Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR6265

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-08-2011
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
CV 10-32320
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanspraken werknemer op grond van bonusregeling. Kantonrechter oordeelt dat deze regeling geen eenzijdig wijzigingsbeding ex art. 7:613 BW bevat. Voorts constateert de kantonrechter dat bij werkgever een kort tevoren ingevoerde, grondig besproken bonusregeling bestond met een kwantitatief karakter, waaraan werknemer verwachtingen mocht ontlenen. Werkgever heeft de reden om daarin in te grijpen onvoldoende onderbouwd zodat een beroep op art. 7:611 BW niet slaagt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 613
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2011/300
AR-Updates.nl 2011-0706
JAR 2011/300
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

SECTOR KANTON - LOCATIE AMSTERDAM

Kenmerk : CV 10-32320

Datum : 18 augustus 2011

113

Vonnis van de kantonrechter te Amsterdam in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

gemachtigde: mr. I. Verweij-Molkenboer (DAS)

t e g e n:

de stichting STICHTING GRAFISCHE BEDRIJFSFONDSEN

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam

gedaagde

gemachtigde: mr. R. Olde

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 9 september 2010 inhoudende de vordering van eiser

- de conclusie van antwoord van gedaagde met bewijsstukken

Bij tussenvonnis van 2 december 2010 is bepaald dat schriftelijk werd voortgeprocedeerd. Vervolgens zijn ingediend:

- de conclusie van repliek van eiser

- de conclusie van dupliek van gedaagde met een bewijsstuk

- de antwoordakte van eiser met een bewijsstuk

- de akte waarin gedaagde reageert op het laatste bewijsstuk.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1. Eiser is op 1 april 1981 in dienst van gedaagde getreden en werkte laatstelijk in de functie van Portfolio Manager. Het dienstverband is geëindigd per 15 februari 2010, toen eiser vervroegd is uitgetreden.

1.2. Gedaagde is uitvoerder van pensioen- en aanverwante regelingen, met name in de bedrijfstak van de “grafimedia”, zoals voor het Pensioenfonds voor de Grafische Bedrijven (PGB) en voor uitgeverijen.

1.3. Eiser ontving sedert 2005 jaarlijkse bonussen. In 2006 werd hem een bonus van 10% van zijn bruto jaarinkomen uitgekeerd en in 2007 een van 15%. In 2008 werd geen bonus uitgekeerd.

1.4. Bij brief van 18 januari 2010 heeft gedaagde de bonus over 2009 op 15% bepaald, hetgeen voor eiser neerkwam op een bedrag van € 14.632,62 bruto.

1.5. Bij brief van 19 januari 2010 aan de directie van gedaagde hebben eiser en 12 collega’s, kort samengevat, aanspraak gemaakt op nakoming van afspraken over de bonussen en bezwaren geformuleerd tegen de hoogte van hun bonus over 2009.

1.6. Gedaagde heeft sedert 2006 gewerkt aan de invoering van een bonussystematiek voor haar afdeling Beleggingen, waar eiser werkzaam was. Bij brief van 2 oktober 2008 aan eiser schreef gedaagde, voor zover hier relevant:

Zoals je reeds mondeling hebt vernomen is de bonussystematiek voor Beleggingen geaccordeerd. De GBF heeft gekozen voor een systematiek geheel gebaseerd op de kwantiteit. De bonus ligt tussen de 0% - 30% maximaal van het bruto jaarsalaris (13,96 x het bruto maandsalaris).

Het bonussysteem zal voor het bepalen van de bonussen over 2008 voor het eerst op deze wijze worden gehanteerd. In 2007 diende de nieuwe systematiek al als basis. De bonussystematiek is geheel afhankelijk van de jaarlijkse (kalenderjaar) behaalde netto outperformance in vergelijking met de vastgestelde benchmarks. De basis is gebaseerd op het aantal behaalde basispunten. Bij een netto outperformance van 0,3% of meer geldt de maximale hoogte van 30% van de te behalen bonus. Ook in een minder goed jaar is er een bonus te behalen zolang er netto beter gescoord wordt dan de vastgestelde benchmarks. Elk basis punt aan netto outperformance levert 1% aan bonus op, met een maximum van 30% De systematiek is uitgebreid besproken met hoofden, de algemeen directeur en de HR manager. Tweejaarlijks zal de systematiek geëvalueerd worden en zonodig worden bijgesteld om de systematiek marktconform te houden.

1.7. Het gespreksverslag van het overleg d.d. 9 november 2010 tussen gedaagde en haar ondernemingsraad luidt, voor zover relevant:

Vermogensbeheer

beloning:

De OR gaat mondeling akkoord met de uitvoering van het beleid voor 2010, zij het met nogmaals de kanttekening dat hij zich nooit voorstander heeft getoond van bonussen binnen de GBF. Op het punt van de evaluatie zal het voorstel aangepast worden. De eerste evaluatie zal niet na 3 jaar maar al in 2011 uitgevoerd worden. Dit mede op verzoek van de medewerkers bij de afdeling Vermogensbeheer.

1.8. Bij brief van 8 maart 2010 van zijn gemachtigde aan gedaagde heeft eiser aanspraak gemaakt op een bonus van 30% in plaats van de toegekende 15% en daarmee op betaling van een bedrag van € 14.632,62 bruto.

Vordering

2. Eiser vordert, zakelijk weergegeven, gedaagde te veroordelen tot betaling van € 14.632,62 ter zake van de in rov. 1.8 genoemde bonusaanspraak, vermeerderd met 50% aan wettelijke verhoging alsmede de wettelijke rente vanaf 8 maart 2010. Ook vordert hij € 714,00 wegens buitengerechtelijke incassokosten.

3. Eiser stelt ter onderbouwing van de vorderingen, kort samengevat, dat eiser de in rov. 1.6 genoemde bonussystematiek hanteert, waarover sedert 2006 (onder meer) met de afdeling Beleggingen is overlegd. In 2007 diende het systeem al als basis. In het jaar 2009 zijn 160 basispunten gehaald, die aanspraak geven op een bonus van 30% van het bruto jaarsalaris. Volgens eiser heeft gedaagde zonder goede gronden besloten om de bonus niettemin te halveren.

Verweer

4. Gedaagde verweert zich tegen deze vorderingen. Op de stellingen en verweren van partijen wordt, voor zover relevant, in het onderstaande nader ingegaan.

Beoordeling

5. Partijen zijn het erover eens dat de bonusregeling, zoals neergelegd in de in rov. 1.6 geciteerde brief, te beschouwen is als een (deel-)overeenkomst in het bredere kader van de arbeidsovereenkomst. De eerste vraag die hen verdeeld houdt is of daarin een eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in art. 7:613 BW is opgenomen. Volgens eiser ontbreekt een dergelijk beding. Als er al ruimte bestaat voor een bijstelling, kan dat volgens de laatste volzin van het citaat in rov. 1.6 pas in oktober 2010.

Gedaagde voert aan dat de laatste volzin van het citaat als een wijzigingsbeding gelezen moet worden. Voor wijziging was alle reden nu de bonus niet meer marktconform was, gelet op de economische crisis, op de grote klappen in de grafische sector en de pensioenwereld en op de maatschappelijke kritiek op bonussen. Het behalen van de targets voor de “volle” bonus van 30% werd veroorzaakt door de stijging van de aandelenkoersen, niet door de performance van de afdeling Beleggingen.

6. Dit verweer wordt niet gevolgd. Partijen zijn het erover eens dat de bonus alleen op basis van kwantitatieve factoren werd berekend. Als een bepaalde prestatie werd gehaald, ontstond aanspraak op een overeenkomstige bonus. Vast staat dat over de totstandkoming van de regeling geruime tijd is overlegd. Niet is opgenomen dat gedaagde zich een discretionaire bevoegdheid had voorbehouden om in het resultaat van de berekening in te grijpen.

Dat de gehele regeling zelf voor tussentijdse wijziging vatbaar was, kan evenmin worden aangenomen. Volgens de meergenoemde brief zou dat tweejaarlijks kunnen plaatsvinden, dus pas in 2010. Bovendien is dat laatste maar ten dele relevant: niet is gebleken dat de halvering van de bonus over 2009 van doen had met een heroverweging van de systematiek, maar eerder met bezwaren van gedaagde tegen de uitkomsten ervan.

7. De tweede vraag is of aan gedaagde een beroep op art. 7:611 BW toekomt, zoals dat in HR 11 juli 2008 (Stoof/Mammoet II) is geformuleerd. Overeenkomstig dit arrest dienen de vragen beantwoord te worden of gedaagde als goed werkgever reden had tot het doen van een voorstel tot beperking van de bonus, of het voorstel redelijk was gelet op alle omstandigheden van het geval en of aanvaarding ervan in redelijkheid van eiser gevergd kon worden.

8. Gedaagde voert ter ondersteuning van haar beroep op art. 7:611 BW aan dat de bonusregeling tot stand is gekomen in economisch zeer florissante tijden. De kredietcrisis brak nadien in het najaar van 2008 in volle omvang uit en de dekkingsgraad van de pensioenfondsen daalde sterk. Eind 2008 was die van PGB 97%, in 2009 109% en medio 2010 101,5%, tegenover een wettelijke dekkingsgraad van ca. 105% en een door PGB gewenst percentage van 150. Volgens gedaagde heeft zij in dat kader moeten besluiten tot een algemene versobering van arbeidsvoorwaarden, waaronder de ingreep in de bonusregeling. Zij heeft die niet alleen gehalveerd, maar ook in 3 jaarlijkse termijnen uitgekeerd. Eiser heeft zij van die termijnuitbetaling uitgezonderd, gelet op zijn vervroegde uittreding. Gedaagde heeft het betrokken personeel geïnformeerd; haar bestuur en de ondernemingsraad toonden begrip. Omdat de regeling nieuw was, waren de eerste twee jaar een wenperiode, waarin de systematiek nog moest worden ingeregeld,.

9. Volgens gedaagde was voor haar bij de inrichting van de regeling essentieel dat deze marktconform bleef, reden waarom zij daarin een voorbehoud heeft gemaakt. Gedaagde achtte een bonus van 30% niet (langer) marktconform. Bonussen stonden maatschappelijk in een slecht daglicht, de situatie bij de pensioenfondsen was nijpend en de bonus had geen relatie met inspanningen van de betrokken afdeling. Voorts had eiser een lichtere, minder stressvolle functieinhoud gekregen. Gedaagde wijst erop dat de hoogte van de toegekende bonus in lijn was met de uitkeringen in de voorgaande jaren. De genoemde omstandigheden moeten zwaarder wegen dan het belang van eiser.

10. Eiser betwist dat gedaagde belang had bij de wijziging van de bonusregeling. Ten tijde van de vaststelling van de regeling was er al sprake van een verslechterde postie van de bij gedaagde aangesloten bedrijven. PGB had geen moeilijke positie: de dekkingsgraad over 2009 was hoger dan die over 2008. Eiser acht dat aspect bovendien onvoldoende relevant, nu de bonus was gebaseerd op een kwantitatieve, objectieve norm. De regeling noemt expliciet dat ook in een minder goed jaar een bonus te behalen valt. De maatschappelijke discussie ten aanzien van bounussen acht eiser onvoldoende relevant; aan de afspraak komt een zwaarder gewicht toe.

11. Eiser betwist voorts dat het besluit tot halvering van de bonus redelijk is. Irrelevant is dat de performance over 2009 te danken is aan de opleving van de aandelenmarkten en niet aan de resultaten van de afdeling Beleggingen, nu dat element niet in de bonusregeling is opgenomen. Eiser betwist ook dat zijn functie gewijzigd is en evenzeer dat dat voor de bepaling van de bonus van belang is. Hij wijst erop dat gedaagde de bonusregeling ook heeft opgenomen in nieuwe arbeidsovereenkomsten. Volgens eiser hoefde hij het voorstel van gedaagde in redelijkheid niet te accepteren. Het standpunt van de Ondernemingsraad doet daaraan niet af.

12. Naar het oordeel van de kantonrechter is in de eerste plaats relevant dat de bonusregeling na uitvoerig overleg binnen de onderneming tot stand is gekomen. Gekozen is voor een kwantitatieve benadering met een direct verband tussen beleggingsresultaten en

bonus(-punten). “Zachtere”, meer discretionair te beoordelen factoren als de kwaliteit van de inspanningen van de betrokken werknemers en hun precieze functieinhoud maakten daarvan geen deel uit. Evenmin is een voorbehoud opgenomen over een wen- of inregelperiode van de eerste twee jaar. Het tegendeel lijkt eerder het geval: onderdeel van de regeling was een tweejaarlijkse evaluatie.

13. In de tweede plaats is van belang dat gedaagde aanvoert zich bij haar besluit te hebben gebaseerd op de parameters van de werking en de marktconformiteit van de systematiek. Wat zij onder marktconformiteit verstaat, heeft zij echter niet inzichtelijk gemaakt. Evenmin heeft gedaagde toegelicht of en in welke mate haar opdrachtgevers bij de toekenning van de bonus over 2009 van haar soberheid verlangden. Gedaagde heeft haar eigen verantwoordelijkheden als werkgever. Zonder – ontbrekende – toelichting kan niet worden aangenomen dat haar cliënten een wezenlijke invloed toekwam op haar arbeidsvoorwaardenbeleid. Op zich is heel begrijpelijk dat gedaagde luistert naar de uitvoerige maatschappelijke discussie over de wenselijkheid van bonussen. Op individueel niveau kan echter niet zonder meer worden voorbijgegaan aan de tussen werkgever en werknemer geldende arbeidsvoorwaarden. Dat de ondernemingsraad – grotendeels ongedocumenteerde – inzichten had ten aanzien van bonussen, is daarbij onvoldoende relevant.

14. In de derde plaats is van belang dat een langerlopende bonusregeling geacht moet worden toepassing te vinden tijdens fluctuerende omstandigheden. Volgens de tekst van de regeling was daarin voorzien, nu ook een bonus behaald kon worden in mindere tijden. Bovendien was in 2008 geen bonus uitgekeerd, zodat van een bestendige lijn niet direct sprake was.

15. Op grond van het bovenstaande wordt geoordeeld dat bij gedaagde een kort tevoren ingevoerde, grondig besproken bonusregeling bestond met een kwantitatief karakter, waaraan eiser verwachtingen mocht ontlenen. Gedaagde heeft de redenen om daarin in te grijpen, onvoldoende onderbouwd. Haar beroep op art. 7:611 BW slaagt daarom niet.

16. Gedaagde heeft tenslotte een beroep gedaan op de art. 6:248 lid 2 en 6:258 BW. Eiser heeft een en ander betwist. Gedaagde voert aan dat de in 2009 geldende omstandigheden zo extreem en onvoorzien waren, dat de ongewijzigde toepassing van de bonusregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Nu zij ter zake geen andere argumenten aanvoert dan de eerder genoemde, moet worden geoordeeld dat zij ook dat verweer onvoldoende heeft onderbouwd.

17. Het bovenstaande brengt met zich mee dat de gevorderde hoofdsom toewijsbaar is. Gelet op het bijzondere karakter van de bonusaanspraak bestaat er grond om de wettelijke verhoging af te wijzen. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 22 maart 2010, te weten 2 weken nadat gedaagde in gebreke is gesteld en in verzuim kwam te verkeren.

18. Het verweer van gedaagde tegen de door eiser gevorderde buitengerechtelijke incassokosten slaagt. Zij heeft betwist dat eiser die kosten heeft gemaakt, nu hij verzekerd is voor de kosten van rechtsbijstand. Eiser heeft daartegenover alleen gesteld dan dat hij een eigen bijdrage van € 100,00 verschuldigd is voor het voeren van deze procedure; aard en omvang van de buitengerechtelijke werkzaamheden van zijn gemachtigde zijn niet toegelicht. Nu aldus onvoldoende vast staat dat eiser kosten ex art. 6:96 BW heeft gehad, wordt de vordering op dit punt afgewezen.

19. Dit betekent dat de vorderingen van eiser worden toegewezen zoals hieronder wordt bepaald.

20. Als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van eiser.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen:

- € 14.632,62 bruto wegens hoofdsom;

- de wettelijke rente over € 14.632,62 vanaf 22 maart 2010 tot aan de dag der voldoening;

II. wijst af het meer of anders gevorderde;

III. veroordeelt gedaagde in de kosten van de procedure aan de zijde van eiser gevallen, tot op heden begroot op:

- voor verschuldigd griffierecht € 208,00

- voor het exploot van dagvaarding € 97,45

- voor salaris van gemachtigde € 600,00

In totaal: € 905,45

één en ander, voorzover verschuldigd, inclusief BTW;

IV. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. F. van der Hoek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter