Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR5815

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-07-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
AWB 11-3208 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen beëindiging bijstand vanwege intrekking verblijfsvergunning. Gezien de overgelegde medische verklaringen zou de uit artikel 8 van het EVRM voortvloeiende verplichting om het privéleven van verzoeker te waarborgen mogelijk verder kunnen strekken dan de voorziening die door het COA op grond van de Rva wordt geboden. De stelling van verweerder dat het COA bij uitsluiting bevoegd is om opvang en leefgeld te verstrekken betekent niet dat voor verweerder daarnaast in het geheel geen ruimte zou bestaan om bijstand te verlenen. Verzoek toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/3208 WWB

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. H.M. de Roo,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde F.H.W. Fris.

Procesverloop

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende bezwaar tegen het besluit van verweerder van 28 maart 2011.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting van 18 juli 2011 gevoegd behandeld met de zaak die is geregistreerd onder nummer AWB 11/3218 WMO.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. H.M. de Roo. Verweerder is vertegenwoordigd door F.H.W. Fris.

Ter zitting is het onderzoek gesloten. Na het onderzoek ter zitting zijn de zaken gesplitst en is in beide zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. inleidende bepaling

1.1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2. feiten en omstandigheden

2.1. Bij beschikking van 11 september 2007 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) namens de toenmalige bevoegde bewindspersoon aan verzoeker, afkomstig uit Irak, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 (het zogenoemde categoriaal beschermingsbeleid).

2.2. Bij besluit van 2 maart 2009 heeft verweerder aan verzoeker een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend met ingang van 6 februari 2009.

2.3. Bij besluit van 28 mei 2010 heeft de IND namens de op dat moment bevoegde bewindspersoon de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, omdat het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Centraal-Irak is beëindigd, waarmee de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 is komen te vervallen.

Het daartegen door verzoeker ingestelde beroep is door de rechtbank ’s-Gravenhage bij uitspraak van 11 januari 2011 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, op welk hoger beroep nog niet is beslist.

2.4. Op 17 februari 2011 heeft verzoeker een verblijfsvergunning regulier met als doel medische behandeling gevraagd. Uit het advies van het Bureau Medische advisering (BMA) blijkt dat verzoeker ernstige hartklachten heeft, die van blijvende aard zijn, dat bij uitblijven van een medische behandeling op korte termijn een medische noodsituatie zou kunnen ontstaan en dat in zijn land van herkomst onvoldoende behandelingsmogelijkheden zijn. Verzoeker kan daarom niet reizen. Nederland is het meest aangewezen land voor de medische behandeling van verzoeker. Daarnaast is er sprake van psychische problematiek. Het feit dat de ziektekostenverzekering van verzoeker uit de algemene middelen (via de bijstandsuitkering) wordt bekostigd staat er echter aan in de weg dat aan verzoeker een verblijfsvergunning wordt verleend.

Bij besluit van 15 juni 2011 heeft de IND, namens de Minister voor Immigratie en Asiel, daarom de aanvraag afgewezen. Verzoeker heeft tegen de weigering van de verblijfsvergunning bezwaar gemaakt.

2.5. Bij hetzelfde besluit heeft de Minister voor Immigratie en Asiel evenwel aan verzoeker uitstel van vertrek verleend tot 15 juni 2012 op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

2.6. Bij besluit van 28 maart 2011 heeft verweerder de bijstandsuitkering van verzoeker met ingang van 1 april 2011 beëindigd, omdat verzoeker geen verblijfstitel heeft op grond waarvan recht op bijstand bestaat. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarbij tevens verzocht om, als de WWB geen soelaas biedt, te onderzoeken of een uitkering via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) of buitenwettelijk beleid mogelijk is.

2.7. Bij besluit van 17 juni 2011 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om toegang tot maatschappelijke opvang op grond van de Wmo afgewezen. Gelet op artikel 11 van de Vreemdelingenwet kan verzoeker geen aanspraak maken op Wmo-voorzieningen. Voorts is sprake van een voorliggende voorziening, nu verzoeker aanspraak kan maken op de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (Rva).

2.8. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij behoort tot de groep kwetsbare personen die in het licht van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ( EVRM) bijzondere bescherming behoeft om de ontwikkeling van zijn privéleven mogelijk te maken. Verzoeker kan wegens medische redenen Nederland niet verlaten. Het behoud van zijn woning is medisch noodzakelijk.

3. beoordeling

3.1. Niet is in geschil dat verzoeker geen vreemdeling (meer) is in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt verzoeker onder artikel 16, tweede lid, van de WWB en kan aan hem zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dat artikel, geen uitkering ingevolge de WWB worden toegekend. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in diverse uitspraken, onder meer in zijn uitspraak van 19 april 2010 (LJN BM1992), geoordeeld dat in de koppelingswetgeving, waarbij aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden toegekend die aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat verenigbaar is met de non-discriminatievoorschriften die zijn vervat in diverse – rechtstreeks werkende – bepalingen in internationale verdragen, zoals artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en diverse bilaterale en multilaterale coördinatieverdragen inzake sociale zekerheid. Behoudens een categorie van in dit geding niet van belang zijnde overgangsgevallen en de situatie van rechtmatig in Nederland verblijvende kinderen, welke aan de orde was in de uitspraak van de CRvB van 24 januari 2006 (LJN AV0197), heeft de CRvB het ter verwezenlijking van de doelstellingen van de koppelingswetgeving binnen het kader van de opeenvolgende bijstandswetten gehanteerde middel steeds aanvaardbaar geacht.

3.2. Hieruit volgt dat verweerder in beginsel terecht de bijstandsuitkering van verzoeker heeft beëindigd.

3.3. Zoals de CRvB in zijn uitspraak van 19 april 2010 (LJN BM1992) heeft overwogen, merkt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als the “very essence” van het EVRM aan. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Dit artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging in het privéleven te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook aan het recht op eerbiediging van het privéleven inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborging ervan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. De CRvB wijst in dit verband onder meer op het arrest van het EHRM van 27 mei 2008, in de zaak N. versus het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05 (EHRC 2008, 91).

3.4. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat verzoeker, gelet op zijn medische situatie, moet worden aangemerkt als een kwetsbaar persoon, die op grond van artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht heeft op bescherming van zijn privé- en gezinsleven.

3.5. De Staat heeft invulling gegeven aan de hiervoor genoemde positieve verplichting om te voorzien in opvang en leefgeld voor wat betreft personen die op grond van artikel 64 van de Vw 2000 in Nederland verblijven. In de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (Rva) is vastgesteld dat deze personen aanspraak kunnen maken op opvang en leefgeld.

3.6. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker een aanvraag bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) heeft ingediend, dat hij inmiddels op grond van de Rva leefgeld ontvangt ad € 54 per week en dat er voor hem opvang beschikbaar is in het asielzoekerscentrum Nijmegen. Daarmee is wat betreft de staat in beginsel voldaan aan de uit artikel 8 van het EVRM voortvloeiende positieve verplichting om het privéleven van verzoeker te waarborgen.

3.7. Het aanvaarden van opvang, zoals die door het COA op grond van de Rva-regeling wordt geboden, impliceert dat verzoeker zijn huidige huurwoning, die hij huurt van woningcorporatie Eigen Haard, moet opgeven. Deze woning kan hij slechts financieren door middel van zijn WWB-uitkering.

Op grond van de door hem overgelegde medische verklaringen heeft verzoeker aangevoerd dat het verlies van zijn woning een zeer nadelige invloed op zijn behandeling en de mogelijkheden van herstel zal hebben.

In zijn brief van 22 juni 2011 schrijft de behandelend GZ-psycholoog Essatibi van Allekleur onder meer:

Diagnostisch gezien is bij hem sprake van ernstige trauma met gemengde gevoelens van angst en depressie.

(…)

Behoud van zijn woning is essentieel voor een geslaagde behandeling en een positieve prognose.

(…)

Het gebrek aan een eigen woning en belanden in een opvanghuis (…) is erg schadelijk voor zijn gezondheid.

Therapeutisch gezien is het noodzakelijk dat verzoeker zijn eigen woning houdt en goed zorgt voor zijn gezondheid.

3.8. Gezien de overgelegde medische verklaringen zou de uit artikel 8 van het EVRM voortvloeiende verplichting om het privéleven van verzoeker te waarborgen mogelijk verder kunnen strekken dan de voorziening die door het COA op grond van de Rva wordt geboden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zou het daarom in de rede hebben gelegen als verweerder deze verklaringen had betrokken in zijn besluitvorming en, ter voorbereiding van die besluitvorming, nader onderzoek zou hebben verricht in de vorm van het inwinnen van medisch advies. De voorzieningenrechter gaat vooralsnog niet mee in de stelling van verweerder dat het COA bij uitsluiting bevoegd is om opvang en leefgeld te verstrekken. In beginsel moge dit juist zijn, maar dat betekent niet dat voor verweerder daarnaast in het geheel geen ruimte zou bestaan om bijstand te verlenen. In uitzonderingsgevallen moet aanvaard worden dat dit mogelijk is om strijd met artikel 8 van het EVRM te voorkomen.

3.9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verzoeker thans prevaleert boven het belang van verweerder bij handhaving van het bestreden besluit. De betrokken belangen afwegend is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoeker bij het uitbetalen van zijn bijstandsuitkering in afwachting van nader onderzoek in de bezwaarfase, zwaarder weegt dan het belang van verweerder. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding het bestreden besluit te schorsen.

Ter voorlichting aan partijen merkt de voorzieningenrechter op dat dit betekent dat verweerder de bijstand ook na 1 april 2011 onverminderd aan verzoeker dient door te betalen.

3.10. Nu het verzoek wordt toegewezen ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten worden onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 874,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift + 1 punt voor het verschijnen ter zitting, per punt € 437,00). Tevens dient verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit van 28 maart 2011;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van

€ 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) te betalen aan verzoeker;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 41,00 (zegge: eenenveertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. J.E. Nicolai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2011.

de griffier de voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D:C

SB