Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR4243

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
05-08-2011
Zaaknummer
493229 / KG ZA 11-987 SR/PV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort Geding. Een arbitraal vonnis is vernietigd omdat niet alle arbiters het vonnis hadden ondertekend. Mede opdrachtgever tot de arbitrale procedure vordert van de voorzitter van het arbitrale college, dat uit drie personen bestond, en van het kantoor van die voorzitter dat de griffier als ondersteuning aan het arbitrale college had geleverd, het betaalde honorarium van EUR 130.000,00 terug. Grondslag voor die vordering is een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht. Vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter,

zaaknummer / rolnummer: 493229 / KG ZA 11-987 SR/PV

Vonnis in kort geding van 3 augustus 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QNOW B.V.,

gevestigd te Maastricht ,

eiseres bij dagvaarding van 30 juni 2011,

advocaat mr. H.A.J. Stollenwerck te Maastricht,

tegen

1. [arbiter 1],

wonende te [woonplaats],

2. de naamloze vennootschap

STIBBE N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STIBBE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. A.J. Kok te Amsterdam.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 20 juli 2011 heeft eiseres, verder te noemen Qnow, gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagden, verder gezamenlijk te noemen [arbiter 1] c.s. en ieder afzonderlijk [arbiter 1], Stibbe N.V. en Stibbe B.V., hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Ter terechtzitting waren, voor zover van belang, aan de zijde van Qnow aanwezig: [directeur], directeur, en mr. Stollenwerck. Aan de zijde van [arbiter 1] c.s. waren aanwezig: mr. [partner], partner in de maatschap Stibbe, mr. S.J.H.M. Berendsen en mr. Kok. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2. De feiten

2.1. Groen Invest Nederland B.V. (verder: GIN) legt zich toe op de exploitatie van Robinia-plantages. De Robinia is een boomsoort die duurzaam hout levert.

2.2. Bij overeenkomst van 30 augustus 1997 (hierna: de koopovereenkomst) heeft Qnow (destijds genaamd P&P Rijsbergen B.V.) 200.000 aandelen in het kapitaal van (de rechtsvoorgangster van) GIN (een belang van 50%) verkocht aan [koper 1] en [koper 2] (hierna: [koper 1] en [koper 2]). De koopsom bedroeg NLG 30.000.000. Op 15 september 1997 heeft Qnow bij notariële akte (hierna: de akte van levering) aan zowel [koper 1] als [koper 2] 100.000 aandelen in GIN geleverd. In de akte van levering zijn partijen overeengekomen dat zij alle geschillen ten aanzien van de overeenkomst zouden onderwerpen aan arbitrage, met uitsluiting van de bevoegde rechter. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat het arbitrale college zou bestaan uit drie arbiters, waarbij iedere partij een arbiter zou benoemen en deze twee arbiters vervolgens gezamenlijk een voorzitter zouden benoemen. Van de koopsom hebben [koper 1] en [koper 2] een bedrag van NLG 10.000.000 (EUR 4.537.802,16) betaald.

2.3. Bij brief van 6 juli 2001 is namens [koper 1] en [koper 2] de

koopovereenkomst en de akte van levering buitengerechtelijk vernietigd op grond van bedrog, althans dwaling.

2.4. [koper 1] en [koper 2] hebben, samen met GIN, een arbitrale procedure aanhangig gemaakt jegens Qnow, waarin zij hebben gevorderd: een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst en de akte van levering terecht buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans vernietiging van de koopovereenkomst en de akte van levering; veroordeling van Qnow tot terugbetaling aan [koper 1] en [koper 2] van het reeds betaalde gedeelte van de koopsom (het onder 2.2. genoemde bedrag van NLG 10.000.000); ontzegging van de werking aan de vernietiging van de koopovereenkomst en de akte van levering in die zin dat [koper 1] en [koper 2] zouden worden ontslagen van hun verplichting tot teruglevering van de aandelen in GIN aan Qnow, eventueel onder bepaling dat [koper 1] en [koper 2] in plaats daarvan aan Qnow een ex aequo et bono door de arbiters te bepalen vervangende koopsom verschuldigd zouden zijn, te verrekenen met het reeds betaalde gedeelte van de koopsom van EUR 4.537.802,16; betaling van schadevergoeding op te maken bij staat en betaling van de proceskosten.

2.5. [koper 1] en [koper 2] hebben professor mr. [arbiter 2] (hierna: [arbiter 2]) als arbiter benoemd. Qnow heeft professor mr. [arbiter 3] (hierna: [arbiter 3]) als arbiter benoemd. Vervolgens hebben [arbiter 2] en [arbiter 3] voorgesteld om [arbiter 1] als voorzitter te benoemen. Het kantoor van [arbiter 1], toen de maatschap Stibbe thans gesplitst in Stibbe N.V. en Stibbe B.V., heeft vervolgens secretariële werkzaamheden voor de arbiters verricht. In dat kader is mr. [griffier] (hierna: [griffier]), thans werkzaam bij Stibbe N.V., als griffier voor de arbiters opgetreden. De maatschap Stibbe (verder: Stibbe) heeft vervolgens EUR 130.900,- voor de werkzaamheden van de arbiters aan Qnow gedeclareerd.

2.6. De arbiters hebben onder meer op 6 juni 2003 een tussenvonnis gewezen.

Hierin hebben zij zich onbevoegd verklaard om over de vorderingen van GIN te oordelen. Verder hebben de arbiters in het tussenvonnis van 6 juni 2003, onder meer, overwogen dat er bij het aangaan van de koopovereenkomst sprake is geweest van dwaling aan de zijde van [koper 1] en [koper 2] met betrekking tot de feitelijke gang van zaken rond de aankoop van gronden door GIN en dat [koper 1] en [koper 2] ontslagen zijn uit hun verplichting tot teruglevering van de aandelen in GIN en in plaats daarvan een vervangende koopsom (hierna: de vervangende koopsom) moeten betalen, die nader zal moeten worden vastgesteld.

2.7. De arbiters hebben op 13 februari 2004 eindvonnis gewezen. Hierin hebben

zij de vervangende koopsom voor de aandelen gesteld op NLG 25.000.000

(EUR 11.344.505).

2.8. Bij brief van 19 februari 2004 zijn aan de advocaten van Qnow en [koper 1] en

[koper 2] ieder twee exemplaren van het arbitrale vonnis van 13 februari 2004 (hierna: het arbitrale vonnis I) toegezonden. Deze exemplaren waren alleen getekend door [arbiter 1] en [griffier] en niet ook door de andere arbiters. Het arbitrale vonnis I is op 5 maart 2004 gedeponeerd ter griffie van deze rechtbank.

2.9. Op verzoek van Qnow is bij beschikking van 15 maart 2004 van de

voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis I verleend. Vervolgens heeft Qnow het arbitrale vonnis I aan [koper 1] en [koper 2] doen betekenen.

2.10. Bij op 3 mei 2004 gedateerde en op 6 mei 2004 door de advocaat van [koper 1] en [koper 2] ontvangen brief heeft [arbiter 1] aan de advocaat van [koper 1] en [koper 2] en aan de toenmalig advocaat van Qnow drie exemplaren van het arbitrale vonnis I, ondertekend door alle drie de arbiters en door [griffier], alsmede drie exemplaren van alle andere arbitrale tussenvonnissen, eveneens ondertekend door alle drie de arbiters en [griffier] toegezonden. Het door alle drie de arbiters ondertekende arbitrale vonnis (eveneens van 13 februari 2004) wordt verder aangeduid als het arbitrale vonnis II.

2.11. Op 4 juni 2004 hebben [koper 1] en [koper 2] in een bodemprocedure

voor deze rechtbank (onder meer) gevorderd het arbitrale vonnis I te vernietigen, op zes afzonderlijke gronden, waaronder de grond dat dit vonnis niet overeenkomstig artikel 1057 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) was ondertekend. Verder hebben zij gevorderd dat de rechtbank voor recht zou verklaren dat het arbitrale vonnis II niet rechtsgeldig is en dat Qnow daaraan geen rechten kan ontlenen.

2.12. Op 24 augustus 2005 is het arbitrale vonnis II gedeponeerd ter griffie van de

rechtbank Utrecht.

2.13. Bij vonnis van 28 september 2005 (verder ook: het vonnis) heeft deze

rechtbank de vordering van [koper 1] en [koper 2] toegewezen. Met betrekking tot het arbitrale vonnis I heeft zij daartoe (onder meer) het volgende overwogen:

“5.7 Uit tekst en systematiek van de wet volgt dat een gebrek in de

ondertekening van een arbitraal vonnis niet kan worden hersteld door arbiters. Herstel of verbetering van een arbitraal vonnis is immers slechts mogelijk in één van de in artikel 1060 Rv limitatief opgesomde gevallen, waaronder niet is begrepen dat het vonnis niet overeenkomstig het in artikel 1057 Rv bepaalde is ondertekend. Een gebrek in de ondertekening in de zin van artikel 1057 Rv wordt daarentegen in artikel 1065 lid 1 sub d als grond voor vernietiging van een arbitraal vonnis genoemd. Het belang bij deze regeling is hierin gelegen dat ondertekening van een arbitraal vonnis door alle arbiters een belangrijke waarborg vormt voor partijen dat alle arbiters daadwerkelijk betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het vonnis, dat zij allen het vonnis voordat het is gewezen hebben gezien en dat zij controle hebben kunnen uitoefenen op het resultaat. Een en ander wordt niet, althans niet volledig, bereikt indien ondertekening op een later moment, zelfs na deponering van het vonnis, nog mogelijk zou zijn.

En met betrekking tot het arbitrale vonnis II:

“5.13 Met [koper 1] en [koper 2] is de rechtbank van oordeel dat de opdracht aan de arbiters op grond van artikel 1058 lid 2 Rv is geëindigd door het depot van het arbitrale vonnis van 13 februari 2004 op 5 maart 2004. Na dit depot konden de arbiters nog slechts in de door artikel 1060 Rv genoemde gevallen en binnen de in dit artikel genoemde termijn van dertig dagen na deponering van het arbitrale eindvonnis overgaan tot herstel of verbetering van hun arbitrale vonnissen. Aangezien het geval dat een vonnis niet overeenkomstig artikel 1057 Rv is ondertekend niet onder de artikel 1060 Rv genoemde gevallen is begrepen, stond het arbiters niet vrij het gebrek in de ondertekening van hun arbitrale vonnissen te herstellen. De rechtbank zal de primaire vordering strekkende tot het verkrijgen van een verklaring van recht dat de tweede vonnissen (...) en van 13 februari 2004 niet rechtsgeldig zijn en dat Qnow daaraan geen rechten kan ontlenen daarom toewijzen.”

2.14. Bij beschikking van 16 november 2005 heeft de voorzieningenrechter te

Utrecht verlof verleend tot ten uitvoer legging van het arbitrale vonnis II.

2.15. Qnow is tegen het vonnis van 28 september 2005 in hoger beroep gegaan bij

het Amsterdamse gerechtshof.

2.16. Op 4 mei 2006 heeft Qnow [koper 1] en [koper 2] gedagvaard in een

bodemprocedure bij de rechtbank Maastricht en gevorderd voor recht te verklaren dat het arbitrale vonnis II tussen partijen bindend is en veroordeling van [koper 1] en [koper 2] tot betaling aan Qnow van een bedrag van EUR 4.242.902,31, het restant van de door de arbiters vastgestelde vervangende koopsom, (te weten EUR 3.403.352,- vermeerderd met de tot 1 maart 2006 berekende rente), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2006.

2.17. Bij vonnis van 11 mei 2006 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank

Maastricht Qnow met onmiddellijke ingang verboden om executiemaatregelen te treffen tegen [koper 1] op grond van de arbitrale eindvonnissen van 13 februari 2004, de notariële akte van levering van

15 september 1997 en de door de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht gegeven beschikking van 16 november 2005, totdat onherroepelijk op het onder 2.15 genoemde hoger beroep zal zijn beslist.

2.18. Qnow heeft de arbiters aansprakelijk gesteld voor de schade die Qnow stelt te hebben geleden door de vernietiging, althans het niet rechtsgeldig verklaren van de arbitrale vonnissen, als gevolg van het gebrek in de ondertekening daarvan. Bij brief van 29 juni 2006 heeft de raadsman van de arbiters aan de raadsman van Qnow meegedeeld dat onder voorbehoud van alle rechten en weren een bedrag van EUR 50.000,- als voorschot aan Qnow zal worden betaald.

2.19. Bij tussenvonnis van 15 november 2006 heeft de rechtbank te Maastricht

bepaald dat de onder 2.17 genoemde procedure pas inhoudelijk zal worden behandeld nadat in het onder 2.15 genoemde hoger beroep onherroepelijk zal zijn beslist en de zaak verwezen naar de parkeerrol van 2 april 2008.

2.20. Bij arrest van 29 maart 2007 heeft het gerechtshof te Amsterdam het vonnis van deze rechtbank van 28 september 2005 bekrachtigd. Het gerechtshof heeft daartoe, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“3.5. (…)Ten slotte overweegt het hof dat aan de latere ondertekening door alle arbiters van het vonnis geen gewicht toekomt, omdat daaruit niet volgt dat die arbiters het vonnis reeds ten tijde van de nederlegging geheel onderschreven. Het hof blijft bij die overwegingen.

3.6. In de hiervoor als laatste weergegeven overweging van het hof ligt besloten dat en waarom de aard van het gebrek dat kleefde aan de eerste versie van de arbitrale vonnissen van 6 juni 2003 en 13 februari 2004 zich verzet tegen de mogelijkheid van herstel. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 5.7. van het bestreden besluit dan ook met juistheid overwogen dat het gebrek in de ondertekening niet kan worden hersteld. Het bezwaar van Qnow tegen die overweging is onterecht. “

2.21. Bij vonnis van 17 maart 2010 heeft de rechtbank Maastricht een bedrag van EUR 13.613.400,- ten laste van [koper 1] en Van der Hejiden aan Qnow toegewezen.

3. Het geschil

3.1. Qnow vordert samengevat - veroordeling van [arbiter 1] c.s. tot betaling van EUR 130.900,-, vermeerderd met rente. Daarnaast vordert Qnow dat [arbiter 1] c.s. hoofdelijk wordt veroordeeld in de kosten van dit geding.

3.2. Qnow stelt daartoe, samengevat, dat [arbiter 1] zijn arbitrale werkzaamheden als voorzitter heeft verricht in zijn hoedanigheid van advocaat/partner in de maatschap Stibbe. Stibbe heeft mr. [griffier] als griffier aan het arbitrale trio toegevoegd. Daarmee is er zowel tussen Qnow en [arbiter 1] als tussen Qnow en Stibbe een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen, die door [arbiter 1] en Stibbe is aanvaard, stelt Qnow. Het op 5 maart 2004 bij deze rechtbank gedeponeerde arbitrale vonnis is vernietigd omdat alleen [arbiter 1] en de griffier dat arbitrale vonnis hadden ondertekend. De werkzaamheden van [arbiter 1] en de griffier hebben daarmee geen arbitraal vonnis opgeleverd dat levensvatbaar is. [arbiter 1] en de griffier hebben daarmee een beroepsfout gemaakt en zijn aldus ernstig tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de overeenkomt van opdracht. Nakoming van de opdracht is blijvend onmogelijk. Daarmee verkeren [arbiter 1] en Stibbe, met wie immers de overeenkomst van opdracht is gesloten in verzuim, aldus Qnow. Bovendien is Stibbe N.V. dan wel Stibbe B.V. voor de beroepsfout van de griffier als werkgever aansprakelijk. Nu er geen prestatie is geleverd, omdat het vonnis niet levensvatbaar is, rust er op [arbiter 1] c.s. een terugbetalingsverplichting van de destijds door Qnow voor de werkzaamheden van de arbiters en de griffier betaalde declaraties. Zekerheidshalve ontbindt Qnow ook alsnog de overeenkomst met [arbiter 1] c.s., zodat er ook op die grond een verplichting tot ongedaanmaking bestaat van het door Qnow betaalde bedrag van EUR 130.900,-, aldus steeds Qnow.

3.3. [arbiter 1] c.s. voert verweer, waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Rv - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. De gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering is in kort geding slechts plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. Bij de afweging van de belangen van partijen wordt mede betrokken het risico dat niet kan worden terugbetaald, in het geval de veroordeling in kort geding geen stand houdt.

4.3. De kern van het betoog van Qnow is dat [arbiter 1], Stibbe N.V. en Stibbe B.V. de destijds door Qnow betaalde declaraties dienen terug te betalen, omdat de overeenkomst tot opdracht geen levensvatbaar arbitraal vonnis heeft opgeleverd en [arbiter 1] c.s. daarmee toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst.

4.4. Van de zijde van [arbiter 1] c.s. is primair als verweer aangevoerd dat Qnow met de onderhavige procedure misbruik van recht maakt omdat dit inmiddels de vierde procedure is waarin door Qnow op dezelfde gronden een vordering tot terugbetaling van de door haar geleden schade, waaronder de betaalde declaraties wordt, ingesteld. [arbiter 1] c.s. wordt daarin niet gevolgd. Uit de overgelegde gedingstukken maakt de voorzieningenrechter op dat in genoemde procedures door Qnow steeds vergoeding van schade als gevolg van de niet-ondertekening van het arbitrale vonnis door de overige arbiters is gevorderd en de grondslag derhalve steeds onrechtmatige daad was. In de onderhavige procedure is echter niet schadevergoeding vanwege een gepleegde onrechtmatige daad gevorderd, maar een ongedaanmakingsverplichting vanwege een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht en derhalve is de overeenkomst de grondslag van de vordering. De onderhavige procedure berust daarmee op een andere rechtsgrond, zodat Qnow thans geen misbruik van recht maakt.

4.5. Door [arbiter 1] c.s. is voorts aangevoerd dat er alleen een overeenkomst van opdracht tussen [arbiter 1] en Qnow tot stand is gekomen, maar niet tussen Stibbe N.V. en Stibbe B.V. en Qnow. In dat kader wordt overwogen dat uit de overgelegde stukken en het ter terechtzitting verhandelde blijkt dat [koper 1] en [koper 2] destijds [arbiter 2] als arbiter hebben benoemd en dat Qnow [arbiter 3] als arbiter heeft benoemd. Op voordracht van deze arbiters is vervolgens [arbiter 1] als voorzitter benoemd. Stibbe, het kantoor van [arbiter 1], heeft daarna faciliteiten, waaronder een griffier aan de arbiters ter beschikking gesteld. Van een direct verzoek of opdracht van Qnow dan wel [koper 1] en [koper 2] aan Stibbe om de arbiters in hun werkzaamheden bij te staan is niet gebleken. Bij gebreke daarvan wordt geoordeeld dat Stibbe, dan wel de griffier namens Stibbe, voorshands alleen in opdracht van de arbiters werkzaamheden heeft uitgevoerd en dat de werkzaamheden van de griffier niet berusten op een overeenkomst van opdracht tussen Qnow en Stibbe. Dat Stibbe de declaraties voor de werkzaamheden van de arbiters aan Qnow heeft gezonden, dat Qnow vervolgens ook aan Stibbe heeft betaald en dat een deel van die betalingen uiteindelijk ten goede van Stibbe zijn gekomen, maken dat niet anders. Bij de afspraken op grond waarvan die handelingen zijn verricht was Qnow geen partij. Het verzenden en innen van declaraties valt voorshands onder de afspraken tussen de arbiters en Stibbe en het afdragen van een deel van het geïnde bedrag aan de maatschap berust op afspraken tussen [arbiter 1] en Stibbe. Deze handelingen leiden niet tot een overeenkomst tussen Qnow en Stibbe. Van een toerekenbare tekortkoming in een overeenkomst door Stibbe jegens Qnow is daarmee geen sprake. Om deze reden kan in het onderhavige geval ook niet worden gezegd dat Stibbe als werkgever op grond van een overeenkomst met Qnow aansprakelijk is voor [griffier]. De vorderingen jegens Stibbe N.V. en Stibbe B.V. kunnen daarom reeds niet slagen.

4.6. Voorts dient naar voorlopig oordeel ook de vordering jegens [arbiter 1] te worden afgewezen. De grondslag van de vordering jegens [arbiter 1] is dat deze tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht, omdat er geen levensvatbaar vonnis tot stand is gekomen. Overwogen wordt dat de opdracht aan de arbiters was, het tot stand brengen van een arbitraal vonnis. Niet in geschil is dat arbiters, waaronder [arbiter 1], op 6 juni 2003 een tussenvonnis en op 13 februari 2004 een eindvonnis hebben gewezen in het door Qnow en [koper 1] en [koper 2] aan de arbiters voorgelegde geschil. Op 5 maart 2004 is dat vonnis ter griffie van deze rechtbank gedeponeerd. Zoals deze rechtbank in het vonnis van 28 september 2005 heeft geoordeeld (zie hiervoor onder 2.13), is daarmee de opdracht aan de arbiters op grond van artikel 1058, tweede lid, Rv geëindigd. Aan de opdracht tot het tot stand brengen van een arbitraal vonnis was op dat moment immers voldaan. Door deze rechtbank is vervolgens op 15 maart 2004 verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis verleend. Op dat moment beschikte Qnow dus over een volwaardig, levensvatbaar, arbitraal vonnis. De omstandigheid dat het arbitrale vonnis daarna op 28 september 2005 door deze rechtbank op grond van artikel 1065, eerste lid, onder d, Rv is vernietigd, betekent niet dat de arbiters met terugwerkende kracht de opdracht niet hebben vervuld. Arbitrale vonnissen staan op grond van de wet bloot aan het rechtsmiddel van vernietiging, hetzij op de gronden genoemd in artikel 1065 Rv door de gewone rechter, hetzij in een arbitraal hoger beroep indien een dergelijk hoger beroep is overeengekomen. In beide gevallen bestaat het arbitrale vonnis tot aan de vernietiging. Een vernietiging brengt geen verandering in de vraag of de opdracht is vervuld. Daar komt bij dat aanvaarding van de opdracht tot het tot stand brengen van een arbitraal vonnis niet een garantie jegens de opdrachtgevers inhoudt dat een dergelijk arbitraal vonnis nimmer zal worden vernietigd. De enkele vernietiging heeft dan ook niet tot gevolg dat de arbiters daardoor in verzuim zijn, zoals door Qnow betoogd. Indien de vernietiging het gevolg is van opzettelijk of bewust roekeloos handelen door de arbiters, dan wel het gevolg is van een grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling met zich brengt, zou er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, aanleiding kunnen zijn om te bepalen dat de arbiters het ontvangen honorarium terug dienen te betalen. Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter terechtzitting is gebleken is echter onvoldoende aannemelijk geworden, dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat in het onderhavige geval, vanwege de niet medeondertekening door arbiters [arbiter 2] en [arbiter 3], voornoemde situatie zich voordoet. De vordering van Qnow voldoet daarmee niet aan het hiervoor onder 4.2. geformuleerde criterium en zal daarom worden afgewezen.

4.7. Qnow zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [arbiter 1] c.s. worden begroot op:

- griffierecht EUR 3.537,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 4.353,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2. veroordeelt Qnow in de proceskosten, aan de zijde van [arbiter 1] c.s. tot op heden begroot op EUR 4.353,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sj.A. Rullmann, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. P.J. van Vliet, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2011.