Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR3857

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-08-2011
Datum publicatie
01-08-2011
Zaaknummer
493479 / KG ZA 11-1001 SR/MV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Stichting die de belangen behartigt van beleggers in via Wijs & Van Oostveen verkregen "Lehman Notes" vordert in kort geding nakoming van een overeenkomst die zij heeft gesloten met Deminor. Op grond van die overeenkomst dient Deminor voor de stichting op te treden in de procedure tegen Wijs & Van Oostveen. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam wijst de vordering van de stichting toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2011/89
JONDR 2012/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrecter

zaaknummer / rolnummer: 493479 / KG ZA 11-1001 SR/MV

Vonnis in kort geding van 1 augustus 2011

in de zaak van

de stichting

STICHTING HULP GEDUPEERDEN,

gevestigd te Noordwolde (gemeente Weststellingwerf),

eiseres bij dagvaarding van 29 juni 2011,

advocaat mr. J.H. Tonino te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEMINOR NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. B.J. van Spaendonck te Amsterdam.

Partijen zullen hierna SHG en Deminor worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 14 juli 2011 heeft SHG gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Deminor heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Deminor heeft tevens een Conclusie van Antwoord in het geding gebracht.

Ter zitting waren aanwezig:

Aan de zijde van SHG: [persoon 1], voorzitter, met mr. Tonino en zijn kantoorgenoot mr. J.C. Heuving.

Aan de zijde van Deminor: [persoon 2] en [persoon 3] met mr. Van Spaendonck.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Het vonnis is aanvankelijk bepaald op 29 juli 2011. Nadien zijn de raadslieden van partijen er telefonisch van in kennis gesteld dat het vonnis op 1 augustus 2011 wordt uitgesproken.

2. De feiten

2.1. SHG is op 31 december 2008 opgericht met als doel het behartigen van de belangen van beleggers die schade hebben geleden omdat zij via Wijs & Van Oostveen B.V. (hierna Wijs & Van Oostveen) hebben geïnvesteerd in Lehman Notes, een financieel product dat is verschaft door Lehman Brothers Treasury Co. B.V. Door het faillissement van deze laatstgenoemde vennootschap op 8 oktober 2008 hebben de Lehman Notes hun waarde grotendeels verloren.

2.2. De beleggers die zich hebben aangesloten bij SHG hebben hun vordering tot schadevergoeding aan SHG gecedeerd. Hiertoe zijn zij een zogenaamde aansluitovereenkomst aangegaan met SHG. SHG heeft Wijs & Van Oostveen uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk gesteld voor de schade.

2.3. Op 9 juni 2009 heeft SHG een overeenkomst van opdracht (hierna de overeenkomst) gesloten met Deminor, teneinde haar door Deminor te vertegenwoordigen in het traject om van Wijs & Van Oostveen maximale schadevergoeding te krijgen. In artikel 4 van de overeenkomst is opgenomen dat SHG Deminor hiervoor een vergoeding dient te betalen; deze vergoeding bestaat uit een vaste vergoeding van € 100,- of € 200,- per deelnemer en een variabele vergoeding van 15% van een eventueel aan SHG door de rechtbank toegekende vergoeding. In artikel 4 is tevens opgenomen welke kosten Deminor van de vaste vergoeding voor eigen rekening dient te nemen en welke kosten voor rekening van SHG komen. Dit onderdeel van artikel 4 luidt als volgt:

Deze Vaste Vergoeding zal alle kantoor- en out-of-pocket kosten dekken die Deminor zal hebben met betrekking tot het Mandaat. De vaste vergoeding zal ook het deel van de Stichting in de gerechtskosten dekken, als de rechtbank zou beslissen dat de Stichting zulke kosten zou dienen te betalen. Gerechtskosten zijn omschreven als de kosten die de rechtbank oplegt te betalen door één of meer van de procespartijen aan de rechtbank voor het proces, maar dit omvat niet de betaling aan de tegenpartij van zijn/haar advocaatkosten indien de Stichting veroordeeld zou worden tot de betaling van deze advocatenkosten. Deminor is niet aansprakelijk voor de negatieve gevolgen van een door de tegenpartij(en) ingestelde tegenvordering of voor een veroordeling door de gerechtelijke instanties tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding of om het even welke andere vergoeding aan de tegenpartij(en) en bijgevolg niet gehouden tot welke betaling ook, tenzij aangetoond zou kunnen worden dat Deminor een zware professionele fout heeft begaan in de uitvoering van haar Mandaat.

2.4. In artikel 6 van de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

De overeenkomst kan eenzijdig door Deminor met onmiddellijke ingang worden beëindigd, zonder dat de ontbinding in rechte dient te worden gevorderd, in de volgende gevallen:

- Wanneer de opdracht door omstandigheden buiten de wil van Deminor niet langer kan uitgevoerd worden of indien Deminor van oordeel is dat geen positief resultaat bekomen kan worden, waardoor de oorzaak van de samenwerking vanaf de vaststelling van één van die twee hypotheses komt te vervallen; (…)

2.5. De vorderingen van de deelnemers zijn in drie juridische procedures ingedeeld. Van de eerste groep van ongeveer 260 deelnemers is de vordering afgewezen bij vonnis van deze rechtbank van 2 maart 2011. In dat vonnis is SHG veroordeeld in de proceskosten, bepaald op twee keer het bedrag van € 11.373,-. SHG heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam. De procedures van de tweede en derde groep (samen ongeveer 282 deelnemers) zijn nog aanhangig bij deze rechtbank.

2.6. Op 7 april 2011 heeft SHG een bedrag van € 23.912,33 overgemaakt naar de derdengeldrekening van de advocaat van Wijs & Van Oostveen uit hoofde van de hiervoor bedoelde proceskostenveroordeling. Op diezelfde datum heeft SHG eveneens het bedrag van € 1.166,93 betaald uit hoofde van een proceskostenveroordeling uitgesproken in een kort gedingvonnis van 4 maart 2010. Dit kort geding was aangespannen door een drietal bestuurders van Wijs & Van Oostveen tegen SHG.

2.7. Op 3 mei 2011 heeft tussen partijen overleg plaatsgevonden. In dit overleg is onder meer gesproken over aanvullende voorwaarden die Deminor wenste te stellen en die neer zouden worden gelegd in een aanvullende overeenkomst die door de deelnemers zou moeten worden getekend. Op 5 mei 2011 is aan alle deelnemers een nieuwsbrief gestuurd met daarbij gevoegd een concept van de aanvullende overeenkomst.

2.8. Bij brief van 19 mei 2011 heeft Deminor de overeenkomst met onmiddellijke ingang beëindigd op grond van artikel 6 van die overeenkomst.

2.9. Bij brief van 3 juni 2011 heeft de raadsman van SHG de hiervoor onder 2.7 genoemde opzegging niet rechtsgeldig geacht. SHG heeft Deminor – kort gezegd – gesommeerd de overeenkomst na te komen, in het bijzonder door het financieel en administratief faciliteren van de appelprocedure en door het restitueren van de door SHG betaalde proceskostenveroordelingen.

3. Het geschil

3.1. SHG vordert – kort gezegd – het volgende:

I. primair: nakoming van alle tussen SHG en Deminor uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen, waaronder:

a. het financieel faciliteren van het hoger beroep;

b. het geven van de noodzakelijke instructies aan de advocaat die in het hoger beroep optreedt;

c. het verzamelen en doorgeven van de benodigde informatie aan die advocaat;

subsidiair: Deminor te veroordelen tot voldoening van alle kosten die verband houden met de reeds aanhangig gemaakte procedures in eerste aanleg en in hoger beroep;

een en ander op straffe van dwangsommen;

II. betaling door Deminor van € 23.912,33 en € 1.166,93 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW;

III. betaling van € 4.165,- aan buitengerechtelijke kosten,

en met veroordeling van Deminor in de kosten van dit geding.

3.2. SHG stelt hiertoe – samengevat weergegeven – dat het beroep van Deminor op artikel 6 van de overeenkomst niet dient te slagen. Voorafgaand aan de beëindigingsbrief van 19 mei 2011 is SHG niet door Deminor in gebreke gesteld of op andere wijze de wacht aangezegd. Op 19 april 2011 hebben de advocaten van SHG een advies uitgebracht (productie 4 van SHG) over de kansen in hoger beroep en hierin is opgenomen dat zij verschillende mogelijkheden zien om met succes grieven te richten tegen een groot aantal essentiële overwegingen uit het vonnis van de rechtbank van 2 maart 2011. Dit positieve appeladvies dient gezien te worden tegen de achtergrond van artikel 1 van de overeenkomst. In dit artikel is bepaald dat Deminor jegens SHG verplicht is “waar mogelijk en nuttig” alle “nuttige claims in te dienen (…) en in dit verband, alle gerechtelijke middelen en argumenten uit te putten, en de belangen van de cliënten te behartigen in het kader van deze volmacht.” Uit artikel 1 volgt derhalve dat indien een redelijke mate van succes is te verwachten – en dit volgt uit het positieve appeladvies – Deminor alle noodzakelijke gerechtelijke stappen dient te zetten. De vordering tot nakoming van de overeenkomst dient dan ook te worden toegewezen.

SHG bestrijdt het verweer van Deminor dat SHG niet aan haar informatieverplichting zou hebben voldaan en dat Deminor – mede op grond hiervan – de overeenkomst heeft mogen opzeggen. SHG heeft steeds alle dossiers van de individuele beleggers volledig aan Deminor ter beschikking gesteld. Bovendien valt niet in te zien wat SHG op dit moment nog aan informatie dient te verstrekken; de drie procedures zijn inmiddels aanhangig en Deminor beschikt reeds over alle informatie.

Tevens bestrijdt SHG het verweer van Deminor dat onvoldoende draagvlak zou bestaan bij de deelnemers en dat dit tevens als opzeggingsgrond zou moeten worden gezien. Na het wijzen van het vonnis van 2 maart 2011 heeft Deminor eenzijdig aanvullende voorwaarden gesteld aan SHG en haar deelnemers. Deze voorwaarden zijn neergelegd in een aan de deelnemers van SHG verzonden nieuwsbrief van 5 mei 2011 en in een aan alle deelnemers toegezonden aanvullende overeenkomst. Deze voorwaarden houden in dat ten minste 75% van de deelnemers dient in te stemmen met en steun dient te verklaren aan de procedure in hoger beroep. Ten minste 75% van de deelnemers moet zich schriftelijk bereid verklaren aanvullende stukken en/of informatie aan te leveren en moet zich tevens schriftelijk bereid verklaren bij te dragen aan een kostenveroordeling indien de juridische procedures worden verloren. In de door de deelnemers te tekenen aanvullende overeenkomst was tevens als voorwaarde opgenomen dat zij steun dienden te verlenen aan het verkoopproces door Deminor van de nog bij de deelnemers in het bezit zijnde Lehman Notes en dat zij verkoop ernstig in overweging dienden te nemen. SHG heeft de hiervoor genoemde nieuwsbrief onder protest verspreid en zij heeft meerdere malen uitdrukkelijk te kennen gegeven dat zij zich niet kon vinden in de aanvullende voorwaarden die Deminor plotseling stelde (en die enkel lijken te zijn ingegeven door het feit dat Deminor bij het sluiten van de overeenkomst de kosten flink heeft onderschat). De eis dat minimaal 75% van de deelnemers akkoord zou gaan met de aanvullende voorwaarden is niet gehaald, maar dit kan niet in de weg staan aan toewijzing van de vordering in dit kort geding.

Verder stelt SHG dat artikel 4 van de overeenkomst zo moet worden uitgelegd dat een veroordeling in de proceskosten, waaronder begrepen griffierechten en advocaatkosten van de wederpartij, in de vaste vergoeding is inbegrepen en dus voor rekening komt van Deminor. Omdat SHG deze proceskosten onverplicht heeft betaald, dient Deminor die kosten aan haar terug te betalen.

Daarnaast vordert SHG in dit kort geding betaling van buitengerechtelijke kosten. De advocaten van SHG hebben in de aanloop naar dit kort geding tal van buitengerechtelijke werkzaamheden verricht om te onderzoeken of een schikking met Deminor mogelijk was. SHG stelt de hoogte van die kosten op € 4.165,- (inclusief BTW).

3.3. Deminor heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen. Op dit verweer wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Rv - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. Een vordering tot nakoming van een overeenkomst kan in kort geding alleen worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering eveneens zal toewijzen en indien de eisende partij bij toewijzing een spoedeisend belang heeft.

4.3. Uitgangspunt in dit geschil is de overeenkomst van 9 juni 2009 en dan met name artikel 6 van die overeenkomst. Deminor is van mening dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, geen positief resultaat meer kan worden behaald in de juridische procedures tegen Wijs & Van Oostveen. Op die grond heeft zij de overeenkomst met onmiddellijke ingang beëindigd. Of van een situatie als bedoeld in artikel 6 sprake is kan door de voorzieningenrechter slechts marginaal worden beoordeeld. Blijkens haar beëindigingsbrief en blijkens de door haar in het geding gebrachte Conclusie van Antwoord heeft Deminor haar mening dat geen positief resultaat kan worden behaald mede gestoeld op het “vernietigende” vonnis van 2 maart 2011; gezien dit vonnis vallen in de twee bij deze rechtbank nog lopende procedures eveneens afwijzende vonnissen te verwachten. Het appeladvies is weliswaar gematigd positief, maar er worden een groot aantal slagen om de arm gehouden. Daarnaast moet bedacht worden dat het advocatenkantoor dat dit advies heeft opgesteld belang heeft het voeren van de appelprocedure, aangezien dit kantoor een aanzienlijk honorarium wenst op te strijken voor het voeren van die procedure, aldus Deminor. Verder heeft Deminor haar beroep op artikel 6 van de overeenkomst onderbouwd met de stelling dat SHG haar verplichtingen op grond van de overeenkomst (met name de informatie-verplichtingen van artikel 1 en 2) niet is nagekomen. Zij verwijst in dit verband naar correspondentie waaruit dit zou moeten blijken en waaruit tevens zou moeten blijken dat dit voor Deminor veel extra werk en kosten heeft opgeleverd. Ook de verplichting van artikel 5 van de overeenkomst (het binnen vier werkdagen “doorstorten”van de vaste vergoeding op de rekening van Deminor) zou SHG niet zijn nagekomen. Tot slot heeft Deminor in dit verband aangevoerd dat er gedurende de looptijd van de overeenkomst verschillende keren sprake is geweest van een vertrouwensbreuk tussen partijen, dat er sprake is van onwil van de deelnemers om verder te procederen, dat de deelnemers zeer laks bleken te zijn in het aanleveren van benodigde stukken, dat SHG afhankelijk is van vrijwillige bijdragen van de deelnemers terwijl te verwachten is dat ook in de twee nog lopende procedures kostenveroordelingen ten laste van SHG zullen worden uitgesproken en dat de verhaalsmogelijkheden bij Wijs & Van Oostveen zeer gering zijn.

4.4. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. SHG heeft ter zitting uitdrukkelijk bestreden dat zij haar verplichtingen op grond van de overeenkomst, met name haar informatieverplichting, niet is nagekomen. Om een en ander te kunnen vaststellen zou een nader onderzoek naar de feiten vereist zijn, waarvoor het kort geding zich niet leent. Hierover kan de voorzieningenrechter in dit geding dan ook geen oordeel geven. Hetzelfde geldt voor een aantal van de overige door Deminor aangevoerde redenen, zoals de vertrouwensbreuk met SHG en de onwil of laksheid van de deelnemers. Of deze aan het adres van SHG gemaakte verwijten terecht zijn, kan – nu de juistheid van die verwijten door SHG wordt bestreden – in een kort geding niet worden vastgesteld.

4.5. Waar het echter naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in dit geschil om gaat is dat SHG voorafgaand aan de beëindigingsbrief niet in gebreke is gesteld door Deminor of op andere wijze ervan in kennis is gesteld dat Deminor het voornemen had de overeenkomst te beëindigen (op grond van artikel 6). De voorzieningenrechter volgt Deminor niet in haar stelling dat in dit geval geen voorafgaande ingebrekestelling vereist zou zijn omdat de tekortkomingen van SHG niet ten grondslag lagen aan beëindiging van de overeenkomst. Volgens Deminor lag aan de beëindiging alleen haar oordeel ten grondslag dat geen positief resultaat meer was te verwachten. De tekortkomingen van SHG zouden derhalve alleen indirect van belang zijn, aldus Deminor. De voorzieningenrechter oordeelt hierover dat volgens de stellingen van Deminor de tekortkomingen van SHG een wezenlijk onderdeel vormden van de beëindiging op grond van artikel 6 en het wordt voorshands onterecht geacht om met gebruikmaking van dat artikel een ingebrekestelling te omzeilen. Weliswaar geeft de tekst van artikel 6 Deminor het recht de overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen, maar dit neemt in dit geval niet weg dat het verzuim pas intreedt indien de schuldenaar in gebreke is gesteld (zoals ook bepaald in artikel 6:82 BW). Dat sprake zou zijn van een van de situaties zoals genoemd in artikel 6:83 BW (“verzuim zonder ingebrekestelling”) is gesteld noch gebleken. Reeds om deze reden ligt de vordering tot nakoming van de overeenkomst voor toewijzing gereed.

4.6. Naast het feit dat SHG niet in gebreke is gesteld, is in dit geding van belang dat Deminor na de bespreking van 3 mei 2011 aanvullende voorwaarden heeft gesteld aan SHG en aan haar deelnemers. Voorshands is niet komen vast te staan dat partijen over deze voorwaarden overeenstemming hebben bereikt. Weliswaar heeft SHG een nieuwsbrief verspreid onder haar deelnemers waarin melding is gemaakt van de voorwaarden, maar SHG heeft ter zitting uitdrukkelijk bestreden dat zij dit vrijwillig heeft gedaan. Zij voelde zich hiertoe verplicht gesteld door Deminor. Dat SHG en/of haar deelnemers niet akkoord zijn gegaan met de aanvullende voorwaarden, mag dan ook niet zonder meer bijdragen aan het oordeel van Deminor dat in dit geval sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6 van de overeenkomst.

4.7. Voor wat betreft de kansen van het hoger beroep geldt dat Deminor ervoor heeft gekozen een appeladvies in te winnen bij het advocatenkantoor dat de procedure in eerste aanleg heeft gevoerd en dat ook de appelprocedure wil voeren. Deminor kan dan ook thans niet suggereren dat het appeladvies met een korreltje zout moet worden genomen, omdat het advocatenkantoor een financieel belang heeft bij het voeren van die procedure. Als Deminor hiervoor bevreesd was, had zij elders advies moeten inwinnen. Nu Deminor zelf van mening is dat het advies gematigd positief is, kan niet op voorhand worden gezegd dat geen positief resultaat is te verwachten. Daarbij dient de aard van de tussen partijen gesloten overeenkomst in ogenschouw te worden genomen. Deminor heeft zich verbonden om voor SHG schade vergoed te krijgen. Als haar dat lukt, zal zij een ruime vergoeding ontvangen. De overeenkomst houdt ook het aanzienlijke risico in dat Deminor – ondanks haar inspanningen en gemaakte kosten – uiteindelijk geen andere vergoeding ontvangt dan de vaste vergoeding. Dat was de deal. Deminor mag dit risico niet halverwege de rit verkleinen door af te haken. Van haar mag worden verwacht dat zij de overeenkomst nakomt, zolang niet in redelijkheid is uitgesloten dat een positief resultaat kan worden behaald.

4.8. Aangezien hoger beroep is aangetekend tegen het vonnis van 2 maart 2011 en deze procedure op korte termijn een vervolg dient te krijgen, heeft SHG een spoedeisend belang bij toewijzing van de vordering tot nakoming. Mede gezien hetgeen hiervoor is overwogen, voldoet die vordering dan ook aan het onder 4.2 opgenomen criterium. De aan de veroordeling te verbinden dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als na te melden.

4.9. Over de vordering tot terugbetaling van de door SHG betaalde proceskosten is de voorzieningenrechter het volgende van oordeel. De tekst van artikel 4 van de overeenkomst geeft niet op eenvoudige wijze uitsluitsel over de vraag of Deminor de desbetreffende kosten aan SHG dient terug te betalen. Uit de zinsnedes “ (…) maar dit omvat niet de betaling aan de tegenpartij van zijn/haar advocaatkosten indien de Stichting veroordeeld zou worden tot de betaling van deze advocatenkosten. Deminor is niet aansprakelijk (…) voor een veroordeling door de gerechtelijke instanties tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding (…)” leidt de voorzieningenrechter echter voorshands af dat het standpunt van Deminor in deze kwestie – te weten dat Deminor alleen het eigen griffierecht hoeft te betalen en niet de proceskosten van de wederpartij – juist is. Bovendien dient de voorzieningenrechter een geldvordering in kort geding met terughoudendheid te beoordelen. Het moet immers voldoende aannemelijk zijn dat de bodemrechter de geldvordering eveneens zal toewijzen en daarvan is in dit geval geen sprake. De desbetreffende vordering van SHG zal dan ook worden afgewezen.

4.10. Het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat Deminor niet is gehouden de proceskosten aan SHG terug te betalen, is tevens van invloed op de veroordeling tot nakoming van de overeenkomst. Die veroordeling kan immers niet inhouden – zoals gevorderd – het “tijdig en volledig voldoen van (…) een eventuele proceskostenveroordeling”. Deminor is slechts gehouden tot het betalen van kosten indien dit in overeenstemming is met artikel 4 van de overeenkomst. Vergoeding van een proceskostenveroordeling valt daar niet onder. Op die wijze zal dit onder 5.1 van dit vonnis worden bepaald.

4.11. De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten treft hetzelfde lot als de hiervoor besproken geldvordering. Gezien de betwisting door Deminor heeft SHG onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar raadslieden buitengerechtelijke werkzaamheden hebben verricht en dat de hoogte van de gevorderde kosten redelijk is.

4.12. Deminor zal als de op het belangrijkste punt in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van SHG.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt Deminor na betekening van dit vonnis tot nakoming van de uit de overeenkomst van 9 juni 2009 voortvloeiende verbintenissen, waaronder in het bijzonder, maar niet uitsluitend:

a. het financieel faciliteren van het bij appeldagvaarding ingestelde hoger beroep, waaronder het tijdig en volledig voldoen van de griffierechten, de kosten van rechtsbijstand, en voorts alle overige kosten die noodzakelijk zijn in het kader van het ten einde brengen van de appelprocedure, mits die kosten op grond van artikel 4 van de overeenkomst voor rekening van Deminor vallen;

b. het geven van de noodzakelijke instructies aan de advocaat die in de appelprocedure rechtsbijstand verleent;

c. het verzamelen en doorgeven van de benodigde informatie aan de advocaat die in de appelprocedure rechtsbijstand verleent,

5.2. bepaalt dat Deminor een dwangsom verbeurt van € 2.500,- voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan de onder 5.1 opgenomen veroordeling te voldoen, met een maximum van € 5.000.000,-,

5.3. veroordeelt Deminor in de kosten van dit geding aan de zijde van SHG tot op heden begroot op € 90,81 aan dagvaardingskosten, € 1.181,- aan griffierecht en op € 816,- aan salaris advocaat,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sj.A. Rullmann, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2011.