Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BT2792

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-08-2011
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
EA 11-897
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werknemersverzoek. Na reorganisatie toename reistijd tot meer dan 2 uur enkele reis.

Ontbinding toegewezen zonder vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0784
Prg. 2011/307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Zaaknummer: 1260632 EA VERZ 11-897

Beschikking van: 11 augustus 2011

481

Beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[verzoekster]

wonende te Westmaas

verzoekster

nader te noemen [verzoekster]

gemachtigde: mr.. E. Peters

[verweerster]

gevestigd te Amsterdam

verweerster

nader te noemen [verweerster]

gemachtigde: mr. M. Grootveld

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[verzoekster] heeft op 27 mei 2011 een verzoek ingediend dat strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst.

[verweerster] heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 21 juli 2011. [verzoekster] is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. [verweerster] is verschenen bij de heer [naam], bijgestaan door haar gemachtigde. [verweerster] heeft nagezonden een vonnis van de kantonechter te Rotterdam d.d 19 mei 2011 en de “kostenvergoeding verhuizing na overplaatsing”.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

1. Als gesteld en onvoldoende weersproken kan van het volgende worden uitgegaan:

a. [verzoekster], thans 35 jaar oud, is sedert 1 december 2000 in dienst van [verweerster], laatstelijk als marketing manager [naam werkplek]. Het brutosalaris bedraagt € 3.381,63 per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten, bij 36 te werken uren per week. In verband met het opnemen van ouderschapsverlof werkte [verzoekster] van 13 juli 2010 tot 13 mei 2011 32 uur per week, verdeeld over vier werkdagen.

b. tot 6 oktober 2010 was de standplaats van [verzoekster] Rotterdam; deze is toen in het kader van de re-integratie van [naam werkgever ] en [naam werkgever] verplaatst naar Amsterdam.

c. [verweerster] heeft met de vakorganisaties afgesloten de ISP-CAO (van werk naar werk), looptijd 1 maart 2010-1 januari 2013, verder te noemen de CAO.

d. artikel IV van de CAO omschrijft een passende functie als volgt:

“In deze CAO betekent een passende functie een functie die aansluit bij:

. de vakkennis en ervaring’

. de persoonlijke kwaliteiten en inkomen

. de ambitie, wensen en ontwikkelingsmogelijkheden en

. de persoonlijke omstandigheden van de Medewerker en zijn gezin”

e. in artikel VII van de CAO wordt onder meer bepaald dat [verweerster] van een medewerker in de salarisschalen 1 tot en met 5 (salarisbanden 7 tot en met 11 of Salarisschaal A tot en met D) geen overplaatsing zal verlangen als hierdoor de enkele reisafstand van de woning naar de standplaats groter wordt dan 40 kilometer of de totale reisduur enkele reis per openbaar vervoer meer dan 90 minuten wordt door de overplaatsing.

f. [verzoekster] heeft [verweerster] verzocht om de functie als niet passend aan te merken, gelet op de te grote reisafstand. Tegen de weigering van [verweerster] om de functie van [verzoekster] als niet passend aan te merken in de zin van de CAO heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt bij de [naam werkgever] Geschillencommissie.

g. Deze commissie heeft bij uitspraak van 16 juni 2011 de klacht van [verzoekster] afgewezen.

Verzoek en verweer

2. [verzoekster] verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen in de zin van veranderingen in de omstandigheden van zodanige aard dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Zij verzoekt daarbij om haar ten laste van [verweerster] een vergoeding toe te kennen van € 71.660,05 bruto.

3. Daartoe stelt [verzoekster] - kort gezegd - dat het voor haar niet doenlijk is, gelet op de reisafstand Maassluis-Amsterdam, om haar functie met haar privéleven te combineren. Met het openbaar vervoer is de (enkele) reistijd meer dan twee uur. Met de auto is deze niet (veel) minder, rekening houdend met de files die er vrijwel altijd staan. Gegeven het feit dat [verzoekster] drie (zeer) jonge kinderen heeft en een echtgenoot met een eigen huisartsenpraktijk in Alblasserdam, is de reisafstand in feite onoverbrugbaar. Verhuizen is evenmin een optie.

4. Om de kwestie op te lossen heeft [verzoekster] aan de Bank voorgesteld dat zij op twee vaste dagen per week op kantoor in Amsterdam werkt en de twee andere dagen hetzij vanuit huis hetzij vanuit het kantoor van [verweerster] in Rotterdam. [verweerster] heeft dit voorstel echter van de hand gewezen. Dit heeft [verzoekster] verbaasd, nu er juist een ontwikkeling bij [verweerster] gaande is, waarbij er in toenemende mate thuis wordt gewerkt, het zogenaamde Nieuwe Werken (HNW).

5. [verweerster] betwist dat er gewichtige redenen voor ontbinding zijn in de door [verzoekster] bedoelde zin en verzet zich tegen de door [verzoekster] verzochte ontbinding. [verweerster] verzoekt, voor het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst zal ontbinden, om aan [verzoekster] geen enkele vergoeding toe te kennen.

6. [verweerster] voert ter ondersteuning van haar stellingen - kort gezegd - aan dat de omstandigheden die aan het verzoek ten grondslag worden gelegd geheel in de risicosfeer van [verzoekster] liggen. [verzoekster] heeft na de reorganisatie (nagenoeg) haar eigen functie behouden, iets dat voor veel medewerkers van de Bank niet geldt. De bepaling uit de CAO over de reisafstand geldt niet voor [verzoekster], omdat zij in een hogere salarisband zit dan 11, namelijk 15. Van medewerkers op haar niveau verwacht de Bank landelijke mobiliteit. Omdat dit betekent dat medewerkers soms na een overplaatsing zullen (moeten) verhuizen, kent de Bank een regeling die voorziet in de vergoeding van een groot aantal kosten, die samenhangen met een dergelijke verhuizing. Deze heeft [verweerster] in het geding gebracht.

7. Het thuiswerken, zoals door [verzoekster] voorgesteld is geen optie, om twee redenen. Ten eerste wordt bij thuiswerken flexibiliteit verwacht, dat wil zeggen dat er geen vaste thuisdagen kunnen worden afgesproken; ten tweede geldt dat [verweerster] zich na de reorganisatie in een opbouwfase bevindt, hetgeen met zich brengt dat het nu extra belangrijk is dat medewerkers op hun werkplek werken en niet vanuit huis

8. .

9. De thuissituatie van [verzoekster] is naar het oordeel van [verweerster] niet zo bijzonder dat van haar niet gevergd kan worden dat zij de reisafstand overbrugt. Honderden medewerkers van [verweerster] moeten van standplaats veranderen, hetgeen ook voor die medewerkers lastig is en ongetwijfeld van hen aanpassingen vraagt. In dat kader moet meewegen dat [verzoekster] kennelijk niet bereid is om enige concessie te doen, zoals het kiezen voor werktijdvermindering, voor een (andere) vorm van opvang voor de kinderen of voor verhuizen naar (bijvoorbeeld) Rotterdam, aldus [verweerster].

Beoordeling

10. Nu [verzoekster], als werkneemster, ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft gevraagd, zal dit verzoek worden toegewezen. Immers kan van een werknemer niet worden gevergd dat hij tegen zijn zin gebonden blijft aan een arbeidsovereenkomst. Dat zou neerkomen op dwangarbeid.

11. Ten aanzien van de door [verzoekster] gevraagde vergoeding wordt het volgende overwogen.

12. Naar het oordeel van de kantonrechter komt [verzoekster] geen beroep toe op artikel IV lid 2 en verder CAO. Immers ziet het begrip “passende functie” op de functie-inhoud en deze is - partijen zijn het daarover eens - nagenoeg ongewijzigd. Niet aangenomen wordt dat de functie van [verzoekster] niet passend is geworden, doordat deze vanuit een andere locatie dan voorheen moet worden uitgevoerd.

13. Evenmin komt [verzoekster] een beroep toe op artikel VII lid 3 CAO, nu zij in een hogere dan de daar genoemde salarisschaal zit. Voor analoge toepassing van dit artikel uit de CAO ziet de kantonrechter geen aanleiding. Uitgangspunt is aldus “landelijke mobiliteit” van medewerkers op het niveau van [verzoekster].

14. De vraag die dan resteert is of de gezinssituatie van [verzoekster] dusdanig uitzonderlijk is dat van [verweerster] als goed werkgever gevergd had mogen worden dat zij voorzieningen had moeten treffen ter zake thuis en/of in Rotterdam werken, zoals door [verzoekster] gevraagd. De kantonrechter meent dat dit niet het geval is. [verweerster] heeft in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat het in elk geval de komende periode van groot belang is dat er vanaf de werkplek (in teamverband) wordt gewerkt, juist met het oog op de net doorgevoerde reorganisatie.

15. Voorts heeft [verweerster] er terecht op gewezen dat niet is gebleken dat [verzoekster] zelf tot het doen van concessies bereid is, zoals het kiezen voor (tijdelijke) werktijdvermindering, voor een (andere) vorm van opvang voor de kinderen of voor verhuizen naar (bijvoorbeeld) Rotterdam.

16. Aldus is de conclusie dat de omstandigheden, die hebben geleid tot de gewijzigde omstandigheden, op grond waarvan [verzoekster] ontbinding van de arbeidsovereenkomst vraagt, voor het overgrote deel in de risicosfeer van [verzoekster] liggen, terwijl [verweerster] geen verwijt treft. Dit betekent dat aan [verzoekster] geen vergoeding zal worden toegekend.

17. Nu geen vergoeding wordt toegekend, behoort aan [verzoekster] de gelegenheid te worden gegeven het verzoek in te trekken.

18. Er zijn termen de proceskosten te compenseren, behoudens in het geval dat [verzoekster] het verzoek intrekt, in welk geval [verzoekster] in de kosten aan de zijde van [verweerster] wordt veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 september 2011;

II. wijst het meer of anders verzochte af;

III. bepaalt dat het onder I. bepaalde rechtskracht ontbeert, indien [verzoekster] het verzoek uiterlijk op 26 augustus 2011 intrekt;

IV. compenseert de proceskosten in die zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt, behoudens in geval [verzoekster] het verzoek intrekt, in welk geval [verzoekster] wordt veroordeeld in de kosten aan de zijde van [verweerster], die worden begroot op € 545,-, voor zover verschuldigd inclusief btw.

Aldus gegeven door mr. T.M.A. van Löben Sels, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 augustus 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter