Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR3887

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-08-2011
Datum publicatie
02-08-2011
Zaaknummer
13-676759-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt voor het medeplegen van moord veroordeeld tot 14 jaar gevangenisstraf.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben het slachtoffer meegelokt naar een bosschage, op zijn hoofd geslagen met een schep en begraven in een kuil naast een snelweg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/676759-10 (PROMIS)

Datum uitspraak: 2 augustus 2011

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1984],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring "Zwaag" te Zwaag.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 juli 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. Hoogerheide en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. I.R. Rigter en door verdachte naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2010 tot en met 23 september 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, eenmaal of meermalen (met kracht) met een schep, althans een hard en/of zwaar en/of stomp voorwerp, die [slachtoffer] op/tegen het hoofd, in elk geval het lichaam, geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is, zoals weergegeven in het door haar ter terechtzitting overgelegde requisitoir, van mening dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte tezamen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) de aan hem ten laste gelegde moord op [slachtoffer] (hierna [slachtoffer] of [verdachte]) heeft begaan. Zij wijst daarbij onder meer op de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte], de getuigenverklaringen van [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) en [getuige 2] (hierna: [getuige 2]), de historische gegevens van diverse telefoons en het sectierapport.

Volgens de officier van justitie is er sprake van voorbedachten rade omdat de kuil reeds was gegraven, scheppen ter plekke waren en de tape om [slachtoffer] mee vast te binden, mee was genomen. Dat vergt een behoorlijke planning. Dat een en ander in een opwelling gebeurd zou zijn, blijkt nergens uit.

Er is tevens sprake van medeplegen, aangezien medeverdachte [medeverdachte] het slachtoffer zwak heeft gemaakt door met hem een gevecht aan te gaan en verdachte het heeft afgemaakt door [slachtoffer] met de schep te slaan. De handelingen die na het feit zijn begaan, kunnen ook wijzen op gelijktijdige betrokkenheid. Het opruimen van de tape, de schep en het verhullen van het overlijden van [slachtoffer] kunnen als zodanig gekwalificeerd worden.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. In de door de raadsman ter terechtzitting overgelegde pleitnota heeft de verdediging, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

Alleen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] weten wat er zich op de bewuste avond precies heeft afgespeeld. Het door verdachte geschetste scenario is zeer goed mogelijk, aangezien het op geen enkel punt wordt tegengesproken door harde feiten in het dossier. Ook is er een aantal aanwijzingen dat verdachtes verklaring juist is. Daarentegen zijn de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] leugenachtig en onbetrouwbaar en daarmee niet bruikbaar voor het bewijs in de zaak tegen verdachte. Deze verklaringen dienen dan ook te worden uitgesloten van het bewijs. Tevens zijn de verklaringen van [getuige 2] door tijdsverloop, door de veelvuldige consumptie van softdrugs, door wraakzucht en door onjuiste informatie onbetrouwbaar.

De verklaringen van [getuige 1] zijn eveneens onbetrouwbaar en mogen daarom niet voor het bewijs gebruikt worden. In haar verklaringen zitten namelijk veel tegenstrijdigheden. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat haar verklaringen "besmet" zijn door onjuiste informatie en is er een zeer reële mogelijkheid dat [getuige 1] zich op een aantal belangrijke punten heeft vergist. Bovendien is er een in het oog springend motief om verdachte ten onrechte te belasten.

Voorts is er een andere reden om de verklaringen van [getuige 1] niet te gebruiken. Deze is gelegen in het geschonden ondervragingsrecht, gegarandeerd in artikel 6, lid 1, sub d, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de getuige willen bevragen en daartoe is [getuige 1] tweemaal als getuige bij de rechter-commissaris gehoord. Ze heeft echter de eerste keer niet en nadat haar zaak was geseponeerd nauwelijks antwoord gegeven op vragen van de verdediging. De verdediging heeft de officier van justitie gevraagd de getuige ter zitting op te roepen, maar dat is geweigerd. Hierdoor heeft de verdediging niet de mogelijkheid gehad om de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] te toetsen. Het recht op een adequate mogelijkheid om een getuige te ondervragen is het uitgangspunt; bewijsuitsluiting van doorslaggevende verklaringen van getuigen die de verdediging niet heeft kunnen ondervragen de hoofdregel. Op het belangrijke recht een dergelijke getuige te kunnen ondervagen, is een inbreuk gemaakt, doordat de verdediging die mogelijkheid onvoldoende heeft gehad.

Subsidiair heeft de verdediging het verzoek gedaan om, indien de rechtbank overweegt de verklaringen van [getuige 1] wel voor het bewijs te bezigen, de oproeping te bevelen van de getuige tegen een nadere terechtzitting om daar te worden gehoord. De verdediging acht dat noodzakelijk.

Verder vormen de omstandigheden dat verdachte "fake" telefoongesprekken heeft gevoerd waarin gedaan werd of [slachtoffer] nog in leven was, dat verdachte wist van het onderverhuren van de woning en van de opbrengst daarvan zal hebben geprofiteerd en dat verdachte van de bankrekening van [slachtoffer] geld heeft gepind en uitgegeven, geen onderbouwing voor de stelling dat verdachte [slachtoffer] zou hebben vermoord.

Verdachte heeft geen opzet op de dood van [slachtoffer] gehad. Hij is hierbij aanwezig geweest en heeft een rol gehad in het verhullen van het feit dat door medeverdachte [medeverdachte] is gepleegd. Hij heeft echter geen enkele uitvoeringshandeling verricht. Een mogelijkheid om zich te distantiëren was er niet. Een voor hem verrassende klap met een schep gebeurde in een fractie van een seconde. Verdachte had geen wetenschap omtrent hetgeen stond te gebeuren. Overigens, al zou verdachte wetenschap hebben gehad van een dergelijk voornemen bij medeverdachte [medeverdachte], dan is dat samen met een non-distantie nog onvoldoende om te komen tot medeplegen.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

3.3.1. Ondervragingsrecht van de verdediging

Op 28 maart 2011 is [getuige 1] bij de rechter-commissaris gehoord als getuige en verdachte. Nadat op 27 juni 2011 de zaak tegen [getuige 1] was geseponeerd, is zij op 13 juli 2011 wederom door de rechter-commissaris gehoord, dit maal als getuige. Tijdens de twee verhoren heeft de raadsman de gelegenheid gehad vragen aan de getuige te stellen, maar omdat [getuige 1] ook medeverdachte in de onderhavige zaak was, heeft zij zich bij een aantal vragen beroepen op haar verschoningsrecht.

Tijdens het verhoor op 13 juli 2011 heeft de rechter-commissaris ten aanzien van het verschoningsrecht van [getuige 1], zakelijk weergegeven, overwogen dat de getuige bij de politie een vijftal verklaringen heeft afgelegd, de eerste drie als getuige en de laatste twee als verdachte. Naar het oordeel van de rechter-commissaris heeft zij tijdens haar drie getuigenverhoren ten onrechte niet de cautie gekregen. Het is volgens hem daarom niet onaannemelijk dat deze eerste drie verklaringen niet voor het bewijs tegen de getuige zelf gebruikt kunnen worden. Indien de getuige haar eerste verklaringen zou herhalen, kan dat strafrechtelijk in haar nadeel zijn.

De rechtbank neemt deze conclusie van de rechter-commissaris over en maakt deze tot de hare.

De Hoge Raad heeft bepaald dat in het licht van het EVRM het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal voor zover inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde voor de verdachte belastende verklaring niet zonder meer ongeoorloofd is en in het bijzonder niet onverenigbaar is met artikel 6, eerste lid en derde lid, aanhef en onder d, EVRM. Van onverenigbaarheid is in ieder geval geen sprake indien de verdediging in enig stadium van het geding, hetzij op de terechtzitting hetzij daarvoor, de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen. De enkele omstandigheid dat een getuige die voor een rechter is opgeroepen en aldaar is verschenen, weigert een verklaring af te leggen, brengt niet mee dat inbreuk wordt gemaakt op het door artikel 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM gewaarborgde recht.i

Zoals reeds gezegd heeft de verdediging in twee verhoren bij de rechter-commissaris aan de getuige [getuige 1] vragen kunnen stellen. Op een aantal vragen heeft de verdediging echter geen antwoord gekregen in verband met het verschoningsrecht dat deze getuige toekwam. Nu [getuige 1] bij de rechter-commissaris tot twee keer toe als getuige is gehoord en de verdediging de gelegenheid heeft gehad om over die getuige, haar eerder afgelegde verklaringen naar voren te brengen wat zij noodzakelijk oordeelde, is de rechtbank van oordeel dat voor het bewijs gebruik kan worden gemaakt van de verklaringen van [getuige 1], zoals zij deze tegenover de politie heeft afgelegd.ii Daarbij weegt de rechtbank mee dat de kern van hetgeen [getuige 1] heeft verklaard niet op zichzelf staat, maar ook in andere bewijsmiddelen naar voren komt zoals hieronder beschreven. De bewezenverklaring zal dan ook niet uitsluitend dan wel in beslissende mate op de verklaringen van [getuige 1] gebaseerd zijn.iii

3.3.2. Verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1]

Na het verhoor van [getuige 1] op 13 juli 2011 bij de rechter-commissaris heeft de verdediging op 14 juli 2011 het verzoek gedaan om [getuige 1] ter terechtzitting van 19 juli 2011 te doen horen. Dit verzoek is door de officier van justitie op 15 juli 2011 afgewezen. Het verzoek om [getuige 1] alsnog ter terechtzitting te horen heeft de verdediging eerst bij pleidooi herhaald. Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat bij de beantwoording van de vraag of het verzoek van de verdediging kan worden toegewezen, het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is. Nu de rechtbank zich voldoende voorgelicht acht en aan haar de noodzakelijkheid van het verhoor op een nadere terechtzitting van de getuige [getuige 1] niet blijkt, wijst zij het verzoek van de verdediging af.

3.3.3. Feiten en omstandigheden

Op grond van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende redengevende feiten en omstandigheden.iv

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben een afspraak gemaakt om op 21 maart 2011 naar het huis van [slachtoffer] te gaan.v Aan [getuige 1] heeft verdachte enige tijd daarvoor al gezegd dat hij van plan was om [slachtoffer] te vermoorden.vi Op 21 maart 2010 wordt medeverdachte [medeverdachte] rond 22:30 uur door verdachte en [getuige 1] opgehaald bij een bushalte in Amsterdam Noordvii, waarna ze naar de woning van [slachtoffer] in de [A-straat] te Amsterdam lopen. Medeverdachte [medeverdachte] heeft op dat moment een rol tape bij zich waarover hij heeft verklaard dat hij die op verzoek van verdachte heeft meegenomen om [verdachte] vast te binden.viii Als ze bij de woning van [slachtoffer] aankomen, bellen ze aan en [slachtoffer] komt naar beneden. Uit het feit dat [slachtoffer] zonder nadere vragen meegaat, leidt de rechtbank af dat hem tevoren een valse reden is opgegeven om mee te gaan. Rond 23:00 uur vertrekken ze dan met z'n vieren en de hond naar de groenstrook langs de A10 in Amsterdam Noord. Halverwege het bospad vraagt verdachte aan [getuige 1] om met de hond te blijven staan. Hierop gaan verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en [slachtoffer] verder de bosschages in.ix Op dat moment heeft verdachte in zijn linker broekzak een vuurwapen zitten.x Even later wordt [slachtoffer] in de bosschages met een schep op zijn hoofd geslagen. Daarna wikkelt medeverdachte [medeverdachte] tape om het hoofd van [slachtoffer]. Er is in die bosschages handmatig een diepe kuil gegraven en vervolgens wordt het lichaam van [slachtoffer] in die kuil gelegd en begraven.xi Daarna lopen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] naar het huis van [slachtoffer]. Onderweg laat medeverdachte [medeverdachte] de schep in het water glijden.xii Thuis aangekomen ziet [getuige 1] dat de kleren, armen, handen en knieën van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] onder de modder zitten.xiii Op 23 september 2010 wordt het lichaam van [slachtoffer] gevonden en opgegraven. [slachtoffer] blijkt te zijn overleden als gevolg van zeer heftig botsend geweld op het hoofd met de schep.xiv

Na de dood van [slachtoffer] heeft verdachte een aantal keer gepind met de pinpas van [slachtoffer]. Tevens heeft hij contact gehad met de Dienst Werk en Inkomen en met de reclassering. Hij heeft hen onder andere meegedeeld dat zijn broer in Duitsland was.xv Medeverdachte [medeverdachte] heeft op 4 augustus 2010 een valse aangifte gedaan inhoudende dat een auto waarmee hij een proefrit maakte, door [slachtoffer] was gestolen.xvi Verder is de woning van [slachtoffer] onderverhuurd en een uitvaartverzekering van [slachtoffer] afgekocht. Verdachte heeft een deel van het geld dat hiermee werd verkregen, ontvangen.xvii

3.3.4. Nadere overwegingen

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de schep die gebruikt is om [slachtoffer] op het hoofd te slaan, in het water heeft laten glijden nadat [slachtoffer] was begraven. Op zijn aanwijzingen is een schep op die exacte plek aangetroffen.xviii De rond verlopende hoeken van de aangetroffen schop passen qua afmetingen en ronde vorm in de langwerpige beschadiging van de schedeldelen van [slachtoffer].xix De rechtbank is derhalve van oordeel dat [slachtoffer] met de aangetroffen schep op zijn hoofd is geslagen, ten gevolge waarvan hij is overleden.

3.3.4.1. Betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen.

Verklaringen van [getuige 1]

Getuige [getuige 1] heeft in haar verklaringen op hoofdlijnen consistent verklaard, hetgeen de raadsman ook niet heeft betwist. Voorts wordt haar verklaring, wat betreft de onderdelen die de rechtbank voor het bewijs heeft gebruikt, voor een deel ondersteund door zowel de verklaringen van verdachte als de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] en voor een deel door de overige opsporingsbevindingenxx. Gelet hierop en de omstandigheid dat op de aanwijzingen van [getuige 1] het lijk van [slachtoffer] is gevondenxxi, is de rechtbank van oordeel dat haar verklaringen geloofwaardig zijn. Dit geldt ook voor het onderdeel van de verklaring van [getuige 1] waarin zij heeft verklaard dat verdachte haar van tevoren heeft gezegd dat hij van plan was [slachtoffer] te vermoorden. Dat ze niet gelijkluidend heeft verklaard wanneer hij dit precies tegen haar heeft gezegd, maakt dit niet anders, aangezien uit haar verklaringen duidelijk blijkt dat verdachte haar dat in ieder geval vóór het ophalen van [slachtoffer] op de avond van 21 maart 2010 heeft verteld.

Voorts wordt het standpunt van de verdediging inhoudende dat [getuige 1] een motief had om verdachte ten onrechte te belasten, door de rechtbank verworpen. De rechtbank overweegt daarbij dat het afleggen van een verklaring [getuige 1] alleen maar narigheid heeft opgeleverd en de rechtbank ziet dan ook geen enkel belang voor [getuige 1] om dit verhaal te verzinnen.

Verklaringen van medeverdachte [medeverdachte]

De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] worden voor wat betreft de onderdelen die de rechtbank voor het bewijs heeft gebruikt, ondersteund door andere bewijsmiddelen.xxii De rechtbank acht de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] voor wat betreft die onderdelen dan ook geloofwaardig.

Verklaringen van [getuige 2]

Evenmin twijfelt de rechtbank aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige 2], nu verdachte ter terechtzitting niet heeft ontkend met haar op een terras over de gewelddadige dood van [verdachte] te hebben gesproken en zij tijdens haar verhoor bij de rechter-commissaris op 28 maart 2011 niet anders heeft verklaard dan bij de politie.

3.3.4.2. Opzet en voorbedachten rade

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben [slachtoffer] in het donker onder valse voorwendselen meegelokt naar een afgelegen plek. Op dat moment had verdachte een vuurwapen bij zich en medeverdachte [medeverdachte] een rol tape om het slachtoffer vast te binden. Halverwege het bospad werd [getuige 1] met haar hond achtergelaten en zijn verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en [slachtoffer] verder de bosschages ingelopen. Daar was op dat moment een met de hand gegraven kuil en een schep aanwezig, waarmee [slachtoffer] vervolgens op het hoofd werd geslagen. Daarna heeft medeverdachte [medeverdachte] tape over de mond en de ogen van [slachtoffer] gedaan en is [slachtoffer] in de kuil gelegd en begraven. De schep waarmee [slachtoffer] is geslagen, is later door medeverdachte [medeverdachte] in het water gegooid. Verdachte heeft na de dood van [slachtoffer] aan [getuige 2]xxiii verteld dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte], [slachtoffer] heeft gedood. Al deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien tezamen met de omstandigheid dat verdachte enige tijd van tevoren aan [getuige 1] heeft gezegd dat hij [slachtoffer] zou vermoorden, brengen met zich dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte de opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] alsmede dat hij op verschillende momenten de gelegenheid heeft gehad om zijn handelen te kunnen overdenken, waardoor er sprake is van voorbedachten rade.

Verdachte heeft over zijn betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer] met de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] gesproken. Gevoegd bij de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] en de forensische bevindingen omtrent het gevonden lichaam van [slachtoffer], dragen de de auditu-verklaringen van de getuigen over wat de verdachte tegen hen heeft gezegd, bij aan het consistente beeld dat uit het dossier spreekt omtrent het doden van [slachtoffer], het begraven van het lijk en het aandeel van de verdachte hierin. Tegenover dit consistente beeld van de moord en de rol van de verdachte daarin, is het gesuggereerde alternatieve scenario van de verdediging niet aannemelijk geworden.

3.3.4.3. Medeplegen

Medeplegen vereist een nauwe en bewuste samenwerking. Dit houdt in dat de medeplegers willens en wetens samenwerken tot het verrichten van de delictueuze gedraging. Niet nodig is dat alle medeplegers de uitvoeringshandelingen mede verrichten.

Uit het hiervoor onder punt 3.3.4.2. omschreven handelen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] en het tijdsverloop blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zodanig nauw en bewust hebben samengewerkt om [slachtoffer] van het leven te beroven, dat er sprake is geweest van medeplegen. Dit wordt ondersteund door de omstandigheid dat zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] het overlijden van [slachtoffer] hebben geprobeerd te verdoezelen en van zijn dood hebben geprofiteerd.xxiv Dat het niet duidelijk is geworden wie uiteindelijk de fatale klap aan [slachtoffer] heeft toegebracht, doet aan dit oordeel niet af.

Het voorgaande leidt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 1 maart 2010 tot en met 22 maart 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en/of zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met kracht met een schep die [slachtoffer] op het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

7.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) jaren met aftrek van voorarrest.

7.2. Het standpunt van de verdediging

Nu de verdediging vrijspraak heeft betoogd, heeft zij het verzoek gedaan het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.

Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat uit de jurisprudentie blijkt dat het uitgangspunt voor een enkelvoudige moord een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren is. De door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van achttien jaren is dan ook veel te hoog.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte het slachtoffer samen met een ander in koelen bloede heeft vermoord. Dat het slachtoffer de halfbroer van verdachte was, maakt het delict extra schokkend. Volgens de tevoren gemaakte afspraak heeft hij tezamen met medeverdachte [medeverdachte], [slachtoffer] meegelokt naar een bosschage, waarna [slachtoffer] met een schep op het hoofd is geslagen en in een kuil is begraven. Door het lichaam van het slachtoffer te begraven in een kuil naast een snelweg, heeft verdachte niet alleen blijk gegeven van een gebrek aan enig respect voor het slachtoffer, maar ook van het uitsluitend oog hebben voor zijn eigen belang dat het misdrijf niet aan het licht zou komen en dat hij daarmee niet in verband zou worden gebracht.

Pas na een half jaar is het lichaam van [slachtoffer] gevonden. Uit het rapport van de patholoog anatoom blijkt dat de dood van het slachtoffer zeer pijnlijk geweest moet zijn. Ook is niet uit te sluiten dat het slachtoffer op het moment dat hij werd begraven, nog leefde. Verdachte heeft zijn halfbroer dan ook op een gruwelijke wijze om het leven gebracht.

Daarnaast heeft verdachte het overlijden van [slachtoffer] geprobeerd te verhullen en heeft hij gewetenloos gedurende een lange tijd geprofiteerd van de dood van zijn halfbroer. De omstandigheid dat hij geld van de rekening van het slachtoffer heeft weggenomen en van diens uitvaartverzekering heeft geprofiteerd, acht de rechtbank bijzonder verwerpelijk.

Verder heeft verdachte geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden.

Verdachte heeft niet meegewerkt aan gedragsdeskundige onderzoeken, zodat de rechtbank geen inzicht heeft gekregen in zijn persoonlijkheid en dus ook geen rekening kan houden met persoonlijke, eventueel verzachtende, omstandigheden van verdachte.

Op moord kan, ter effening van de schok die aan de rechtsorde is toegebracht, in dit geval niet anders worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van zeer lange duur. De rechtbank ziet echter, gelet op de jurisprudentie en het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 december 2010 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld, aanleiding om af te wijken van de straf die door de officier van justitie is gevorderd.

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank het verzoek van de verdediging om het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen, afwijst.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van moord

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M.J. Lommen-van Alphen, voorzitter,

mrs. W.M.C. van den Berg en J.W. Vriethoff, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.D. Coumou, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 augustus 2011.

i Hoge Raad 1 februari 1994, NJ 1994, 427[0][0]

ii Hoge Raad 5 januari 2010, NJ 2010, 571[0]

iii EHRM, 8 januari 2009, nr. 14899/04 (Babkin vs. Rusland[0])

iv De weergegeven bewijsmiddelen bevinden zich, tenzij anders vermeld, in de dossiers van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland. De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende pagina's in de dossiers.

v Verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 19 juli 2011. Een proces-verbaal van verhoor van 18 maart 2011 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [medeverdachte], pagina 3.

vi Zaaksdossier, pagina 20 (verklaring van [getuige 1] d.d. 7 september 2010). Zaaksdossier, pagina 28 (verklaring van [getuige 1] d.d. 13 september 2010). Een proces-verbaal van verhoor van 1 oktober 2010 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [getuige 1], pagina 2.

vii Zaaksdossier, pagina 12 (verklaring van [getuige 1] d.d. 3 september 2010). Een proces-verbaal van verhoor van 1 oktober 2010 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [getuige 1], pagina 2. Zaaksdossier, pagina 313 (proces-verbaal van bevindingen).

viii Een proces-verbaal van verhoor van 18 maart 2011 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [medeverdachte], pagina's 4 en 7.

ix Verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 19 juli 2011. Een proces-verbaal van verhoor van 1 oktober 2010 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [getuige 1], pagina 2. Zaaksdossier, pagina 12 e.v. (verklaring van [getuige 1] d.d. 3 september 2010). Een proces-verbaal van verhoor van 18 maart 2011 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [medeverdachte], pagina 4.

x Verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 19 juli 2011.

xi Verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 19 juli 2011. Een proces-verbaal van verhoor van 18 maart 2011 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [medeverdachte], pagina 3, 4 en 7. Dossier Forensische opsporing, pagina's 24 tot en met 26 (proces-verbaal van bevindingen). Een geschrift, te weten het rapport "DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van een ongeïdentificeerde persoon in Amsterdam op 23 september 2010" van het Nederlands Forensisch Instituut van 27 september 2010 met nummer 2010.09.09.025, opgemaakt door dr. A.J. Kal, inhoudende de verklaring van Kal, Dossier Forensische Opsporing, pagina 19. Een geschrift, te weten het rapport "Forensisch archeologisch onderzoek en analyse naar aanleiding van het aantreffen van een begraven stoffelijk overschot nabij de A10 te Amsterdam, d.d. 23 september 2010" van het Nederlands Forensisch Instituut van 11 november 2010 met nummer 2010.09.09.025, opgemaakt door drs. W.J. Groen, inhoudende de verklaring van Groen, Dossier Forensische Opsporing pagina 118. Een geschrift, te weten het rapport "Een kras-, indruk- en vormsporenonderzoek aan een schop en schedeldelen naar aanleiding van het aantreffen van een levenloze man in Amsterdam Noord op 23 september 2010" van het Nederlands Forensisch Instituut van 1 februari 2011 met nummer 2010.09.09.025, opgemaakt door R. Pieterman, inhoudende de verklaring van Pieterman, Dossier Forensische Opsporing pagina 179. Beslagdossier pagina 63.

xii Een proces-verbaal van verhoor van 18 maart 2011 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [medeverdachte], pagina 7. Zaaksdossier, pagina 534 (proces-verbaal van bevindingen).

xiii Een proces-verbaal van verhoor van 1 oktober 2010 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [getuige 1], pagina 2. Zaaksdossier, pagina's 28 en 30 (verklaring van [getuige 1] d.d. 13 september 2010).

xiv Dossier Forensische opsporing, pagina's 24 en 26 (proces-verbaal van bevindingen). Een geschrift, te weten het rapport "DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van een ongeïdentificeerde persoon in Amsterdam op 23 september 2010" van het Nederlands Forensisch Instituut van 27 september 2010 met nummer 2010.09.09.025, opgemaakt door dr. A.J. Kal, inhoudende de verklaring van Kal, Dossier Forensische Opsporing, pagina 19. Een geschrift, te weten het rapport "Een kras-, indruk- en vormsporenonderzoek aan een schop en schedeldelen naar aanleiding van het aantreffen van een levenloze man in Amsterdam Noord op 23 september 2010" van het Nederlands Forensisch Instituut van 1 februari 2011 met nummer 2010.09.09.025, opgemaakt door R. Pieterman, inhoudende de verklaring van Pieterman, Dossier Forensische Opsporing pagina 179. Een geschrift, te weten het rapport "Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood" van het Nederlands Forensisch Instituut van 18 januari 2011 met nummer 2010.09.09.025, opgemaakt door arts en patholoog A. Maes, inhoudende de verklaring van de patholoog, Dossier Forensische Opsporing pagina 155. Beslagdossier pagina 63.

xv Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 19 juli 2011. Zaaksdossier, pagina 63 (proces-verbaal van bevindingen). Zaaksdossier, pagina's 290 en 291 (proces-verbaal van bevindingen). Zaaksdossier, pagina's 100 en 101 (proces-verbaal van bevindingen). Zaaksdossier, pagina 303 (proces-verbaal van bevindingen).

xvi Zaaksdossier, pagina's 123 en 124 (proces-verbaal van aangifte). Een proces-verbaal van verhoor van 18 maart 2011 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [medeverdachte], pagina 9.

xvii Verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 19 juli 2011. Zaaksdossier, pagina's 623 en 624 (proces-verbaal van bevindingen). Een geschrift, te weten een brief van Reaal verzekeringen d.d. 18 juni 2010, inhoudende de afkoop van de polis met nummer [polisnr] ten name van [slachtoffer], pagina 629. Een geschrift, te weten een brief op naam van [slachtoffer] aan Reaal Levensverzekeringen betreffende het afkopen van een begrafenispolis, pagina 630. Zaaksdossier, pagina 116 (proces-verbaal van bevindingen).

xviii Zie noot 12.

xix Zie noot 14.

xx Zie noten 7,9 en 14.

xxi Zaaksdossier, pagina's 11 tot en met 18 (verklaring van [getuige 1] d.d. 3 september 2010). Dossier Forensische Opsporing, pagina's 24-26 (proces-verbaal van bevindingen). Een geschrift, te weten het rapport "DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van een ongeïdentificeerde persoon in Amsterdam op 23 september 2010" van het Nederlands Forensisch Instituut van 27 september 2010 met nummer 2010.09.09.025, opgemaakt door dr. A.J. Kal, inhoudende de verklaring van Kal, Dossier Forensische Opsporing, pagina 19.

xxii Zie noten 5, 9, 11, 12 en 16.

xxiii Zaaksdossier, pagina's 38 en 39 (verklaring van [getuige 2] d.d. 4 september 2010). Zaaksdossier, pagina's 40 tot en met 45 (verklaring van [getuige 2] d.d. 8 september 2010). Een proces-verbaal van verhoor van 28 maart 2011 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [getuige 2], pagina's 3 tot en met 6.

xxiv Zie noten 15 tot en met 17.