit het restaurant drugs dealde. Zij heeft daartegen niets ondernomen. Sterker nog, zij heeft daaraan bijgedragen door verschillende malen, op aanwijzing van haar broer, aan gebruikers cocaïne mee te geven. Hieruit blijkt een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op het verkopen van verdovende middelen. De rechtbank acht daarom feit 1 primair - medeplegen van verkopen van verdovende middelen - bewezen.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank overweegt ten aanzien van het aanwezig hebben van drugs als volgt. Uit de verklaringen van verdachte bij de politie blijkt dat verdachte afwist van de aanwezigheid van 3 wikkels met cocaïne in het restaurant [restaurant]. Deze wikkels zouden zich volgens haar verklaring achter de stereotoren in een batterij bevinden.xxix Bij de doorzoeking zijn deze wikkels aangetroffenxxx. De wikkels bevatten 1,16 gram van een materiaal bevattende cocaïne.xxxi Nu uit niets blijkt dat verdachte op de hoogte was van de overige bij de doorzoeking aangetroffen cocaïnewikkels, en een deel daarvan bovendien in een afgesloten aktetas is aangetroffen, wordt zij van dat deel van de tenlastelegging vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 5:

Nu ten aanzien van dit feit geen verweren zijn gevoerd, volstaat de rechtbank voor de bewezenverklaring met een verwijzing naar de genoemde bewijsmiddelen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde:

in de periode van 1 april 2011 tot en met 17 juni 2011 te [plaats] telkens tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

op 17 juni 2011 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 1.16 gram van een materiaal bevattende cocaïne;

ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde:

op 17 juni 2011 te [plaats] wapen van categorie II voorhanden heeft gehad, te weten: twee wapens van categorie II onder 5°, zijnde voorwerpen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair, 2 en 5 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 200 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen. Daarnaast heeft zij een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 weken, met een proeftijd van 2 jaren geëist.

8.2. Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte, gezien de rolverdeling tussen verdachte en haar broer en het feit dat het leven van verdachte momenteel in duigen ligt, een lagere straf dient te krijgen dan door de officier van justitie is geëist. Een voorwaardelijke straf is gezien het reclasseringsrapport niet geïndiceerd.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft samen met haar broer harddrugs verkocht en (een kleine hoeveelheid) harddrugs aanwezig gehad. Naar algemeen bekend is vormen harddrugs een bedreiging voor de volksgezondheid en worden met de handel in harddrugs grote criminele winsten gemaakt. Daarnaast heeft verdachte wapens voorhanden gehad. Het bezit van een wapen is een van de eerste stappen die leiden tot het gebruik ervan, terwijl dat gebruik vervolgens nog meer geweld kan uitlokken.

De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte first offender is en een relatief kleine rol heeft gespeeld in de drugshandel van haar broer. De rechtbank acht het daarom niet opportuun om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Om toch de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen legt de rechtbank een aanzienlijke werkstraf van na te noemen duur op. Het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf acht de rechtbank, gezien het reclasseringsrapport waarin het recidiverisico als laag wordt ingeschat, niet geïndiceerd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart het onder 3 en 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, met aftrek van de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.E.J.M. Gielen, voorzitter,

mrs. B.C. Langendoen en A.J. Wesdorp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. Kroon, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 september 2011.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii Getuige [ex-vriendin van koper 1], p. 1013 tot en met 1019.

iii CIE-informatie, p. 1006 tot en met 1009.

iv Doorzoeking, p. 1010.

v Kennisgeving van inbeslagneming p. 1115 en 1116.

vi Een geschrift, zijnde een kopie van een NFI-rapport.

vii Doorzoeking, p. 1012.

viii Wapenrapport p. 1128, 1130 en 1131.

ix Doorzoeking, p. 1011.

x Doorzoeking, p. 1012.

xi Verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting d.d. 13 september 2011.

xii Aanhouding p. 104 en 204.

xiii Verklaring van verdachte [broer van verdachte] en [verdachte] ter terechtzitting d.d. 13 september 2011.

xiv Verhoor getuige p. 1041 en verklaring van getuige, afgelegd bij de rechter-commissaris op 23 augustus 2011.

xv Verhoor getuige p. 1042.

xvi Verklaring van getuige, afgelegd bij de rechter-commissaris op 23 augustus 2011.

xvii Verhoor getuige p. 1042

xviii Verhoor getuige p. 1043.

xix Verhoor getuige p. 1081.

xx Verhoor getuige p. 1082.

xxi Verhoor getuige p. 1088.

xxii Verhoor getuige p. 1089.

xxiii Verhoor getuige p. 1094.

xxiv Verklaring van verdachte [broer van verdachte], p. 1103.

xxv Verklaring van verdachte [broer van verdachte], p. 1067 en 1068.

xxvi Verklaring van verdachte [verdachte], p. 1107.

xxvii Verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 13 september 2011.

xxviii Verklaring van verdachte [verdachte], p. 1076.

xxix Verklaring van verdachte [verdachte], p. 1076.

xxx Doorzoeking, p. 1012.

xxxi Kennisgeving van inbeslagneming p. 1115 en een geschrift, zijnde een kopie van een NFI-rapport.