Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR6456

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
01-09-2011
Zaaknummer
13-421662-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Deze zaak betreft een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel). Deze vordering wordt afgewezen. Eerder is de proeftijd verlengd en is als bijzondere voorwaarde opname in een verslavingskliniek toegevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank is de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel niet gerechtvaardigd, omdat het wettelijk niet mogelijk is de proeftijd van een voorwaardelijke ISD-maatregel te verlengen. Ook is het niet mogelijk als bijzondere voorwaarde opname in een inrichting op te leggen, zonder dat daaraan een termijn is verbonden en zonder dat veroordeelde zich bereid heeft verklaard de behandeling in de inrichting te ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/421662-07

BESLISSING NA VEROORDELING

TOT VOORWAARDELIJKE

ISD-MAATREGEL

Beslissing op de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van

7 april 2010, ontvangen ter griffie op 8 april 2010, betreffende een onherroepelijk geworden vonnis d.d. 18 december 2007, in de strafzaak tegen:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [1967],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

De inhoud van de vordering

De vordering van de officier van justitie strekt er toe dat de niet ten uitvoer gelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (verder ook: ISD-maatregel) alsnog zal worden ten uitvoer gelegd.

Opnieuw aanvangen onderzoek

In de openbare raadkamer van 17 augustus 2011 heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek opnieuw wordt aangevangen op basis van de schriftelijke vordering van de officier van justitie van 7 april 2010. De reden hiervoor is gelegen in het navolgende.

Op 16 november 2010 heeft de rechtbank het onderzoek ter openbare terechtzitting gesloten verklaard en bepaald dat ter terechtzitting van 30 november 2010 uitspraak zal worden gedaan. In het proces-verbaal van de op 16 november 2010 gehouden zitting staat vervolgens dat de rechtbank na beraad in raadkamer het onderzoek schorst voor onbepaalde tijd in afwachting van het verloop van een Rotterdamse zaak tegen verdachte. Het dossier bevat daarnaast een proces-verbaal van de zitting van 30 november 2010 alwaar het vonnis zou zijn uitgesproken. Een (tussen)vonnis is er echter niet; het is nooit geschreven.

Op grond van artikel 345, derde lid, Wetboek van Strafvordering (verder Sv), dat in artikel 509dd Sv van overeenkomstige toepassing is verklaard op de onderhavige procedure, mag in geen geval de uitspraak later plaatsvinden dan op de veertiende dag na de sluiting van het onderzoek. Het vierde lid van artikel 345 Sv bepaalt dat in geval van een termijn-overschrijding de zaak op de bestaande tenlastelegging door hetzelfde college opnieuw wordt onderzocht. Dit vierde lid van voornoemd artikel is echter niet van overeenkomstige toepassing verklaard op de onderhavige procedure.

De rechtbank constateert dat op 16 november 2010 het onderzoek is gesloten en dat het niet is heropend. Een schorsing van het onderzoek nadat het is gesloten, is niet mogelijk zonder heropening bij tussenvonnis. Het onderzoek was daarom bij aanvang van de behandeling in openbare raadkamer van 17 augustus 2011 nog altijd gesloten, zonder dat er binnen de voorgeschreven wettelijke termijn van veertien dagen een uitspraak was gedaan. Naar analogie van het bepaalde in artikel 345, vierde lid, Sv zal de rechtbank daarom de zaak op de bestaande vordering opnieuw dienen te onderzoeken.

Oproeping reclasseringswerker

In openbare raadkamer zijn op 17 augustus 2011 verschenen de raadsman van veroordeelde en de officier van justitie. Veroordeelde zelf is, ondanks een juist betekende oproep, niet verschenen. De reclasseringswerker is ook niet verschenen. Desgevraagd heeft de officier van justitie gezegd dat hem niet bekend is of een reclasseringswerker is opgeroepen.

De rechtbank constateert dat het dossier geen oproep van een reclasseringswerker bevat. Artikel 509z, vijfde lid, Sv schrijft onder meer voor dat het openbaar ministerie, nadat de voorzitter een dag voor het onderzoek van de zaak heeft bepaald, zo spoedig mogelijk de reclasseringswerker tijdig tot het bijwonen van het onderzoek oproept. Nu dit niet is gebeurd, is sprake van een vormverzuim. Welke consequentie hieraan moet worden verbonden, laat de rechtbank uit proceseconomische overwegingen in het midden. Uit het navolgende zal namelijk blijken dat het openbaar ministerie en veroordeelde bij een beslissing op dit punt geen belang meer hebben.

De grondslag van de vordering

De schriftelijke vordering van 7 april 2010 noemt als grondslag de artikelen 14f, 14g en 14h van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr). Deze artikelen zien echter niet op de voorwaardelijke ISD-maatregel. Omdat uit de tekst van de vordering wel duidelijk blijkt dat het openbaar ministerie heeft bedoeld een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel in te dienen, zal deze fout worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving en leest de rechtbank als grondslag artikel 38r Sr.

Procesverloop

Op 18 december 2007 heeft de rechtbank veroordeelde veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, voor de duur van twee jaar. Deze maatregel hoefde niet ten uitvoer gelegd indien veroordeelde zich zou houden aan een aantal voorwaarden.

De proeftijd is gestart op 3 januari 2008 en zou aanvankelijk verstrijken op 2 januari 2010.

Op 9 april 2009 heeft de reclasseringwerker het toezicht op de naleving van de voorwaarden retour gestuurd, waarna het openbaar ministerie op 17 april 2009 heeft gevorderd dat de ISD-maatregel alsnog ten uitvoer zou worden gelegd. Deze vordering is behandeld in openbare raadkamer van 16 juni 2009. Op diezelfde datum heeft de rechtbank beslist op grond van artikel 14f Sr de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel te verlengen met één jaar. Daarnaast werd een nieuwe voorwaarde opgenomen, te weten dat veroordeelde “zich zal laten opnemen in de Piet Roordakliniek, of een andere door de reclassering aan te wijzen kliniek”. Uit de beslissing van de rechtbank blijkt niet dat veroordeelde zich bereid heeft verklaard een behandeling te ondergaan. Ook heeft de rechtbank aan de klinische behandeling geen termijn verbonden.

De reclasseringswerker schrijft op 25 maart 2010 aan de officier van justitie dat veroordeelde zich op de afgesproken datum niet heeft gemeld voor een klinische opname in de kliniek van Triple-Ex in Den Haag en dat het toezicht verder ook moeilijk verloopt. Naar aanleiding van deze informatie heeft de officier van justitie op 7 april 2010 wederom de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel gevorderd.

Beoordeling

De rechtbank constateert dat zij op 16 juni 2009 een beslissing heeft genomen die om meerdere reden in strijd is met het recht. Die verschillende redenen zal zij hier eerst bespreken, om vervolgens te bezien of zij daaraan in deze zaak consequenties zal verbinden.

Ten eerste heeft de rechtbank in voornoemde beslissing in strijd met het recht de proeftijd verlengd. Het aangehaalde artikel 14f Sr biedt weliswaar de mogelijkheid bij voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen, taakstraffen en geldboetes de proeftijd te verlengen, zij is op de onderhavige procedure niet van toepassing. Het wel toepasselijke artikel 38q Sr biedt de mogelijkheid voorwaarden aan te vullen, te wijzigen of op te heffen, maar niet om de proeftijd te verlengen (zie ook: gerechtshof Arnhem 20 januari 2009, LJN: BH6574, en gerechtshof Arnhem 30 maart 2010, LJN: BM1571).

Daarnaast heeft de rechtbank in strijd met het recht als nieuwe bijzondere voorwaarde bepaald dat veroordeelde zich moet laten behandelen in de Piet Roordakliniek, of een andere door de reclassering aan te wijzen kliniek.

De rechtbank heeft immers nagelaten aan de klinische opname een termijn te verbinden. Artikel 38q, aanhef en onder 1, Sr juncto 38p, vijfde lid, Sr biedt de mogelijkheid de voorwaarden aan te vullen met een klinische opname, maar dan moet de rechter op grond van laatstgenoemd artikel bepalen hoe lang deze opname duurt. In vergelijkbare zaken heeft de Hoge Raad bepaald dat een klinische opname van onbepaalde duur als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk opgelegde straf niet toelaatbaar is (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 30 januari 2007, LJN: AZ0262 en Hoge Raad 12 juli 2011, LJN: BQ4315). Genoemde jurisprudentie ziet weliswaar op de toepassing van artikel 14c, tweede lid aanhef en onder 2 Sr, maar heeft naar het oordeel van de rechtbank gelijke betekenis voor de onderhavige zaak.

De rechtbank heeft voorts de voorwaarden aangevuld met een intramurale behandeling, zonder dat is gebleken dat veroordeelde zich bereid heeft verklaard de behandeling te ondergaan. Artikel 38p, vijfde lid, Sr schrijft voor dat een intramurale behandeling alleen mogelijk is als veroordeelde zich daartoe bereid heeft verklaard.

De nieuwe voorwaarde is overigens ook niet aan veroordeelde betekend, terwijl de wet dit wel voorschrijft. Dat veroordeelde aanwezig was toen de beslissing werd uitgesproken waarbij deze nieuwe voorwaarde werd bepaald, doet daar niet aan af. Artikel 509ee, vierde lid, Sv schrijft voor dat de mededeling van een wijziging als bedoeld in artikel 38p, vierde lid, Sr aan de veroordeelde in persoon wordt betekend. De uitzondering van artikel 366a Sv, waarin is bepaald dat een dergelijke mededeling per post kan worden verstuurd als de veroordeelde op de terechtzitting aanwezig was, doet zich hier niet voor. Dit artikel is namelijk niet van overeenkomstige toepassing verklaard op de onderhavige raadkamerprocedure. Het openbaar ministerie had daarom de nieuwe voorwaarde aan veroordeelde in persoon moeten betekenen.

Kortom, er zijn in deze zaak fouten gemaakt. In openbare raadkamer van 17 augustus 2011 heeft de rechtbank de door haar geconstateerde fouten aan verdediging en openbaar ministerie voorgelegd en ze gevraagd daarop te reageren. Na een korte schorsing van het onderzoek in openbare raadkamer zijn door beide partijen de volgende standpunten betrokken.

De officier van justitie heeft gesteld dat artikel 38q Sr niet de mogelijkheid biedt de proeftijd te verlengen, maar dat de rechtbank hiervoor kan terugvallen op het algemene artikel 14f Sr. Bovendien kan een voorwaardelijke ISD-maatregel worden opgelegd met een maximale proeftijd van drie jaar, en die termijn is in deze zaak niet overschreden. De overige geconstateerde fouten heeft de officier van justitie onbesproken gelaten. Hij heeft gesteld dat de beslissing van de rechtbank van 16 juni 2009 niet nietig moet worden verklaard en heeft zijn vordering gehandhaafd.

De verdediging heeft betoogd dat de geconstateerde gebreken ertoe moeten leiden dat de rechtbank haar beslissing van 16 juni 2009 nietig verklaard. In dat geval vond de gedraging van verdachte die tot de onderhavige vordering heeft geleid plaats buiten de proeftijd en moet de vordering worden afgewezen.

De rechtbank oordeelt verder als volgt.

Artikel 14f Sr is geen bepaling waarop kan worden teruggevallen zodra artikel 38q Sr een bepaalde beslissing niet kan dragen. Artikel 14f Sr is in het geval van de onderhavige maatregel niet van toepassing; artikel 38q Sr wel.

Het is juist dat de proeftijd van een voorwaardelijke opgelegde ISD-maatregel maximaal drie jaar bedraagt, maar de rechtbank heeft slechts één gelegenheid om de duur van die proeftijd te bepalen. Is deze eenmaal bepaald, dan kan zij niet worden verlengd.

Tegen een beslissing als bedoeld in artikel 38q Sr staat geen rechtsmiddel open. Ook tegen een beslissing op grond van artikel 14f Sr, zo daar sprake van zou zijn, bestaat geen mogelijkheid van appel. De beslissing van 16 juni 2009 is daarom diezelfde dag in kracht van gewijsde gegaan; zij staat vast. De rechtbank heeft niet de bevoegdheid een eigen beslissing achteraf te vernietigen of nietig te verklaren. De Hoge Raad overwoog hierover op 4 maart 1975 (LJN: AB3715) dat: “een rechterlijke beslissing in het algemeen alleen door vernietiging door een hogere rechter haar kracht kan verliezen en een beslissing waartegen door de wet geen hogere voorziening is toegelaten daarom in het algemeen niet op grond van daaraan mogelijk klevende gebreken van formele of materiële aard als van onwaarde mag worden beschouwd.” De beslissing van 16 juni 2009 heeft rechtskracht en zal die behouden. Zij is niet nietig en kan ook niet worden vernietigd.

Dit betekent niet dat de geconstateerde fouten zonder gevolgen blijven. Bij de beoordeling van een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde maatregel dient de rechtbank alle van belang zijnde omstandigheden mee te wegen, zoals de handelwijze van de betrokken instanties, zoals reclassering, politie, openbaar ministerie en waar nodig, ook de rechtbank. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat aan een veroordeelde door de rechtbank zo onduidelijke voorwaarden zijn opgelegd, dat hij aan de overtreding ervan niets kan doen. Een vordering tot tenuitvoerlegging zal dan doorgaans worden afgewezen. De beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging is, kortom, niet slechts gebaseerd op de enkele constatering dat een veroordeelde de hem opgelegde voorwaarden niet heeft nageleefd.

Die voorwaarden bestonden in deze zaak en ze waren duidelijk. Veroordeelde heeft ze niet nageleefd. Maar hij heeft ze overtreden op een moment waarop, ware de wet juist toegepast, hij aan die voorwaarden niet langer gebonden zou zijn, omdat de proeftijd oorspronkelijk zou zijn geëindigd op 2 januari 2010. En hij heeft in het bijzonder een voorwaarde overtreden die, bij een juiste toepassing van de wet, niet aan hem zou zijn opgelegd. Dit zijn zwaarwegende omstandigheden, die maken dat de overtreding van de voorwaarden door veroordeelde niet de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel rechtvaardigt. De vordering van de officier van justitie zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.

Deze beslissing is genomen door

mr. M.M. van der Nat, voorzitter,

mrs. J.M.J. Lommen-Van Alphen en S. van Eunen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier

en uitgesproken in openbare raadkamer van deze rechtbank van 31 augustus 2011.

Tegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na dagtekening en de veroordeelde binnen veertien dagen na betekening daarvan in hoger beroep bij het gerechtshof te Arnhem.