Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR5505

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
22-08-2011
Zaaknummer
444972 / HA ZA 09-3876
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid voor ontvreemding van gelden. Aansprakelijkheid echtgenote uit ongerechtvaardigde verrijking. Geen exhibitieplicht met het oog op verhaalsmogelijkheden schuldeiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, enkelvoudige kamer

zaaknummer / rolnummer: 444972 / HA ZA 09-3876

Vonnis van 15 juni 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CYRTE INVESTMENTS B.V.,

gevestigd te Naarden,

eiseres,

advocaat mr. G.T.J. Hoff,

tegen

1. [A],

wonende te --,

2. [B],

wonende te --,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] BEHEER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MADHONY INVEST B.V.,

gevestigd te Abcoude,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AMOEZO INTERIM & FINANCIAL MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ASIA GOLF TRAVEL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden in de hoofdzaak,

advocaat thans mr. J. Blaak, voorheen mr. R. Amelink.

Eiseres zal hierna Cyrte en gedaagden zullen hierna afzonderlijk [A], [B], [A] Beheer, Madhony, Amoezo en Asia Golf, en gezamenlijk [A] c.s. worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van 1 december 2010 waarin de door Cyrte gevorderde voorlopige voorziening grotendeels is toegewezen en de hoofdzaak naar de rol is verwezen voor conclusie van dupliek,

- de conclusie van dupliek, met een productie,

- de akte uitlating producties van 9 februari 2011 aan de zijde van Cyrte.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De beoordeling

Ten aanzien van [A], [A] Beheer, Madhony, Amoezo en Asia Golf

2.1. Cyrte vordert betaling van € 1.029.567,72 (r.o. 3.1 van het vonnis van 1 december 2010), waartoe zij onder meer stelt dat [A] geld van haar heeft ontvreemd met medewerking van [A] Beheer (die ontvreemde gelden in ontvangst heeft genomen), Amoezo (die aan Cyrte facturen heeft verzonden met het oogmerk van ontvreemding), Madhony en Asia Golf.

[A] c.s. betwist deze stelling. Hij heeft ter onderbouwing van deze betwisting in de eerste plaats aangevoerd (a) dat [A] tijdens zijn dienstverband bij Cyrte een regeling (namelijk een fiscaal aantrekkelijke beloningsvorm, bestaande uit facturen voor financieel management en advies, te incasseren door Amoezo) met Cyrte heeft afgesproken en (b) dat hij in het kader van die regeling (door tussenkomst van Amoezo) facturen aan Cyrte heeft verzonden, welke facturen door Cyrte zijn betaald.

Hiermee heeft [A] c.s. zijn betwisting onvoldoende toegelicht. Nu hij niet bestrijdt dat hij (dan wel [A] Beheer, Madhony, Amoezo en Asia Golf) buiten zijn loon uit dienstverband vergoedingen heeft ontvangen, lag het immers, tegenover de stellingen van Cyrte, op zijn weg om nader toe te lichten (a) wat hij over deze vergoedingen precies met Cyrte heeft afgesproken, (b) wanneer, met wie (aan de zijde van Cyrte) en op welke wijze deze afspraken zijn gemaakt en (c) hoe de (door Amoezo aan Cyrte verzonden) facturen zijn te herleiden tot deze afspraken. [A] c.s. heeft de vereiste toelichting niet gegeven.

[A] c.s. voert in dit verband wel aan dat hij van de door hem met Cyrte overeengekomen regeling geen geheim heeft gemaakt en dat de regeling bij Cyrte genoegzaam bekend was en eenvoudig te achterhalen viel. Hij voert ook aan dat de facturen steeds door de financiële afdeling van Cyrte (waarvan [A] de leidinggevende was) zijn gecontroleerd, (deels) door [C] (directeur van Cyrte) en de externe accountant van Cyrte zijn goedgekeurd, door Cyrte zijn betaald en dus de kennelijke goedkeuring van Cyrte hadden. Deze stellingen zijn echter onvoldoende ter toelichting van zijn betwisting. Immers, [A] c.s. heeft geen concrete feiten aangevoerd over de door hem gestelde (mondelinge) regeling, zoals concrete uitlatingen (van [C]) tijdens een bepaald gesprek, waaruit hij redelijkerwijs mocht begrijpen dat Cyrte met de regeling heeft ingestemd. Daarom is de omstandigheid van de betaling, in samenhang met zijn stellingen over goedkeuring door [C] en de accountant, onvoldoende om te kunnen aannemen dat de gestelde regeling is overeengekomen. Hierbij kan verder worden opgemerkt dat [A] zelf een leidinggevende functie heeft bekleed op het terrein van de administratie van Cyrte en dat het tegen de achtergrond van die functie, die hem de gelegenheid bood om invloed uit te oefenen op de betaling van facturen door Cyrte, op zijn weg lag om de totstandkoming van de door hem gestelde afspraken in concrete, duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen toe te lichten, hetgeen hij heeft nagelaten.

Het bewijsaanbod van [A] c.s. wordt als niet ter zake dienend en onvoldoende concreet gepasseerd. Ook indien zou komen vast te staan, zoals [A] c.s. aanbiedt te bewijzen, dat binnen Cyrte beloningsstructuren buiten de salarissen hebben bestaan en dat tussen Cyrte en een zekere [D] een regeling van een bepaalde strekking is afgesproken, brengt dit immers op zichzelf niet mee dat een (soortgelijke) beloningsstructuur of regeling tussen Cyrte en [A] is afgesproken.

Het voorgaande betekent dat vast staat dat [A] met medewerking van [A] Beheer, Madhony, Amoezo en Asia Golf geld van Cyrte heeft ontvreemd. Daarom moet worden aangenomen dat [A], [A] Beheer, Madhony, Amoezo en Asia Golf aldus jegens Cyrte onrechtmatig hebben gehandeld. [A] c.s. heeft de gevorderde hoofdelijke veroordeling en de gevorderde rente op zichzelf niet bestreden, zodat het gevorderde in zoverre zal worden toegewezen.

2.2. Cyrte vordert verder € 7.500,- (van [A]) en € 96.250,- (van Madhony) terug, met het betoog dat de overeenkomst (r.o. 2.1 van het vonnis van 1 december 2010), uit hoofde waarvan zij deze bedragen heeft betaald, op grond van dwaling dan wel bedrog moet worden vernietigd, zodat de betalingen onverschuldigd zijn verricht. Cyrte vordert dan ook de overeenkomst gedeeltelijk – met betrekking tot haar verplichting tot betaling, de door haar verleende finale kwijting, haar verplichting om een positief geredigeerd getuigschrift af te geven en haar verplichting om zich niet negatief over [A] uit te laten – te vernietigen. Cyrte wijst er nadrukkelijk op dat de vordering geen betrekking heeft op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen haar en [A], de verplichting van [A] om zich niet negatief over haar uit te laten, de voortduring van zijn verplichting tot geheimhouding of de door hem aan haar verleende finale kwijting.

[A] c.s. heeft tegen deze vorderingen geen verweer gevoerd, anders dan dat Cyrte al bekend was met de door Amoezo aan haar gefactureerde bedragen zodat op [A] c.s. geen mededelingsplicht rustte. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat dit verweer niet slaagt. Nu vaststaat dat [A] c.s. geld (ruim één miljoen euro) van Cyrte heeft ontvreemd, moet immers worden aangenomen dat [A] en Madhony bij de totstandkoming van de overeenkomst gehouden waren om dit aan Cyrte mede te delen. Partijen hebben geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit een dergelijke mededeling kan worden afgeleid. De vordering tot gedeeltelijke vernietiging ligt daarom voor toewijzing gereed. Daaruit volgt dat Cyrte de genoemde bedragen van € 7.500,- en € 96.250,- onverschuldigd heeft betaald.

De vordering tot gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst en tot betaling van € 7.500,- en € 96.250,- zal om deze redenen worden toegewezen. De gevorderde rente daarover is op zichzelf niet bestreden en zal eveneens worden toegewezen.

Ten aanzien van [B]

2.3. De primaire vordering strekt tot betaling van € 1.029.567,72 (r.o. 3.1 van het vonnis van 1 december 2010). De subsidiaire vordering strekt tot een verklaring voor recht dat [B] gehouden is om de verkoopopbrengst van onroerende zaken, voor zover zij daarvan rechthebbende is, aan Cyrte te doen toekomen. Het gaat om de volgende zaken:

- de woning aan het Peppinghof te Abcoude (kadastrale aanduiding Abcoude A 1928),

- een tweetal aangrenzende stroken grond (kadastrale aanduiding Abcoude A 3240 en Abcoude A 3241),

- een tweetal bedrijfspanden met parkeerplaatsen aan de Visseringweg 88 en 90 te Diemen (kadastrale aanduiding Diemen D 2137, Diemen D 2138),

- een tweetal percelen op Aruba, waarop villa’s zijn gebouwd (Altos de Paradera 85 G, kadastrale aanduiding 1-M-133, index D6258; en 85 H, kadastrale aanduiding 1-M-133, index D6546).

Ter toelichting stelt Cyrte dat [B] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld, dan wel ongerechtvaardigd is verrijkt, omdat:

- [B] wist of behoorde te weten dat [A] (c.s.) met grote regelmaat gelden van Cyrte ontvreemdde, maar Cyrte hierover niet heeft ingelicht,

- een groot deel van de door [A] c.s. ontvreemde gelden bij [B] terecht is gekomen doordat [A] (c.s.) met die middelen onroerende zaken heeft gefinancierd die deels aan [B] in eigendom toebehoren.

2.4. De stelling van Cyrte, dat [B] wist of behoorde te weten dat [A] (c.s.) met grote regelmaat gelden van Cyrte ontvreemdde, is, tegenover de betwisting door [B], onvoldoende toegelicht.

De omvang van de aan [B] ter beschikking gestelde middelen is op zichzelf niet zodanig dat zij redelijkerwijs reeds op grond daarvan de door Cyrte gestelde wetenschap behoorde te hebben. Hierbij is van belang dat [A] en [B] uit hoofde van geldlening aanzienlijke bedragen hebben ontvangen (zie r.o. 2.5.1-2.5.3 hierna). Andere omstandigheden, waaruit de door Cyrte gestelde wetenschap kan volgen, zijn gesteld noch gebleken.

De slotsom is dat niet kan worden gezegd dat [B] wist of behoorde te weten dat [A] (c.s.) met grote regelmaat gelden van Cyrte ontvreemdde.

Daarom kan, anders dan Cyrte stelt, ook niet worden aangenomen dat [B] jegens Cyrte onrechtmatig handelt door haar weigering om Cyrte in te lichten over haar financiële verhouding met haar echtgenoot, dan wel door haar weigering om tegenover haar echtgenoot inzage in diens financiële administratie te eisen.

2.5. Ook de stelling van Cyrte, dat een groot deel van de door [A] c.s. ontvreemde gelden bij [B] terecht is gekomen doordat [A] (c.s.) met die middelen onroerende zaken heeft gefinancierd die deels aan [B] in eigendom toebehoren, is, tegenover de betwisting door [A] c.s., onvoldoende toegelicht.

2.5.1. Uit de overgelegde leningstukken, waarvan de inhoud door Cyrte niet is betwist, is af te leiden dat de onroerende zaken (r.o. 2.3 hiervoor) en de bouw van de villa’s op Aruba zijn gefinancierd door middel van de navolgende leningen van banken:

€ 50.000,- banklening voor grond op Aruba

105.000,- banklening voor grond op Aruba

55.000,- banklening huis in Abcoude

202.000,- banklening huis in Abcoude

290.000,- banklening huis in Abcoude

+ 396.574,- banklening voor Visseringweg Diemen

€ 1.098.574,-.

Daarnaast staat, als door Cyrte onweersproken gesteld, vast dat de onttrekking van € 300.000,- uit Amoezo is aangewend voor de aanschaf van de grond op Aruba, dan wel voor de bouw van villa’s op die grond.

2.5.2. Cyrte stelt dat de onroerende zaken (r.o. 2.3 hiervoor) thans in totaal € 1,8 miljoen of € 2 miljoen waard zijn (inclusief USD 800.000,- voor de villa’s op Aruba), maar deze stelling is niet relevant nu het voor de vraag of [B] heeft geprofiteerd van onrechtmatig verkregen middelen van [A] c.s. niet om de huidige waarde van de zaken gaat, maar om eventuele voor de aanschaf daarvan onrechtmatig verkregen middelen, die van Cyrte afkomstig zijn.

Cyrte stelt dat de aanschafkosten van de onroerende zaken, samen met de bouwkosten van de villa’s, in totaal € 1.436.980,- zijn geweest:

€ 527.400,- huis aan het Peppinghof te Abcoude, met aangrenzende stroken

grond

455.000,- twee percelen op Aruba en bouw van villa’s

+ 454.580,- twee bedrijfspanden Visserijweg te Diemen

€ 1.436.980,-.

Het verschil tussen € 1.398.574,- (€ 1.098.574,- + € 300.000,-) en € 1.436.980,- is – mede gelet op het jaarinkomen van [A] en [B] van (volgens Cyrte) € 208.266,- bruto – niet zo groot, dat reeds daarom moet worden aangenomen dat onrechtmatig verkregen middelen (naast de onttrekking uit Amoezo) voor de aanschaf (en bouw) zijn aangewend.

2.5.3. Anders dan Cyrte stelt, kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden aangenomen dat [A] en [B] met hun gezamenlijke jaarinkomen van (volgens Cyrte) € 208.266,- bruto niet in aanmerking konden komen voor bankleningen van in totaal € 1.098.574,-. Hierbij is van belang dat Cyrte ervan uitgaat dat de panden aan de Visseringweg zouden worden verhuurd en dat daardoor inkomsten zouden worden gegenereerd. [B] voert onvoldoende weersproken aan dat banken deze toekomstige inkomsten, naast het inkomen van [B] en [A], bij de beoordeling van een financieringsaanvraag betrekken. Ook van belang is de stelling van Cyrte, dat een financiering van vijf tot zes maal het jaarinkomen de grens is van wat verantwoord is, waaruit volgt dat ook Cyrte ervan uit gaat dat leningen als verstrekt in principe mogelijk zijn op grond van het door [A] en [B] genoten salaris.

2.5.4. De stelling van Cyrte dat uit een ‘luxe levensstijl’, dan wel uit een gewoonte in Nederland (dat echtgenoten van elkaars inkomen op de hoogte zijn) moet worden afgeleid dat [B] welbewust ten koste van Cyrte is verrijkt, is onvoldoende toegelicht. Een enkele vlucht in de business class, dan wel een vakantie in het buitenland, is hiervoor onvoldoende.

2.5.5. Bij deze stand van zaken kan (behoudens hetgeen hierna onder r.o. 2.7 zal worden overwogen met betrekking tot de onttrekking uit Amoezo) niet worden aangenomen dat van Cyrte afkomstige, onrechtmatig verkregen middelen aan [B] ten goede zijn gekomen (in de vorm van haar eigendom van de helft van voornoemde onroerende zaken).

2.6. De stelling van Cyrte, dat [A] met een zekere Wichards twee panden in Amsterdam heeft gekocht voor in totaal € 286.097,72, leidt niet tot een ander oordeel. Cyrte heeft onvoldoende toegelicht dat deze middelen aan [B] ten goede zijn gekomen, of dat zij gelet op deze transactie redelijkerwijs moest begrijpen dat van onrechtmatig verkregen middelen sprake was. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt ook niet in te zien dat [A] en [B], gelet op de aankoop van deze panden en op hun inkomen, niet langer in aanmerking konden komen voor financieringen voor de onder r.o. 2.3 genoemde onroerende zaken.

2.7. [B] erkent dat € 300.000,- aan Amoezo is onttrokken voor de aankoop van onroerende zaken op Aruba (waarvan zij voor de helft eigenares is) maar betoogt dat zij daardoor niet is bevoordeeld omdat zij in het kader van die aankoop hoofdelijk (met [A]) een grotere hypothecaire schuld op zich heeft genomen.

Dit betoog faalt.

Uit de overgelegde leningstukken is af te leiden dat, tegenover de hypothecaire schuld, omvangrijke middelen (tot het bedrag van de schuld) aan [B] ten goede zijn gekomen, in die zin dat deze middelen zijn aangewend om de koopprijs (dan wel andere kosten) van de onroerende zaken te betalen. De schuld neemt dus niet weg dat [B] is bevoordeeld door de onttrekking van € 300.000,-. Aangenomen moet worden dat dit bedrag afkomstig is geweest uit onrechtmatige gedragingen van [A], nu [B] niet heeft toegelicht uit welke andere bron dit bedrag afkomstig zou kunnen zijn (bijvoorbeeld rechtmatige bedrijfsactiviteiten of andere bronnen van inkomsten van Amoezo; Cyrte stelt onweersproken dat zij € 1.029.567,72 aan Amoezo heeft betaald). Een nadere toelichting lag, gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van [A] is overwogen, op de weg van

[B]. Nu zij de vereiste toelichting niet heeft gegeven, moet worden aangenomen dat de bevoordeling van [B] in voldoende nauw verband staat met de benadeling van Cyrte.

[B] heeft verder geen rechtsgrond voor de bevoordeling aangereikt.

Zij is dan ook ten koste van Cyrte ongerechtvaardigd verrijkt tot een bedrag van € 150.000,-, nu zij voor de helft eigenares is van de onroerende zaken.

Zij betoogt dat het niet redelijk is dat zij dit bedrag moet betalen aan Cyrte, nu zij daardoor mogelijk in ernstige financiële problemen zou komen en de onroerende zaken in waarde zijn gedaald. Dit betoog wordt niet gehonoreerd, reeds omdat niet is toegelicht in hoeverre de zaken in waarde zijn gedaald en welke reële mogelijkheden concreet bestaan om de zaken te gelde te maken, om de schulden af te lossen en om (zo veel mogelijk) € 150.000,- aan Cyrte terug te geven. Aldus is evenmin toegelicht hoe ernstig de gestelde mogelijke financiële problemen zijn. Bij deze stand van zaken wegen de mogelijke problemen niet op tegen het belang van Cyrte om haar geld terug te krijgen en is het redelijk dat [B] € 150.000,-, te vermeerderen met rente (die door haar op zichzelf niet is bestreden), aan Cyrte teruggeeft. [B] zal dan ook, hoofdelijk met de overige gedaagden, tot betaling van dit bedrag worden veroordeeld.

2.8. Het beroep van Cyrte op de huwelijkse voorwaarden tussen [B] en [A] kan haar niet baten. In de overgelegde huwelijkse voorwaarden, waarvan de inhoud niet is betwist, is bepaald dat de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten naar evenredigheid daarvan. Cyrte stelt zelf dat [A], toen hij bij Cyrte werkte, veel meer verdiende (namelijk € 162.000,- bruto per jaar) dan [B] (€ 46.266,- bruto per jaar). Cyrte heeft tegen deze achtergrond onvoldoende aanknopingspunten aangereikt voor de conclusie dat [B] haar aandeel in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding niet heeft gedragen. Daarom kan niet worden gezegd dat [B], gelet op de wijze waarop de kosten van de gemeenschappelijke huishouding zijn gedragen, redelijkerwijs moest begrijpen dat sprake was van onrechtmatig verkregen middelen. In zoverre kan evenmin worden gezegd dat zij ten koste van Cyrte ongerechtvaardigd is verrijkt.

Slot

2.9. Met betrekking tot de vordering die strekt tot het overleggen van stukken, wordt het volgende overwogen.

Cyrte stelt dat zij belang heeft bij deze vordering nu zij de veroordeling tot betaling ten uitvoer wenst te leggen en daartoe voor executie vatbare goederen wenst te achterhalen. Cyrte beroept zich op artikel 3:15j van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 162 en 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Deze wetsartikelen bieden evenwel geen grondslag voor de overlegging van stukken die Cyrte uitsluitend nodig heeft met het oog op de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot betaling. Ook kan, tegen de achtergrond van de stellingen van Cyrte en de door haar overgelegde stukken, niet worden gezegd dat de weigering van [A] c.s. om de verlangde stukken over te leggen op zichzelf jegens Cyrte onrechtmatig is. Dit geldt ook indien Cyrte na kennisname van de verlangde stukken betere verhaalsmogelijkheden zou hebben dan zij nu heeft.

Het voorgaande zou anders kunnen zijn indien de verlangde stukken van belang zouden zijn voor het bewijs van relevante omstandigheden in het geding, dan wel indien sprake zou zijn van faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Hierover is echter niets gesteld.

Cyrte heeft zich verder beroepen op de artikelen 476a lid 2 sub f en 720 Rv. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan niet worden gezegd dat de door Cyrte verlangde stukken – zoals alle bankafschriften (over de periode 2002-heden), jaarrekeningen (over de periode 2002-heden), belastingaangiftes (over de periode 2002-heden) en uitdraaien uit de administratie – tot ‘de verdere gegevens die voor het vaststellen van de rechten van partijen dienstig mochten zijn’ in de zin van deze artikelen behoren. Evenmin behoren deze stukken tot de ‘ter staving dienende bescheiden’ in de zin van artikel 476b lid 2 Rv. De derde, onder wie beslag is gelegd, is immers in zijn algemeenheid niet gehouden om over een periode van negen jaar alle bankafschriften, jaarrekeningen, belastingaangiftes en uitdraaien uit de administratie bij zijn verklaring te voegen. De stellingen van Cyrte over de artikelen 476a lid 2 sub f en 720 Rv zijn onvoldoende concreet toegelicht om een andere conclusie te rechtvaardigen.

De vordering zal daarom worden afgewezen.

2.10. De vordering tot vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, op te maken bij staat, zal worden afgewezen, nu Cyrte niet concreet heeft toegelicht welke schade zij lijdt of zal lijden en waarom de desbetreffende kosten noodzakelijk zijn en in redelijkheid zijn gemaakt voor de vaststelling van schade en aansprakelijkheid.

2.11. [A] c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, tot op heden aan de zijde van Cyrte begroot op € 85,98 voor exploot dagvaarding, € 4.938,- voor vast recht, € 6.422,- voor salaris advocaat (2 punten x tarief € 3.211,-), € 11.213,06 voor exploten beslag en € 3.211,- voor salaris advocaat (beslag) (1 punt x tarief € 3.211,-), derhalve in totaal € 25.870,04.

2.12. [A] c.s. heeft verzocht een eventueel veroordelend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, met het betoog dat, indien het vonnis ten uitvoer wordt gelegd, goederen mogelijk (gelet op de crisis in het vastgoed) tegen te lage prijzen zullen worden verkocht en hij mogelijk in staat van faillissement zal komen te verkeren.

Dit verzoek zal niet worden gehonoreerd. Het door [A] c.s. gestelde mogelijke nadeel weegt niet op tegen het belang van Cyrte bij spoedige incasso van haar geldvordering op hem.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt [A], [A] Beheer, Madhony, Amoezo en Asia Golf hoofdelijk om € 1.029.567,72 (een miljoen negenentwintigduizendvijfhonderd-zevenenzestig euro en tweeënzeventig cent) aan Cyrte te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de desbetreffende data van ontvangst, telkens tot de datum van volledige betaling,

3.2. verstaat dat [B] voor de schuld onder 3.1 hiervoor tegenover Cyrte hoofdelijk verbonden is voor € 150.000,- (honderdvijftigduizend euro), en veroordeelt [B] dienovereenkomstig om € 150.000,- aan Cyrte te betalen,

3.3. vernietigt de bepalingen in de overeenkomst met betrekking tot

(i) betalingen door Cyrte (artikelen 2.1 en 14), (ii) de door Cyrte aan [A] verleende kwijting (artikel 12), (iii) de verplichting van Cyrte om een positief geredigeerd getuigschrift af te geven (artikel 11) en (iv) de verplichting van Cyrte om zich niet negatief over [A] uit te laten (artikel 10.3),

3.4. veroordeelt [A] om € 7.500,- (zevenduizendvijfhonderd euro) aan Cyrte te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2009 tot de datum van volledige betaling,

3.5. veroordeelt Madhony om € 96.250,- (zesennegentigduizendtweehonderdvijftig euro) aan Cyrte te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2009 tot de datum van volledige betaling,

3.6. veroordeelt [A] c.s. hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Cyrte tot op heden begroot op € 25.870,04, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis, tot de datum van volledige betaling,

3.7. verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen onder 3.1, 3.2, 3.4, 3.5 en 3.6 hiervoor uitvoerbaar bij voorraad,

3.8. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes, lid van genoemde kamer, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2011.?