Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR4901

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-08-2011
Datum publicatie
12-08-2011
Zaaknummer
13/676328-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Interlocutoir vonnis. Verdachte wordt ervan verdacht zijn vader vermoord te hebben. De rechtbank heropent en schorst het onderzoek ter terechtzitting, zodat getuigen, deskundigen en verdachte gehoord kunnen worden en verdere informatie ingewonnen kan worden, omdat er nog onduidelijkheid bestaat over het moment van overlijden van het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/676328-10

Datum uitspraak: 2 augustus 2011

op tegenspraak

INTERLOCUTOIR VONNIS

van de rechtbank Amsterdam in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1972].

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [A-straat] [nr 2] [woonplaats], gedetineerd in het Huis van Bewaring “PPC Amsterdam” te Amsterdam.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 27 juli 2010, 21 oktober 2010, 18 januari 2011, 8 april 2011, 1 juni 2011 en 19 juli 2011.

1. Telastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 7 april 2010 tot en met 17 april 2010 te [woonplaats], in elk geval in Nederland, opzettelijk (en met voorbedachten rade) zijn vader, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg) voornoemde [slachtoffer] de keel dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of in de hals/nek gestoken/gesneden en/of een of meermalen tegen het gezicht, althans het hoofd, in elk geval het lichaam geslagen en/of gestompt en/of geschopt/getrapt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair:

hij in of omstreeks de periode 7 april 2010 tot en met 17 april 2010 te [woonplaats], in elk geval in Nederland, aan een persoon (te weten zijn vader) genaamd [slachtoffer], opzettelijk (en met voorbedachte rade) zwaar lichamelijk letsel (een steekwond in de nek en/of een gebroken strottenhoofd en/of ander lichamelijk letsel), heeft toegebracht, door deze opzettelijk de keel dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden en/of in de hals/nek te steken/snijden en/of een of meermalen tegen het gezicht, althans het hoofd, in elk geval het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te schoppen/trappen, terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

Bij de beraadslaging is de rechtbank gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest.

1. De officier van justitie heeft zich ter zitting van 19 juli 2011 op het standpunt gesteld dat verdachte het feit heeft begaan in de nacht van 7 op 8 april 2010. Dit standpunt kan door de rechtbank niet – althans niet zonder meer – worden aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank staat dit standpunt namelijk op gespannen voet met verklaringen van diverse getuigen:

Getuige mevrouw [getuige 1] heeft op 19 april 2010 onder meer verklaard (pag. B011 e.v.): Ik kan u vertellen dat ik [slachtoffer] voor het laatst op dinsdag 13 april heb zien lopen. Omstreeks 12:00 uur zag ik [slachtoffer] buiten met zijn container naar de ondergrondse container op de hoek lopen. Ik zag dat hij zijn huisvuil in de container gooide. In de nacht van dinsdag op woensdag omstreeks 02:00 uur hoorde ik een harde klap waardoor ik wakker schrok. Nadat ik de harde klap hoorde ben ik gelijk uit mijn bed gestapt. Ik ben naar het raam aan de straatzijde gelopen en keek uit het raam. Mijn man is naar de achterzijde van de slaapkamer gelopen. Het achterraam kijkt uit op de tuin. Wij beiden hebben toen niets of niemand in de tuin of op straat gezien. Mijn man en ik zijn vervolgens weer naar bed gegaan. Na een tijdje hoorde ik een harde klap. Wij hoorden alle twee dat de harde klap afkomstig was van de eerste verdieping van perceel [nr 2]. Vervolgens hoorde mijn man alsof iemand heel snel de trap afrende. Alsof iemand heel erg haast had. Na die harde trap hebben mijn man of ik niet meer naar buiten gekeken

Getuige mevr. [getuige 2] heeft op 20 april 2010 verklaard (pag. E022 e.v.): "Ik denk dat ik mijn buurman afgelopen dinsdag voor het laatst heb gezien." De rechtbank stelt vast dat de getuige hierbij doelt op het slachtoffer [slachtoffer] en dat met afgelopen dinsdag wordt gedoeld op 13 april 2010. Ook verklaart zij: "Op woensdag heb ik harde muziek gehoord. Dat was in de middag, rond 14.00 uur. Donderdagochtend 15 april ging mijn man rond 05.30 uur naar buiten om de hond uit te laten, op de terugweg zag hij dat de ruit van de auto van [verdachte] was ingeslagen met een tegel."

Getuige de heer [getuige 3] heeft op 20 april 2010 verklaard (pag. E025 e.v.): Ik heb [slachtoffer] dinsdag 13 april voor het laatst gezien. Ik heb [slachtoffer] rond 16.00 uur met zijn groene afvalbakje zien lopen. Het kan ook eerder geweest zijn, omdat ik rond 16.00 uur altijd even op bed ga liggen. Ik heb hem gezien voordat ik op bed ging liggen. Ik heb [slachtoffer] zien oversteken naar de afvalcontainer. In de nacht van dinsdag op woensdag rond 02.00 uur schrok ik wakker van een harde trap. Ik besefte me toen dat het bij de buren van perceel 8 afkomstig geweest moet zijn. Ik dacht dat [verdachte] een krankzinnige bui had. Na deze harde klap/trap heb ik ongeveer 15 seconden niks gehoord en daarna leek het alsof ik iemand op een snel tempo van de trap af hoorde rennen. Ik dacht dat het [verdachte] niet zou zijn, omdat hij dik en lui is. Maar misschien was het hem wel, als hij in paniek is. Ik denk dat iemand naar beneden rende, omdat er geen treden werden overgeslagen en ik een haastig gedribbel hoorde. Ook kan ik u vertellen dat onze buurvrouw [getuige 6] (kennelijk wordt gedoeld op mevrouw [getuige 6] (pag. E067)) van nummer [nr 1] [verdachte] op dinsdagavond omstreeks 22.45 uur achter mijn auto heeft zien staan. [getuige 6] zag dat [verdachte] naar zijn eigen woning stond te gluren. Nadat hij [getuige 6] zag ging hij achter een heg staan.

Getuige [getuige 4] heeft op 21 april 2010 verklaard (pag. E010 e.v.): De laatste dag dat ik bij mijn vader was, betrof zaterdag 10 april 2010. Ik ben toen met mijn vrouw naar mijn vader gegaan. Ik denk dat ik daar rond 12.00 à 12.30 uur was. [verdachte] was wel thuis, maar was dus boven. Hij kwam even naar beneden. U vraagt mij of ik zaterdag 10 april nog post op de mat heb zien liggen, nee zeker niet. Mijn vader haalde de post altijd direct van de mat.

Getuige [getuige 5], geboren [1955], heeft op 29 april 2010 verklaard (pag. E029): Vraag: Wanneer bent u voor het laatst bij [slachtoffer] geweest? Antwoord: Op 10 april, met mijn man [getuige 4] (kennelijk wordt gedoeld op [getuige 4]). Ik weet dit omdat het een dag na mijn verjaardag was. Ik denk dat we er rond een uur of 12.30 uur waren. Toen we aanbelden bij [slachtoffer] deed [slachtoffer] open. Toen ik koffie had gezet kwam [verdachte] beneden en ik vroeg of hij koffie wilde. Hij mompelde wat en hij schonk limonade voor zichzelf in en liep weer naar boven. We zijn denk ik rond 14.00 uur weer weggegaan. Dat weekend hebben we ook mijn vader bezocht, dat was op de zondag daarna, een dag later dus. Dit is 11 april geweest.

2. Op de zitting van 8 april 2011 heeft de officier van justitie verzocht de behandeling van de zaak opnieuw te schorsen omdat zij het nodig achtte getuigen te horen ten einde duidelijkheid te krijgen over het tijdstip van overlijden van [slachtoffer]. Op de zitting van 19 juli 2011 bleken geen nieuwe getuigenverklaringen beschikbaar. Desgevraagd deelde de officier van justitie mede dat voortschrijdend inzicht hem er toe had gebracht van het horen van getuigen af te zien.

3. Voortschrijdend inzicht van de rechtbank brengt haar tot het oordeel dat vorengenoemde getuigen nader moeten worden gehoord om opheldering te verkrijgen over de overlijdensdatum van [slachtoffer]. In dit verband is het de rechtbank opgevallen dat mevr. [getuige 6] die op 18 april 2010 is gehoord (E067) niet heeft verklaard dat zij [verdachte] op 13 april 2010 heeft gezien terwijl getuige de heer [getuige 3] heeft verklaard dat zij dat tegen hem had gezegd. Daarom dient ook mevr. [getuige 6] als getuige te worden gehoord.

4. Op de zitting van 8 april 2011 heeft de rechtbank onder meer aan de officier van justitie opgedragen bij het Rode Kruis Ziekenhuis te Beverwijk na te gaan of verdachte [verdachte], die daar in de periode van 10 tot 15 april 2010 was opgenomen in verband met wondroos, het ziekenhuis tussentijds ongemerkt heeft kunnen verlaten. Op de zitting van 19 juli 2011 was dit antwoord niet beschikbaar. De rechtbank acht beantwoording van deze vraag alsnog nodig om, als meer duidelijkheid is ontstaan over het tijdstip van overlijden van [slachtoffer], de betrokkenheid van [verdachte] daarbij te kunnen beoordelen.

5. In zijn politieverhoor op 6 mei 2010 (D21) heeft [verdachte] verklaard: "Ik had bloed aan armen, handen en voeten en heb dat in het ziekenhuis afgewassen." Aan [verdachte] is toen kennelijk niet gevraagd op welk ziekenhuis hij doelde: het OLVG in Amsterdam waar hij zich op 8 april 2010 tot 2 keer toe had gemeld wegens problemen met zijn rechterhand en -voet, het Rode Kruis Ziekenhuis te Beverwijk of het AMC in Amsterdam dat door [verdachte] op 15 april 2010 was bezocht. De rechtbank acht het wenselijk verdachte over deze kwestie en eventuele andere zaken te horen.

6. De verschillende geraadpleegde deskundigen verschaffen geen eenduidig inzicht in het tijdstip van overlijden van [slachtoffer].

De schouwarts, S.J. Bink, forensisch arts, beschrijft een overlijdensinterval van 3 tot 7 dagen, zoals gerelateerd in een proces-verbaal op bladzijde C 001 en verder.

In een voorlopig rapport, opgesteld door dr. B. Kubat, arts en patholoog, stelt deze dat er bij de sectie postmortale verschijnselen waren die kunnen passen bij een postmortale periode van vele uren tot meerdere dagen (C 007).

Drs. J. Huijbregts, entomoloog, concludeert dat sprake is van een minimaal postmortaal interval van ongeveer 4 dagen, terug te rekenen vanaf het moment waarop het entomologisch monster op de plaats van lijkvinding werd gefixeerd. De feitelijke periode waarin de persoon dood in huis heeft gelegen kan veel langer zijn. Bij een lage lichaamstemperatuur wordt het minimaal postmortaal interval langer, bij een hogere lichaamstemperatuur korter (B 110).

De rechtbank acht het nodig dat deze deskundigen nader worden gehoord, met name om te kunnen vaststellen of de ten laste gelegde feitelijkheden hebben kunnen plaatsvinden in de nacht van 7 op 8 april 2010.

7. Het vorenstaande brengt de rechtbank er toe het onderzoek te heropenen en te schorsen en de stukken in handen te geven van de rechter-commissaris met het verzoek

A. als getuige te horen:

- [getuige 2], [A-straat] [nr 4], [woonplaats],

- [getuige 3], [A-straat] [nr 3], [woonplaats]

- [getuige 1], [A-straat] [nr 3], [woonplaats],

- [getuige 6], [A-straat] [nr 1], [woonplaats],

- [getuige 4], [adres] [plaats] en

- [getuige 5], [adres] [plaats].

B. als deskundige te horen:

- S.J. Bink, forensisch arts, Postbus 2200, 1000 CE Amsterdam,

- Drs. J. Huijbregts, entomoloog, Postbus 9517, 2300 RA Leiden en

- Dr. B. Kubat, arts en patholoog, Postbus 24044, 2490 AA Den Haag

C. [verdachte] als verdachte te horen.

D. het Rode Kruis Ziekenhuis te Beverwijk te benaderen met het verzoek opheldering te geven over de mogelijkheid dat [verdachte] tijdens diens ziekenhuisopname van 10 tot en met 15 april 2010 (ongemerkt) het ziekenhuis voor (minimaal) enige uren heeft kunnen verlaten, dan wel of men ervan op de hoogte is dat daarvan sprake was.

De voorzitter is bereid als rechter-commissaris op te treden voor zover de procespartijen daarmee instemmen. De officier van justitie en de raadsman van verdachte worden verzocht hierover uiterlijk op 15 augustus 2011 uitsluitsel te geven.

Om de klemmende reden dat genoemd nader onderzoek niet binnen één maand zal zijn voltooid, zal de hervatting van het onderzoek ter terechtzitting binnen negentig dagen moeten plaatsvinden.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

3. Beslissing

Heropent en schorst het onderzoek ter terechtzitting.

Wijst, mits de officier van justitie en de verdachte daarmee instemmen, de voorzitter, mr. F. Salomon, als rechter-commissaris aan.

Stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde een onderzoek als hiervoor bedoeld te doen verrichten en voorts al datgene te doen wat deze in het belang van het onderzoek acht.

Beveelt dat het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat op een nog nader te bepalen tijdstip, doch in elk geval binnen een termijn van negentig dagen na de dag van deze uitspraak.

Beveelt de oproeping van verdachte tegen het nader te bepalen tijdstip met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Salomon, voorzitter,

mrs. C.A.E. Wijnker en D.J. de Jong, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 augustus 2011.