Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BT2715

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-09-2011
Datum publicatie
27-09-2011
Zaaknummer
Parketnummer: 13/706446-10 en RK nummer: 11/4971
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweer op grond van artikel 12 OLW slaagt niet, nu uit het EAB volgt dat sprake is van een niet onherroepelijk vonnis en de rechtbank het EAB aldus verstaat dat het strekt tot strafvervolging van de opgeëiste persoon. Verweer ontbreken dubbele strafbaarheid van lijstfeit verworpen. Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van een lijstfeit moet achterwege blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/706446-10

RK nummer: 11/4971

Datum uitspraak: 23 september 2011

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 augustus 2011 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 13 april 2011 door de justitiële autoriteit, de Officier van Justitie bij de Arrondissementsrechtbank van Compiègne (Frankrijk). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Zaïre) op [1976],

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring ‘Haarlem’ te Haarlem,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 9 september 2011. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. W.A. Venema, advocaat te Rijsbergen, gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Franse taal.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een op tegenspraak gewezen te betekenen vonnis van 24 november 2009 uitgesproken door de Rechtbank van Compiègne (Frankrijk) ten grondslag.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis. Van de straf resteert nog drie jaren, twee maanden en veertien dagen.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van onderdeel e) van het EAB.

De feiten zijn in onderdeel e) van het EAB – kort gezegd - als volgt omschreven:

Op 8 juli 2008 is bij een controle van een voertuig bestuurd door de opgeëiste persoon door de douane in Chevrières (Frankrijk) een reistas met 234 gram heroïne, ontdekt. Uit onderzoek blijkt dat de opgeëiste persoon en zijn medepassagier de verdovende middelen vanuit Brussel naar het station in Compiègne zouden vervoeren.

De rechtbank begrijpt het EAB aldus dat de Franse autoriteiten voor bovenstaand feitencomplex de overlevering van de opgeëiste persoon verzoeken. Waar zij spreken over vijf strafbare feiten begrijpt de rechtbank het verzoek zo, dat hiermee gedoeld wordt op de vijf verschillende Franse kwalificaties die aan het feitencomplex betreffende de op 8 juli 2008 aangetroffen verdovende middelen kunnen worden gegeven.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Congolese nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Verweer met betrekking tot ontbreken van dubbele strafbaarheid

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid op grond van artikel 7 OLW niet is voldaan. De in het EAB genoemde overtreding van artikel 414 van de Codes des Douanes is niet een zogenaamd lijstfeit en de dubbele strafbaarheid daarvan is niet aangetoond. De overlevering voor dit feit dient dan ook te worden geweigerd. Vervolgens is problematisch dat een zogenaamde gesamtstrafe van vier jaren gevangenisstraf is opgelegd, zonder specificatie per strafbaar feit. Alvorens over het verzoek tot overlevering kan worden beslist, zullen de Franse autoriteiten daarom moeten aangeven welke straf is opgelegd voor de andere dan die in de Codes des Douanes genoemde feiten.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ontbreken van een zelfde soort Nederlandse wettelijke grondslag niet betekent dat een feit niet naar Nederlands recht als strafbaar gekwalificeerd kan worden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt allereerst dat overlevering geschiedt voor een feit of feitencomplex, en niet voor een kwalificatie van dat feit of feitencomplex. Uit onderdeel e) van het EAB blijkt dat volgens de Franse autoriteiten het feitencomplex waarvoor de overlevering wordt verzocht een lijstfeit oplevert.

De rechtbank stelt voorop dat het in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit is te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder voornoemde lijst valt en welk feit dient te worden aangekruist. Enkel in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Deze situatie doet zich niet voor.

De rechtbank is van oordeel dat de uitvaardigende justitiële autoriteit, uitgaande van de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens, in redelijkheid het feitencomplex als lijstfeit heeft aangemerkt. Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feitencomplex waarvoor de overlevering wordt verzocht moet derhalve achterwege blijven. Het feitencomplex valt onder nummer 20 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is hierop naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

Het tweede verweer omtrent de Gesamtstrafe behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking meer.

5. Verweer met betrekking tot artikel 11 OLW

De verdediging heeft betoogd dat van overlevering aan Frankrijk moet worden afgezien, omdat dat een flagrante schending van de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon tot gevolg zal hebben. De opgeëiste persoon verblijft in Nederland bij zijn partner en hun kinderen en overlevering zou tot gevolg hebben dat zij elkaar gedurende geruime tijd niet zullen kunnen ontmoeten. Het ligt niet voor de hand dat zijn partner reisgeld zal hebben voor zichzelf en de kinderen om geregeld voor een bezoek aan de opgeëiste persoon naar een gevangenis in Frankrijk te reizen.

De rechtbank overweegt allereerst dat de door de raadsman gestelde flagrante schending van fundamentele rechten te summier is onderbouwd, zodat het verweer in zoverre reeds op die grond verworpen dient te worden.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat zelfs als het verweer nader was onderbouwd, het toestaan van een overlevering een gerechtvaardigde inbreuk op het recht op eerbiediging van privé, familie- en gezinsleven oplevert. Overlevering is een bij wet voorziene en in een democratische samenleving noodzakelijke inbreuk die in het algemeen de openbare veiligheid en het voorkomen van strafbare feiten dient. In het onderhavige geval, waar het gaat om de verdenking van betrokkenheid bij internationale drugssmokkel, dient deze inbreuk ook het belang van de bescherming van de gezondheid van anderen. Een inbreuk is dan noodzakelijk en dus gerechtvaardigd.

6. Verweer met betrekking tot artikel 12 OLW

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat de overlevering wordt gevraagd ter tenuitvoerlegging van een verstekvonnis. De opgeëiste persoon is nooit daadwerkelijk en officieel in persoon gedagvaard of anders persoonlijk in kennis gesteld van de terechtzitting in Frankrijk. Hoewel blijkens de brieven van de opgeëiste persoon aan de rechtbank van Compiègne hij wel op de hoogte was van de behandeling ter zitting, is niet afdoende gebleken dat hij een advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren en dat een advocaat dat ook daadwerkelijk heeft gedaan. Nu de garantie zoals bedoeld in artikel 12 onder 2 OLW niet is gegeven, dient de overlevering te worden geweigerd.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de stukken in het dossier blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de zitting en dat er reeds om die reden geen sprake is van een versteksituatie zoals bedoeld in artikel 12 OLW. Daarnaast blijkt uit de door de uitvaardigende autoriteiten verstrekte informatie en de brieven van de opgeëiste persoon in het dossier dat de opgeëiste persoon is bijgestaan door een gemachtigde en gekozen raadsvrouw. Deze raadsvrouw is ter terechtzitting verschenen en aangenomen moet worden dat zij de opgeëiste persoon ter terechtzitting heeft vertegenwoordigd en namens hem de verdediging heeft gevoerd.

Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verzetgarantie in de Franse versie van het EAB helder is omschreven. Uit de gegeven garantie blijkt dat de opgeëiste persoon beschikt over de mogelijkheid om een rechtsmiddel in te stellen tegen de uitspraak, binnen tien dagen na betekening van de uitspraak.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat uit de door de Franse autoriteiten verstrekte informatie volgt dat er geen sprake is van een onherroepelijk vonnis. De rechtbank overweegt dat uit de bewoordingen “te betekenen vonnis” in onderdeel b) van het EAB en uit hetgeen in de Franse versie van het EAB is opgenomen omtrent de juridische garanties, volgt dat het kennelijk de bedoeling is om het vonnis nog aan de opgeëiste persoon te betekenen.

Nu het vonnis nog niet onherroepelijk is, verstaat de rechtbank het EAB aldus dat het strekt tot strafvervolging van de opgeëiste persoon. Dit brengt mee dat artikel 12 OLW in het geheel niet van toepassing is. Gelet hierop slaagt het verweer van de raadsman niet.

7. Slotsom

Nu ten aanzien van het feitencomplex waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

8. Toepasselijke wetsartikelen

Artikelen 2, 5, 7 en 11 van de Overleveringswet.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Officier van Justitie bij de Arrondissementsrechtbank van Compiègne (Frankrijk) ten behoeve van het in Frankrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. C.W. Bianchi, voorzit¬ter,

mrs. J.W. Vriethoff en T.B. Trotman, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van mr. S.N. de Jager, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 23 september 2011.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]