Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR5859

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-08-2011
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
13-408005-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid aan 'advance fee'- of '419'-fraude. De rechtbank concludeert dat verdachte op de hoogte was van en veelvuldig in contact kwam met de werkwijze van 419-fraudeurs. Gelet daarop voorwaardelijk opzet op de oplichting bij het verrichten van de hulpverleningshandelingen.

Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/408005-06 (PROMIS)

Datum uitspraak: 25 augustus 2011

op tegenspraak, raadsvrouw gemachtigd

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nigeria) op [1975],

niet ingeschreven in de GBA, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18 mei 2006, 3 augustus 2006 en 11 augustus 2011.

Het Openbaar Ministerie werd vertegenwoordigd door mr. M. Boheur. Verdachte liet zich vertegenwoordigen door mrs. C.W. Dirkzwager en M.J. van Essen, advocaten te Amsterdam, die hij hiertoe had gevolmachtigd.

Alle hierna te bespreken verweren zijn zakelijk en kort samengevat weergegeven.

1. Tenlastelegging

Na wijzigingen van de tenlastelegging op de terechtzittingen van 3 augustus 2006 en 11 augustus 2011 is aan verdachte ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2005 tot 21 februari 2006 te Amsterdam en/of te Zaandam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een of meer valse namen en/of hoedanigheden en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 1] en/of diens echtgenote [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van $ 28.500,- (achtentwintigduizendvijfhonderd US Dollars), althans een of meer geldbedragen, geheel of te dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], althans aan een of meer anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s0 [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (ongevraagd) benaderd met een of meer e-mail berichten, waarin hij/zij aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (zakelijk) weergegeven) in strijd met de waarheid het volgende heeft/hebben voorgespiegeld:

- een persoon genoemd [alias 1], afkomstig uit Brunei, zou terminaal ziek zijn, terwijl hij beschikte over een vermogen van $ 55.000.000,- (vijfenvijftig miljoen US Dollars)

- '[alias 1]' wilde dit vermogen verdelen onder charitatieve organisaties

- '[alias 1]' vertrouwde zijn familieleden in deze niet

- '[alias 1]' zocht daarvoor, al dan niet door tussenkomst van een of meer juridisch adviseurs of andere tussenpersonen, een persoon die bereid was de verdeling van het vermogen over charitatieve instellingen op zich te nemen

- de persoon die zich daartoe bereid verklaarde zou daarvoor een bedrag van 20% van het totale bedrag als beloning ontvangen

en/of, nadat [slachtoffer 1] dan wel zijn echtgenote, op zijn, verdachtes, mailbericht had gereageerd, telefoniscg en/of per mail contact met hem/haar/hen opgenomen, zich daarbij (telkens) voordoende als advocaat, als genoemde '[alias 1]'en/of als een medewerker van een bank en/of bewaarinstelling en/of andere vermogensbeheerder en/of daarbij (onder meer en

zakelijk weergegeven) het volgende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] voorgehouden:

- [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zou(den), voordat het vermogen aan hem/haar/hen ter beschikking zou kunnen worden gesteld, enige (grote) bedragen moeten voldoen ter dekking van kosten voor leges, advocaat- en/of bankkosten en/of voor verklaringen omtrent de (niet-terroristische) herkomst van het vermogen en/of een of meer andere onkostenposten en/of belastingen

- (in de hoedanigheid van een zeer ziek klinkende '[alias 1]') dat hij [slachtoffer 1] erg dankbaar was dat hij zich bereid verklaard had hem, '[alias 1]', te helpen

- (als [alias 2], [alias 3], en/of enig ander fictief persoon) dat '[alias 1]' was overleden en dat hij ([alias 2], [alias 3], [alias 4] of ander fictief persoon) nu belast was met de afhandeling van de 'nalatenschap'

en/of op enig moment aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een of meer foto's gemaild van een persoon die schijnbaar (intensief) verpleegd werd en daarbij te kennen gegeven dat dit '[alias 1]' was,

waardoor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] werd(en) bewogen tot de hierboven genoemde afgifte;

[artikel 326 juncto 47 Wetboek van Strafrecht]

Subsidiair:

een of meer (onbekend gebleven) personen in de periode van 01 september 2005 tot 21 februari 2006 te Amsterdam en/of te Zaandam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een of meer valse namen en/of hoedanigheden en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 1] en/of diens echtgenote [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van $ 28.500,- (achtentwintigduizendvijfhonderd US Dollars) althans een of meer geldbedragen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], althans aan een of meer anderen dan aan die een of meer onbekend gebleven personen, immers heeft/hebben die voornoemde onbekend gebleven personen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (ongevraagd) benaderd met een of meer e-mail berichten, waarin hij/zij aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (zakelijk) weergegeven) in strijd met de waarheid het volgende heeft/hebben voorgespiegeld:

- een persoon genoemd [alias 1], afkomstig uit Brunei, zou terminaal ziek zijn, terwijl hij beschikte over een vermogen van $ 55.000.000,- (vijfenvijftig miljoen US Dollars)

- '[alias 1]' wilde dit vermogen verdelen onder charitatieve organisaties

- '[alias 1]' vertrouwde zijn familieleden in deze niet

- '[alias 1]' zich daarvoor, al dan niet door tussenkomst van een of meer juridisch adviseurs of andere tussenpersonen, een persoon die bereid was de verdeling van het vermogen over charitatieve instellingen op zich te nemen

- De persoon die zich daartoe bereid verklaarde zou daarvoor een bedrag van 20% van het totale bedrag als beloning ontvangen

en/of, nadat [slachtoffer 1] dan wel zijn echtgenote, op het mailbericht van die een of meer onbekend gebleven personen had gereageerd, telefonisch en/of per mail contact met hem/haar/hen opgenomen, zich daarbij (telkens) voordoende als advocaat, als genoemde '[alias 1]' en/of als een medewerker van een bank en/of bewaarinstelling en/of andere vermogensbeheerder en/of daarbij (onder meer en zakelijk weergegeven) het volgende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] voorgehouden:

- [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zou(den), voordat het vermogen aan hem/haar/hen ter beschikking zou kunnen worden gesteld, enige (grote) bedragen moeten voldoen te dekking van kosten voor leges, advocaat- en/of bankkosten en/of voor verklaringen omtrent de (niet-terroristische) herkomst van het vermogen en/of een of meer andere onkostenposten en/of belastingen

- (inde hoedanigheid van een zeer ziek klinkende '[alias 1]') dat hij [slachtoffer 1] erg dankbaar was dat hij zich bereid verklaard had hem, '[alias 1]', te helpen

- (als [alias 2], [alias 3], en/of enig ander fictief persoon) dat '[alias 1]' was overleden en dat hij ([alias 2], [alias 3], [alias 4] of ander fictief persoon) nu belast was met de afhandeling van de 'nalatenschap'

en/of op enig moment aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een of meer foto's gemaild van een persoon die schijnbaar (intensief) verpleegd werd en daarbij te kennen gegeven dat dit '[alias 1]' was,

waardoor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] werd(en) bewogen tot de hierboven genoemde afgifte;

bij welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 01 december 2005 tot en met 21 februari 2006 te Amsterdam en/of elders in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door (onder meer):

- het benaderen van [medeverdachte 2] met het verzoek om zijn bankrekening ter beschikking te stellen; en/of

- (vervolgens) voornoemde bankrekeningnummer en bijbehorende NAW- gegevens en/of iban,- en/of biccodes per email en/of telefonisch en/of per sms door te geven zodat die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] geldbedragen kon(den) overmaken naar de bankrekening van de [medeverdachte 2] ; en/of

- contact te onderhouden met die [medeverdachte 2] en/of anderen omtrent het moment en de voortgang van de geldstorting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]; en/of

- die [medeverdachte 2] te verzoeken/sommeren de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gestorte geldbedragen op te nemen;

[artikel 326 juncto 48 Wetboek van Strafrecht]

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

3.1 De feiten

De rechtbank gaat van de volgende feiten en omstandigheden uiti.

E-mail '[alias 1]'

3.1.1 In september 2005 start de regiopolitie Amsterdam-Amstelland het onderzoek 'Macro' gericht tegen de verdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]), aangezien tegen hem de verdenking is gerezen dat hij zich bezig houdt met zogenaamde 'advance fee'- of '419'-fraude. ii

3.1.2 Tijdens dat onderzoek wordt een technische actie uitgevoerd op het MAC-adres (zogenoemde IP-tap), in gebruik bij [medeverdachte 1]. Uit deze technische actie blijkt dat [medeverdachte 1], die verblijft in [plaats], op 8 november 2005 een zogenaamde spammail naar ongeveer 140.000 verschillende e-mailadressen heeft verstuurdiii.

3.1.3 In dit e-mailbericht doet [medeverdachte 1] zich voor als een koopman genaamd [alias 1] (hierna: [alias 1]), afkomstig uit Brunei, en deelt hij mee dat hij terminaal ziek is en nog maar enkele maanden te leven heeft. Het vermogen van $ 55.000.000 waarover hij beschikt, wil hij verdelen onder charitatieve organisaties, maar hiertoe is hij door zijn ziekte zelf niet meer in staat. Zijn familieleden hebben zijn vertrouwen dit namens hem te doen beschaamd. Daarom vertrouwt hij deze taak niet langer aan hen toe. Hij vraagt de geadresseerde of deze bereid is de verdeling van het vermogen over charitatieve instellingen op zich te nemen. De persoon die zich daartoe bereid verklaart, zal daarvoor rijkelijk worden beloondiv.

Ontvangers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

3.1.4 [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], woonachtig in de Verenigde Staten, ontvangen dit e-mailbericht op 18 december 2005. In reactie hierop sturen zij op 23 december 2005 een e-mailbericht terugv.

3.1.5 Hierop ontvangen zij opnieuw een e-mailbericht van [alias 1]. Daarin wordt aan hen uitgelegd op welke wijze het vermogen, dat is ondergebracht bij een private vermogensbeheerder in Europa, voor hen beschikbaar kan komen ter verdere verdeling onder charitatieve instellingen. Voor hun inspanningen zullen zij als beloning een commissie ontvangen ter waarde van 20% van het totale vermogenvi.

3.1.6 Vervolgens neemt [alias 1] ook telefonisch contact met hen op. Op hun verzoek stuurt [alias 1] per e-mail foto's van zichzelf op. Op deze foto's is te zien dat hij intensief verpleegd wordt. Ook verwijst hij hen naar zijn advocaat [alias 3] (hierna: [alias 3])vii.

3.1.7 Gedurende het onderzoek worden onder meer vanaf een IMEI-nummer dat hoort bij een telefoon van [medeverdachte 1], telefoongesprekken opgenomen tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] waaruit volgt dat [medeverdachte 1] ook in de rol van [alias 3] contact had met [slachtoffer 1].viii Zo nemen [naam slachtoffers 1 en 2] op 27 december 2005 contact op met deze [alias 3] en dit contact onderhouden zij gedurende de daaropvolgende dagen. Tijdens dit contact deelt [alias 3] hun mee dat [alias 1] inmiddels is overleden en dat het noodzakelijk is voor het echtpaar [naam slachtoffers 1 en 2] naar Amsterdam te komen om alle officiële documenten te tekenen die vereist zijn voor het beschikbaar komen van het vermogenix.

3.1.8 Op 29 december 2005 ontvangen zij een e-mailbericht met bijlagen waarin [slachtoffer 1] als executeur van de nalatenschap van [alias 1] wordt aangewezenx. Ook wordt [slachtoffer 1] meegedeeld dat voor of op 5 januari 2006 een ondertekeningsafspraak vereist is. [slachtoffer 1] wordt gevraagd om, naast een aantal bescheiden en bewijzen, een bedrag aan administratiekosten van $ 28.500,00 contant mee te nemenxi. [slachtoffer 1] vraagt hierop aan [alias 3] of dit bedrag ook kan worden overgemaakt. Daarop levert [alias 3] hem gegevens van de hierna te bespreken bankrekening aan.xii

3.1.9 Op 30 december 2005 maakt [slachtoffer 1] het bedrag van de rekening van zijn schoonzuster, die hem nog geld schuldig was, via een zogenaamde wire transfer naar het door [alias 3] aangeleverde bankrekeningnummer over.xiii

3.1.10 Op de dag van de overboeking deelt de Amerikaanse Inspection Service [slachtoffer 1] telefonisch mee dat sprake is van fraude. Hierop neemt [slachtoffer 1] contact op met de bank en wordt het door hem overgemaakte bedrag gestorneerdxiv. Hierna blijft [alias 3] telefonisch contact met [slachtoffer 1] opnemen om de betaling alsnog tot stand te brengenxv.

Gegevens bankrekening [medeverdachte 2]

3.1.11 Het bankrekeningnummer waarnaar [slachtoffer 1] de eerdergenoemde administratiekosten heeft overgemaakt, betreft de bankrekening van [medeverdachte 2]xvi. Verdachte heeft op verzoek van [medeverdachte 1], die aan verdachte vertelde dat hij geld verwachtte, zijn vriend [medeverdachte 2] benaderd om zijn bankrekening beschikbaar te stellenxvii. Daarna heeft verdachte op 23 december 2005 per e-mail het bankrekeningnummer en de bijbehorende NAW- gegevens en iban,- en biccodes doorgegeven aan [medeverdachte 1]xviii.

3.1.12 Verdachte onderhoudt vervolgens op 5 januari 2006xix en de daaropvolgende volgende dagen, via zijn telefoon met nummer [tel nr 1]xx, contact met die [medeverdachte 2] en anderen over het moment en de voortgang van de geldstorting. In dat contact verzoekt hij [medeverdachte 2] de gestorte geldbedragen op te nemenxxi.

3.2 Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte van het medeplegen van oplichting (primair ten laste gelegd) dient te worden vrijgesproken. Verdachte kan in haar visie wel, op basis van de in haar requisitoir opgesomde bewijsmiddelen, als medeplichtige aan de oplichting van het echtpaar [naam slachtoffers 1 en 2] worden aangemerkt en derhalve voor het subsidiair ten laste gelegde worden veroordeeld.

3.3 Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Verdachte heeft de hem verweten hulpverleningshandelingen verricht, maar hij had daarbij geen wetenschap van de achterliggende oplichting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Bewijs voor het tegendeel bevindt zich niet in het dossier en evenmin bewijs op basis waarvan kan worden gesteld dat verdachte van de oplichting had moeten weten. Bij gebrek aan wetenschap bij verdachte kan het ten laste gelegde (dubbel) opzet niet worden bewezen en dient verdachte van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

3.4 Oordeel van de rechtbank

3.4.1 Vrijspraak primair

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier verdachte niet voor het medeplegen van de oplichting (primair ten laste gelegd) kan worden veroordeeld. Verdachte wordt dan ook van dat deel van de tenlastelegging vrijgesproken.

3.4.2 Oplichting bewezen

Op basis van de onder rubriek 3 genoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat het gehele '[alias 1]'-verhaal betreffende diens persoon, ziekte en vermogen volstrekt verzonnen is en louter door verdachte [medeverdachte 1] en andere(n), met daarbij nog allerlei aanvullende valsheden, aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is voorgehouden met als doel hen ertoe te bewegen een bedrag van $ 28.500 over te maken, hetgeen is gebeurd. De rechtbank acht daarom bewezen dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor dat genoemde bedrag zijn opgelicht. Het voorgaande heeft de verdediging ook niet betwist.

3.4.3 Hulpverleningshandeling bewezen

Voorts acht de rechtbank bewezen dat verdachte de feitelijke hulpverleningshandelingen heeft verricht, zoals opgesomd in het laatste deel van de tenlastelegging betreffende de medeplichtigheid.

3.4.4 Opzet

Vervolgens komt de rechtbank toe aan de vraag of verdachte bij de genoemde hulpverleningshandelingen opzet heeft gehad op de bewezen verklaarde oplichting. Bij de beoordeling hiervan zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Tapgesprekken

In het onderzoek zijn onder meer de volgende tapgesprekken van verdachte naar voren gekomen:

Op 7 januari 2006 vertelt verdachte over een systeem dat verschillende soorten e-mail zoals 'lottery', 'consignment' etc. tegelijk kan versturen. Het systeem kan 2.000 mailtjes verzenden in 60 minutenxxii. In een gesprek op dezelfde datum met dezelfde persoon vertelt verdachte dat het systeem 100.000 berichten kan verzenden in drie à vier urenxxiii.

Op 10 januari 2006 vertelt verdachte over een persoon van wie hij wil dat hij gaat betalen en dat hij een document gaat regelen om hem te laten betalen. De gebelde spreekt daarop van een certificaatxxiv.

Op 15 januari 2006 vertelt verdachte over een maillijst die hij heeft besteld. Hij vertelt over de voorwaarden van zijn bestelling en dat het betekent dat je 115.000 nieuwe e-mailadressen per maand zult ontvangenxxv.

Op 18 januari 2006 belt ene [medeverdachte 3] verdachte. [medeverdachte 3] vraagt aan verdachte of hij de man uit Oostenrijk een naam heeft gegeven om geld op te sturen. Later in het gesprek zegt [medeverdachte 3] dat het geen probleem hoeft te zijn, want hij kan het naar 'onze gemaakte advocaatsnaam' sturen. Verdachte zegt dat hij hem zo een mailtje gaat sturenxxvi.

Op 18 januari 2006 vertelt de gebelde aan verdachte over een 'Certificate of Deposit' dat hij heeft voorbereid voor een klant uit Singapore. Gebelde zegt dat als zij (de klant) zover is om de betaling te doen, verdachte contact met haar kan opnemen.xxvii.

Aangetroffen documenten

In de woning aan de [A-straat nr] te [plaats], waar verdachte op 21 februari 2006 is aangehoudenxxviii en waarover hij heeft verklaard dat dit (al 2 maanden) zijn verblijfadres wasxxix, is onder meer een wire transfer (telegrafische overboeking) van $ 28.500,00 gestort door [slachtoffer 1] aangetroffen. De begunstigde is [medeverdachte 2] met een adres in [plaats]. Bij deze wire transfer bevinden zich nog vier documenten, namelijk Spaanse brieven voorzien van de naam [verdachte]xxx.

Verder zijn in de woning verschillende valse paspoorten, een valse cheque, verschillende certificaten (van award winning mega lottery internationalxxxi International Fund Clearancexxxii) en een papier met verschillende aantekeningen betreffende bankgegevens aangetroffen.

In de computer in de woning, welke computer volgens verdachte door hem en zijn huisgenoot werd gebruikt, zijn onder meer verschillende scans van paspoorten, documenten in verband met loterijen, foto's van een man in een ziekenhuis die lijken op de foto's van de zieke [alias 1], en teksten die qua inhoud sterk gelijken op de tekst van het e-mailbericht van [alias 1], met als verschil dat niet [alias 1] maar [alias 5] als naam is vermeldxxxiii.

Verklaring [getuige 1]

[getuige 1] heeft verklaard diverse sites te hebben gekopieerd en aangepast voor diverse personenxxxiv. Het doel van deze sites is mensen op te lichtenxxxv. Zijn opdrachtgevers waren onder meer verdachte [medeverdachte 1] (die hij kent als '[alias 2]'), maar ook een persoon genaamd [medeverdachte 3]. Voor zijn werk aan de website van [medeverdachte 3] werd hij betaald door [medeverdachte 3] en door diens broer, [verdachte]. Hij verklaart dat verschillende tapgesprekken in de periode van 11 tot en met 13 december 2005 gaan over de werkzaamheden aan de site en het ophalen van het geldxxxvi.

Tapgesprekken met [getuige 1]

De hiervoor door [getuige 1] bedoelde gesprekken betreffen alle gesprekken tussen hem en verdachtexxxvii. In een tapgesprek op 11 december 2005 vraagt verdachte aan [getuige 1] of hij het morgen klaar kan maken, als hij het vandaag aan hem geeft, omdat hij morgen een zaak wil regelen met het dingxxxviii.

3.4.5 Conclusie

Uit het dossier volgt niet dat verdachte wist van de wijze waarop specifiek het echtpaar [naam slachtoffers 1 en 2] is bewogen tot afgifte van het geldbedrag van $ 28.500,00.

Verder blijkt uit het dossier dat bij '419'-fraude vaak gebruikt wordt gemaakt van onder meer de volgende wijze van handelen:

- er worden grote hoeveelheden brieven of e-mails rondgestuurd waarin aan derden, potentiële slachtoffers wordt voorgehouden dat zij rechthebbende zijn op een groot geldbedrag;

- om deze derden hierin nog meer te doen geloven wordt gebruikt gemaakt van allerlei valse hoedanigheden, documenten en websites;

- bij de betaling wordt vaak gebruik gemaakt van valse chequesxxxix.

Deze kenmerken van zogenoemde 419-fraude zijn gezien de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen ook concreet van toepassing ten aanzien van verdachte in deze zaak. Daarbij doelt de rechtbank op: een systeem dat veel berichten achter elkaar kan versturen, een maillijst, certificaten, 'een gemaakte advocaatsnaam', veel (valse) paspoorten en valse websites. De in de computer in de woning van verdachte aangetroffen foto's en documenten passen bij een werkwijze zoals is gehanteerd bij de oplichting van het echtpaar [naam slachtoffers 1 en 2] en mogelijk zijn deze daadwerkelijk bij die specifieke oplichting gebruikt. Verder is in de woning van verdachte aangetroffen (een afschrift van) de eerdergenoemde wire transfer waarmee $ 28.500,- is overgemaakt door [slachtoffer 1], wat duidt op betrokkenheid van verdachte bij deze oplichting.

Uit deze genoemde kenmerken, tezamen en in onderling verband bezien, blijkt dat verdachte, zo hij niet actief bij de oplichting betrokken was, minst genomen op de hoogte was van en veelvuldig in contact kwam met de werkwijze van 419-fraudeurs.

Gelet op het voorgaande luidt de conclusie dan ook dat verdachte, op het moment dat [medeverdachte 1] aan hem om een bankrekening vroeg, omdat hij geld verwachtte, wist dan wel bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het door [medeverdachte 1] bedoelde geld afkomstig was van deze vorm van fraude. Door met die wetenschap of die bedoelde bewustheid vervolgens de bewezen verklaarde hulpverleningshandelingen te verrichten heeft verdachte het opzet - in voorwaardelijke zin - op de bewezen verklaarde oplichting gehad. Dit oordeel wordt nog onderstreept door de verklaring van verdachte zelf, waarin hij, als hem tapgesprekken worden voorgehouden, verklaart "dat hij bang is omdat hij erbij betrokken is" en waarin hij, als hem wordt gevraagd wat er met '28' in een tapgesprek met [medeverdachte 1] d.d. 31 december 2005 wordt bedoeld, verklaart: "het is vreselijk"xl.

De rechtbank acht op basis van al het voorgaande bewezen dat verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan de hem subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan oplichting.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Subsidiair:

een of meer personen in de periode van 1 september 2005 tot 21 februari 2006 te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van valse namen en hoedanigheden en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 1] en diens echtgenote [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van $ 28.500,- (achtentwintigduizend vijfhonderd US Dollar), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], immers hebben die voornoemde personen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] benaderd met e-mailberichten, waarin zij aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (zakelijk weergegeven) in strijd met de waarheid het volgende hebben voorgespiegeld:

- een persoon genoemd [alias 1], afkomstig uit Brunei, zou terminaal ziek zijn, terwijl hij beschikte over een vermogen van $ 55.000.000,- (vijfenvijftig miljoen US Dollar)

- '[alias 1]' wilde dit vermogen verdelen onder charitatieve organisaties

- '[alias 1]' vertrouwde zijn familieleden in deze niet

- '[alias 1]' zoekt daarvoor, al dan niet door tussenkomst van een of meer juridisch adviseurs of andere tussenpersonen, een persoon die bereid was de verdeling van het vermogen over charitatieve instellingen op zich te nemen

- de persoon die zich daartoe bereid verklaarde zou daarvoor een bedrag van 20% van het totale bedrag als beloning ontvangen,

en, nadat [slachtoffer 1] dan wel zijn echtgenote op het e-mailbericht van die personen had gereageerd, telefonisch en per e-mail contact met hen opgenomen, zich daarbij telkens voordoende als advocaat, als genoemde '[alias 1]' of als een medewerker van een bank en/of bewaarinstelling en/of andere vermogensbeheerder en daarbij (onder meer en zakelijk weergegeven) het volgende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voorgehouden:

- [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zouden, voordat het vermogen aan hen ter beschikking zou kunnen worden gesteld, enige bedragen moeten voldoen ter dekking van kosten en

- (als [alias 3], en/of enig ander fictief persoon) dat '[alias 1]' was overleden en dat hij ([alias 3] of ander fictief persoon) nu belast was met de afhandeling van de 'nalatenschap'

en op enig moment aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een of meer foto's gemaild van een persoon die schijnbaar intensief verpleegd werd en daarbij te kennen gegeven dat dit '[alias 1]' was,

waardoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werden bewogen tot de hierboven genoemde afgifte;

bij welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 1 december 2005 tot en met 21 februari 2006 te Amsterdam opzettelijk behulpzaam is geweest en tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, opzettelijk gelegenheid en inlichtingen heeft verschaft door:

- het benaderen van [medeverdachte 2] met het verzoek om zijn bankrekening ter beschikking te stellen; en

- vervolgens voornoemde bankrekeningnummer en bijbehorende NAW- gegevens en iban,- en biccodes per email en telefonisch door te geven zodat die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geldbedragen konden overmaken naar de bankrekening van die [medeverdachte 2]; en

- contact te onderhouden met die [medeverdachte 2] en anderen omtrent het moment en de voortgang van de geldstorting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]; en

- die [medeverdachte 2] te verzoeken de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gestorte geldbedragen op te nemen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

7.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit 1 subsidiair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftig dagen met aftrek van voorarrest en voorts dat de in beslag genomen goederen verbeurd worden verklaard.

De officier van justitie heeft ter motivering van haar strafeis erop gewezen dat verdachte met zijn handelen heeft bijgedragen aan een bedreiging van de legale economie en de integriteit van het financiële verkeer en het vermogensrecht van individuele personen heeft aangetast. Dat de slachtoffers wellicht het verwijt kan worden gemaakt dat zij naïef en mogelijk op geld belust zijn waardoor het realistisch denken op de achtergrond is geraakt, doet daar niet aan af. De officier van justitie heeft bij de gevorderde gevangenisstraf rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

7.2. Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd, voor het geval de rechtbank aan strafoplegging zou toekomen, dat verdachte een blanco strafblad heeft. Daarnaast is sprake is van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn, die een strafmatiging rechtvaardigt. Mocht de rechtbank de medeplichtigheid van verdachte (subsidiair) bewezen verklaren, dan is voor die variant een lagere straf geïndiceerd dan voor het primair ten laste gelegde medeplegen, dat als grondslag heeft gediend voor het voorarrest.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de hoogte daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De verdachte is medeplichtig geweest aan de oplichting van een Amerikaans echtpaar via zogenaamde advance fee- of 419-fraude. Daarbij zijn aan de slachtoffers aanzienlijke geldbedragen in het vooruitzicht gesteld om hen te bewegen onkosten voor de uitbetaling van dat geldbedrag voorafgaand aan de ontvangst daarvan te vergoeden. De plegers hebben daarbij valse namen aangenomen en valse documenten toegezonden, om op deze wijze de schijn te wekken dat sprake was van een bonafide organisatie, opdat de slachtoffers geen argwaan zouden krijgen. Slachtoffers in zaken als deze kenmerken zich vaak door een zekere mate van goedgelovigheid en argeloos vertrouwen. De plegers hebben op even geraffineerde als schaamteloze wijze misbruik gemaakt van deze eigenschappen. Dit rekent de rechtbank ook verdachte als medeplichtige zwaar aan.

Door dit soort feiten worden slachtoffers vaak aanzienlijke hoeveelheden geld afhandig gemaakt. Dat in casu de financiële schade voor de slachtoffers beperkt is gebleven is niet het gevolg van het handelen van verdachte of zijn mededaders, maar te danken aan oplettend en adequaat ingrijpen van de opsporingsdiensten.

Gelet op het voorgaande is in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen passend en geboden.

Redelijke termijn

In deze zaak is verdachte voor het eerst door politie verhoord op 21 februari 2006. Die dag geldt als de dag waarop de op redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Verdachte heeft vanaf dat moment kunnen verwachten dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Verdachte is ook in verzekering gesteld en heeft enige tijd in voorarrest gezeten.

Na zowel de terechtzitting van 18 mei 2006 als de terechtzitting van 3 augustus 2006 is de zaak verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van door de verdediging verzochte getuigen. Deze verhoren hebben plaatsgevonden in januari, februari en juni 2007.

Vervolgens is een aantal jaren van inactiviteit voorbijgegaan en heeft eerst op de terechtzitting van 11 augustus 2011 de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden, waarna het onderzoek is gesloten. De behandeling van de zaak ter terechtzitting zal zijn afgerond met een eindvonnis vijf jaar en zes maanden nadat de genoemde termijn is aangevangen.

De omvang en complexiteit van de zaak en het onderzoek door de rechter-commissaris, dat zoals reeds vermeld op verzoek van de verdediging is verricht, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een overschrijding van zes maanden. Voor de overige buitensporige vertraging van drie jaar, gedurende welke verdachte in onzekerheid heeft moeten verkeren over de afloop van het proces, zal de rechtbank de op te leggen straf halveren, waarna de straf als gevorderd door de officier van justitie resteert.

Beslag

De officier van justitie heeft een lijst van in beslag genomen voorwerpen overgelegd bestaande uit negen pagina's. De voorwerpen waarover nog niet door justitie is beslist, staan daarop vermeld en zijn daarop genummerd met getallen gelegen tussen de 13 en 99. De officier van justitie heeft gevorderd al deze voorwerpen verbeurd te verklaren, nu met behulp hiervan het bewezen verklaarde is begaan of deze voorwerpen tot het plegen van een dergelijk feit zijn bestemd.

De rechtbank volgt de officier van justitie in haar vordering en motivering daarvan en verklaart derhalve alle voorwerpen op de genoemde lijst, die aan het vonnis is gehecht, verbeurd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 48 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze artikelen zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart niet bewezen hetgeen onder primair aan verdachte ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.2 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplichtigheid aan oplichting

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 50 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

Alle voorwerpen genoemd op de aan dit vonnis gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter,

mrs. F.M.S. Requisizione en H.J. Bunjes, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.C.N. van Gelderen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 augustus 2011.

De oudste rechter is buiten staat mede te ondertekenen.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii Pag. 100001.

iii Pag. 100088, pag. A3 312002 t/m 312010, in het bijzonder pagina's A3 312002, A3 312003 en A3 312004 .

iv Een geschrift, zijnde een e-mailbericht, pag. A3 312019 en 312020 e.v.

v Een geschrift, zijnde een memorandum of interview d.d. 6 januari 2006, pag. A3 312216 e.v. en verklaring bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, van [slachtoffer 1] d.d. 11 juni 2007.

vi Een geschrift, zijnde een e-mailbericht d.d. 23 december 2005, A3 A312026.

vii Een geschrift, zijnde een memorandum of interview d.d. 6 januari 2006, pag. A3 312216 e.v., een geschrift zijnde een e-mailbericht A3 312028.

viii Pag 312002 t/m 312020, in het bijzonder pag. 312007.

ix Een geschrift, zijnde een memorandum of interview d.d. 6 januari 2006, vanaf pag. A3 312216, in het bijzonder pag. 312217, telkens een geschrift, zijnde een uitgewerkt tapgesprek d.d. 28 december 2005, A3 312203 en A3 312206 en eerdere.

x Een geschrift, zijnde een e-mailbericht d.d. 29 december 2005, A3 312023 e.v. en een geschrift, zijnde een memorandum of interview d.d. 6 januari 2006, vanaf pag. A3 312216, in het bijzonder pag. 312217.

xi Een geschrift, zijnde een uitgewerkt tapgesprek d.d. 29 december 2005, A3 312195 e.v.

xii Een geschrift, zijnde een uitgewerkt tapgesprek d.d. 30 december 2005, A3 312182.

xiii Een geschrift, zijnde een bankafschrift, pag. A3 312030.

xiv Een geschrift, zijnde een bankafschrift, pag. A3 312029 en een geschrift, zijnde een memorandum of interview d.d. 6 januari 2006, pag. A3 312216 e.v.

xv Verklaring bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, van [slachtoffer 1] d.d. 11 juni 2007 en telkens een geschrift, zijnde een tapgesprek, pag. A3 312032 e.v.

xvi Een geschrift, zijnde een rekeningafschrift ten name van [medeverdachte 2], pag. A3 312029.

xvii Verklaring van verdachte, pag. 600283.

xviii Een geschrift, zijnde een e-mailbericht d.d. 23 december 2005, pag. A3 312031.

xix Telkens een geschrift, zijnde een uitgewerkt tapgesprek d.d. 5 januari 2006, respectievelijk pag. A3 312259, pag. A3 312260, pag. A3 312261, pag. A3 312262, pag. A3 312263, pag. A3 312267, A3 312268, pag. A3 312269.

xx Verdachte heeft ter terechtzitting bij monde van zijn raadsvrouw nog eens erkend de gesprekken met dit telefoonnummer te hebben gevoerd.

xxi B3 307007 en telkens een geschrift, zijnde een uitgewerkt tapgesprek respectievelijk d.d. 9 januari 2006, A3 312275; d.d. 10 januari 2006, A3 312278; d.d. 16 januari 2006, A3 312283.

xxii Een geschrift, zijnde een uitgewerkt tapgesprek, pag. 111804.

xxiii Een geschrift, zijnde een uitgewerkt tapgesprek, pag. 111805.

xxiv Een geschrift, zijnde een uitgewerkt tapgesprek, pag. 111811.

xxv Een geschrift, zijnde een uitgewerkt tapgesprek, pag. 111814.

xxvi Een geschrift, zijnde een uitgewerkt tapgesprek, pag. 111817 en 111818.

xxvii Een geschrift, zijnde een uitgewerkt tapgesprek, pag. 111821.

xxviii Doorzoeking perceel [A-straat nr], pag. 130142.

xxix Verklaring verdachte, pag. 600279.

xxx Pag A3 31208 en A3 312209.

xxxi Bevindingen beslag [A-straat nr], pag. 111634.

xxxii Bevindingen beslag [A-straat nr], pag. 111751.

xxxiii Bevindingen onderzoek pc [A-straat nr], pag. 111765.

xxxiv Verklaring [getuige 1], pag. 600446 e.v. in het bijzonder pag. 600448 en 600449.

xxxv Verklaring [getuige 1], pag. 600460.

xxxvi Verklaring [getuige 1], pag. 600492.

xxxvii Telkens een geschrift, zijnde een uitgewerkt tapgesprek, pag. 600496 t/m 600502.

xxxviii Een geschrift, zijnde een uitgewerkt tapgesprek, pag. B3 307009.

xxxix 100002.

xl Verklaring van verdachte, pag. 600283.