Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR5761

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
AWB 09/4040 VEROR, AWB 10/3067 GEMWT
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BX8976, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Handhaving. Verzoek intrekking garagevergunning.

Weigering ten onrechte verleende garagevergunning in te trekken.

Eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en advies Gemeentelijke Ombudsman. Onherroepelijkheid van de vergunning is niet, zoals verweerder stelt, toereikend om de intrekking van de garagevergunning te weigeren.

Rechtbank trekt met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de garagevergunning in. Gelet op deze uitspraak en de strijdigheid met de Garageverordening en het bestemmingsplan, ziet de rechtbank aanleiding verweerder op te dragen te handhaven, teneinde strijdigheid met de Garageverordening en het bestemmingsplan te voorkómen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 09/4040 VEROR

AWB 10/3067 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. A.H. Jonkhoff

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. L.E. Elewoud.

Tevens hebben aan het geding deelgenomen:

[huurder],

en

de besloten vennootschap [belanghebbende] Makelaardij,

gemachtigde [gemachtigde].

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2008 (het eerste primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen het gebruik van de beganegrondverdieping van de panden aan de [A-straat] [nr 1] en [nr 2] te Amsterdam als stallingsplaats voor motorrijtuigen, afgewezen.

Bij besluit van 22 oktober 2009 (het tweede primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om de garagevergunning van 4 november 2005, voor het stallen van twee auto’s in de panden aan de [A-straat] [nr 1] en [nr 2] te Amsterdam, in te trekken, afgewezen.

Bij besluit van 23 juli 2009 (het eerste bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het eerste primaire besluit ongegrond verklaard, voor zover daarbij eisers verzoek om handhavend optreden is afgewezen. Verweerder heeft het bezwaar van eiser, voor zover dit is gericht tegen het niet (tijdig) nemen van een besluit op eisers verzoek om intrekking van de verleende garagevergunning, gegrond verklaard.

Bij besluit van 20 mei 2010 (het tweede bestreden besluit) heeft verweerder het door eiser tegen het tweede primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten afzonderlijke beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

De rechtbank heeft de zaken ter zitting van 20 juni 2011 gevoegd behandeld.

Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

[huurder] is verschenen. Belanghebbende (verder: [belanghebbende]) heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. [belanghebbende] is eigenaar van de beganegrondverdieping van de panden aan de [A-straat] [nr 1] en [nr 2] te Amsterdam, verder te noemen “de garage”.

Eiser woont op de eerste verdieping van de [A-straat] [nr 2]. Vanaf 1 januari 2005 huurt [huurder] de garage van [belanghebbende]. Het gebruik van de garage kent een lange voorgeschiedenis.

1.2. Bij besluit van 1 september 1998 heeft verweerder geweigerd aan [belanghebbende] een garagevergunning te verlenen voor de beganegrondverdieping van het pand aan de [A-straat] [nr 1] te Amsterdam.

1.3. Verweerder heeft, op verzoek van omwonenden, [belanghebbende] bij besluit van 17 september 1999 onder aanzegging van bestuursdwang gelast om het gebruik van de garage (nummers [nr 1] en [nr 2]) als parkeergelegenheid te staken, wegens strijd met de bestemming Woondoeleinden van het destijds geldende bestemmingsplan “Jordaan” (1972). Tevens heeft verweerder [belanghebbende] gelast de deuren terug te brengen in de vorige toestand (houten draaideuren), dan wel de onderpui in overleg met en ten genoegen van bouw- en woningtoezicht aan te passen aan de redelijke eisen van welstand.

1.4. Bij besluit van 10 juni 1999 heeft verweerder het bezwaar van [belanghebbende] tegen het besluit van 1 september 1998 ongegrond verklaard.

1.5. Bij besluit van 29 september 1999 heeft verweerder geweigerd om aan [belanghebbende] een garagevergunning te verlenen voor de beganegrondverdieping van de [A-straat] [nr 2] te Amsterdam, voor het parkeren van vijf auto’s. Bij besluit van 14 maart 2000 heeft verweerder het hiertegen door [belanghebbende] gemaakte bezwaar, ongegrond verklaard.

1.6. Bij uitspraak van 11 april 2000 heeft de rechtbank het door [belanghebbende] tegen het besluit van 10 juni 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.7. Bij besluit van 31 mei 2000 heeft verweerder het door [belanghebbende] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 17 september 1999, ongegrond verklaard.

1.8. Bij uitspraak van 15 januari 2001 (AWB 00/5201 en 00/2601) heeft de president van deze rechtbank het beroep van [belanghebbende] tegen het besluit van 14 maart 2000, ongegrond verklaard en het door hem ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

1.9. Bij uitspraak van eveneens 15 januari 2001 (AWB 00/5202 en 00/3610) heeft de president van deze rechtbank het door [belanghebbende] tegen het besluit van 31 mei 2000 ingestelde beroep, ongegrond verklaard en het door hem ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

1.10. Bij uitspraak van 15 mei 2002 (200100917/1), te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: AE2593, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) de uitspraak van de president van de rechtbank van 15 januari 2002 (AWB 00/5202 en 00/3610), bevestigd.

1.11. Bij zijn uitspraak van eveneens 15 mei 2002 (200002542/1 en 200101111/1), te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: AE2585, heeft de Afdeling de uitspraken van de rechtbank van 11 april 2000 en van de president van 15 januari 2001 (AWB 00/5201 en 00/2601) bevestigd.

1.12. Op 21 januari 2003 heeft [huurder] (verder: [huurder]) als gemachtigde van [belanghebbende], een aanvraag voor een bouwvergunning ingediend voor het gedeeltelijk veranderen van de voorgevel en de inritdeuren van de beganegrondverdieping van het pand aan de [A-straat] [nr 1]-[nr 2], ten behoeve van het stallen van caravans.

1.13. Eiser heeft bij brief van 12 februari 2003 een zienswijze ingediend over voornoemde aanvraag omdat hij pal boven de garage woont en hinder ondervindt van het gebruik van de garage.

1.14. Bij besluit van 20 juni 2003 heeft verweerder aan [belanghebbende], onder verlening van een binnenplanse vrijstelling van het geldende bestemmingplan “Jordaan 1999” een bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen van de voorgevel en de inritdeuren van de beganegrondverdieping van het pand aan de [A-straat] [nr 1]-[nr 2], met bestemming daarvan als caravanopslag.

1.15. Bij ongedateerd huurcontract, ingaande op 1 januari 2005, [huurder] de garage gehuurd van [belanghebbende] voor een bedrag van € 250,- per maand.

1.16. [huurder] heeft op 18 april 2004 een aanvraag gedaan voor een garagevergunning.

1.17. Bij besluit van 28 oktober 2005, verzonden 4 november 2005, heeft verweerder aan [huurder] een garagevergunning verleend voor het parkeren van twee personenauto’s in de garage, waarbij verweerder [huurder] erop heeft gewezen dat de vergunning persoonsgebonden is en niet kan worden overgedragen aan een nieuw eigenaar of rechthebbende op het gebruik van de garage, alsmede dat de vergunning kan worden ingetrokken bij overtreding van een der gestelde voorschriften, alsmede dat andere wettelijke regelingen onverkort van toepassing zijn.

1.18. Bij brief van 24 mei 2006 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 oktober 2005. Verweerder heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat dit niet tijdig was ingediend. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.

1.19. Eiser heeft de kwestie voorgelegd aan de Gemeentelijk Ombudsman (ombudsman). De ombudsman heeft verweerder bij brief van 17 mei 2006 vragen gesteld over de gang van zaken rond het verlenen van de garagevergunning op 28 oktober 2005.

1.20. Bij brief van 8 juni 2006 heeft het hoofd van de afdeling Vergunningen aan de ombudsman geantwoord dat niet gebleken is dat de aanvraag voor de garagevergunning is gepubliceerd, dat niet gebleken is dat bij verlening van de garagevergunning rekening is gehouden met de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2002 (200100917/1), dat uit het dossier niet blijkt dat sprake is van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan verlening van de garagevergunning wel mogelijk was en dat er voor verweerder aanleiding bestaat de juistheid van de vergunningverlening nader te bezien. Het hoofd van de afdeling Vergunningen heeft eveneens opgemerkt dat het erop lijkt dat per abuis de voorgeschiedenis van het dossier is genegeerd en er ten onrechte positief is beslist op de aanvraag voor de garagevergunning.

1.21. In zijn rapport van 17 november 2006 heeft de ombudsman geconcludeerd dat verweerder, door verlening van de garagevergunning van 25 oktober 2005, in strijd heeft gehandeld met de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2001 (200100917/1) en het vereiste van rechtszekerheid. De ombudsman heeft verweerder aanbevolen om te bevorderen dat de situatie in overeenstemming wordt gebracht met de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2001 (200100917/1).

1.22. Na intern onderzoek naar de verlening van de garagevergunning aan [huurder], heeft verweerder in zijn notitie van mei 2006 onder meer - geconcludeerd dat de vergunningprocedure voor de garage niet goed is verlopen, omdat voorbij is gegaan aan de eisen die het bestemmingsplan “Jordaan” stelt voor het vergunnen van een dergelijke garage: het bestemmingplan moet eerst worden gewijzigd. Verweerder concludeert verder dat er geen aanwijzingen zijn van niet integer ambtelijk handelen bij verlening van de vergunning en dat de inhoudelijke afwegingen op grond van de Garageverordening en het geldende parkeerbeleid, consistent zijn. Verweerder is bevoegd het bestemmingplan te wijzigen en aldus te bepalen of de situatie van de vergunde garage in overeenstemming met het geldende bestemmingplan kan worden gebracht.

2. Ten aanzien van de garagevergunning (registratienummer 10/3067)

2.1. Verweerder ziet geen grond de garagevergunning in te trekken omdat deze onherroepelijk is geworden. Bij de controles die zijn uitgevoerd is geen overtreding geconstateerd zodat dit geen grond voor intrekking van de vergunning kan zijn. Intrekking van een onherroepelijke vergunning is een relatief zware sanctie. Nu alle feiten en omstandigheden ten tijde van de aanvraag al bekend waren en verweerder destijds met inachtneming van die feiten en omstandigheden heeft gemeend de vergunning te moeten verlenen, ziet verweerder niet in dat afzien van intrekking in onevenredige verhouding zou staan tot de belangen van eiser. Voor wat betreft de overlast die eiser bij het gebruik van de garage ervaart wijst verweerder op de opmerking van [huurder] dat hij bereid is zogenaamde “silent rubbers” te plaatsen om overlast zoveel mogelijk te beperken. Uit het verslag van de bezichtiging van 6 april 2010 is gebleken dat [huurder] reeds een geluidwerend plafond heeft geplaatst. Voor het overige is verweerder niet gebleken van feiten en omstandigheden die aanleiding geven het primaire besluit te herzien.

2.2. Eiser stelt in beroep dat verweerder de garagevergunning had kunnen intrekken op grond van artikel 2.4, aanhef en onder a, van de Garageverordening. [huurder] had de bedoeling om de garagevergunning alleen te gebruiken voor de opslag van caravans en vouwwagens en niet voor twee auto’s. Verder heeft [huurder] onjuiste gegevens verstrekt onder punt 13 van de aanvraag over hoeveel er gemiddeld in en/of uit zal worden gereden. De oude en nieuwe functie van het pand zijn onjuist weergegeven.

Caravans en vouwwagens zijn geen motorrijtuigen in de zin van de Garageverordening zodat daarvoor geen garagevergunning verleend kan worden.

Verweerder had de garagevergunning ook op grond van artikel 2.4, aanhef en onder b, van de Garageverordening in kunnen trekken. Er wordt in strijd met de vergunning gehandeld doordat er auto’s geparkeerd worden door anderen dan [huurder] namelijk door medewerkers van [belanghebbende]. Er staan ongeveer 8 auto’s tegelijkertijd in de garage van [huurder], wat in strijd is met de verleende garagevergunning.

Verweerder had de garagevergunning ook op grond van artikel 2.4, aanhef en onder c, van de Garageverordening in kunnen trekken. Zoals de Afdeling al heeft vastgesteld is van een functionele relatie tussen [belanghebbende] aan de [adres 1] en de ruimte aan de [A-straat] geen sprake. Aangenomen mag worden dat ook tussen de [adres 2], het adres van het bedrijf van [huurder], en de [A-straat] een functionele relatie ontbreekt nu dit nog verder ligt, aldus eiser.

De conclusie van verweerder ten aanzien van de feiten en omstandigheden is voor eiser onbegrijpelijk. Uit de brief van de Gemeentelijke Ombudsman van 17 mei 2006 blijkt het tegendeel: de voorgeschiedenis was juist niet bekend bij de vergunningverlening. Verweerder heeft dit in zijn brief van 8 juni 2006 aan de Gemeentelijke Ombudsman erkend.

Verweerder stelt dat er een controle voor het verzoek om handhaving heeft plaatsgevonden. Bij het bestreden besluit heeft verweerder geen controlerapporten overgelegd. Omdat de garagedeuren niet doorzichtig zijn, is van buiten af niet te zien hoeveel auto’s in de garage geparkeerd staan. Eiser betwijfelt of er na 23 juli 2009 nog controles hebben plaatsgevonden. Als er wel controlerapporten zijn, is eiser zeer benieuwd naar de wijze waarop gecontroleerd is. Het belang van eiser dient zwaar te wegen gelet op de voorgeschiedenis. Eiser ondervindt al geruime tijd zeer veel geluid-, geur-, en trillingsoverlast van het parkeren onder zijn verdieping en mag vertrouwen op naleving van de uitspraken van de Afdeling.

2.3. In de uitspraak van 15 mei 2002 (LJ-nummer: AE2585) heeft de Afdeling voor wat betreft de weigering van de garagevergunningen voor het stallen van vijf auto’s aangegeven dat het gebruik van de ruimte voor de stalling van bedrijfsauto’s niet in overeenstemming is met de geldende bestemming, dat geen beroep kon worden gedaan op het overgangsrecht, dat er geen functionele relatie bestaat tussen [belanghebbende] en de garage, dat [belanghebbende] elders al beschikt over parkeerplaatsen, en dat verweerder terecht groot gewicht heeft toegekend aan de belangen van de bewoners van de bovengelegen woningen, die stellen overlast van het stallen van de bedrijfsauto’s te ondervinden.

2.4. Ingevolge artikel 2.4. van de Garageverordening Centrum 2005, zoals dit luidde vanaf 1 juli 2005 en voor zover van belang, kan het Dagelijks Bestuur een garagevergunning intrekken of beperkend wijzigen, indien:

a. ter verkrijging van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b. de aan de vergunning verbonden voorschriften en/of voorwaarden niet worden nageleefd;

c. de voorschriften en/of voorwaarden bij of krachtens het bepaalde in hoofdstuk 3 worden overschreden;

d. (…)

2.5. Ingevolge hoofdstuk 3, artikel 3, eerste lid van de Garageverordening geldt als criterium voor de beoordeling van de aanvraag van een vergunning ten aanzien van het maximale aantal stallingplaatsen dat in een garage aanwezig mag zijn:

a. voor bedrijven: één stallingplaats per 250 m² bruto vloeroppervlak.

Bij de bepaling van het vloeroppervlak kan met een meetmarge van maximaal 10 % worden afgerond naar boven;

b. voor woningen: 0,5 stallingplaats per woning.

Bij een oneven aantal woningen wordt daarbij afgerond naar boven.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Garageverordening worden voor de bepaling van het toelaatbare aantal stallingplaatsen die bedrijfsruimten dan wel woningen meegerekend, die een functionele relatie hebben met de stallingplaatsen. Die functionele relatie wordt aangenomen, indien stallingplaatsen en bedrijfsruimten dan wel woningen zich in hetzelfde gebouw bevinden.

2.6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen juiste beoordeling heeft verricht van de in de Garageverordening genoemde intrekkingsgronden voor de garagevergunning. Juist is dat de garagevergunning inmiddels onherroepelijk is, hetgeen in beginsel zwaar moet wegen, maar de onherroepelijkheid van de vergunning is niet, zoals verweerder stelt, toereikend om de intrekking van de garagevergunning te weigeren.

2.7. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet onderzocht of de vergunning is verstrekt op basis van onjuiste en of onvolledige gegevens, of de voorschriften van de garagevergunning worden overtreden en of sprake is van strijd met het bepaalde in hoofdstuk 3 van de Garageverordening Dit terwijl de bezwaarschriftencommissie in zijn advies over het hieronder te bespreken handhavingsbesluit verweerder met zoveel woorden heeft geadviseerd deze intrekkingsgronden, en in het bijzonder ook de vraag of, gelet op artikel 2.4. van de Garageverordening, hoofdstuk 3 van de Garageverordening wordt overtreden, voor wat betreft de functionele relatie met de stallingsplaatsen, te onderzoeken, alvorens over de handhaving te besluiten.

2.8. Nu verweerder mitsdien niet conform de Garageverordening heeft bezien of er grond is voor intrekking van de garagevergunning en of die intrekking in dit geval, mede gelet op de voorgeschiedenis, redelijk is, is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit worden vernietigd.

2.9. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 10 december 2008, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BG6401, heeft overwogen, dient de rechtbank, ingeval een besluit wordt vernietigd, de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken.

2.10. Gelet op de lange voorgeschiedenis en de belangen van eiser zal de rechtbank, zelf voorziend in de zaak, onderzoeken of er aanleiding is de garagevergunning in te trekken en of verweerder daartoe in redelijkheid had dienen over te gaan.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de garage in strijd met de voorschriften van de garagevergunning wordt gebruikt. Alhoewel de garagevergunning persoonsgebonden is, zoals in de garagevergunning zelf is aangegeven, hebben [huurder] en [belanghebbende] ter zitting bevestigd dat de garage vooral, zo niet uitsluitend, wordt gebruikt voor bedrijfsauto’s van [belanghebbende], zoals ook eiser stelt. Uit genoemde uitspraken van de Afdeling vloeide al voort dat het parkeren van bedrijfsauto’s van [belanghebbende] ter plaatse niet is toegestaan. [huurder] heeft aangegeven dat hij elders in Amsterdam woont en daar een parkeervergunning heeft, en dat hij meestal met de fiets naar zijn werk gaat, nu dit op een loopafstand van minstens 10 minuten van de garage is gelegen. Ook [huurder] heeft mitsdien geen functionele relatie met de garage, omdat noch zijn woning, noch zijn bedrijf in of nabij de garage zijn gelegen, zodat niet wordt voldaan aan hoofdstuk 3 van de Garageverordening. [huurder] heeft aangevoerd dat incidenteel een cliënt van zijn bouwkundig adviesbureau in de garage parkeert, maar nu de garagevergunning persoongebonden is, en er geen functionele relatie tussen het bedrijf van [huurder] en de garage is, is ook dit in strijd met de garagevergunning. Verweerder is dus bevoegd de verleende garagevergunning in te trekken op grond van artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Garageverordening.

2.11. De vraag is of verweerder in redelijkheid van de bevoegdheid tot intrekking gebruik had dienen te maken. Weliswaar dient zwaar te wegen dat de garagevergunning inmiddels onherroepelijk is geworden, dit vanwege de rechtszekerheid van vooral de vergunninghouder, maar die rechtszekerheid weegt naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet zwaar, omdat de rechtbank uit de volgende feiten en omstandigheden afleidt dat bij het aanvragen van de garagevergunning kennelijk sprake is geweest van een opzetje tussen [huurder] en [belanghebbende] om aan de gevolgen van de uitspraak van de Afdeling te ontkomen. Dat sprake is van een opzetje leidt de rechtbank niet alleen af uit het feit dat, zoals [huurder] en [belanghebbende] ter zitting hebben bevestigd, de bedrijfsauto’s van [belanghebbende] in ieder geval al vanaf 2004 in de garage worden gestald, en dus niet meerdere auto’s van [huurder] zelf, nu deze al over een parkeervergunning in Amsterdam beschikt en zijn bedrijf redelijk ver van de garage is gelegen. De rechtbank leidt uit het feit dat [huurder] in de bouwvergunningprocedure uit 2003 als gemachtigde van [belanghebbende] optrad dat hij op de hoogte was van het probleem van [belanghebbende] dat deze als gevolg van de eerdere procedures zijn garage niet langer kon gebruiken. [huurder] heeft kennelijk [belanghebbende] willen helpen door de garage zogenaamd te huren maar feitelijk weer ter beschikking van [belanghebbende] te stellen. De rechtbank leidt dit ook af uit de overeengekomen huurprijs, die niet reëel is voor zo’n grote garage in de Amsterdamse binnenstad. Door de aanvraag op een andere naam te stellen en daarbij in strijd met de waarheid te vermelden dat het om een bestaande garage ging, is de gemeente op het verkeerde been gezet en is de vergunning, zoals door het hoofd van de Afdeling vergunningen aan de ombudsman is toegegeven, ten onrechte verleend. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen noch [huurder] noch [belanghebbende] zich in rechte beroepen op het vertrouwen dat zij ontlenen aan de onherroepelijke garagevergunning en verzet de rechtszekerheid van [huurder] en [belanghebbende] zich niet tegen intrekking van de garagevergunning.

2.12. Bij de vraag of verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik dient te maken dient verweerder niet alleen rekening dient te houden met de belangen van de [huurder], waartoe verweerder zich in het bestreden besluit heeft beperkt, maar ook met de belangen van eiser als omwonende. Dit belang dient zwaar te wegen, nu verweerder in dit geval bij de vergunningverlening de voorgeschiedenis niet heeft betrokken, de garagevergunning niet heeft gepubliceerd en deze pas bij brief van 20 april 2006 op verzoek van eiser aan hem heeft toegezonden zonder daarbij te vermelden dat eiser onmiddellijk bezwaar daartegen diende te maken. Verder is tijdens de bezichtiging van de garage en de woning van eiser door de bezwaarschriftencommissie op 4 april 2010 gebleken dat in de woning van eiser het openen van de garagedeur en het in- en uitrijden van auto’s duidelijk te horen zijn, terwijl de uitlaatpijp van de garage onder zijn slaapkamerraam uitkomt. Weliswaar heeft [huurder] maatregelen genomen om de overlast te verminderen, waaronder het dichtzetten van de uitlaatpijp en het bekleden van het plafond, maar ter zitting heeft [huurder] aangegeven dat het hier gaat om een bijna 100 jaar oud pand waarbij het nemen van effectieve maatregelen ter voorkoming van overlast niet mogelijk is, omdat dit zou betekenen dat de muren en de vloer van de garage zouden moeten worden vervangen. Namens eiser is ter zitting aangegeven dat de overlast onverminderd voortduurt.

2.13. Naar het oordeel van de rechtbank leidt een evenredige belangenafweging ertoe dat verweerder in redelijkheid gebruik had dienen te maken van zijn bevoegdheid de aan [huurder] verleende garagevergunning in te trekken. Nu verweerder dit ondanks het langdurig door eiser procederen en ondanks het advies van de gemeentelijke ombudsman niet heeft gedaan, zal de rechtbank de garagevergunning met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), intrekken. De rechtbank zal verder bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, zodat verweerder geen nieuw besluit op bezwaar behoeft te nemen en aan deze procedure, behoudens hoger beroep, een einde komt.

3. Ten aanzien van het verzoek om handhaving (registratienummer 09/4040).

3.1. Eisers verzoek om handhaving steunt in beroep op de stelling dat het gebruik van dit perceel als garage in strijd is met het bestemmingsplan “Jordaan 1999” en de Garageverordening. Eiser heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2002 (LJ-nummer AE2593). In de uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het gebruik van deze garage destijds in strijd was met het bestemmingsplan “Jordaan” uit 1972 dat aan de garage een woonbestemming gaf, dat [belanghebbende] zich niet kon beroepen op het overgangsrecht en dat er geen bijzondere omstandigheden waren om af te zien van handhaving.

3.2. Verweerder heeft in het bestreden besluit het advies van de bezwaarschriftencommissie overgenomen. De bezwaarschriftencommissie heeft aangegeven dat het gebruik als garage in strijd is met het bestemmingsplan “Jordaan 1999” en dat verweerder niet wenst over te gaan tot handhaving omdat het gebruik als garage wordt geacht rechtstreeks voort te vloeien uit de door verweerder op 20 juni 2003 verleende bouwvergunning. Bovendien wordt een procedure tot wijziging van het bestemmingsplan in gang gezet. Ook is sprake van een onherroepelijke garagevergunning. De bezwaarschriftencommissie geeft aan dat de beoordeling van het verzoek om handhaving op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden, omdat verweerder niet heeft beoordeeld of er aanleiding is om de onherroepelijke garagevergunning in te trekken. De commissie adviseert om het verzoek om intrekking van de garagevergunning te beoordelen en meer specifiek te beoordelen of hoofdstuk 3 van de Garageverordening wordt overtreden, voor wat betreft de functionele relatie met de stallingsplaatsen, of ter verkrijging van de garagevergunning onjuiste en onvolledige gegevens zijn verstrekt en of de aan de vergunning verbonden voorschriften/voorwaarden worden nageleefd. De commissie merkt op dat het naleven van de vergunning tot op heden niet zorgvuldig is onderzocht. Het controlerapport is zeer algemeen. Gebleken is dat controle lastig is vanwege de geslotenheid van de garage. Omdat nog niet is onderzocht of de garagevergunning moet worden ingetrokken, gaat de commissie uit van onherroepelijke garagevergunning en is naar het oordeel van de commissie het verzoek om handhaving terecht geweigerd.

3.3. Ingevolge het op 14 november 1999 vastgestelde en na het goedkeuringsbesluit van 20 juni 2000 in werking getreden nieuwe bestemmingsplan “Jordaan 1999” heeft het perceel de bestemming “Gemengde doeleinden”. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van de voorschriften zijn deze gronden onder meer aangewezen voor inpandige en ondergrondse parkeervoorzieningen, uitsluitend en voor zover zij aanwezig zijn ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het plan dan wel daar waarvoor een onherroepelijke garagevergunning is verleend.

3.4. De rechtbank deelt het standpunt van verweerder ter zitting dat, nu de voor deze garage gevraagde garagevergunning op 1 september 1998 was geweigerd terwijl het bestemmingsplan destijds geen parkeren toeliet, er geen parkeervoorziening aanwezig was ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het bestemmingsplan in 1999. Het gebruik van de garage als stallingsruimte voor motorrijtuigen is mitsdien niet in overeenstemming met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van de voorschriften bij het geldende bestemmingsplan “Jordaan”.

3.5. De rechtbank deelt het eerst ter zitting ingenomen standpunt van verweerder niet dat de bestemming van de garage met de bij de bouwvergunning uit 2003 verleende binnenplanse vrijstelling is gewijzigd in “Bedrijven”, meer in het bijzonder een caravanopslagbedrijf. Met een binnenplanse vrijstelling kan geen bestemming worden gewijzigd, omdat dit alleen met een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud) kan of met een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet op de ruimtelijke ordening (nieuw). Bovendien zijn “Bedrijven” inbegrepen in de bestemming “Gemengde doeleinden” die voor dit perceel geldt, zodat het verlenen van een binnenplanse vrijstelling daarvoor niet nodig was. Ten slotte geldt dat tijdens de bezichtiging en op de zitting niet gebleken is dat [huurder] in de garage enig bedrijf, laat staan een caravanopslagbedrijf, uitoefent omdat er geen caravans in de garage staan en het bouwkundig adviesbureau van [huurder] is gevestigd op de [adres 2]. De rechtbank is dan ook van oordeel dat met de verlening van de niet nader omschreven binnenplanse vrijstelling in 2003 de strijdigheid met artikel 3 van de voorschriften bij het bestemmingsplan niet is opgeheven.

3.6. Het stallen van motorrijtuigen in deze garage is mitsdien nog steeds in strijd met de bestemming “Gemengde Doeleinden” van het ter plaatse geldende bestemmingsplan Jordaan 1999. Dit betekent dat sprake is van gebruik in strijd met het bestemmingsplan, dus van een overtreding van een wettelijk voorschrift, zodat verweerder bevoegd is om tot handhaving over te gaan.

3.7. Vaste rechtspraak van de Afdeling is dat, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik zal moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2010, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: BL0724).

3.8. Ter zitting is gebleken dat er bij de gemeente geen concrete plannen zijn om tot wijziging van de bestemming van de garage te komen. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat vermoedelijk in de loop van 2012 gestart zal worden met het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor het gehele gebied, maar dat nog niet bekend is of de bestemming van de garage zal worden gewijzigd. Van concreet zicht op legalisering is mitsdien geen sprake.

3.9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat handhavend optreden onevenredig is omdat sprake is van een onherroepelijke garagevergunning. De garagevergunning is in de uitspraak van heden in de zaak met registratienummer AWB 10/3067 VEROR herroepen, terwijl verlening van een nieuwe garagevergunning aan [huurder] of [belanghebbende] niet mogelijk is omdat de Garageverordening zich daartegen verzet.

3.10. Net zoals bij de garagevergunning geldt ook voor wat betreft de bouwvergunning uit 2003 dat de onherroepelijkheid daarvan in dit geval niet zwaar weegt, nu daarbij een binnenplanse vrijstelling is verleend voor een niet bestaand caravanopslagbedrijf en [huurder] geen bedrijf in of nabij de garage uitoefent, terwijl er kennelijk, zoals hierboven uiteengezet, sprake was van een opzetje tussen [huurder] en [belanghebbende] om laatstgenoemde, in weerwil van de uitspraken van de Afdeling, in staat te stellen zijn bedrijfsauto’s daar te stallen. Van groter gewicht is bovendien het belang van eiser om gevrijwaard te blijven van de hinder en de overlast van de garage alsmede de omstandigheid dat eiser en de overige omwonenden erop mogen vertrouwen dat verweerder het geldende bestemmingsplan handhaaft en de uitspraak van de Afdeling nakomt.

3.11. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is niet deugdelijk is gemotiveerd, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal dit besluit vernietigen.

3.12. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 10 december 2008, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BG6401, heeft overwogen, dient de rechtbank, ingeval een besluit wordt vernietigd, de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken.

3.13. Gelet op de uitspraak van heden over de intrekking van de garagevergunning (AWB 10/3067) en de strijdigheid met de Garageverordening en het bestemmingsplan, ziet de rechtbank aanleiding verweerder op te dragen te handhaven, teneinde strijdigheid met de Garageverordening en het bestemmingsplan te voorkómen. Verweerder heeft aangegeven dat controle moeilijk is omdat de garagedeuren ondoorzichtig zijn. De rechtbank deelt die stelling niet nu verweerder over voldoende controle- en toezichtbevoegdheden beschikt om een garage te betreden, ook als deze is afgesloten. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder op te dragen tot handhaving over te gaan, bijvoorbeeld door het opleggen van een last onder dwangsom, binnen 6 weken na bekendmaking van deze uitspraak, op straffe van een dwangsom van € 200,- per dag, met een maximum van € 50.000,-, te betalen aan eiser.

4. In beide procedures

4.1. Gelet op de gegrondverklaring van de beroepen zal de rechtbank verweerder opdragen het door eiser betaalde griffierecht van € 150,- te vergoeden.

4.2. De rechtbank zal verweerder ook veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van beide beroepen bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht op

€ 1.966,- (2 punten voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting x factor 1,5 vanwege de complexiteit van de zaak x € 437,-). De rechtbank ziet tevens aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in het kader van het bezwaar in beide procedures heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 1.633,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting x € 322,- x factor 1,5 (Bijlage geldend tot 1 oktober 2009) en 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting x € 437,- x factor 1,5= € 2.277,- , verminderd met het reeds in bezwaar uitbetaald bedrag aan proceskosten van € 644,-) . Het totale bedrag aan proceskosten bedraagt dus € 3.599,-.

Beslissing

De rechtbank:

Ten aanzien van de garagevergunning (10/3067):

1. verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 20 mei 2010 gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. trekt in de garagevergunning nummer G 32 SAC 2004, verleend bij besluit van

28 oktober 2005, verzonden 4 november 2005;

4. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

Ten aanzien van het verzoek om handhaving (09/4040):

5. verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 23 juli 2009 gegrond;

6. vernietigt het bestreden besluit;

7. draagt verweerder binnen zes weken na bekendmaking van dit besluit tot handhaving terzake van de garage over te gaan;

8. bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom verbeurt van € 100,-

(zegge: honderd euro) voor elke dag dat verweerder niet voldoet aan de last omschreven onder 7, met een maximum van € 50.000,- (zegge: vijftigduizend euro);

9. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Ten aanzien van beide procedures:

10. bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 300,-

(2x € 150,-) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 3.599,- (drieduizend vijfhonderd en negenennegentig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, rechter, in aanwezigheid van

mr. V. Heijman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2011.

De griffier is buiten staat De rechter

deze uitspraak te ondertekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB