Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR7022

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2011
Datum publicatie
08-09-2011
Zaaknummer
Parketnummer: 13/706387-11, RK nummer: 11/2880
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Executieoverlevering Polen. Een verzoek tot overname van de strafexecutie valt niet binnen het toetsingskader van de rechtbank bij de beoordeling van een EAB. Een dergelijk verzoek dient te worden ingediend bij de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/706387-11

RK nummer: 11/2880

Datum uitspraak: 26 augustus 2011

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 mei 2011 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 19 december 2006 door de justitiële autoriteit, de President of District Court van het District Court, II Penalty Department in Suwalki (Polen). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (België) op [1960],

wonende op het adres [adres] [woonplaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zittingen van 17 juni 2011 en van 12 augustus 2011. Op deze laatste zitting zijn de offi¬cier van justitie en de gemachtigd raadsman van de opgeëiste persoon, mr. A.A.P. Jansen, advocaat te Tegelen, gehoord.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een decision van 12 september 1997 van de former Voivodship (Province) Court in Suwalki (referentie IIK. 36/97) ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan een naar het recht van Polen strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet de Nederlandse, maar de Italiaanse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. Het feit valt onder nummer 26 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

handel in gestolen voertuigen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Verweren

5.1. Evenredigheid van het EAB

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het ten uitvoer leggen van het EAB niet proportioneel is, nu het een oud feit betreft en de opgeëiste persoon het grootste gedeelte van de gevangenisstraf al heeft uitgezeten. In relatie tot het tijdsverloop is het niet redelijk om de opgeëiste persoon in deze situatie naar Polen over te leveren. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op het standpunt van de opgeëiste persoon dat hij bereid is om het resterende gedeelte van de opgelegde straf in Nederland in te vullen. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon en het tijdsverloop dient overname van executie in de vorm van een werkstraf meer voor de hand te liggen, aldus de raadsman. De raadsman heeft verzocht de overlevering om bovengenoemde redenen te weigeren.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, mede gelet op de resterende straf van zeven maanden, geen sprake kan zijn van onevenredigheid. Daarnaast hebben de Poolse autoriteiten geruime tijd consistent kenbaar gemaakt dat zij de opgeëiste persoon overgeleverd willen hebben. Bij de beoordeling van het tijdsverloop dient met dit gegeven rekening te worden gehouden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het ten uitvoer leggen van het EAB geen strijd oplevert met het evenredigheidsbeginsel.

De rechtbank overweegt dat een beroep op de onevenredigheid van een EAB slechts onder bijzondere omstandigheden kan slagen.

In het onderhavige geval is de rechtbank niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat daarom de overlevering moet worden geweigerd. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de resterende straf van zeven maanden en het feit dat Polen reeds in 2007 de overlevering van de opgeëiste persoon heeft verzocht, zodat het tijdsverloop sindsdien reeds hierom niet aan de uitvaardigende justitiële autoriteit is te verwijten. Voorts is het in het licht van de evenredigheid aan deze uitvaardigende justitiële autoriteit voorbehouden de afweging te maken al dan niet een EAB - met de daaraan verbonden mogelijkheden tot het toepassen van dwangmiddelen - uit te vaardigen.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat de suggestie van de raadsman om de straf in Nederland te executeren in de vorm van een werkstraf niet valt binnen het toetsingskader van de rechtbank bij de beoordeling van een EAB. Een verzoek tot overname van de strafexecutie dient te worden ingediend bij de officier van justitie.

Het verweer van de raadsman wordt op al deze gronden verworpen.

5.2. Gezondheidssituatie van de opgeëiste persoon

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat gelet op de medische situatie van de opgeëiste persoon de overlevering geweigerd dient te worden. Uit de door de raadsman overgelegde stukken blijkt dat de ziekte van de opgeëiste persoon ernstig is en dat hij gezien de ernst van de ziekte mogelijk detentieongeschikt zou zijn. Te vrezen valt dat door overlevering aan Polen zijn ziekte zal verergeren. De raadsman heeft verzocht om de overlevering van de opgeëiste persoon om deze reden te weigeren.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gezondheidstoestand van een opgeëiste persoon geen omstandigheid is op grond waarvan overlevering kan worden geweigerd. De officier van justitie kan wel op grond van artikel 35 OLW de feitelijke overlevering uitstellen, indien er ernstige humanitaire redenen, zoals de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon, bestaan die aan de feitelijke overlevering in de weg staan. De officier van justitie heeft aangegeven dat hij de medische situatie van de opgeëiste persoon serieus neemt. Indien de rechtbank beslist de overlevering toe te staan, zal de officier van justitie zich door een medische deskundige laten adviseren over de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de OLW aan de rechtbank niet de bevoegdheid geeft een overlevering te weigeren uitsluitend op grond van de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon.

Zoals aangegeven door de officier van justitie ziet artikel 35 OLW op de feitelijke overlevering in de situatie dat, gelet op de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon, reizen niet verantwoord is. De officier van justitie dient in een dergelijk geval de beslissing omtrent de tijd en de plaats van de feitelijke overlevering aan te houden dan wel kan hij onder omstandigheden de opgeëiste persoon voorlopig ter beschikking van de uitvaardigende justitiële autoriteiten stellen.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

6. Slotsom

Nu ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

7. Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

8. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de President of District Court van het District Court, II Penalty Department in Suwalki (Polen) ten behoeve van het in Polen tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. J.J. Bade, voorzit¬ter,

mrs. J.H.J. Evers en W.H. van Benthem, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van mr. S.N. de Jager, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 26 augustus 2011.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]