Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR6183

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
465586 - HA ZA 10-2427
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Tram-ongeval. Schadevergoedingsvorderingen grotendeels afgewezen op stelplicht. Smartengeld. Aftrek voorschotten ex art 6:44 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2011/177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 465586 / HA ZA 10-2427

Vonnis van 29 juni 2011

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiseres,

advocaat mr. L.P. Wytzes te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GVB EXPLOITATIE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. H. Lebbing te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [A] en GVB genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 september 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 13 januari 2011 en de daarin genoemde processtukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] (geboortedatum: -- 1954) is op 25 oktober 2007 in Amsterdam een ongeval overkomen toen zij in een tram van GVB zat en deze in botsing kwam met een graafmachine. Door de botsing is [A] met een schok naar voren geschoten tegen de stoelen voor haar en op de vloer van de tram gevallen. Daarbij heeft zij glasscherven van geknapte ramen aan de linkerzijde van de tram over zich heen gekregen. Zij is vervolgens met diverse verwondingen per ambulance naar een ziekenhuis gebracht voor poliklinisch onderzoek.

2.2. GVB heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

2.3. GVB heeft aan [A] de volgende voorschotten betaald:

- op 16 januari 2008 een voorschot onder algemene titel van EUR 500,00,

- op 20 augustus 2008 een aanvullend voorschot onder algemene titel van EUR 500,00,

- op 3 september 2008 een voorschot ten behoeve van de buitengerechtelijke kosten van EUR 1.000,00.

2.4. Op 4 juni 2009 heeft Mr. Drs. [B], arts en medisch adviseur, op verzoek van [A] gerapporteerd aangaande [A] (hierna: het rapport van [B]). Dit rapport is gebaseerd op medische informatie van de GGZ, huisarts, neuroloog, fysiotherapeut en revalidatiearts die [A] naar aanleiding van het ongeval onderzocht en/of behandeld hebben, welke door [A] in het geding is gebracht als producties 3 a-b en 3e-g bij dagvaarding. Het rapport van [B] luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“(…)

CONCLUSIE(S) / ADVIES:

1. Er is wel sprake van tijdelijke ongevalsgerelateerde posttraumatische pijnklachten (kneuzing) van de linkerzijde van het lichaam (inclusief nek- /schouderregio), maar een blijvende verslechtering op fysieke gronden is niet vast te stellen op basis van de huidige stukken. Mogelijk is daarvoor wel een meer psychische oorzaak aanwezig, maar ook daarvan kan op basis van de stukken geen duidelijk blijvende verslechtering worden vastgesteld behoudens tav de verkeersangst welke uitgebreider is dan voorheen (tramvervoer nu ook beperkt). Voor een vollediger beoordeling is omvangrijke aanvullende informatie vanwege de voorgeschiedenis noodzakelijk.

2. Tijdelijke relevante extra lichamelijke beperkingen (nek- / schouderregio, linker lichaamshelft) en een duidelijke psychische reactie op het trauma is wel aannemelijk (maximaal enkele maanden), maar behoudens dus het toegenomen vervoersprobleem dus niet blijvend.

3. Een percentage functieverlies is niet vast te stellen op basis van de huidige berichten.

4. Ik verwacht geen enkele verandering meer van de algehele situatie.

5. Mocht een nadere beoordeling worden gewenst dan zal dus veel meer informatie (via de huisarts) beschikbaar moeten komen. (…)”

2.5. Op 14 december 2010 heeft mevrouw [C], medisch adviseur, op verzoek van [A] gerapporteerd over [A] (hierna: het rapport van [C]), op basis van voornoemde medische informatie alsmede een uitdraai van het huisartsenjournaal vanaf 8 oktober 1997. Haar rapport luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

(…)

Commentaar:

(…) Ook is duidelijk dat betrokkene het ongeval als traumatisch heeft ervaren. Zo werd

betrokkene reeds kort na het ongeval, op 13.11.07, met klachten van slaapstoornissen,

herbelevingen en vermijdingsgedrag verwezen naar de GGZ. Aldaar werd de diagnose gesteld op een acute stressstoornis. Na twee behandelingen werd betrokkene echter niet meer terug gezien.

Uiteindelijk, op 15.04.09, werd betrokkene opnieuw verwezen naar de GGZ. De diagnose

werd toen gesteld op een ongedifferentieerde somatoforme stoornis, PTSS en recidiverende

milde depressie.

Met medisch adviseur [D] ben ik eens dat er geen aanwijzingen zijn dat bij het

ongeval structurele lichamelijke schade is opgetreden. Met medisch adviseur Groenwegen ben ik dan ook eens dat bij afwikkeling uitgegaan kan worden van tijdelijke klachten van linker schouder, elleboog en ribben.

Wel kunnen na een kneuzing van een reeds gedegenereerde spiermanchet rondom de

schouder (zoals bij betrokkene) klachten langer dan normaal persisteren.

Medisch adviseur [D] geeft ten aanzien van de psychische klachten aan dat er

duidelijk sprake is van een predispositie en pre-existentie.

(…) Alleen de acute stressstoornis, inmiddels posttraumatische stressstoornis, dient naar

verwachting als een ongevalsgevolg te worden beschouwd.

(…)”

2.6. Op 29 december 2010 heeft [D], RGA, verzekeringsarts, op verzoek van GVB en in vervolg op eerdere rapportages op 3 maart 2008, 7 april 2008 en

25 april 2009 gerapporteerd met betrekking tot [A] op basis van dezelfde medische informatie als [C] voornoemd . Zijn rapport van 29 december 2010 (hierna: het rapport van [D]) luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“(…)

Beschouwing.

(…) Ook uit de aanvullende informatie van de andere behandelaars wordt duidelijk dat er reeds voor het ongeval sprake was van zowel problematiek van het houdings- en bewegingsapparaat, nadrukkelijk ook de rug, nek en schouders en dat na kortere tijd het beeld na het ons regarderende ongeval niet wezenlijk meer afwijkt van het beeld voor het ongeval.

Ditzelfde geldt overigens voor de psychiatrische problematiek. (…) In die zin kan dus ook van een predispositie gesproken worden.

Tevens moet overigens nog worden opgemerkt dat de huisarts op een gegeven moment

spreekt van een PTSS, maar dat andere behandelaars niet tot deze conclusie komen, althans

dat blijkt niet uit de beschikbare medische informatie. Hierbij is van belang dat het ook niet

zeker is dat van een PTSS gesproken kan en mag worden gezien het ontbreken van een aantal kernsymptomen noodzakelijk voor de diagnose.

Slotconclusie is mijns inziens dat er voor het ongeval reeds sprake was van somatische en

psychische problematiek van diffuse aard en na het ons regarderende ongeval ook. Het

klachtenbeeld als geheel wijkt niet in wezenlijke zin af. De klachten die betrokkene volgens de gerechtelijke stukken nu nog stelt te ervaren, vinden niet hun oorsprong in het ongeval van

25 oktober 2007. Voorts blijkt er - behalve kort na het ongeval - geen sprake te zijn van een verergering van de klachten, althans is er geen verergering die zijn grondslag vindt in het ons regarderende ongeval.

(…)”

3. Het geschil

3.1. [A] vordert samengevat - veroordeling van GVB tot betaling van EUR 62.196,00, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [A] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij de volgende medische en psychische klachten heeft tengevolge van het ongeval:

- pijnklachten in de hoofd/schouder/nekregio met uitstraling in de armen;

- pijnklachten in de rug met uitstraling naar de benen;

- pijnklachten in beide knieën;

- verminderde kracht in de vingers.

- psychische klachten; zij slaapt slecht, heeft last van nachtmerries en angstdromen en durft niet meer in een tram.

3.3. [A] stelt dat zij ten gevolge van het ongeval de volgende schade lijdt:

EUR 33.696,00 huishoudelijke hulp;

EUR 7.200,00 tuinverzorging;

EUR 1.300,00 materiële schade (vernieling jas, mobiele telefoon en gouden sieraden);

EUR PM opvang familieleden, kosten rechtskundige bijstand en medische expertise

EUR 20.000,00 immateriële schade (blijvende pijn in hoofd, nek, armen, benen en rug,

sterk verminderde bewegingsvrijheid, afhankelijkheid van derden,

posttraumatisch stress syndroom);

EUR 62.196,00 + PM totaal.

3.4. GVB voert verweer.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

de gestelde (medische) causaliteit

4.1. de gestelde fysieke klachten

Dat [A] de door haar gestelde structurele fysieke klachten heeft, wordt als zodanig niet betwist. GVB voert evenwel het verweer dat deze structurele fysieke klachten, anders dan [A] stelt, ook vóór het ongeval reeds bestonden en dat deze reeds bestaande klachten ten gevolge van het ongeval hooguit enkele maanden zijn verergerd (kneuzingsproblematiek linkerschouder, elleboog en ribben).

De rechtbank is met GVB van oordeel dat dit verweer bevestiging vindt in de bevindingen omtrent de fysieke klachten van [A] in de rapporten van [D], [B] en [C]. De enkele stelling van [A] dat zij het hiermee oneens is, is bij gebreke van enige onderbouwing onvoldoende. Voor verder onderzoek is dan ook geen plaats.

De rechtbank neemt derhalve tot uitgangspunt dat [A] ten gevolge van het ongeval gedurende enkele maanden fysieke klachten heeft gehad, te weten kneuzingsproblematiek, terwijl niet is komen vast te staan dat de na deze periode nog gestelde fysieke klachten ongevalsgerelateerd zijn.

4.2. de gestelde psychische klachten & PTSS

Het bovenstaande oordeel treft tevens de door [A] gestelde psychische klachten.

Met betrekking tot het door [A] gestelde PTSS oordeelt de rechtbank als volgt. GVB heeft het verweer gevoerd dat er onvoldoende gegevens zijn overgelegd ter onderbouwing van deze stelling. Dit verweer vindt ondersteuning in de rapporten van [D] en [B], waarop GVB zich beroept. Daarin wordt immers tot diezelfde conclusie gekomen, met dien verstande dat [D] concludeert: ‘een duidelijke reactie op het trauma is wel aannemelijk (maximaal enkele maanden), maar behoudens dus het toegenomen vervoersprobleem dus niet blijvend’.

In dit verband heeft GVB ten verwere bovendien gewezen op de opmerking in het rapport van [B] dat “het toch opvallend is dat betrokkene het behandeladvies van de psycholoog niet opvolgde waardoor de indruk ontstaat dat de verslechtering geen ernstig verhoogde lijdensdruk of (praktische) problemen heeft veroorzaakt”.

4.3. In het licht van dit gemotiveerde verweer heeft [A] naar het oordeel van de rechtbank haar stelling dat zij structureel lijdt aan (de - praktische - problemen veroorzaakt door) een PTSS als gevolg van het ongeval onvoldoende met specifieke feiten en relevante (psychiatrische) expertise onderbouwd.

De verwijzing naar het rapport van haar medisch adviseur [C] volstaat daartoe niet. [C] merkt louter op: “Alleen de acute stressstoornis, inmiddels posttraumatische stressstoornis, dient naar verwachting als een ongevalsgevolg te worden beschouwd”. Haar standpunt staat haaks op voornoemde gemotiveerde bevindingen van de andere medisch adviseurs [B] en [D], terwijl haar standpunt niet anders is onderbouwd dan als volgt: “Uiteindelijk, op 15.04.09, werd betrokkene opnieuw verwezen naar de GGZ. De diagnose werd toen gesteld op (…) PTSS (…)”. Deze verwijzing naar een kennelijke GGZ-diagnose is niet gepaard gegaan met een vermelding van de bron daarvan, laat staan vergezeld gegaan van deze specifieke GGZ-diagnose zelf, terwijl deze ook overigens niet door [A] is overgelegd. Dit had wel van [A] gevergd mogen worden, temeer nu [D] in zijn rapport betoogt: “dat de huisarts op een gegeven moment spreekt van een PTSS, maar dat andere behandelaars niet tot deze conclusie komen, althans dat blijkt niet uit de beschikbare medische informatie. Hierbij is van belang dat het ook niet zeker is dat van een PTSS gesproken kan en mag worden gezien het ontbreken van een aantal kernsymptomen noodzakelijk voor de diagnose”.

[A] heeft in dit licht bezien haar stelling onvoldoende nader onderbouwd. Dit klemt temeer gelet op de specifieke aard van de door haar gestelde aandoening. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals ter zitting door [A] is erkend, zij, behoudens twee bezoeken aan een psycholoog (vlak) na het ongeval, geen psycholoog heeft geraadpleegd. Evenmin is gesteld of gebleken dat zij een psychiater heeft geraadpleegd. Hieruit volgt dat de stelling faalt en dus niet aan nader onderzoek kan worden toegekomen.

4.4. tussenconclusie

De enkele verwijzing door [A] naar de medische informatie in haar producties 3 a-b en 3e-g kan aan het vooroverwogene niet afdoen, nu de ten verwere aangehaalde bevindingen van de medisch adviseurs zijn gemotiveerd op basis van diezelfde medische informatie, terwijl in de rapporten van [C] en [D] bovendien rekening is gehouden met een uitdraai van het huisartsenjournaal vanaf 8 oktober 1997.

De conclusie van het voorgaande is dat geen causaal verband kan worden aangenomen tussen de gestelde structurele fysieke klachten en de structurele psychische klachten en het gestelde PTSS enerzijds en het ongeval anderzijds, aangezien deze klachten – bij gebreke van een nadere onderbouwing daarvan – als pre-existent moeten worden aangemerkt en dus ook op identieke wijze zonder het ongeval zouden hebben (voort)bestaan, behoudens voor een periode aansluitend aan het ongeval waarin deze klachten zijn verergerd in die zin dat sprake is geweest van kneuzingsproblematiek van de linkerschouder, elleboog en ribben alsmede van psychische klachten, die wél zijn veroorzaakt door het ongeval.

De rechtbank stelt deze periode op drie maanden, nu daaromtrent in de rapportage van de medisch adviseurs wordt gerept over een periode van maximaal enkele maanden.

Hieruit volgt dat GVB aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die is veroorzaakt door deze ongevalsgerelateerde verergering van de fysieke en psychische klachten gedurende een periode van drie maanden na het ongeval. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

huishoudelijke hulp

4.5. De rechtbank acht gelet op het voorgaande aannemelijk dat [A] tengevolge van het ongeval gedurende drie maanden niet in staat is geweest tot huishoudelijk werk en dat zij derhalve dienaangaande aangewezen is geweest op hulp.

Bij dagvaarding heeft [A] vergoeding gevorderd op basis van drie uur huishoudelijke hulp per week, terwijl zij – zonder nadere toelichting – ter zitting heeft gesteld dat het om vier à zes uur gaat. GVB heeft de noodzaak hiervan betwist. Nu [A] ter zitting heeft toegelicht dat zij alleen in een eensgezinswoning woont, hetgeen door GVB niet is betwist, acht de rechtbank een noodzaak van huishoudelijke hulp gedurende drie uur per week gedurende drie maanden na het ongeval aannemelijk.

4.6. [A] vordert vergoeding van huishoudelijke hulp ad EUR 12,00 per uur. GVB heeft de daadwerkelijke betaling hiervan door [A] betwist. Daarop heeft [A] ter zitting verklaard dat zij voor het ongeval geen huishoudelijke hulp had, dat zij na het ongeval eerst een betaalde thuishulp had, maar dat zij die uiteindelijk niet meer kon betalen en dat sindsdien haar dochter en kennissen haar onbetaald helpen in de huishouding.

De rechtbank overweegt dat indien familie en/of kennissen huishoudelijke werkzaamheden van het slachtoffer overnemen die het slachtoffer niet meer kan verrichten en het daarbij gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin het slachtoffer verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners, het slachtoffer aanspraak heeft op vergoeding van kosten van huishoudelijke hulp. Daaraan staat niet in de weg dat deze werkzaamheden feitelijk worden verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen. Nu GVB niet, althans niet voldoende heeft betwist dat huishoudelijke hulp is verleend en evenmin dat het gelet op de situatie waarin [A] als slachtoffer van het ongeval verkeert normaal en gebruikelijk is dat huishoudelijke hulp wordt verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners, heeft [A] aanspraak op vergoeding van de noodzakelijke huishoudelijke hulp, ook al heeft zij voor de haar geboden hulp niet (telkens) betaald.

4.7. [A] vordert vergoeding van huishoudelijke hulp op basis van EUR 12,00 per uur. GVB heeft de redelijkheid van deze uurvergoeding gemotiveerd betwist onder verwijzing naar de Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp van 1 juli 2009. De rechtbank acht het redelijk het uurtarief van de geboden huishoudelijke hulp in het onderhavige geval, mede gelet op voormelde richtlijn, te begroten op EUR 8,50. Het voorgaande leidt ertoe dat GVB gehouden is tot vergoeding van kosten van huishoudelijke hulp ten bedrage van 3 (uur per week) x 12 (weken) x 8,50 (uurvergoeding) = EUR 306,00.

tuinonderhoud

4.8. De rechtbank acht gelet op het vooroverwogene eveneens aannemelijk dat [A] tengevolge van het ongeval gedurende drie maanden niet in staat is geweest tot verzorging van haar tuin en dat zij derhalve ook hiervoor aangewezen is geweest op hulp.

De door [A] gevorderde vergoeding van tuinverzorging is door GVB evenwel meest verstrekkend bewist door aan te voeren dat sinds het ongeval geen tuinonderhoud heeft plaatsgevonden, zodat er geen schade is. Dit verweer slaagt. [A] heeft immers ter zitting verklaard dat zij sinds het ongeval geen tuinonderhoud meer heeft laten verrichten omdat dat te duur was en zij daarom de tuin laat zoals deze is. Bij gebreke van een nadere grondslag voor deze vordering kan niet worden vastgesteld dat sprake is van schade, zodat deze vordering moet worden afgewezen.

de gestelde materiële schade ad EUR 1.300,00

4.9. [A] stelt dat door het ongeval haar jas van EUR 400,00, haar mobiele telefoon van EUR 100,00 en haar gouden sieraden ten bedrage van EUR 800,00 zijn vernield en vordert vergoeding van deze materiële schade ad EUR 1.300,00. Ter zitting heeft [A]

ter aanvulling op deze stelling verklaard dat de gouden sieraden niet meer te repareren waren.

GVB heeft deze vordering meest vergaand betwist door aan te voeren dat [A] haar vordering op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd zodat niet is komen vast te staan dat zij de door haar gestelde schade heeft geleden.

Gelet op de betwisting daarvan door GVB staat de stelling van [A] dat zij de door haar gespecificeerde schade heeft geleden niet vast. Nu zij zich op de rechtsgevolgen ervan beroept, ligt de bewijslast van deze stelling bij [A]. [A] heeft terzake evenwel geen bewijsaanbod gedaan, zodat aan bewijslevering niet kan worden toegekomen. Nu de juistheid van de stelling aldus niet kan worden vastgesteld, kan deze niet ten grondslag worden gelegd aan de vordering, zodat de vordering moet worden afgewezen.

overige materiële schade

4.10. De rechtbank stelt vast dat de materiële schade die [A] overigens heeft opgevoerd, te weten ‘opvang familieleden’ en ‘kosten van rechtskundige bijstand en medische expertise’ ‘PM’ zijn gesteld zonder (aanbod tot) specificatie, zodat deze schade zich niet laat begroten door de rechtbank. Deze vordering zal derhalve worden afgewezen.

immateriële schade

4.11. De rechtbank is van oordeel dat GVB gehouden is tot vergoeding van de immateriële schade die [A] heeft geleden ten gevolge van de ongevalsgerelateerde kneuzingsproblematiek en de vererging van haar psychische klachten, zoals deze zijn komen vast te staan voor de duur van drie maanden na het ongeval.

Bij de begroting van het smartengeld naar billijkheid dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval, waaronder in ieder geval de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van het aan GVB te maken verwijt en de aard, ernst en duur van het geconstateerde letsel. Daarbij wordt acht geslagen op de bedragen die in vergelijkbare gevallen door de rechter zijn toegekend.

Gelet op de schok die [A] heeft doorgemaakt als gevolg van de botsing die temeer onverwacht mag worden geacht gelet op het feit dat zij als nietsvermoedende passagier in een tram zat en dus des te minder beducht was op de mogelijkheid van een aanrijding, de angsten die daardoor bij haar zijn ontstaan, zoals angstdromen, nachtmerries en de vrees om opnieuw met de tram te reizen, de pijn die zij tengevolge van de kneuzingen aan linkerschouder, elleboog en ribben heeft ondervonden alsmede haar hierdoor verminderde bewegingsvrijheid en afhankelijkheid van derden, acht de rechtbank alles overziend toekenning van een bedrag van EUR 1.000,00 aan smartengeld billijk.

wettelijke rente en reeds betaalde voorschotten

4.12. Het vooroverwogene leidt tot een schadeplichtigheid van GVB jegens [A] van in totaal EUR 1.306,00 (EUR 306,00 kosten huishoudelijke hulp en EUR 1.000,00 immateriële schade).

4.13. [A] vordert wettelijke rente vanaf 25 oktober 2007 (datum ongeval), subsidiair vanaf 26 februari 2010 (datum dagvaarding). Deze vordering is niet weersproken. De rechtbank overweegt dat de ingangsdatum van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW de datum betreft waarop de schadevergoedingsvorderingen opeisbaar zijn geworden:

- De toewijsbare immateriële schadevergoedingsvordering ad EUR 1.000,00 is opeisbaar per datum ongeval, zodat de wettelijke rente daarover overeenkomstig de primaire vordering ingaat per 25 oktober 2007.

- De toewijsbare schadevergoedingsvordering wegens kosten van huishoudelijke hulp ad totaal EUR 306,00 is niet opeisbaar per datum ongeval aangezien zij gerelateerd is aan een periode van drie maanden na het ongeval. De wettelijke rente over deze vordering vangt derhalve niet aan op de primair gevorderde ingangsdatum van 25 oktober 2007. De subsidiair gevorderde ingangsdatum van 26 februari 2010 zal wel worden toegewezen aangezien deze vordering op die datum reeds opeisbaar is.

4.14. De door GVB reeds aan [A] betaalde voorschotten van EUR 500,00 op

16 januari 2008 en EUR 500,00 op 20 augustus 2008 zullen met inachtneming van artikel 6:44 BW eerst op de verschenen rente en vervolgens op de immateriële schadevergoeding in mindering worden gebracht, als volgt:

De wettelijke rente over EUR 1.000,00 in de periode 25 oktober 2007 t/m 16 januari 2008 beloopt EUR 13,80, zodat de totale vordering op 16 januari 2008 EUR 1.013,80 bedroeg. Het op die dag betaalde bedrag van EUR 500,00 wordt eerst op rente en vervolgens op de hoofdsom in mindering gebracht. De wettelijke rente over het restant van de hoofdsom van EUR 513,80 in periode 17 januari 2008 t/m 20 augustus 2008, beloopt EUR 18,28, zodat de totale vordering op 20 augustus 2008 EUR 532,08 beliep. Het op die dag betaalde bedrag van EUR 500,00 wordt eerst op rente en vervolgens op de hoofdsom in mindering gebracht. Derhalve resteert een bedrag van EUR 32,08 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 augustus 2008.

4.15. Het bovenstaande leidt tot veroordeling van GVB tot betaling van:

- EUR 32,08, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2008 tot de dag van betaling, en

- EUR 306,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2010 tot de dag van betaling.

Voor wat betreft het meerdere zal de vordering van [A] worden afgewezen.

de door [A] gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring

4.16. De betwisting door GVB van de door [A] gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring wordt verworpen. GVB voert wel aan dat sprake is van een reëel executierisico, maar geeft hiervoor geen andere onderbouwing dan het feit dat [A] deze procedure op toevoeging voert. Om een dergelijk verweer te doen slagen is echter meer nodig. De onder r.o. 4.15. weergegeven veroordeling zal dan ook uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De subsidiair door GVB gevorderde zekerheidsstelling ex artikel 233 lid 3 Rv wordt op dezelfde grond verworpen.

De door GVB gevorderde proceskosten, nakosten en uitvoerbaar bij voorraadverklaring

4.17. [A] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van GVB worden begroot op:

- vast recht 1.370,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2 punten × tarief EUR 894)

EUR 3.158,00

4.18. De door GVB gevorderde nakosten zijn in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook op de navolgende wijze worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente hierover is toewijsbaar vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening.

4.19. De door GVB gevorderde uitvoer bij voorraadverklaring van de onder 4.17. en 4.18. genoemde veroordelingen plus wettelijke rente is onweersproken gebleven en zal worden toegewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt GVB om aan [A] te betalen een bedrag van EUR 338,08 (driehonderdachtendertig euro en acht eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente

- over EUR 32,08 vanaf 21 augustus 2008 tot de dag van volledige betaling, en

- over EUR 306,00 vanaf 26 februari 2010 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van GVB tot op heden begroot op EUR 3.158,00,

5.3. veroordeelt [A] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- EUR 131,00 aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft

plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen veertien dagen na aanschrijving

aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat

en de exploitkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke

rente daarover met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de

voldoening,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. van Eekeren en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2011.?