Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BT1960

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
20-09-2011
Zaaknummer
CV11-2089
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Openbaarmaking met toestemming van de uitgever van krantenartikel waarin een foto is opgenomen ten aanzien waarvan de erven van de fotograaf het auteursrecht hebben. Voor die openbaarmaking hebben de erven geen toestemming gegeven. Vordering tot schadevergoeding en volledige kostenvergoeding als bedoeld in artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wegens schending van het auteursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

SECTOR KANTON - LOCATIE HILVERSUM

Kenmerk: CV 11-2089

Datum: 24 augustus 2011

251

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER TE HILVERSUM

in de zaak van:

[eiser]

wonende te Houten

eiser

nader te noemen [eiser]

gemachtigde: mr. K.M. van Boven

t e g e n:

[gedaagde]

wonende te Bussum

handelende onder de naam “[naam eenmanszaak]”.

gedaagde

nader te noemen [gedaagde]

procederende in persoon

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 14 april 2011 inhoudende de vordering van [eiser] met bewijsstukken;

- de conclusie van antwoord van [gedaagde] met bewijsstukken;

- de conclusie van repliek van [eiser] met bewijsstukken;

- de conclusie van dupliek van [gedaagde].

Vonnis is nader bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1. Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

1.1. [eiser] is een van de drie erfgenamen van zijn vader [vader eiser], die in december 2009 is overleden. In deze procedure handelt hij ook als vertegenwoordiger van de twee andere erfgenamen van [vader eiser].

1.2. [gedaagde] heeft een eenmanszaak, genaamd [naam eenmanszaak], op het gebied van pers en van public relations. Zij heeft een website: [adres website eenmanszaak gedaagde], waarop zij bericht over aangelegenheden die zij voor haar klanten behandelt en waarin zij verwijst naar artikelen in de media, die (mede) door haar bemoeienissen tot stand gekomen zijn.

1.3. In 2010 heeft [gedaagde] op haar website onder andere verwezen naar een op haar instigatie tot stand gekomen krantenartikel in het dagblad [naam dagblad] van 26 maart 2008 over een kozijnensysteem met zonnepanelen dat volgens dat artikel medebedacht is door een zekere [naam directeur], directeur van [naam bedrijf] te Woerden.

1.4. Bij dit artikel zijn twee foto’s geplaatst van directeur [naam], een grote foto, waarop [naam directeur] zittend gefotografeerd is en een kleine, waarop [naam directeur] staande tussen kozijnen is gefotografeerd. Deze laatste foto is indertijd gemaakt door wijlen [vader eiser] in opdracht van [naam dagblad]. Bij die foto staat vermeld dat deze gemaakt is door [vader eiser].

1.5. Bij brief d.d. 10 juni 2010 van zijn gemachtigde heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd om de foto in kwestie met onmiddellijke ingang te verwijderen en verwijderd te houden van haar website. In die brief heeft [eiser] zijn bereidheid uitgesproken de zaak buitengerechtelijk af te doen tegen betaling van een bedrag van € 900,--. In die brief stond onder meer dat de normale vergoeding die [eiser] vraagt voor het gebruik van een foto € 280,-- bedraagt en dat de kosten die hij moest maken voor de handhaving van zijn auteursrechten € 250,-- inclusief BTW bedroegen. Tot slot werd aan [gedaagde] aangeboden de zaak buitengerechtelijk af te doen tegen betaling door [gedaagde] van € 900,--.

1.6. Naar aanleiding van deze brief heeft [gedaagde] tevergeefs diverse pogingen ondernomen om in der minne tot een oplossing met de gemachtigde van [eiser] te komen.

Vordering

2. [eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van:

a. € 280,-- als vergoeding voor de gederfde licentie-inkomsten;

b. € 560,-- als vergoeding van de schade wegens de inbreuk op de auteursrechten;

c. € 2.078,48, zijnde de gerechtskosten en andere kosten die hij heeft gemaakt, als bedoeld in

artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

3. [eiser] stelt dat de erfgenamen van [vader eiser] auteursrechthebbenden zijn van de kleine foto van [naam directeur] “tussen kozijnen” in het hiervoor onder 1.3 genoemde artikel in [naam dagblad] van 26 maart 2008 en [gedaagde] deze foto heeft geopenbaard door middel van een downloadbaar pdf-bestand van dat artikel op haar website.

4. Hiervoor had [gedaagde] geen toestemming van wijlen [vader eiser] of van zijn erfgenamen. Zij heeft hierdoor inbreuk gemaakt op de auteursrechten van [eiser] en zijn erfgenamen.

5. Als [gedaagde] voor de verwijzing naar het artikel in [naam dagblad] een zogenaamde “inline” link heeft gebruikt, zoals zij stelt en [eiser] gemotiveerd bestrijdt, lijkt het voor de bezoeker van haar website alsof hij op dezelfde website blijft. Daardoor gaat het dan om een nieuwe openbaarmaking.

6. [eiser] bestrijdt uitdrukkelijk de bewering van [gedaagde] dat de link slechts enkele dagen op haar website gestaan heeft. Het artikel is van 26 maart 2008 en stond in ieder geval tot en met juni 2010 op haar website.

7. Van een citaat is geen sprake. Het volledige artikel inclusief de foto’s is door [gedaagde] overgenomen. Ook staat de louter illustratieve functie van de foto in kwestie bij het oorspronkelijke artikel al een beroep op het citaatrecht in de weg.

8. Dat [gedaagde] toestemming van [naam dagblad] zou hebben gekregen, wat [eiser] bij gebreke van wetenschap betwist, is niet relevant, aangezien die toestemming het nieuwsbericht betreft, maar niet de foto in kwestie. Op de foto rust een afzonderlijk auteursrecht en dat is niet aan [naam dagblad] overgedragen.

Verweer

9. [gedaagde] verweert zich tegen deze vordering. Zij bestrijdt dat zij inbreuk gemaakt heeft op de auteursrechten van [eiser] door haar handelwijze.

10. De wijze waarop de foto in kwestie op de betreffende pagina van de website is opgenomen, levert geen openbaarmaking van die foto in auteursrechtelijke zin op. De foto wordt namelijk openbaar gemaakt door [naam dagblad]. In dat verband wijst [gedaagde] op de plaats waar de foto door de browser van de gebruiker wordt opgehaald. Zij heeft hiertoe een hyperlink met PDF aangebracht naar de foto op de webpagina van [naam dagblad]. Een dergelijke hyperlink, ook wel een “inline” link genoemd, is voor de bezoeker van haar website niet zichtbaar. Zijn browser activeert de link automatisch, vraagt de foto op bij de server van [naam dagblad] en plaatst de afbeelding vervolgens op de betreffende webpagina van haar website. Hoewel de pagina en de foto één geheel lijken te vormen, zijn het in werkelijkheid twee verschillende bestanden.

11. Voor het geval dit verweer niet opgaat, voert [gedaagde] aan dat het afbeelden van de foto in kwestie door haar zoals in dit geval geoorloofd is op grond van het citaatrecht. Zij heeft de foto in een krantenartikel op haar website steeds afgebeeld in de context van een daartoe behorende persbericht en publicatie op haar website, waarbij zij de bron steeds duidelijk vermeld heeft. In het artikel zelf is dat reeds gebeurd door [naam dagblad].

12. Ook anderszins is volgens haar de wijze waarop de foto op de betreffende pagina van haar website is opgenomen ook niet onrechtmatig, aangezien er geen sprake is van verwarring of misleiding omtrent de herkomst van de foto onder meer doordat zowel de bron als de uitgever van het artikel duidelijk wordt vermeld.

13. [gedaagde] wijst erop dat ondanks haar vele verzoeken [eiser] het niet tot een persoonlijke ontmoeting met haar heeft laten komen. Naar haar mening heeft hij nooit een minnelijke regeling met haar willen treffen.

Beoordeling

14. Fotografische werken zijn ingevolge artikel 10 van de Auteurswet werken van kunst ten aanzien waarvan de maker op grond van artikel 1 van deze wet het uitsluitend recht heeft om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens beperkingen bij de wet gesteld. Het auteursrecht gaat volgens artikel 2 over bij erfopvolging en is vatbaar voor gehele of gedeeltelijke overdracht.

15. Onder openbaarmaking van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt mede verstaan de openbaarmaking van een verveelvoudiging van het geheel of een gedeelte van het werk, aldus artikel 12, lid 1 sub 1.

16. In het midden kan blijven op welke wijze [gedaagde] bezoekers van haar website in staat gesteld heeft van het krantenartikel inclusief de door [vader eiser] gemaakte foto van directeur [naam directeur] “tussen kozijnen” kennis te nemen. Door bezoekers van haar website daartoe in staat te stellen, heeft zij en niet [naam dagblad] het krantenartikel én de foto in kwestie openbaar gemaakt. Hoe in deze sprake kan zijn van een citaatrecht van [gedaagde] vermag de kantonrechter niet in te zien.

17. [gedaagde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij van [naam dagblad] voor het gebruik van het artikel, inclusief de foto in kwestie toestemming verkregen had. Nu echter niet gesteld en ook niet anderszins gebleken is dat de licentie die [naam dagblad] met betrekking tot de foto in kwestie gekregen had, ook het recht omvatte derden toe te staan de foto als onderdeel van het krantenartikel openbaar te maken, moet geconcludeerd worden dat [gedaagde] het auteursrecht met betrekking tot die foto van de erfgenamen van [vader eiser] heeft geschonden.

18. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat, zoals [eiser] heeft gesteld, de gebruikelijke licentievergoeding voor het gebruik van de foto’s van [vader eiser] op internet € 280,-- inclusief BTW bedraagt en dit bedrag conform de richtprijzen fotografie 2010 is en overeenstemt met licentievergoedingen die andere fotografen hanteren voor publicatie op internet, zou de kanonrechter in beginsel dat bedrag als door [gedaagde] te betalen vergoeding voor de gederfde licentie-inkomsten van [eiser] redelijk gevonden hebben.

19. Aangezien echter [eiser] bij brief d.d. 10 juni 2010 van zijn gemachtigde niet alleen op dat bedrag aanspraak gemaakt heeft, maar daarenboven [gedaagde] gesommeerd heeft de foto in kwestie met onmiddellijke ingang van haar website te verwijderen en verwijderd te houden, wat [gedaagde] ook gedaan heeft, dient de door [gedaagde] te betalen vergoeding voor de gederfde licentie-inkomsten op een lager bedrag gesteld te worden en wel – schattenderwijs – op

€ 200,-- inclusief BTW. Dat bedrag zal dan ook worden toegewezen.

20. Dat de foto door het gebruik door [gedaagde] heel gemakkelijk en oncontroleerbaar verspreid is geworden zonder dat [eiser] aan dat gebruik voorwaarden heeft kunnen verbinden, waardoor deze in verkoopwaarde gedaald is en minder goed verkocht kon worden en [eiser] dus meer schade geleden heeft dan de gederfde licentie-inkomsten, heeft [eiser] wel gesteld, maar geenszins aannemelijk gemaakt. De door [eiser] gevorderde schadepost ad € 560,-- wegens inbreuk auteursrecht moet dan ook afgewezen worden.

21. Met betrekking tot het overige door [eiser] gevorderde bedrag ad € 2.078,48 als vergoeding voor alle volgens hem gemaakte gerechtskosten en andere kosten, rijst de vraag waarom [eiser] niet in eerste instantie zelf [gedaagde] aangeschreven heeft, maar direct een raadsvrouwe heeft ingeschakeld die namens [eiser] bij haar brief d.d. 10 juni 2010 naast de gebruikelijke licentievergoeding ad € 280,-- incl. BTW aanspraak gemaakt heeft op een vergoeding van de kosten voor de handhaving van zijn auteursrechten ad € 250,-- en daarbij als klap op de vuurpijl aan [gedaagde] aangeboden heeft de zaak buitengerechtelijk af te doen tegen betaling door [gedaagde] van € 900,-- (!).

22. Gelet op het verloop van de daarop volgende gebeurtenissen kan alleen maar geconcludeerd worden dat door de opstelling van [eiser] en/of zijn gemachtigde het door [gedaagde] gewenste minnelijke overleg geen doorgang gevonden heeft en het tot deze procedure gekomen is. Conclusie: wat [eiser] meer gevorderd heeft dan voormeld bedrag ad € 200,--, inclusief BTW wegens derving licentie-inkomsten, moet worden afgewezen.

23. Bij deze uitkomst van de procedure moet [eiser] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de proceskosten.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] wegens vergoeding gederfde licentie-inkomsten € 200,-- inclusief BTW te betalen;

II. wijst af het meer of anders gevorderde;

III. veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure die aan de zijde van [gedaagde] gevallen zijn en die tot aan deze uitspraak begroot worden op € 50,--;

IV. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. F.M.P.M. Strengers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 augustus 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter