Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR7043

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-09-2011
Datum publicatie
08-09-2011
Zaaknummer
AWB 11-3119 WAJONG, AWB 11-3120 WAJONG, AWB 11-3114 WAJONG en AWB 11-3118 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Niet tijdig beslissen op aanvraag en bezwaar. Ingevolge de vaste jurisprudentie ten aan zien van het prematuur beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit geldt voor de toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb niet als voorwaarde dat de beslistermijn voor het nemen van het reële besluit daadwerkelijk verstreken was en aldus sprake is van een ontvankelijk beroep. Dit betekent dat indien een prematuur beroep niet-ontvankelijk moet worden geacht, een nadien genomen reëel besluit wel ten gronde beoordeeld moet worden. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat deze jurisprudentie gelding zou hebben verloren na de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/3119 WAJONG en AWB 11/3114 WAJONG (voorlopige voorzieningen)

AWB 11/3118 WAJONG en AWB 11/3120 WAJONG (bodemzaken)

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster],

wonende te [woonplaats] (Zwitserland),

verzoekster,

gemachtigde [gemachtigde],

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft twee verzoeken ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Deze verzoeken hangen samen met de door verzoekster ingediende beroepen van 21 juni 2011.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting aan de orde gesteld op 18 augustus 2011. Partijen zijn - met voorafgaande kennisgeving - niet verschenen.

Overwegingen

1. inleidende bepalingen

1.1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

1.2. Op grond van artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

1.3. De feiten en omstandigheden in de hoofdzaken vergen naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen nader onderzoek, zodat de voorzieningenrechter van deze bevoegdheid gebruik zal maken.

2. feiten en omstandigheden

2.1. Verzoekster, geboren op 17 april 1987, ontving een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In maart 2011 heeft verweerder de Wajong-uitkering van verzoekster geschorst wegens vertrek naar het buitenland. Naar aanleiding van telefonisch contact met verweerder heeft de vader van verzoekster namens haar bij brief van 15 maart 2011 nadere inlichtingen verstrekt over de verblijfplaats van verzoekster. In de brief is tevens verzocht de Wajong-uitkering te hervatten. Bij e-mails van 22 en 28 maart 2011 en 3 april 2011 heeft de vader van verzoekster namens haar opnieuw een aantal inlichtingen verstrekt met andermaal het verzoek de uitbetaling van de Wajong-uitkering te hervatten.

2.2. Op 18 april 2011 is namens verzoekster opnieuw verzocht om een beslissing omtrent de schorsing, waarbij is gewezen op de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen. Bij e-mail van 19 april 2011 heeft verzoekster er op gewezen dat zij zes weken na 15 maart 2011 ter zake van haar bezwaar omtrent de niet uitbetaling van de Wajong-uitkering aanspraak zal maken op dwangsommen.

2.3. Bij primair besluit van 19 april 2011 (het primaire besluit I) heeft verweerder de betaling van de Wajong-uitkering van verzoekster per 1 maart 2011 geschorst wegens het vertrek van verzoekster naar Zwitserland. Bij brief van 26 april 2011 heeft de vader van verzoekster hiertegen namens verzoekster bezwaar gemaakt. Dit is herhaald bij brief van 2 mei 2011.

2.4. Bij primair besluit van 5 mei 2011 (het primaire besluit II) heeft verweerder de betaling van de Wajong-uitkering van verzoekster met ingang van 1 maart 2011 beëindigd omdat verzoekster niet langer in Nederland woont. Bij brief van 6 mei 2011 is hiertegen namens verzoekster bezwaar gemaakt.

2.5. Bij brief van 23 mei 2011 heeft verzoekster verweerder onder verwijzing naar het bepaalde in de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen in gebreke gesteld en aanspraak gemaakt op dwangsommen. Bij brieven van 25 en 29 mei 2011 heeft verzoekster deze ingebrekestelling herhaald.

2.6. Op 21 juni 2011 heeft verzoekster een tweetal beroepen ingesteld bij de rechtbank Amsterdam. Het eerste beroep, geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/3118 WAJONG, betreft het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar volgens paragraaf 4.1.3.2. van de Awb. Het tweede beroep, geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/3120 WAJONG, betreft - volgens de opgave van verzoekster - het niet kenbaar maken van een positieve fictieve beschikking verblijf in Zwitserland als bedoeld in paragraaf 4.1.3.3. van de Awb. Namens verzoekster is tevens aanspraak gemaakt op dwangsommen ingevolge bovenvermelde paragrafen tot een totaalbedrag van € 2.520,-. Tevens is verzocht een voorlopige voorziening te treffen en verweerder op te dragen tot uitbetaling van de Wajong-uitkering over te gaan.

2.7. Bij beslissing op bezwaar van 22 juni 2011 heeft verweerder beslist op de bezwaarschriften tegen de primaire besluiten I en II. Daarbij zijn de bezwaren tegen het besluit van 19 april 2011 niet-ontvankelijk en die tegen het besluit van 5 mei 2011 ongegrond verklaard.

2.8. Bij brief van 14 augustus 2011 heeft verzoekster (onder meer) bericht dat het beroep zich ook richt tegen de beslissing op bezwaar van 22 juni 2011 en de gronden van het beroep uiteengezet.

3. ontvankelijkheid van de beroepen

3.1. De voorlopige voorzieningen zijn op 21 juni 2011 ingediend hangende - tegelijkertijd - ingestelde beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar en het uitblijven van een beslissing op een aanvraag om toestemming om met behoud van uitkering naar Zwitserland te verhuizen.

3.2. De voorzieningenrechter zal allereerst bezien of de door verzoekster op 21 juni 2011 ingestelde beroepen ontvankelijk zijn.

Ten aanzien van het uitblijven van een beslissing op bezwaar overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Anders dan verzoekster stelt, kan de brief van 15 maart 2011 waarin verzoekster nadere inlichtingen verstrekt in verband met de feitelijke schorsing van haar Wajong-uitkering over maart 2011, niet aangemerkt worden als een bezwaarschrift. Het bezwaarschrift tegen het primaire besluit I dateert van 26 april 2011, herhaald bij brief van 2 mei 2011. Het bezwaar tegen het primaire besluit II dateert van 6 mei 2011. Ingevolge artikel 6:3, eerste lid, van de Wajong beslist het UWV, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Dat betekent dat op 21 juni 2011 de termijn om te beslissen op de bezwaarschriften tegen beide primaire besluiten nog niet was verstreken, zodat verzoekster ten onrechte verweerder reeds daarvoor in gebreke had gesteld en vervolgens daartegen beroep ingesteld.

Het beroep van 21 juni 2011 tegen het niet tijdig op de bezwaarschriften zou in zoverre niet-ontvankelijk zijn. Voor het vaststellen van de hoogte van dwangsommen is geen plaats, omdat deze niet verschuldigd zijn.

3.3. Voordat de voorzieningenrechter terzake een uitspraak had gedaan is bekend geworden dat verweerder bij besluit van 22 juni 2011 een beslissing op de bezwaarschriften had genomen. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit volledig tegemoet komt aan de bezwaren. Ingevolge de vaste jurisprudentie ten aan zien van het prematuur beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit geldt voor de toepassing van artikel 6:20, derde lid (voorheen vierde lid), van de Awb niet als voorwaarde dat de beslistermijn voor het nemen van het reële besluit daadwerkelijk verstreken was en aldus sprake is van een ontvankelijk beroep. Dit betekent dat indien een prematuur beroep niet-ontvankelijk moet worden geacht, een nadien genomen reëel besluit wel ten gronde beoordeeld moet worden. (vgl. HR 14 oktober 2005, AB 2005/426, ABRS 1 mei 2002, AB 2002/283 en CRvB 3 december 2002, JB 2003/27). De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat deze jurisprudentie gelding zou hebben verloren na de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen. Dit betekent dat het beroep, geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/3118 WAJONG, zich richt tegen de reële beslissing op bezwaar van 22 juni 2011 en dat sprake is van een ontvankelijk beroep.

3.4. Ten aanzien van het beroep tegen een veronderstelde positieve beschikking bij niet tijdig beslissen overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Hoewel verweerder aanvankelijk niet heeft gereageerd op een vraag van verzoekster om met toestemming naar het buitenland te vertrekken met behoud van uitkering, overweegt de voorzieningenrechter dat geen sprake is van een positieve beschikking. Het adagium “wie zwijgt stemt toe” geldt hier niet. Paragraaf 4.1.3.3. van de Awb is gelet op artikel 4:20a van de Awb alleen van toepassing indien dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Hiervan is echter geen sprake bij het hiervoor genoemde verzoek om toestemming. Uit het uitblijven van een reactie op het verzoek van 14 juli 2010 kan dan ook niet geconcludeerd worden dat deze was verleend.

3.5. Voorzover verzoekster met het beroep geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/3120 WAJONG heeft beoogd om beroep in te stellen het niet tijdig beslissen op een verzoek om toestemming om naar het buitenland te vertrekken met behoud van uitkering en aanspraak heeft gemaakt op dwangsommen overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Gelet op de context van het schrijven van 28 februari 2010 - waar sprake is van een voorgenomen vertrek - heeft verweerder de vraag naar de gevolgen van het vertrek naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht aangemerkt als een informatieverzoek. De reactie op zo’n verzoek leidt immers ook niet tot directe rechtsgevolgen voor de uitkering.

Verzoekster heeft het verzoek om toestemming om met behoud van uitkering naar Zwitserland te vertrekken bij brief van 14 juli 2010 herhaald, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich het terecht op het standpunt gesteld dat verzoekster - die inmiddels sedert augustus 2010 in Zwitserland woonde - pas in april 2011 heeft aangegeven dat zij nog steeds besluitvorming wenste ten aanzien van haar verzoek. Verweerder kan dan ook gevolgd worden in zijn visie dat een (mogelijke) ingebrekestelling pas dateert van 19 april 2011. De besluitvorming is vervolgens gegeven met het primaire besluit I, waaruit immers bleek dat verweerder die toestemming niet (alsnog) had verleend of verleende.

3.6. Gelet op het voorgaande is van een ontvankelijk beroep tegen een fictieve positieve beschikking dan wel een ontvankelijk beroep wegens niet tijdig beslissen na een ingebrekestelling geen sprake. Evenmin zijn dwangsommen als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb verbeurd. Het beroep geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/3120 WAJONG is dan ook niet-ontvankelijk en het daarmee samenhangende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

4. inhoudelijke beoordeling

ten aanzien van de schorsing van de uitkering met ingang van 1 maart 2011

4.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder de Wajong-uitkering van verzoekster bij het primaire besluit II heeft ingetrokken met ingang van 1 maart 2011. De voorzieningenrechter is gelet hierop met verweerder van oordeel dat verzoekster geen belang meer heeft bij een oordeel over de vraag of verweerder terecht tot schorsing van de uitkering is overgegaan. Verweerder heeft het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit I dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

ten aanzien van de beëindiging van de uitkering met ingang van 1 maart 2011

4.2. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of in het geval van verzoekster sprake is van zodanige omstandigheden dat de beëindiging van de Wajong-uitkering van verzoekster per 1 maart 2011 leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, in de zin van artikel 3:19, negende lid, van de Wajong.

4.3. Met betrekking tot dit geschilpunt stelt de voorzieningenrechter voorop dat in artikel 3:19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wajong is bepaald dat het recht op uitkering krachtens die wet eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. Verweerder kan dit zogenoemde exportverbod van een Wajong-uitkering, op grond van het negende lid van dit artikel, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.4. Verweerder heeft in zijn Besluit beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland van 29 april 2033 (Stcrt. 84, bl. 17, het Besluit) aangegeven in welke gevallen en op welke wijze door hem uitvoering zal worden gegeven aan deze hardheidsclausule. In artikel 2 van dit Besluit is bepaald dat van een onbillijkheid van overwegende aard sprake is indien de jonggehandicapte naar het oordeel van het Uwv zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen en naar verwachting als gevolg van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden. Als zwaarwegende redenen om buiten Nederland te gaan wonen worden in ieder geval aangemerkt:

a. het ondergaan van een medische behandeling van enige duur;

b. het aanvaarden van arbeid met enig re-integratieperspectief;

c. het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen.

4.5. In de toelichting op dit Besluit is ten aanzien van het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder c, aangegeven dat de redenen waarom de verzorgende personen buiten Nederland gaan wonen objectief en dwingend van aard moeten zijn, en niet in overwegende mate gebaseerd kunnen zijn op een eigen keuze. In de toelichting bij het Besluit is voorts aangegeven dat de hardheidsclausule steeds aan de hand van de omstandigheden van het individuele geval moet worden toegepast. Ook in andere dan de drie hiervoor genoemde situaties kan er grond zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. Daarom moet in alle gevallen beoordeeld worden of sprake is van zwaarwegende redenen en of het beëindigen van de uitkering een aanmerkelijk nadeel betekent.

4.6. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoekster voor haar verzorging afhankelijk is van haar ouders. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de ouders van verzoekster genoodzaakt waren naar Zwitserland te verhuizen.

4.7. Verzoekster heeft desgevraagd als redenen voor het vertrek naar Zwitserland aangevoerd dat haar ouders niet tevreden waren over de verzorging van verzoekster in de instelling in Nederland, dat in Nederland geen aangepaste woning te vinden was en in Zwitserland wel en het toenemende racisme in Nederland. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat de door verzoekster aangevoerde redenen niet aangemerkt kunnen worden als zwaarwegende redenen in de zin van artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter nemen de aangevoerde redenen niet weg dat de verhuizing naar Zwitserland in overwegende mate op de eigen keuze van de ouders van verzoekster berust. De voorzieningenrechter is derhalve van oordeel dat op grond van de door verzoekster aangevoerde omstandigheden niet geconcludeerd kan worden dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit.

4.8. Ook overigens is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door verzoekster aangevoerde omstandigheden niet als zwaarwegende redenen om met behoud van een Wajong-uitkering buiten Nederland te mogen wonen aangemerkt kunnen worden.

4.9. Ten aanzien van de grond van verzoekster dat het exportverbod van de Wajong-uitkering in strijd is met artikel 49 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag) overweegt de voorzieningenrechter dat het Hof van Justitie EG in zijn arresten van 6 juli 2006 en 11 september 2007 als zijn oordeel heeft uitgesproken dat een uitkering krachtens de Wajong een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetalende prestatie is in de zin van artikel 4, lid 2bis, van Verordening 1408/71 (de Verordening), en dat ten aanzien van deze prestatie, die is opgenomen in bijlage II bis bij deze Verordening, op grond van artikel 10bis van de Verordening het woonplaatsvereiste mag worden gesteld. Hieruit volgt dat het exportverbod niet in strijd is met artikel 49 van het EG-Verdrag. De grond van verzoekster slaagt dan ook niet.

4.10. Gelet op het voorgaande kan het besluit van 22 juni 2011 in stand blijven en wordt het beroep geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/3118 WAJONG ongegrond verklaard. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

4.11. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/3118 WAJONG ongegrond;

- verklaart het beroep geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/3120 WAJONG niet-ontvankelijk;

- wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. van Excel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2011.

de griffier de voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft de hoofdzaak, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB