Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR4908

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-07-2011
Datum publicatie
12-08-2011
Zaaknummer
13/708024-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 9 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 voorwaardelijk, voor het voorhanden hebben van ongeveer 4 kilo explosieven (PEP 500), 19 elektrische slagpijpjes en een taser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 13/708024-10

Datum uitspraak: 21 juli 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Amsterdam heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Kroatië) [1986],

adres: [adres] in [woonplaats] te Kroatië.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 18 mei 2010, 28 oktober 2010, 11 januari 2011 en 7 juli 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. N. Voorhuis en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. S. Splinter, advocaat te Rotterdam, namens mr. G.N. Weski, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 09 februari 2010 tot en met 10 februari 2010 te [plaats 1], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een hoeveelheid (in totaal ongeveer 4 kilogram) "PET 500" (Plastichini Explosiv Tentritcki), zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;

De in de telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Artikel 26, eerste lid, juncto artikel 55 Wet wapen en munitie

2.

zij in of omstreeks de periode van 09 februari 2010 tot en met 10 februari 201 tezamen en in vereniging met een ander of anderen, te [plaats 1], althans in Nederland, (een) wapen(s) van categorie II onder 5º, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

De in de telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

artikel 26, eerste lid, juncto artikel 55 Wet wapen en munitie

3.

zij in of omstreeks de periode van 09 februari 2010 tot en met 10 februari 2010 te [plaats 2] en/of [plaats 1], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een of meer wapens van categorie III, te weten een revolver (merk Ruger, model SP, Kaliber .357 magnum), en/of munitie van categorie III, te weten een hoeveelheid (5) patronen (kaliber .357 magnum), voorhanden heeft gehad;

De in de telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Artikel 26, eerste lid, juncto artikel 55 Wet wapen en munitie

4.

zij in of omstreeks de periode van 09 februari 2010 tot en met 10 februari 2010 te [plaats 2] en/of [plaats 1], tezamen en in vereniging met een ander of anderen een hoeveelheid (van in totaal 19) (elektrische) slagpijpjes zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;

De in de telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Artikel 26, eerste lid, juncto artikel 55 Wet wapen en munitie

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging bepleit omdat sprake is van een grove schending van de procesorde nu geen eerlijkheid en duidelijkheid is verkregen door de officier van justitie en de rechter-commissaris rond een beoogde machtiging ex art. 97 van het Wetboek van Strafvordering (verder Sv) waarbij in werkelijkheid sprake was van een (blanco) machtiging voor "nog te doorzoeken panden".

De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsvrouw aldus dat dit - in essentie en kort samengevat - berust op de stelling dat de officier van justitie en de rechter-commissaris in diverse stukken hebben geprobeerd om het ontbreken van een juridisch geldige machtiging tot doorzoeking op de voet van art. 97 Sv van het pand aan de [adres 1] te [plaats 1] in de nacht van 9 op 10 februari 2010 te verhullen en alsnog te legitimeren, waarmee sprake is van een schending van art. 359a Sv.

3.2. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting verwezen naar de door haar eerder ingenomen standpunten op de raadkamerzitting van 6 juli 2010. Kort gezegd stelt de officier van justitie dat het openbaar ministerie wél ontvankelijk is in haar vervolging omdat:

1) de doorzoeking rechtmatig had kunnen plaatsvinden op grond van artikel 49 Wet wapens en munitie (verder: WWM) en

2) omdat er niet getracht is het ontbreken van een juridisch geldige machtiging tot doorzoeking te verhullen.

Er is weliswaar sprake van slordigheden, maar leveren geen zodanige schending van de belangen van verdachte op dat daaraan de consequentie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te worden verbonden.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

3.3.1. De context van de zaak.

De onderwerpelijke zaak vloeit voort uit een onderzoek tegen verdachtes echtgenoot en medeverdachte, [man], naar aanleiding van informatie dat hij in explosieven zou handelen. Lopende dit onderzoek bleek deze medeverdachte rond 7 februari 2010 vermoedelijk het slachtoffer te zijn geworden van een gijzeling, waarbij (één van) de gijzelnemer(s) de beschikking had(den) over (een) (vuur)wapen(s). Uit de tapgesprekken in dit onderzoek kwam naar voren dat deze medeverdachte vermoord zou worden of reeds vermoord was alsook dat een vriend van de medeverdachte die het geëiste losgeld wilde overhandigen op dat moment door de gijzelnemer(s) werd bedreigd met een (vuur)wapen in de mond. Op 10 februari 2010 heeft het Openbaar Ministerie het besluit genomen de zaak voor wat betreft de verdenking rond explosievenhandel "stuk te maken" om, indien mogelijk, de medeverdachte te bevrijden en de gijzelnemers aan te houden. Verdachte en een vriend bleken te zijn gevlucht van een bepaald adres naar een ander adres op de [adres 2] in [plaats 2], alwaar met een reguliere wettelijke machtiging van de rechter-commissaris is gezocht in - kort gezegd - zowel de explosievenzaak als de ontvoeringszaak, in welke woning - voorzover van belang - naast in totaal drie verdachten, waaronder verdachte, die vervolgens allen zijn aangehouden, op de eetkamertafel in de woonkamer nog een revolver en een (grote) hoeveelheid ontstekingsmechanismen zijn aangetroffen. De medeverdachte [man] werd evenwel niet in die woning aangetroffen. Mede met het oog hierop achtte de officier van justitie het dringend noodzakelijk dat zou worden gezocht in de woning waar verdachte zich bevond vóór haar vlucht naar de [adres 2]. Inmiddels was haar echtgenoot op een andere locatie bevrijd door inzet van een AT en - naar aanleiding van de vondst op de [adres 2] - aangehouden als verdachte. Desgevraagd hebben twee politiebeambten de officier van justitie voor de doorzoeking medegedeeld dat verdachte toestemming had gegeven om het desbetreffende pand te gaan doorzoeken, welke toestemming eerst de volgende dag niet, althans niet overeenkomstig de daaraan te stellen eisen bleek te zijn verleend. Vervolgens heeft aldaar, na aanwijzing en nadere aanduiding van de desbetreffende woning door verdachte, een doorzoeking plaatsgevonden. Het bleek te gaan om het adres [adres 1] te [plaats 1]. Vervolgens zijn daar in een kast vier kilogram explosieven (semtex), een stroomstootwapen en tien gsm's aangetroffen en inbeslaggenomen.

3.3.2. De rechtmatigheid van de doorzoeking in de [adres 1].

Vast is komen te staan, dat de rechter-commissaris na de doorzoeking op de [adres 2] in de nacht van 9 op 10 februari 2010 heeft bedoeld een "blanco machtiging" af te geven aan de officier van justitie die de uiteindelijke doorzoeking heeft verricht. De rechtbank maakt dit op uit de verhoren tegenover de rechter-commissaris in Haarlem, waaruit - zowel met het oog op de verklaring van de desbetreffende rechter-commissaris als die van de officier van justitie - naar voren komt dat de rechter-commissaris in die bewuste nacht een (algemene) telefonische machtiging heeft verleend aan de officier van justitie om in het kader van de onderhavige strafzaak op grond van de gedurende die nacht nog vrijkomende onderzoeksgegevens (een) pand(en) te doorzoeken op (een) op dat moment nog niet bekend staand(e) adres(sen). Dit omdat de rechter-commissaris het met het oog op bepaalde doorzoekingen in andere strafzaken in de vroege ochtend van 10 februari 2010 niet opportuun heeft geacht daarbij (eveneens) aanwezig te zijn. Ook de door de zaaksofficier van justitie overgelegde email-wisseling in de dagen na de doorzoeking tussen de rechter-commissaris en de officier van justitie, bevestigt de hiervoor weegegeven gang van zaken. Die nacht is er geen (telefonisch) contact meer geweest tussen de rechter-commissaris en de officier van justitie. In de loop van de nacht heeft de door de verdediging gewraakte doorzoeking aan de [adres 1] te [plaats 1] plaatsgevonden.

Een "blanco machtiging" als evenbedoeld, behelst echter niet een machtiging waarin door het Wetboek van Strafvordering is voorzien en biedt derhalve geen wettelijke grondslag aan enige doorzoeking. De rechtbank is met de zaaksofficier van justitie van oordeel dat de WWM - in het bijzonder art. 49 WWM - in de onderhavige zaak de uitdrukkelijke juridische grondslag bood en biedt voor een zelfstandige bevoegdheid van de officier van justitie om over te gaan tot de doorzoeking van het desbetreffende pand. Immers de medeverdachte [man] was - als gesteld - reeds langere tijd onderwerp van onderzoek in verband met de handel in explosieven, een andere medeverdachte bleek in het bezit van een (vuur)wapen, in de woning aan de [adres 2] te [plaats 2] zijn ontstekers voor explosieven in de vorm van slagpijpjes aangetroffen - reden om het EOC van de Koninklijke Landmacht in te schakelen - en medeverdachte [man] heeft tijdens zijn vervoer naar het hoofdbureau kennelijk gesproken over 'verschrikkelijke dingen die in zijn woning zouden worden gevonden". Uit al deze feiten en omstandigheden op 10 februari 2010 kan een redelijk vermoeden worden afgeleid dat in die woning, de laatste verblijfplaats van verdachte en haar gezin, voorafgaand aan de ontvoering van haar echtgenoot, wapens en munitie aanwezig waren.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat, hoewel de officier van justitie en de andere bij de doorzoeking betrokken ambtenaren op 10 februari 2010 zich van deze bevoegdheid niet uitdrukkelijk bewust waren de doorzoeking van de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] kon en kan worden gestoeld op de titel van de zelfstandige bevoegdheid van de officier van justitie ex art. 49 WWM, waarmee die doorzoeking naar het oordeel van de rechtbank op rechtmatige gronden heeft plaatsgevonden en geen enkele legitimiteit ontbeert.

3.3.3. Verzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv.

De rechtbank is voorts met de verdediging van oordeel dat de door de raadsvrouw bedoelde schriftelijke verslaglegging van de (juridische grondslag van de) desbetreffende doorzoeking (op de beoogde voet van art. 97 Sv) - welke op die doorzoeking ex art. 49 WWM is gevolgd - minst genomen van juridisch en feitelijk onhoudbare standpunten getuigt. Het is evenwel niet aan de rechtbank om in deze zaak een oordeel te geven over de vraag of daarmee door de desbetreffende ambtsdragers en functionarissen al dan niet een strafrechtelijke grens is overschreden.

De vraag die de rechtbank met het oog op het gevoerde verweer thans wel moet beantwoorden is of de gang van zaken rond en inhoud van evenbedoelde stukken welke zijn gevolgend op de rechtmatige doorzoeking wijzen op een verzuim van vormen als bedoeld in art. 359a Sv.

De rechtbank stelt hierbij het volgende voorop. De toepassing van art. 359a Sv is beperkt tot onherstelbare vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek, waaronder begrepen normschendingen bij de opsporing. Indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, zal in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg behoeven te worden verbonden aan het verzuim. (HR NJ 2004, 376 m.nt. Buruma, LJN AM 2533). Een vormverzuim ex art. 359a Sv ziet bovendien op de uitoefening van een strafvorderlijke bevoegdheid. (vrgl. HR NJ 2009, 440 m.nt. Buruma, LJN BC 5973). Als criterium voor de toepasselijkheid van art. 359a Sv kan daarbij gelden de vraag of de onrechtmatigheid plaatsvond in het kader van onderzoek dat van beslissende invloed is geweest op de verdere vervolging van verdachte in het kader van de procedure waarover de rechter te oordelen heeft (vrg. het Coral Sea-arrest, HR NJ 1996, 484), waarbij de Hoge Raad vooral het oog heeft op het onderzoek dat strekt tot identificatie van de dader en tot verwerving van bewijsmateriaal. Dienaangaande moet de beslissing van de rechter immers in elk geval worden 'voorbereid' (annotatie Buruma onder NJ 2009, 440, LJN BC 5973).

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor gestelde vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv is geen sprake aangezien het te dezen niet gaat om de uitoefening van een strafvorderlijke bevoegdheid welke in onderhavige zaak ten aanzien van verdachte is toegepast (de beoogde doorzoeking op de voet van art. 97 Sv), maar enkel om de verslaglegging daarvan.

Het beroep van de raadsvrouw op achtereenvolgens NJFS 2007/303 en NJFS 2008/21 doet hier niet aan af. Het verweer moet daarom worden verworpen.

4 Het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1) in de periode van 9 februari 2010 tot en met 10 februari 2010 samen met anderen ongeveer 4 kilogram PET-500 voorhanden heeft gehad;

2) in de periode van 9 februari 2010 tot en met 10 februari 2010 samen met anderen een elektrisch stroomstootwapen voorhanden heeft gehad;

3) in de periode van 9 februari 2010 tot en met 10 februari 2010 samen met anderen een revolver en 5 patronen voorhanden heeft gehad en

4) in de periode van 9 februari 2010 tot en met 10 februari 2010 samen met anderen een hoeveelheid van 19 slagpijpjes voorhanden heeft gehad.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte deze feiten heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 en 4 tenlastegelegde heeft de verdediging gesteld dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de PET-500 in de woning en de slagpijpjes in haar tas, zodat zij van die feiten moet worden vrijgesproken.

De raadsvrouw heeft daarnaast betoogd dat het 'verslag forensische intake gehouden op 1 maart 2010' van het NFI verwijst naar stoffen die op 29 januari 2010 in beslag zijn genomen, dat daarin niet is gerelateerd waar deze stoffen in beslag zijn genomen en dat er daarom rekening mee moet worden gehouden dat de stoffen waarop het onderzoek van het NFI betrekking heeft, niet de stoffen betreft die op 10 februari 2010 op de [adres 1] zijn inbeslaggenomen. De onderzoeksresultaten van het NFI kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt tengevolge waarvan onvoldoende bewijs resteert en verdachte dient te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde heeft de verdediging betoogd dat [medeverdachte 2] ([medeverdachte 2]) de eigenaar van het vuurwapen is en dat verdachte niets afwist van de aanwezigheid van dat vuurwapen zodat zij ook voor dit feit moet worden vrijgesproken.

Ten slotte heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat feit 2 kan worden bewezen verklaard.

4.3 De beoordeling van de tenlasteleggingi

Feit 1 en 4

Verslag forensische intake gehouden op 1 maart 2010 van het NFI

Op 10 februari 2010 heeft er een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden in het perceel aan de [adres 1] te [plaats 1]. Tijdens deze doorzoeking werden in een openstaande speelgoeddoos in een kast in de woonkamer diverse pakjes van een kleiachtige substantie aangetroffen. De pakjes betroffen, onder meer gelet op de substantie, vermoedelijk explosieven en zijn in beslag genomen.ii

De rechtbank constateert dat op het 'overdrachtsformulier forensisch onderzoek explosieven' melding wordt gemaakt van PEP-500 (monsters 1 t/m 7, 10) en rode springstof (monsters 8 en 9) waarbij als datum delict 10 februari 2010 wordt vermeld en als plaats delict [adres 1]. Aan voornoemde monsters is het zegelnummer 0035087 gegeven.iii

In het 'verslag forensische intake gehouden op 1 maart 2010' wordt eveneens melding gemaakt van monster 1 t/m 7 van PEP-500 en monster 8+9 van rode springstof, beiden met zegelnummer 0035087.iv

Ten slotte wordt zegelnummer 0035087 in het NFI-rapport gekoppeld aan monster 1 t/m 7 van PEP-500 en monster 10. Met betrekking tot monster 10 wordt vermeld dat in het aanvraagformulier slechts monster 1 t/m 7 PEP-500 werd vermeld, maar dat uit navraag bij de aanvrager bleek dat het om acht monsters ging van op het oog vergelijkbaar materiaal. Het extra monster is daarom opgenomen als 'monster 10'.v

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de vermelding van 29 januari 2010 als datum van inbeslagneming in het 'verslag forensische intake gehouden op 1 maart 2010' kennelijk berust op een verschrijving. Op grond van de omschrijving van de monsters in combinatie met de zegelnummers is de rechtbank van oordeel dat het explosievenonderzoek van het NFI zoals weergegeven in het rapport van 22 april 2010, betrekking heeft op de stoffen die op 10 februari 2010 in de woning aan de [adres 1] zijn inbeslaggenomen, zodat het verweer van de raadsvrouw op dat punt wordt verworpen.

PEP-500

Door het NFI is gerapporteerd dat onderzoeksmateriaal 3.001, afkomstig van 8 verpakkingen die samen 4 kg wogen (monsters 1 t/m 7 en 10), vrijwel zeker een springstof op basis van pentriet, het hoofdbestanddeel van de springstof PEP-500 betreft. Het onderzoeksmateriaal is aan te merken als een specifiek onderdeel van wezenlijke aard van een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing, zoals bedoeld in de Wet wapens en munitie onder artikel 3, lid 1, in samenhang met artikel 2, lid 1, categorie II onder 7.vi

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de in de woning aan de [adres 1] aangetroffen stof 4 kilogram PEP-500 betreft.

Slagpijpjes

Op 10 februari 2010 is eveneens een doorzoeking verricht aan de [adres 2] te [plaats 2]. In de woning werden vier personen aangetroffen, waaronder verdachte en haar zoontje [zoon]. Op de eetkamertafel werd een tas aangetroffen met daarin vermoedelijk in plastic verpakte ontstekers voor explosieven. De rugzak stond half geopend op de eettafel waardoor verbalisant zicht had op de inhoud daarvan. Hij zag onder meer kluwen elektriciteitsdraden met daaraan vastzitten dunne, lange cilindervormige aluminiumkleurige metalen pijpjes.vii

Het Explosieven Opruimings Commando Koninklijke Landmacht heeft de ontstekers onschadelijk gemaakt waarna ze zijn veiliggesteld voor onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut, onder zegelnummer 0035080.viii

De aangetroffen elektrische slagpijpjes (19 stuks) met zegelnummer 0035080 zijn door het NFI onderzocht. Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het NFI geconcludeerd dat het onderzoeksmateriaal vrijwel zeker 19 deugdelijke slagpijpjes betreft. Bij ontploffing van één van de slagpijpjes ontstaat door de optredende effecten naast materiële schade, gevaar voor ernstig lichamelijk letsel (vooral oogletsel) bij personen in de directe omgeving (tot op een afstand van enkele meters). De slagpijpjes zijn aan te merken als 'onderdelen of hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor die wapens en van wezenlijke aard zijn' van 'voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing', zoals vermeld in de Wet wapens en munitie onder artikel 2, lid 1, categorie II, 7º juncto artikel 3, lid 1.ix

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de in de woning aan de [adres 2] aangetroffen 19 elektrische slagpijpjes voorwerpen betreffen die bestemd zijn voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing.

Voorhanden hebben van de explosieven

De volgende vraag die beantwoord moet worden is of verdachte en medeverdachte [man] de PEP-500 en de slagpijpjes al dan niet in vereniging voorhanden hebben gehad. Bij de beantwoording van die vraag is hetgeen hieronder wordt weergegeven van belang.

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de deur van de kast waarin de explosieven zich bevonden bij de doorzoeking van de woning aan de [adres 1] gedeeltelijk open stond en direct de aandacht van de verbalisanten trok omdat er in de woonkamer nauwelijks spullen stonden. Toen de verbalisanten de kastdeur geheel openden, zagen zij de speelgoeddoos staan met daarin een rugzak waarvan de bovenkant open was. De inhoud van de rugzak, te weten de vreemde 'bruine broodjes' waren direct te zien. In de kast bevond zich tevens een plastic tas. In de tas bevonden zich diverse verpakkingsmaterialen inclusief een rood gekleurde fles ammonia.x

Naast de tas met ontstekers op de eettafel aan de [adres 2] stonden een paar kinderschoenen, een busje babymelkpoeder en een zakje met daarin een gebakje/koek. In de tas met ontstekers lagen op de bodem nog enkele kinderkoekjes.xi

Verdachte heeft verklaard dat zij, [man] en hun zoontje [zoon] vanaf december 2009 in het appartement bij de [A-straat] in [plaats 1] wonen. Zij bedoelt daarmee de [adres 1] (p. 5 0121). De woning had 1 slaapkamer en 1 woonkamer. Er was niets aanwezig in de woning behalve een tv, een commode en een tafel.

Op de vraag hoe haar dag er uit zag heeft [verdachte] verklaard dat zij voor [zoon] zorgde, kookte en wandelde met [man] en [zoon].xii Voorts heeft zij verklaard dat zij bijna elke dag het huis schoonmaakt en dat zij voor het laatst het huis heeft schoongemaakt op zondag (de rechtbank leest: 7 februari 2010).xiii

Geconfronteerd met een foto waarop de rode fles ammonia staat afgebeeld, heeft verdachte verklaard dat zij die fles heeft gezien in dezelfde kast als waar de legodoos stond. Dat was tussen 15 en 20 januari 2010 en op hetzelfde moment dat zij de legodoos nog in de kast heeft zien staan.xiv

Verdachte heeft voorts verklaard dat zij de aan haar getoonde tas met daarin een soort rode draden in doorzichtige plastic zakjes, op die ronde tafel heeft zien liggen.xv Verdachte heeft over de tas verder nog verklaard dat het de tas is van haar zoon [zoon]. De tas lag eerst in haar woning bij de [A-straat]. Toen verdachte weg moest uit het appartement bij de [A-straat], heeft ze de babytas snel meegenomen.xvi

Medeverdachte [man] heeft, gevraagd naar het bij de doorzoeking aangetroffen huurcontract op zijn naam, betreffende een woning aan de [adres 1], verklaard dat als dit adres vlakbij de [A-straat] is, hij daar samen met zijn vrouw [verdachte] - verdachte - en zijn kind heeft gewoond. Geconfronteerd met het feit dat er in die woning ongeveer 5 kilo semtex is gevonden, heeft medeverdachte [man] verklaard dat de semtex was van de man die hem inhuurde om dit te vervoeren. Hij wist dat de semtex in de woning lag. De semtex heeft ongeveer twee weken in zijn woning gelegen. Medeverdachte [man] herkent de explosieven die aan hem op de foto worden getoond.

Gevraagd of de slaghoedjes ook van hem zijn heeft medeverdachte [man] verklaard: "Ik weet het niet, misschien hoorde het wel bij elkaar". Gevraagd naar de aangetroffen slaghoedjes heeft hij verklaard: "Als dat die dingen met die draadjes zijn, dan wel ja".xvii

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank het navolgende vast:

Verdachte en medeverdachte [man] woonden sinds december 2009 samen met hun zoontje in de woning aan de [adres 1].

De semtex en bijbehorende slaghoedjes waren van medeverdachte [man] en hebben vanaf twee weken voor de doorzoeking op 10 februari 2010 in de woning gelegen.

Het betrof een kleine woning waarin nauwelijks spullen stonden.

De kastdeur stond ten tijde van de doorzoeking gedeeltelijk open en daarin stond een speelgoeddoos met daarin een rugzak waarvan de inhoud - de pakketjes semtex - direct zichtbaar was.

Verdachte was elke dag thuis en maakte bijna elke dag het huis schoon en zij herkent de rode fles ammonia die naast de legodoos met daarin de PEP-500 is aangetroffen.

Verdachte heeft bij haar vertrek uit de woning aan de [adres 1] een tas meegenomen met daarin de slagpijpjes.

Uit het bovenstaande concludeert de rechtbank dat de PEP-500 en de slagpijpjes vanaf eind januari 2010 in de woning hebben gelegen en dat verdachte en medeverdachte [man] daarvan wetenschap hebben gehad. Dat wil zeggen dat verdachte en [man] in de periode dat zij in de woning verbleven over de explosieven en de slagpijpjes konden beschikken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte en [man] de explosieven en slagpijpjes vanaf eind januari 201 tezamen en in vereniging voorhanden hebben gehad.

De vraag die, met het oog op het tenlastegelegde medeplegen in combinatie met de tenlastegelegde periode, vervolgens dient te worden beantwoord is of medeverdachte [man] in of omstreeks de tenlastegelegde periode van 9 februari 2010 tot 10 februari 2010 de beschikkingsmacht had over die voorwerpen omdat hij in die periode was ontvoerd en elders wederrechtelijk van zijn vrijheid was beroofd.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Blijkens de tapgesprekken heeft medeverdachte [man] gedurende de periode dat hij wederrechtelijk van zijn vrijheid was beroofd, de beschikking gehad over zijn mobiele telefoon. Hij heeft daarmee ook verschillende malen contact gehad met diverse personen, waaronder met verdachte, die op dat moment nog in de woning aan de [adres 1] verbleef. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat, hoewel medeverdachte [man] zelf fysiek niet meer over de voorwerpen kon beschikken, hij wel via verdachte de beschikkingsmacht over de explosieven en de slagpijpjes heeft kunnen blijven uitoefenen, zodat ook ten aanzien van de periode van 9 februari 2010 tot 10 februari 2010 bewezen kan worden dat medeverdachte [man] en verdachte tezamen en in vereniging 4 kilogram PEP-500 en 19 slagpijpjes voorhanden hebben gehad (feiten 1 en 4).

Feit 2

In de woonkamer van de woning aan de [adres 1] werd tijdens de doorzoeking op 10 februari 2010 een stroomstootwapen (goednummer [itemnummer]) aangetroffen.xviii Het wapen (itemnummer [itemnummer]) is onderzocht. Het betreft een stroomstootwapen in de zin van artikel 1, onder 3º, gelet op artikel 2, lid 1, categorie II onder 5º van de Wet wapens en munitie.xix

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat deze taser van haar is.xx

Op grond van het feit dat verdachte samen met medeverdachte [man] op het adres [adres 1] woonde, het stroomstootwapen aldaar is aangetroffen en verdachte heeft verklaard dat het wapen van haar is, is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte en medeverdachte [man] dit stroomstootwapen tezamen en in vereniging voorhanden hebben gehad.

Feit 3

Bij de doorzoeking van de [adres 2] te [plaats 2] is in de woonkamer op de eetkamertafel een revolver met vijf patronen aangetroffen. Over dit wapen heeft [medeverdachte 2] ([medeverdachte 2]) verklaard dat hij dat daar heeft neergelegd toen hij naar de flat kwam. Verdachte heeft verklaard dat zij geen wapen heeft zien liggen op de eetkamertafel en dat zij elders in de woning bezig was met haar zoontje.

Het dossier bevat weliswaar voldoende bewijs dat verdachte het wapen en de munitie, in de korte tijd dat zij met [medeverdachte 2] in de woning aan de [adres 2] aanwezig was, heeft gezien nu het vuurwapen naast haar tas op de eettafel in de woning heeft gelegen, maar [medeverdachte 2] dit wapen kennelijk kort tevoren de pas betrokken en tijdelijk te betrekken woning heeft binnengebracht en dit wapen in eigendom van [medeverdachte 2] behoorde, is de rechtbank van oordeel dat de enkele aanwezigheid van het wapen in die woning en verdachtes bewustheid daaromtrent onvoldoende zijn om ook een machtsrelatie tussen verdachte en dat vuurwapen te veronderstellen. Nu dit laatste onvoldoende kan worden vastgesteld, kan het medeplegen van het voorhanden hebben van de revolver en de patronen niet worden bewezen en moet verdachte van het onder 3 tenlastegelegde worden vrijgesproken.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen, met verbetering van type- en taalfouten en kennelijke verschrijvingen, waardoor verdachte niet in zijn belangen is geschaad, dat

1.

zij omstreeks de periode van 09 februari 2010 tot en met 10 februari 2010 te [plaats 1], tezamen en in vereniging met een ander, een hoeveelheid (in totaal ongeveer 4 kilogram) "PEP 500" (Plasticni Eksplosiv Pentrit 500), bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;

2.

zij omstreeks de periode van 09 februari 2010 tot en met 10 februari 201 tezamen en in vereniging met een ander, te [plaats 1], een wapen van categorie II onder 5º, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

4.

zij omstreeks de periode van 09 februari 2010 tot en met 10 februari 2010 te [plaats 2] en [plaats 1], tezamen en in vereniging met een ander of anderen een hoeveelheid van in totaal 19 elektrische slagpijpjes zijnde voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad.

5. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die haar strafbaarheid uitsluiten.

7. De straf

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van de tijd door verdachte in voorarrest doorgebracht waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren zal worden opgelegd.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat alleen feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft voorts aangevoerd dat ten aanzien van dat feit geen hogere straf dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht dient te worden opgelegd.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een zeer grote hoeveelheid explosieven, namelijk 4 kilogram, PEP-500 en 19 slagpijpjes. De PEP-500 heeft zij voorhanden gehad in de woning waar zij samen met medeverdachte [man] en hun zoontje woonde. De hoeveelheid PEP-500 die verdachte voorhanden heeft gehad, was zodanig dat daarmee, bij ontploffing een groot aantal mensen dodelijk getroffen zou kunnen worden of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

De slagpijpjes heeft verdachte, toen zij uit die woning moest vertrekken, in een tas met zich meegenomen en zij stonden bij het aantreffen door de politie op scherp, hetgeen inhoudt dat zij zeer gemakkelijk, bijvoorbeeld al door straling van een mobiele telefoon, tot ontploffing hadden kunnen komen. Daarbij aanwezige personen hadden daardoor zwaar lichamelijk letsel kunnen oplopen, maar ook fatale gevolgen waren voorstelbaar. Verdachte heeft door aldus te handelen haarzelf, haar gezin, naaste buren, maar ook de politiemensen die de slagpijpjes in de woning aantroffen en onschadelijk moesten maken, in zeer groot gevaar gebracht. Dat er uiteindelijk geen schade is ontstaan is een gelukkige, doch geenszins aan verdachte toe te rekenen omstandigheid.

Voorts heeft verdachte zich daarnaast nog schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een stroomstootwapen.

Verdachte heeft de Wet Wapens en Munitie meermalen overtreden. Het behoeft geen betoog dat daardoor de veiligheid in onze samenleving ernstig is aangetast. Wapens brengen juist in Nederland veel geld op omdat hier strenge regelgeving geldt. Verdachte heeft kennelijk louter uit winstbejag gehandeld, zonder oog voor de met die regelgeving nagestreefde veiligheid. Wapenhandel veronderstelt het uiteindelijk gebruik van die wapens met alle gevaren van dien. Met name bij springstof gecombineerd met slagpijpjes moet bij het gebruik daarvan gevreesd worden voor schade aan goederen en personen op grote schaal.

Op deze bijzonder ernstige feiten dient in beginsel te worden gereageerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Zoals blijkt uit een de verdachte betreffende uittreksel uit het justitieel documentatieregister van is de verdachte niet eerder in Nederland veroordeeld.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat haar rol bij de bewezenverklaarde feiten onder 1 en 4 ten opzichte van de rol die medeverdachte [man] daarbij heeft gespeeld, aanzienlijk kleiner is geweest. [man] was immers degene die de PEP-500 en de slagpijpjes heeft opgehaald en vervoerd, deze zou gaan verkopen en toen dat niet doorging, voornoemde voorwerpen in de woning heeft gebracht, terwijl de rol van verdachte voor het overgrote deel bestond uit het dulden van deze voorwerpen in de woning.

Hoewel verdachte van één feit is vrijgesproken, zal de rechtbank toch de vrijheidsbenemende straf opleggen voor de duur zoals door de officier van justitie is geëist. De rechtbank wil daarmee het strafwaardige en de ernst van de feiten benadrukken. Van die straf zal conform de eis een aanzienlijk deel voorwaardelijk worden opgelegd om verdachte ervan te doordringen dat zij zich in de toekomst verre van het plegen van soortgelijke feiten moet houden.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 3 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 en 4:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 9 (NEGEN) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 (ZES) MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. Poustochkine, voorzitter,

mrs. A.S.I. van Delden en S.M. Christiaan, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V. van Rhijn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2011.

Mr. Christiaan is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

i Waar hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een dossier bevattende het onderzoek genaamd '13Stedum', met bijlagen van de politie Amsterdam Amstelland, bestaande uit rubrieken 1 tot en met 14, genummerd 1 0001 tot en met 14 123.

ii Proces-verbaal van doorzoeking [adres 1] te [plaats 1], p. 8 0009-8 0010 en proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming, p. 9 0255-9 0256

iii Overdrachtsformulier forensisch onderzoek explosieven, p. 9 0254

iv Verslag forensische intake gehouden op 1 maart 2010, p. 11 085

v Explosievenonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van mogelijk explosieve stoffen in woning in [plaats 1], d.d. 22 april 2010, p. 11 127

vi Explosievenonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van mogelijk explosieve stoffen in woning in [plaats 1], d.d. 22 april 2010, p. 11 133

vii Proces-verbaal, p. 8 0045

viii Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming ([adres 2]), p. 8 0030-8 0032

ix Verslag forensische intake gehouden op 1 maart 2010, p. 11 085 en Explosievenonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van mogelijk explosieve stoffen in een woning in [plaats 1], d.d. 11 mei 2010, p. 11 135 en p. 11 141

x Proces-verbaal van bevindingen, p. 8 0023

xi Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming ([adres 2]), p. 8 0030-8 0032

xii Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], p. 5 0114-5 0115

xiii Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], p. 5 0095

xiv Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], p. 5 0100

xv Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], p. 5 0097

xvi Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], p. 5 0110

xvii Proces-verbaal verhoor verdachte [man], p. 5 0034-5 0037

xviii Proces-verbaal van doorzoeking [adres 1] te [plaats 1], p. 8 0009-8 0010 en proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming, p. 9 0181-9 0182

xix Proces-verbaal van onderzoek, p. 11 006-11 007

xx Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 5 0128