Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR4876

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
AWB 10-4443 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het beroep is gericht tegen het besluit dat ziet op het opleggen van een bouwstop en een last onder dwangsom. Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Awb is de rechtbank van oordeel dat het beroep geacht kan worden mede betrekking te hebben op het besluit van 4 mei 2010, waarbij verweerder heeft bepaald dat de dwangsom tweemaal is verbeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/4443 WW44

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bussum,

verweerder,

gemachtigde mr. M. Schuit.

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd en eiser gelast met onmiddellijke ingang de bouwwerkzaamheden op het perceel [A-straat nr] te [woonplaats] te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 6 augustus 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2011.

Eiser is niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende feiten en omstandigheden als uitgangspunt.

1.1. Op 27 april 2010 heeft een toezichthoudend medewerker van de afdeling Vergunningen en Handhaving van verweerder eiser mondeling gelast de door hem geconstateerde werkzaamheden, het dichtmaken van het overkapte terras aan de zijkant van de woning op het perceel [A-straat nr] te [woonplaats] (hierna: het Perceel), stil te leggen. De stillegging is bij het primaire besluit schriftelijk bevestigd. Verder is bij dit besluit een last onder dwangsom opgelegd aan eiser van € 500 per dag of gedeelte daarvan dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 5.000.

1.2. Op 3 en 4 mei 2010 is door toezichthouders van verweerder wederom geconstateerd dat bouwwerkzaamheden werden verricht aan het pand. Bij besluit van 4 mei 2010 heeft verweerder aangegeven dat de dwangsom die bij het primaire besluit is opgelegd tweemaal is verbeurd en dat het totale verbeurde bedrag € 1.000 bedraagt.

1.3. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat aan eiser geen bouwvergunning is verleend voor deze bouwwerkzaamheden en dat bouwen zonder bouwvergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet is verboden. Bovendien is het Perceel volgens verweerder gelegen in een beschermd dorpsgezicht en op grond van artikel 43, tweede lid, onder a, van de Woningwet is een vergunning vereist voor het bouwen in een beschermd dorpsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet 1988. Verweerder meent dat eiser navraag had moeten doen bij verweerder of voor dit bouwwerk een bouwvergunning nodig was. Tot slot stelt verweerder dat de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding staat tot de ernst van de overtreding en de beoogde werking van de dwangoplegging.

1.4. Op 1 juni 2010 heeft eiser een aanvraag ingediend bij verweerder voor een bouwvergunning betreffende het legaliseren van het dichtmaken van het overkapte terras aan de zijkant van de woning op het Perceel.

Na het bestreden besluit, op 13 oktober 2010, heeft verweerder deze aanvraag van eiser afgewezen, omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het hiertegen gerichte bezwaar van eiser heeft verweerder ongegrond verklaard.

1.5. Op 10 mei 2011 (na het bestreden besluit) heeft verweerder een nieuwe aanvraag van eiser om een nieuwe bouwvergunning toegewezen.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende relevante regelgeving.

2.1. Op grond van artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

2.2. Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, voor zover hier van belang, is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis.

2.3. Artikel 43, tweede lid, onder b, van de Woningwet bepaalt dat het eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing is voor bouwen in een beschermd stads- dorpsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet 1988.

2.4. Artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt dat het gemeentebestuur bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

2.5. Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. Het tweede lid van dat wetsartikel bepaalt dat een last onder dwangsom ertoe strekt de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

2.6. Artikel 5:39, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking heeft op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

3. De rechtbank overweegt dat allereerst beoordeeld dient te worden of verweerder bevoegd was tot oplegging van de last onder dwangsom over te gaan.

4. Ten aanzien van de bevoegdheid van verweerder tot oplegging van de last onder dwangsom heeft eiser een aantal beroepsgronden aangevoerd. Eiser heeft betoogd dat een kleine verandering aan een bouwwerk op grond van artikel 43, eerste lid, onder c, van de Woningwet niet vergunningsplichtig is.

5. De rechtbank constateert dat eiser niet betwist dat het Perceel binnen een beschermd dorpsgezicht valt. De vrijstelling van het vergunningsvereiste in artikel 43, eerste lid, onder c, van de Woningwet is dan ingevolge artikel 43, tweede lid, onder b, van de Woningwet niet van toepassing voor het bouwen.

6. Eiser heeft ook aangevoerd dat het besluit van 30 juni 2007, waarbij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een deel van het Brediuskwartier hebben aangewezen als beschermd dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988, niet conform artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bekendgemaakt. Volgens eiser had dit besluit als een beschikking aan de belanghebbenden (waaronder eiser) dienen te worden toegezonden. Waar dat niet is gebeurd, heeft dit besluit geen rechtswerking jegens eiser, aldus eiser.

7. Ook dit betoog van eiser faalt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat dit besluit van 30 juni 2007 een besluit van algemene strekking is en geen beschikking. De rechtbank overweegt dat artikel 3:41 van de Awb in dit geval dan ook niet van toepassing is. De bekendmaking van het besluit van 30 juni 2007 is naar het oordeel van de rechtbank conform het toepasselijke artikel 3:42 van de Awb geschied door publicatie in de Nederlandse Staatscourant van 2 juli 2007, De Gooi en Eemlander van 3 juli 2007 en de Bussumse krant van 5 juli 2007 en van 12 juli 2007.

De door eiser aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) en het College van Beroep voor het Bedrijfsleven treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. Deze uitspraken gaan over beschikkingen, zoals de verlening van een bouwvergunning en een concessieverlening.

8. Eiser heeft verder betoogd dat de informatieverstrekking met betrekking tot het beschermd dorpsgezicht ontoereikend is, omdat op de website van verweerder niet direct duidelijk wordt of het Brediuskwartier wel of niet een beschermd dorpsgezicht is.

9. Deze beroepsgrond laat onverlet dat het voor eiser redelijkerwijs mogelijk is geweest om te achterhalen of het Perceel wel of niet was gelegen in een beschermd dorpsgezicht. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser navraag bij verweerder had kunnen doen of voor dit bouwwerk een bouwvergunning vereist was. Ook deze beroepsgrond baat eiser dus niet.

10. Eiser heeft ook aangevoerd dat in het uittreksel van het Kadaster van het Perceel geen publiekrechtelijke beperkingen bij het Perceel worden genoemd. Volgens eiser had het Kadaster dienen te vermelden dat het Perceel binnen een beschermd dorpsgebied is gelegen. Dit geldt volgens eiser te meer nu in het Kadaster wel wordt vermeld dat op het hem bekende pand aan de Minervalaan 7 te Amsterdam de monumentenstatus rust.

11. De rechtbank stelt voorop dat eiser vermeldingen in het Kadaster niet aan verweerder kan tegenwerpen, nu niet verweerder, maar het Kadaster daarvoor verantwoordelijk is. De rechtbank voegt daar nog aan toe dat deze vermeldingen met name een rol spelen in de verhouding tussen koper en verkoper.

Voor het overige volstaat de rechtbank er mee op te merken dat een aanwijzing als beschermd dorpsgezicht (die ziet op een aantal panden) een ander besluit is dan de aanwijzing als monument (dat, zoals ook hier het geval is, in de regel betrekking heeft op een concreet pand of complex). De vergelijking die eiser hier trekt, kan hem dus niet baten.

12. Eiser heeft verder aangevoerd dat sprake is van dwaling, omdat de voorlopige en de definitieve koopakte van het huis van eiser en ook het taxatierapport geen melding hebben gemaakt van de status van het Brediuskwartier als beschermd dorpsgezicht.

13. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze beroepsgrond niet aan verweerder kan worden tegengeworpen, aangezien deze documenten enkel betrekking hebben op de relatie tussen koper en verkoper en eiser niet vrijwaren van zijn eigen onderzoeksplicht.

14. De rechtbank stelt verder vast dat niet in geschil is dat eiser ten tijde van de bouwwerkzaamheden geen bouwvergunning had voor deze werkzaamheden. Bouwen zonder bouwvergunning is op grond van artikel 40 van de Woningwet verboden.

De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder op grond van artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet in combinatie met artikel 5:32 van de Awb bevoegd was tot oplegging van een last onder dwangsom en om te gelasten dat de bouwwerkzaamheden op het Perceel met onmiddellijke ingang werden gestaakt teneinde de Woningwet te handhaven.

15. Beoordeeld dient vervolgens te worden of verweerder in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot oplegging van de last onder dwangsom. De Afdeling heeft onder meer in een uitspraak van 14 juli 2010 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met LJ-nummer: BN1059) geoordeeld dat, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden in de regel van deze bevoegdheid gebruik zal moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig kan zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat een bestuursorgaan van optreden in die concrete situatie behoort af te zien.

16. Eiser heeft betoogd dat de bouwstop is opgelegd op basis van een onzorgvuldige belangenafweging en dat de onmiddellijke ingang van de bouwstop onredelijk is, aangezien de staking van de bouwwerkzaamheden een onveilige situatie opleverde.

17. De rechtbank stelt vast dat verweerder (onbetwist) rekening heeft gehouden met de constructieveiligheid van het Perceel en dat verweerder eiser in de gelegenheid heeft gesteld om de door de toezichthouder voorgestelde maatregelen te treffen. Dat na opvolging van deze maatregelen mogelijk nog sprake zou kunnen zijn van de door eiser gestelde onveiligheid op het gebied van inbraak (zoals door eiser gesteld), heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt. Los daarvan: eiser is op eigen risico gaan bouwen zonder een bouwvergunning. Niet is gebleken van een onveiligheid die niet voor eisers eigen rekening, maar voor die van verweerder dient te komen.

18. Naar het oordeel van de rechtbank is ook overigens niet gebleken dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat verweerder daarvan had behoren af te zien. Daarbij overweegt de rechtbank met name dat een aanvraag tot legalisatie is afgewezen. Dat een andere aanvraag voor een bouwvergunning op 10 mei 2011 is toegewezen, doet daar niet aan af.

19. Eiser heeft tot slot aangevoerd dat de verbeurde dwangsom van € 1000 onredelijk hoog is en dat hij niet tweemaal de bouwstop heeft overtreden.

20. De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond niet is gericht tegen het bestreden besluit, maar tegen het besluit van 4 mei 2010, waarbij verweerder heeft bepaald dat de dwangsom tweemaal is verbeurd. Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Awb is de rechtbank echter van oordeel dat het beroep geacht kan worden mede betrekking te hebben op het besluit van 4 mei 2010.

21. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij de bouwstop gedurende meer dan één dag heeft overtreden. Nu in het primaire besluit is aangegeven dat de dwangsom wordt verbeurd voor iedere dag of gedeelte daarvan gedurende welke de last wordt overtreden, is de rechtbank van oordeel dat de dwangsom twee maal is verbeurd. Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat het in het bestreden besluit vastgestelde bedrag van € 500 per overtreding te hoog is, overweegt de rechtbank dat de hoogte van de dwangsom een prikkel moet zijn om eiser er toe te zetten de illegale situatie te beëindigen. De rechtbank is van oordeel dat de hoogte van de dwangsom van € 500 per overtreding niet te hoog is nu dit overeenkomt met de hoogte van de materiaalkosten uit de offerte van de aannemer om de zijgevel weer in de oorspronkelijke staat te brengen.

22. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht moet vergoeden dan wel een van de partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Niersman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D:

SB