Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR4762

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-07-2011
Datum publicatie
10-08-2011
Zaaknummer
Parketnummer: 13/706421-10 en RK nummer: 11/2968
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EAB Groot-Brittannie, weigering overlevering voor betrokkenheid van de aangetroffen 539 kilogram cannabis omdat de omschrijving van dit feit niet voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW. Gelet hierop is het lijstfeit “Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen” niet in redelijkheid aangekruist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/706421-10

RK nummer: 11/2968

Datum uitspraak: 19 juli 2011

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 mei 2011 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 28 maart 2011 (ontvangen per mail op 6 mei 2011) door de District Judge (Magistrates’ Court) van de City of Westminster Magistrates’ Court te Londen (Groot-Brittannië).

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [1977],

wonende op het adres [adres] te [woonplaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 5 juli 2011. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam gehoord.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, van de OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er vanwege haar volle agenda niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een warrant of arrest at first instance van 16 maart 2011 van het City of Westminster Magistrates’ Court ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan naar het recht van Groot-Brittannië strafbare feiten.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1. Ongenoegzaamheid stukken

Een EAB dient, gelet op artikel 2 van de OLW, gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Zo dient het EAB een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd te bevatten, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit. Bovendien zal die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel moeten kunnen waarborgen.

De rechtbank overweegt dat in het EAB is op genomen dat op 18 juni 2010 [persoon 1] is aangehouden, terwijl hij in het bezit was van 539 kilogram cannabis. Ook vermeldt het EAB dat de opgeëiste persoon een half jaar eerder is gezien in het gezelschap van [persoon 1]. Het is de rechtbank niet duidelijk met welk doel de Britse autoriteiten de import van cannabis hebben vermeld, te weten ter onderbouwing van de verdenking dan wel als apart feit waarvoor overlevering wordt gevraagd.

Voor zover uitvaardigende justitiële autoriteiten de overlevering hebben willen verzoeken voor de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de op 18 juni 2010 aangetroffen 539 kilogram cannabis, is de rechtbank met de raadsman en de officier van justitie van oordeel is dat de omschrijving van dit feit niet voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW, nu de uitvaardigende autoriteiten op geen enkele wijze hebben omschreven welke betrokkenheid de opgeëiste persoon vermoedelijk zou hebben gehad bij de import van de cannabis. Dat leidt ertoe dat de overlevering voor dit feit zal worden geweigerd.

4.2 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 9 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Witwassen van opbrengsten van misdrijven

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Groot-Brittannië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

Gelet op hetgeen is overwogen in 4.1 van deze uitspraak, heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het lijstfeit “Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen” niet in redelijkheid kunnen aankruisen.

5. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid, van de OLW bedoelde garantie geeft.

De Head Extradition Policy and Legislation heeft in zijn brief van 6 mei 2011 de volgende garantie gegeven:

The UK authorities, therefore, hereby give the following undertaking under the Convention on the Transfer of Sentenced Persons of 21 March 1983: in the event that Mr. [opgeëiste persoon] is extradited to the United Kingdom and a prison sentence is imposed on him in the United Kingdom then, if the terms of Article 3 of the 1983 Convention (including the condition that Mr. [opgeëiste persoon] must consent) and any other relevant terms of that Convention are met, the United Kingdom will, following that transfer, allow the sentence to be adapted by the Netherlands according to the procedure laid down in the 1983 Convention.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan. De onder 4 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

Witwassen (artikel 420 Bis WvSr)

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van het feit waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 van het VOGP zal kunnen worden omgezet.

6. Slotsom

Nu ten aanzien van het feit witwassen waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan. Voor zover de vordering betrekking heeft op het lijstfeit “illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen” wordt de overlevering geweigerd.

7. Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6, 7 van de Overleveringswet.

8. Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de District Judge (Magistrates’ Court) van de City of Westminster Magistrates’ Court te Londen ten behoeve van het in Groot-Brittannië tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de import van 539 kilogram cannabis op 18 juni 2010.

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de District Judge (Magistrates’ Court) van de City of Westminster Magistrates’ Court te Londen ten behoeve van het in Groot-Brittannië tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de overige feiten.

Aldus gedaan door

mr. L.I.M. van Bergen, voorzitter,

mrs. W.M.C. van den Berg en J.W. Vriethoff rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 19 juli 2011.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]