Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR3457

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
29-07-2011
Zaaknummer
AWB 09-2134 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De NRGA bevat geen bepaling op grond waarvan verweerder verplicht is ander (passend) werk aan te bieden alvorens over te kunnen gaan tot een ongeschiktheidsontslag. Er kunnen zich echter bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding kunnen geven om in afwijking van het wettelijk kader op zorgvuldigheidsgronden toch een dergelijke verplichting aan te nemen. De rechtbank is van oordeel dat van zodanige bijzondere omstandigheden in het geval van eiser niet is gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/2134 AW

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. A.P. Wasscher,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

(de directeur van de dienst Stadstoezicht),

verweerder,

gemachtigde mr. I.C. Holtkamp.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2008 (het primaire besluit I) heeft verweerder eiser per 15 september 2008 ontslag verleend.

Bij besluit van 17 juli 2008 (het primaire besluit II) heeft verweerder de ingangsdatum van het ontslag gewijzigd naar 1 maart 2009.

Bij besluit van 2 april 2009 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard onder wijziging van de ingangsdatum van het ontslag van 1 maart 2009 naar 3 maart 2009.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en standpunten.

1.1. Eiser, geboren op 2 januari 1970, is sinds 1 januari 1995 werkzaam bij de Dienst Stadstoezicht van verweerder (hierna: de Dienst), laatstelijk in de functie van Parkeercontroleur A in vaste dienst.

1.2. Bij (onherroepelijk geworden) besluit van 28 november 2005 heeft verweerder eiser de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd met een proeftijd van twee jaar, naar aanleiding van een handgemeen tussen eiser en een collega op 2 juli 2005.

1.3. Naar aanleiding van een schermutseling tussen eiser en zijn leidinggevende op 30 januari 2008 is aan eiser een verbod toegang op werkplek opgelegd voor de duur van ten hoogste twee maanden. Vervolgens is eiser bij besluit van 27 maart 2008 geschorst met behoud van zijn bezoldiging. Er is een onderzoek naar eiser ingesteld door Bureau Integriteit, dat is afgesloten op 18 april 2008.

1.4. Bij brief van 23 april 2008 is aan eiser het voornemen tot het nemen van een ontslagbesluit kenbaar gemaakt en is hem de gelegenheid geboden zijn zienswijze naar voren te brengen. Dit heeft de gemachtigde van eiser gedaan bij brief van 2 juni 2008.

1.5. Na bij brief van 16 juni 2008 te hebben gereageerd op eisers zienswijze, heeft verweerder eiser bij het primaire besluit I ontslag verleend, primair op grond van artikel 1122, eerste lid aanhef en onder c van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA) wegens ongeschiktheid voor de verdere vervulling van zijn functie, anders dan uit hoofde van ziekte of gebreken, en subsidiair op grond van artikel 1122, eerste lid aanhef en onder d van het ARA omdat het belang van de gemeente dringend eist dat eiser zijn betrekking op andere wijze vervult.

1.6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser ongeschikt is voor zijn functie. Hij is zeer vaak betrokken bij conflictsituaties, uit dreigementen, weet niet om te gaan met kritiek, neemt een misplaatste directieve houding aan en stelt zich moeizaam op in de samenwerking met meerdere collega’s, hetgeen in meerdere gevallen heeft geleid tot verklaringen van collega’s dat zij niet meer met hem willen samenwerken. De aan het ontslagbesluit ten grondslag gelegde incidenten zijn door Bureau Integriteit onderzocht en de verklaringen van de gehoorde getuigen hieromtrent zijn innerlijk consistent. Eiser is herhaaldelijk gewezen op zijn houding en gedrag en aan hem zijn veel kansen geboden om zijn houding en gedrag te wijzigen en aan te tonen dat hij wel geschikt is voor zijn functie. Hoewel uit het psychologisch onderzoek van Commit Keuringen (verder: Commit) in het jaar 2000 is gebleken dat eiser beperkingen had en dat stoppen met zijn functie en ander werk gaan doen de beste oplossing leek, betekent dit niet dat verweerder eiser destijds had moeten begeleiden naar een andere functie. Eiser hechtte veel waarde aan zijn functie, liet nadien zien dat hij zijn gedrag wel kan aanpassen, maar verviel -zodra de noodzaak daartoe niet meer aanwezig was- snel in zijn oude (en hinderlijke) gedragspatroon. Het ARA kent niet de verplichting om eiser voorafgaand aan het ontslag een andere baan aan te bieden. Desondanks heeft verweerder eiser een proefplaatsing bij stadsdeel Slotervaart aangeboden. Deze proefplaatsing is echter vanwege samenwerkingsproblemen in alle teams na zes weken beëindigd.

1.7. In beroep heeft eiser aangevoerd dat de incidenten hem niet verweten kunnen worden. Hij heeft beperkingen en is het mikpunt geweest van pesterijen. Commit heeft al in 2000 geadviseerd hem ander werk te geven. Uit de rapportage van psycholoog E.H. Ameling van 10 mei 2010 blijkt dat hij vanwege psychische beperkingen ongeschikt is voor zijn functie en dat hem niet (dan wel in verminderde mate) verweten kan worden dat zich incidenten hebben voorgedaan. Eiser stelt dat, nu verweerder heeft nagelaten ander werk voor hem te zoeken, het ontslag prematuur is verleend en geen stand kan houden.

2. De rechtbank overweegt als volgt.

2.1. Het bestreden besluit is gebaseerd op het ARA, terwijl artikel 12.12. van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) al op 1 oktober 2008 in werking was getreden. Aangezien de gehanteerde ontslaggronden ongewijzigd vanuit het ARA en in dezelfde bewoordingen terugkomen in artikel 12.12 onder a en b van de NRGA en ook overigens het door verweerder te hanteren toetsingskader niet is gewijzigd, ziet de rechtbank geen aanleiding op deze grond het bestreden besluit te vernietigen.

2.2. Niet is in geschil dat eiser ongeschikt is voor zijn functie. Namens eiser is ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat eiser geen beroep doet op ziekte of gebreken als reden voor zijn ongeschiktheid. De vraag is slechts of op verweerder voorafgaand aan het ontslagbesluit een verplichting rustte eiser ander (passend) werk aan te bieden.

2.3. De NRGA bevat geen bepaling op grond waarvan verweerder verplicht is ander (passend) werk aan te bieden alvorens over te kunnen gaan tot een ongeschiktheidsontslag. Er kunnen zich echter volgens de jurisprudentie bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding kunnen geven om in afwijking van het wettelijk kader op zorgvuldigheidsgronden toch een dergelijke verplichting aan te nemen (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 maart 2001, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AB1092). De rechtbank is van oordeel dat van zodanige bijzondere omstandigheden in het geval van eiser niet is gebleken. Commit heeft wel, in 2000, geadviseerd (in het kader van een sterkte/zwakte analyse) dat stoppen met de functie en ander werk gaan doen de beste oplossing voor eiser lijkt, maar eiser zelf bleek uitsluitend ander werk te willen doen als hij bij de gemeente kon blijven en evenveel zou blijven verdienen. Vervolgens heeft hij in de jaren na dit onderzoek gedurende een aantal periodes naar behoren gefunctioneerd en is hij ook gepromoveerd. Ook blijkt niet dat eiser zelf ander werk wilde. Integendeel: eiser wil(de) niets liever dan zijn functie als parkeercontroleur behouden. Verweerder is vervolgens aan die wens verscheidene jaren tegemoet gekomen. Verweerder heeft dus niet onzorgvuldig gehandeld door van zijn ontslagbevoegdheid gebruik te maken.

2.4. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

Er is geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten of het griffierecht. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder te veroordelen tot betaling van de kosten van het in opdracht van eiser verrichte psychologisch onderzoek van 10 mei 2010.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Polak, voorzitter, en mrs. P.H.A. Knol en S.J. Riem, leden, in aanwezigheid van mr. S. Vosse-Pirs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB