Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BS8906

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-09-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
497590 / KG ZA 11-1292 MvW/JWR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiseressen vorderen in kort geding onder andere overlegging door gedaagden van de adminstratie van eiseressen.

Uit de door gedaagden in het geding gebrachte stukken kan worden afgeleid dat hij stappen heeft ondernomen om de administratie aan eiseressen ter hand te doen stellen. Eiseressen stellen dat gedaagden meer had behoren te doen, maar heeft niet concreet aangegeven welke stappen door gedaagden nog zouden moeten worden ondernomen. Gedaagden hebben daartegenover verklaard dat zij alles hebben gedaan wat in hun vermogen lag en niets meer onder zich hebben. Dit maakt dat onvoldoende aannemelijk is dat gedaagden nog administratieve bescheiden onder zich hebben of het in hun macht hebben om deze ter beschikking te stellen. Daar komt bij dat partijen eveneens van mening verschillen over de vraag of delen van de administratie door de bestuurders van eiseressen uit de apotheek zijn meegenomen.

Nu de vervanger van gedaagde 1 zijn verklaring ter zitting heeft gehandhaafd, ook nadat deze door de bestuurders van eiseressen was weersproken. Derhalve kan er in dit kort geding evenmin van worden uitgegaan dat eiseressen niet zelf ervoor hebben gezorgd dat gedaagden niet in staat zij n hun verplichtingen op dit punt na te komen. Hierom is de vordering niet toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 497590 / KG ZA 11-1292 MvW/JWR

Vonnis in kort geding van 13 september 2011

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEIDSESTRAAT APOTHEEK B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FIRST ATJEH HOLDING B.V.,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[BESTUURDER EISERES 3] HOLDING B.V.,

alle gevestigd te Amsterdam,

eiseressen in conventie bij dagvaarding van 16 augustus 2011,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. S.J.T. ten Have en mr. B.W.M. Mutsaers te Eindhoven,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] APOTHEEK B.V.,

gevestigd te Winterswijk,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. C.J. Jager te Amsterdam.

Eisers zullen hierna Leidsestraat Apotheek c.s. worden genoemd. Gedaagden zullen worden aangeduid als [gedaagde] en [gedaagde] Apotheek en gezamenlijk als [gedaagde] c.s.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 19 augustus 2011 heeft Leidsestraat Apotheek c.s. gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, waarbij zij haar eis heeft verminderd overeenkomstig de aan dit vonnis gehechte akte.

[gedaagde] c.s. heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen en vervolgens in reconventie gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte conclusie van eis in reconventie. Leidsestraat Apotheek c.s. heeft de vordering in reconventie bestreden.

Op de terechtzitting van 19 augustus 2011 hebben partijen afspraken gemaakt, waarna de zaak is aangehouden tot 22 augustus 2011. Omdat vervolgens tussen partijen verschil van mening is ontstaan over de nakoming van deze afspraken is de behandeling voortgezet op 2 september 2011. Op deze zitting heeft [gedaagde] c.s. zijn reconventionele vordering ingetrokken, zodat deze hierna niet meer zal worden besproken.

Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht.

Ter terechtzittingen waren onder meer aanwezig:

- namens Leidsestraat Apotheek c.s.: de heren [bestuurder eiseres 2] en [bestuurder eiseres 3], bijgestaan door mr. S.J.T. ten Have en mr. B.W.M. Mutsaers;

- namens [gedaagde] c.s.: [gedaagde] bijgestaan door mr. Jager.

Na verder debat hebben partijen verzocht om vonnis te wijzen.

2. De feiten

2.1. Tussen Leidsestraat Apotheek B.V. en [gedaagde] Apotheek zijn op 10 februari 2010 een tweetal overeenkomsten van opdracht gesloten op grond waarvan [gedaagde], die in dienst is bij [gedaagde] Apotheek, beschikbaar wordt gesteld om als beherend apotheker werkzaamheden voor Leidsestraat Apotheek B.V. uit te voeren.

2.2. Leidsestraat Apotheek B.V. heeft de overeenkomsten van opdracht op

9 augustus 2011 opgezegd. [gedaagde] was op dat moment op vakantie. De werkzaamheden van [gedaagde] in de apotheek werden op dat moment uitgevoerd door een vervanger, de heer [vervanger] (hierna: [vervanger]).

2.3. In de opzeggingsbrief is [gedaagde] onder meer gesommeerd om alle administratie, waaronder alle facturen en correspondentie met betrekking tot de apotheek aan Leidsestraat Apotheek B.V. c.s. ter beschikking te stellen.

2.4. [gedaagde] is na terugkeer van zijn vakantie de toegang tot de apotheek ontzegd.

3. Het geschil in conventie

3.1. Leidsestraat Apotheek c.s. vordert, na vermindering van eis, – samengevat –

I. [gedaagde] c.s. op straffe van een dwangsom te gebieden tot afgifte van de gehele administratie;

II. [gedaagde] c.s. op straffe van een dwangsom te verbieden nog werkzaamheden als apotheker voor Leidsestraat Apotheek B.V. te verrichten;

III. [gedaagde] c.s. op straffe van een dwangsom te gebieden alle handelingen te staken en gestaakt te houden die medewerkers en bestuurders van Leidsestraat Apotheek B.V. frustreren in de uitvoering van hun werkzaamheden;

IV. [gedaagde] c.s. te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten;

IV. [gedaagde] c.s. te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen

met de wettelijke rente.

3.2. Leidsestraat Apotheek c.s. voert aan dat nu de overeenkomsten van opdracht zijn beëindigd [gedaagde] c.s. zich dient te onthouden van verdere bemoeienis met de apotheek en dat hij Leidsestraat Apotheek c.s. in het bezit dient te stellen van al hetgeen hij in het kader van de uitvoering van de overeenkomst van opdracht ter beschikking heeft gekregen.

3.3. [gedaagde] c.s. voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling in conventie

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. Partijen zijn ter zitting van 19 augustus 2011 een schikking overeengekomen (waarbij partijen zijn aangeduid als Leidsestraat Apotheek en [gedaagde]) welke onder meer het volgende inhoudt:

“1. [gedaagde] zegt toe dat hij het pand van Leidsestraat Apotheek niet meer zal betreden en dat hij geen bemoeienis meer zal hebben met de werkzaamheden van de medewerkers en bestuurders van Leidsestraat Apotheek.

2. Partijen zeggen over en weer toe dat zij zich in het openbaar en jegens derden niet negatief over elkaar zullen uitlaten, hetgeen onverlet laat dat partijen in hun contact met de politie en justitie vrij zijn om te spreken.

3. [gedaagde] zal uiterlijk maandag 22 augustus 2011 voor 17.00 uur in overleg met Leidsestraat Apotheek de volledige administratie voor zover aanwezig aan een door Leidsestraat Apotheek aan te wijzen derde afgeven”.

4.3. De onder punt 3 van de schikking bedoelde verplichting is in het proces-verbaal van schikking nog nader gespecificeerd. Het enige wat partijen thans nog verdeeld houdt is de vraag of [gedaagde] c.s. uitvoering heeft gegeven aan dit onderdeel van de schikkingsovereenkomst.

4.4. Leidsestraat Apotheek c.s. voert aan dat zij nog steeds niet de beschikking heeft over de volledige administratie. Zij wijt dit aan [gedaagde] c.s., omdat deze naar haar mening onvoldoende inspanningen heeft verricht om alle stukken in het bezit van Leidsestraat Apotheek c.s. te doen komen. Leidsestraat Apotheek c.s. vermoedt dat [gedaagde] c.s. opzettelijk stukken achter houdt om daarmee te voorkomen dat onregelmatigheden ontdekt zullen worden. Hoe dan ook, [gedaagde] c.s. was ten tijde van de uitvoering van de overeenkomst van opdracht eindverantwoordelijke voor de gehele apotheek, inclusief de administratie, en derhalve dient hij ervoor zorg te dragen dat deze administratie, nu de overeenkomst van opdracht is geëindigd, weer in bezit van Leidsestraat Apotheek c.s. komt, aldus Leidsestraat Apotheek c.s. Leidsestraat Apotheek c.s. ontkent dat door of namens haar delen van de administratie uit de apotheek zijn meegenomen.

4.5. [gedaagde] c.s. voert aan dat hij al hetgeen redelijkerwijs van hem kon worden verwacht om te zorgen dat Leidsestraat Apotheek c.s. weer in het bezit van de administratie kon komen, heeft gedaan. Hiertoe heeft hij onder meer contact opgenomen met de (voormalige) accountant en de administratiekantoren die de boekhouding van de apotheek bijhouden. Door [gedaagde] c.s. zijn kopieën van de ter dier zake gevoerde correspondentie overgelegd. Dat een en ander er kennelijk niet toe heeft geleid dat Leidsestraat Apotheek c.s. in het bezit is gekomen van alle stukken kan hem niet worden aangerekend, aldus [gedaagde] c.s.

4.6. [gedaagde] c.s. stelt verder dat een deel van de administratie uit de apotheek is meegenomen door de heren [bestuurder eiseres 2] en [bestuurder eiseres 3], bestuurders van eiseressen sub 2 en sub 3. [gedaagde] c.s. beroept zich hiervoor op een in het geding gebrachte schriftelijke verklaring van [vervanger], waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“Ook hebben de beide heren [bestuurder eiseres 2] en [bestuurder eiseres 3] grote hoeveelheden post, ordners en andere papier meegenomen uit de apotheek. Een en ander zonder mijn toestemming. Deze hebben zij vervangen door andere mappen of ordners. In ieder geval was op een gegeven moment een hele rek vol met gele ordners verdwenen uit de apotheek. Ik heb zowel de heer [bestuurder eiseres 2] (met grote weekendtas) als de heer [bestuurder eiseres 3] (met incontinentiedraagtassen) administratie uit de apotheek zien wegnemen”.

4.7. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Uitgangspunt is dat [gedaagde] c.s. ten tijde van de looptijd van de overeenkomst van opdracht eindverantwoordelijkheid droeg voor de gang van zaken in de apotheek en daarom ook verantwoordelijk was voor de administratie. Daaruit volgt dat het tevens zijn verantwoordelijkheid is ervoor te zorgen dat de gehele administratie na afloop van het contract weer aan Leidsestraat Apotheek c.s. ter hand kan worden gesteld, althans al datgene te doen wat daartoe nodig is. Leidsestraat Apotheek c.s. kan echter op nakoming van de voornoemde verplichting van [gedaagde] c.s. geen beroep doen voor zover zij deze nakoming door eigen toedoen onmogelijk heeft gemaakt.

4.8. In onderhavig geval kan uit de door [gedaagde] c.s. in het geding gebrachte stukken worden afgeleid dat hij stappen heeft ondernomen om de administratie aan Leidsestraat Apotheek c.s. ter hand te doen stellen. Partijen verschillen van mening over de vraag of [gedaagde] c.s. nog meer had behoren te doen. Leidsestraat Apotheek c.s. stelt dat dit wel het geval is, maar heeft niet concreet aangegeven welke stappen door [gedaagde] c.s. nog zouden moeten worden ondernomen. [gedaagde] c.s. heeft daartegenover verklaard dat hij alles heeft gedaan wat in zijn vermogen lag en niets meer onder zich heeft. Dit maakt dat onvoldoende aannemelijk is dat [gedaagde] c.s. nog administratieve bescheiden onder zich heeft of het in zijn macht heeft om deze ter beschikking te stellen. Daar komt bij dat partijen eveneens van mening verschillen over de vraag of delen van de administratie door de heren [bestuurder eiseres 2] en [bestuurder eiseres 3] uit de apotheek zijn meegenomen. [vervanger] heeft zijn verklaring ter zitting van

2 september 2011 gehandhaafd, ook nadat deze door [bestuurder eiseres 2] en [bestuurder eiseres 3] was weersproken. Derhalve kan er in dit kort geding evenmin van worden uitgegaan dat Leidsestraat Apotheek c.s. niet zelf ervoor heeft gezorgd dat [gedaagde] c.s. niet in staat is zijn verplichtingen op dit punt na te komen. Uit het voorgaande volgt dat het in rechtsoverweging 3.1 onder I vermelde deel van de vordering niet toewijsbaar is.

4.9. Wat betreft de in rechtsoverweging 3.1 onder II en III vermelde vorderingen geldt dat partijen hierover in de schikkingsovereenkomst afspraken hebben gemaakt, welke afspraken door [gedaagde] c.s. worden nageleefd, zodat dat deel van het geschil als beëindigd kan worden beschouwd.

4.10. Nu de gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd bestaat er geen aanleiding [gedaagde] c.s. te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten.

4.11. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat ieder van partijen haar eigen kosten draagt. Weliswaar zullen de vorderingen van Leidsestraat Apotheek c.s. worden afgewezen, maar dit vindt voor een groot deel haar oorzaak in het feit dat [gedaagde] c.s. na het uitbrengen van de dagvaarding aan de eisen van Leidsestraat Apotheek c.s. is tegemoetgekomen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorziening;

5.2. compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.W. Rouwendal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2011.