Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR3435

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
28-07-2011
Zaaknummer
451972 - FA RK 10-1441
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gegrondverklaring ontkenning vaderschap. Het vasthouden aan de termijn genoemd in artikel 1:200 lid 6 BW in dezen in strijd met artikel 8 lid 2 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Civiel

zaaknummer / rekestnummer: 451972 / FA RK 10-1441 (HHA CH)

Beschikking van 29 juni 2011

betreffende de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap in de zaak van:

[verzoekende partij],

wonende te [woonplaats],

verzoekende partij,

advocaat mr. M.J.P.M. Schellekens te Amsterdam,

tegen

[erkenner],

wonende te [woonplaats],

verwerende partij,

hierna te noemen [erkenner].

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de moeder.

En in de zaak betreffende de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van:

De verzoekende partij voornoemd,

tegen

[biologische vader],

wonende te [woonplaats] (Brazilië),

hierna te noemen [biologische vader].

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. de moeder voornoemd,

en

2. de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam,

hierna te noemen: de officier van justitie.

1. De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 25 mei 2011.

Gehoord zijn: verzoekende partij, mr. Schellekens, [biologische vader] en de moeder. Mr. Schellekens heeft ter zitting pleitaantekeningen overgelegd.

[erkenner] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting laten weten niet aanwezig te zullen zijn bij de mondelinge behandeling.

2. De vaststaande feiten

Op [1981] is te [geboorteplaats] uit de moeder voornoemd verzoekende partij geboren.

De verzoekende partij is op 12 mei 1987 te [plaats] erkend door [erkenner].

Op 22 juni 1987 zijn de moeder en [erkenner] met elkaar in het huwelijk getreden.

3. Het verzoek

De verzoekende partij verzoekt de ontkenning van het vaderschap van [erkenner] ten aanzien van haarzelf gegrond te verklaren.

Daarnaast verzoekt de verzoekende partij dat de rechtbank zal vaststellen dat [biologische vader] haar vader is.

Aan haar verzoeken legt de verzoekende partij het volgende ten grondslag. Niet [erkenner], maar [biologische vader] is haar biologische vader. Toen zij nog een kind was, is dit aan haar verteld. De verzoekende partij heeft geen sterke band met haar stiefvader [erkenner]. Rond haar vijftiende levensjaar heeft zij contact gekregen met [biologische vader]. Met hem heeft zij een hechte band gekregen. Zij gaat ieder jaar naar Brazilië toe om [biologische vader] en haar familie aldaar te bezoeken.

De verzoekende partij vraagt de ontkenning van het vaderschap nu zij door het huwelijk van de moeder en [erkenner] op 22 juni 1987 is gewettigd. Hierdoor, zo stelt de verzoekende partij, is haar positie gelijkgesteld met die van een kind dat tijdens het huwelijk is geboren. Op het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap is Nederlands recht van toepassing. De verzoekende partij heeft gezien het bepaalde in artikel 1:200 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet tijdig het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap ingediend. De verzoekende partij vraagt om haar evenwel ontvankelijk te verklaren in haar verzoek. Zij stelt zich op het standpunt dat de termijn voor het indienen van het verzoek in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Op grond van artikel 8 EVRM is een beperking van het recht op eerbiediging van iemands gezinsleven slechts mogelijk indien deze beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving. Van een dergelijke noodzaak is in dit geval geen sprake. De verzoekende partij heeft er belang bij dat er tussen haar en haar biologische vader een familierechtelijke band wordt gevestigd. Daarnaast is het de wens van alle betrokkenen dat de verzoeken worden toegewezen. De rechtszekerheid wordt derhalve niet geschaad wanneer de verzoekende partij ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek.

Volgens de verzoekende partij is op het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap Nederlands recht van toepassing. De verzoekende partij heeft een rapport overgelegd van het te São Paulo, Brazilië, gevestigde instituut Fleury DNA, alwaar de verzoekende partij en [biologische vader] een DNA-onderzoek uit hebben laten voeren. Uit het rapport volgt, zo stelt de verzoekende partij, dat [biologische vader] met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid haar biologische vader is. Ter zitting heeft de verzoekende partij verklaard dat zij haar eigen DNA-materiaal aan Fleury DNA heeft afgestaan in verband met het DNA-onderzoek. Voorts heeft de verzoekende partij ter zitting verklaard dat zij ter gelegenheid van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap de naam [naam biologische vader] zou willen hebben.

4. De officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat ingevolge artikel 6 van de Wet Conflictenrecht Afstamming (WCA) Nederlands recht van toepassing is op het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. De rechtbank dient te beoordelen of het door de verzoekende partij overgelegde rapport betreffende het DNA-onderzoek voldoende betrouwbaar is om als bewijsstuk te worden toegelaten. Wanneer de rechtbank de verzoekende partij heeft toegelaten tot het indienen van een verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap, dat verzoek vervolgens heeft toegewezen en de beschikking van de rechtbank in kracht van gewijsde is gegaan, komt het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap voor behandeling in aanmerking. Er bestaat van de zijde van het openbaar ministerie geen bezwaar tegen toewijzing van het verzoek, indien de rechtbank van oordeel is dat voldoende is aangetoond dat de verzoekende partij juridisch geen vader heeft en dat [biologische vader] de verwekker van verzoekende partij is.

5. [erkenner]

Onder de stukken bevindt zich een door [erkenner] ondertekende referteverklaring waarin hij instemt met de verzoeken van verzoekende partij.

6. [biologische vader]

Onder de stukken bevindt zich een door [biologische vader] ondertekende referteverklaring waarin hij instemt met de verzoeken van verzoekende partij.

[biologische vader] heeft ter zitting verklaard dat de verstandhouding tussen zijn familie en die van de moeder is het verleden goed was en thans nog steeds is. Hij begrijpt nu dat de moeder toestemming heeft gegeven voor de erkenning van de verzoekende partij door [erkenner]. Zij wilde namelijk dat de verzoekende partij een vader zou hebben. Volgens [biologische vader] wordt recht gedaan aan de werkelijke situatie wanneer de verzoeken worden toegewezen. [biologische vader] heeft verder verklaard dat hij samen met de verzoekende partij en twee getuigen bij het instituut Fleury DNA is geweest om DNA-materiaal af te staan ten behoeve van het DNA-onderzoek. Voorafgaand aan het onderzoek heeft [biologische vader] zijn paspoort moeten laten zien. Volgens [biologische vader] is Fleury DNA een zeer bekend instituut in Brazilië. Het instituut wordt erkend door de instanties in Brazilië en wordt eveneens erkend in de Verenigde Staten en Europa.

7. De moeder

Onder de stukken bevindt zich een door de moeder ondertekende referteverklaring waarin zij instemt met de verzoeken van verzoekende partij.

Ter zitting heeft de moeder verklaard dat zij hoopt dat de verzoekende partij de geslachtsnaam mag dragen die zij wenst te dragen.

8. De beoordeling

Toepasselijk recht

Op het verzoek tot de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap is op grond van artikel 2 lid 1 juncto artikel 1 WCA Nederlands recht van toepassing als het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de moeder en [erkenner].

Op het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is ingevolge artikel 6 WCA Nederlands recht van toepassing. De moeder en [biologische vader] hebben noch een gemeenschappelijke nationaliteit, noch een gemeenschappelijke gewone verblijfplaats. Aldus wordt aangesloten bij het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind, zijnde het recht van Nederland.

Ontvankelijkheid

In het onderhavige geval is de erkenning gedaan op 12 mei 1987. Op 22 juni 1987 zijn [erkenner], de erkenner, en de moeder met elkaar in het huwelijk getreden, zodat de verzoekende partij op grond van de toen geldende wetgeving door dit huwelijk is gewettigd en zij dezelfde status heeft verkregen als een kind dat staande het huwelijk is geboren. Derhalve is de juiste weg om het vaderschap te laten beëindigen de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap.

In artikel 1:200 lid 6 BW is bepaald dat het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap door het kind bij de rechtbank wordt ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit, kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.

De verzoekende partij heeft tijdens haar minderjarigheid te horen gekregen dat [erkenner] niet haar biologische vader is. De verzoekende partij heeft het verzoek niet ingediend binnen drie jaren na het bereiken van de meerderjarige leeftijd. Onder verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 16 oktober 2003 (LJN: AO7481) overweegt de rechtbank het volgende:

Het stellen van termijnen is in beginsel geen ongerechtvaardigde inmenging in het ‘family life’ van betrokkenen in de zin van artikel 8 EVRM, nu de in de wet gegeven termijnen noodzakelijk zijn in een democratische samenleving teneinde de rechtszekerheid te waarborgen en voorts ter bescherming van de belangen van het kind. In het onderhavige geval is het de wens van alle betrokkenen dat de ontkenning van het vaderschap gegrond wordt verklaard. Niet valt in te zien op welke wijze de rechtszekerheid zal worden geschaad indien wordt vastgehouden aan de wettelijke termijnen. De verzoekende partij en [biologische vader] hebben contact met elkaar sedert omstreeks de vijftienjarige leeftijd van de verzoekende partij. Beiden wensen hun band te formaliseren. De verzoekende partij behoeft in dit geval geen bescherming, maar heeft er daarentegen belang bij dat tussen haar en [biologische vader] een familierechtelijke band wordt gevestigd. Nu aannemelijk is dat de rechtszekerheid in het onderhavige geval niet wordt geschaad en nu het belang van de verzoekende partij niet wordt beschermd door de wettelijke termijn van artikel 1:200 lid 6 BW, maar dat dit belang hierdoor juist wordt geschaad, vormt in dit specifieke geval de termijnstelling een ongerechtvaardigde inmenging in de zin van artikel 8 lid 2 EVRM. De rechtbank zal de verzoekende partij gezien het vorengaande ontvangen in haar verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap.

Aan de indiening van een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is voor het kind geen termijn verbonden.

Inhoudelijke beoordeling

Uit de overgelegde stukken en het gestelde ter zitting blijkt dat het onderzoeksinstituut Fleury te Brazilië, alwaar de verzoekende partij en [biologische vader] het DNA-onderzoek uit hebben laten voeren, ISO-gecertificeerd is voor het laten uitvoeren van dergelijke onderzoeken. De rechtbank acht, gezien verklaring van verzoeker en [biologische vader] ter zitting, voldoende aannemelijk gemaakt dat de verzoekende partij en [biologische vader] hun DNA-materiaal af hebben gestaan ten behoeve van een DNA-onderzoek. Gezien de verklaringen van partijen en het overgelegde DNA-rapport is voorts naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast komen te staan dat het onderzoek zowel wat betreft de afname van het DNA-materiaal, de persoonsidentificatie, het onderzoek zelf en de rapportage met voldoende (kwaliteits)waarborgen is verricht, zodat de rechtbank uit gaat van de juistheid van de conclusie van het onderzoek. De conclusie van het onderzoek luidt dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van 99,99994% is vast komen te staan dat [biologische vader] de biologische vader van de verzoekende partij is.

Uit de conclusie van het DNA-onderzoek en gelet op de onweersproken stellingen van partijen leidt de rechtbank af dat [erkenner] niet de biologische vader van de verzoekende partij is, zodat het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap als volgt toewijsbaar is.

De rechtbank acht het op grond van de conclusie van het DNA-rapport alsmede de onweersproken stellingen van partijen aannemelijk dat [biologische vader] de verwekker is van de verzoekende partij. De rechtbank acht het in het belang van de verzoekende partij dat haar afstamming komt vast te staan en dat zij familierechtelijke banden zal hebben met [biologische vader]. Het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is daarom toewijsbaar, onder de opschortende voorwaarde dat de beslissing tot de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan.

Ter gelegenheid van de vaststelling van het vaderschap heeft de verzoekende partij verklaard dat zij de geslachtsnaam van [naam biologische vader] zal hebben.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart gegrond de ontkenning van het vaderschap van [erkenner] ten aanzien van:

[verzoekende partij],

geboren te [geboorteplaats] op [1981];

- stelt - onder de opschortende voorwaarde dat de beslissing tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap ten aanzien van [verzoekende partij] in kracht van gewijsde is gegaan - vast het vaderschap van:

[biologische vader],

geboren te Brazilië op [1956],

wonende te [woonplaats] (Brazilië),

ten aanzien van:

[verzoekende partij],

geboren te [geboorteplaats] op [1981];

- stelt vast dat de verzoekende partij heeft verklaard dat zij de geslachtsnaam van de vader, [naam biologische vader], zal hebben.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.P.E. Has, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. C.E.P. Honing, griffier, op 29 juni 2011.