Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR2931

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
25-07-2011
Zaaknummer
473105 - HA ZA 10-3375
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eisers stellen de bank aansprakelijk voor de kosten van herfinanciering omdat de bank de beëindiging van de kredietrelatie met eisers heeft geforceerd door toezeggingen dan wel gewekt vertrouwen ten aanzien van verdere kredietverlening niet gestand te doen.

Van onrechtmatig handelen aan de zijde van de bank is geen sprake. Niet gebleken is dat de bank een (vooropgezet) plan zou hebben om de relatie met eisers te beëindigen. Het stond de bank als kredietverstrekker – behoudens bijzondere omstandigheden waarvan hier niet is gebleken – in beginsel vrij een eigen afweging te maken over de vraag of zij, gelet op de in dit geval relevante omstandigheden, (additionele) financiering aan eisers wenste te verstrekken. Dit zou anders kunnen zijn indien de bank zich al tot (additionele) kredietverlening had verbonden door daartoe een (onvoorwaardelijke) toezegging te doen aan eisers, dan wel door anderszins bij hen het gerechtvaardigd vertrouwen te wekken dat zij (onvoorwaardelijk) tot (additionele) kredietverlening zou overgaan. Hiervan is niet gebleken.

De bank noch de verzekeraar is jegens eisers tekort geschoten in de op hen rustende zorg- en informatieplicht. Eisers zijn voldoende gewaarschuwd voor het risico van voortijdige afkoop van de levensverzekeringen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2011/331
JONDR 2011/602
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 473105 / HA ZA 10-3375

Vonnis van 29 juni 2011

in de zaak van

1. [A],

wonende te --,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ANCO VASTGOED B.V.,

gevestigd te Aalsmeer,

eiseres in conventie,

advocaat mr. H.J. Bos te Amsterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,

2. de naamloze vennootschap

ING REAL ESTATE FINANCE N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,

3. de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN LEVENSVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V. (ING LIFE INSURANCE),

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. W.B.J. van Overbeek te Amsterdam.

Eisers zullen hierna afzonderlijk [A] en Anco en gezamenlijk Anco c.s. worden genoemd; gedaagden zullen ING Bank, ING REF en NN worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen van 28 en 29 september 2010;

- de akte houdende in het geding brengen producties, met producties;

- de conclusie van antwoord van ING Bank en ING REF, met producties;

- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van NN, met producties;

- het tussenvonnis van 26 januari 2011 waarin een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 12 mei 2011 en de daarin genoemde processtukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Als gevolg van een juridische fusie is ING REF op 1 september 2010 opgehouden te bestaan met ING Bank als haar rechtsopvolger. Nu ING Bank de procespositie van ING REF in dit geding heeft ingenomen en in die zin het onderscheid tussen hen niet meer relevant is, zullen ING Bank en ING REF hierna beide met “ING” worden aangeduid.

2.2. [A] houdt zich zowel in privé als middels zijn onderneming Anco bezig met projectontwikkeling en het verhuren en beheren van vastgoed.

2.3. De vastgoedactiviteiten van Anco c.s. zijn aanvankelijk voornamelijk door Rabobank gefinancierd en vanaf 2002 in toenemende mate door ING. In de loop van 2007 is de financieringsrelatie tussen Anco c.s. en ING geïntensiveerd en in mei 2008 zijn alle nog bij Rabobank lopende financieringen door ING geherfinancierd.

2.4. Na voornoemde herfinanciering was de stand van de door ING aan Anco c.s. verstrekte financieringen als volgt:

Anco

- een Rentevastlening ad € 650.000 (rekeningnummer 65.49.92.142)

- een Rentevastlening ad circa € 599.000 (rekeningnummer 65.50.67.426)

- een Rentevastlening ad € 250.000 (rekeningnummer 65.17.77.127)

- een Rentevastlening ad circa € 235.000 (rekeningnummer 65.17.79.669)

- een lineaire geldlening ad € 1.650.000 (leningnummer 1009374)

- een lineaire geldlening ad € 2.500.000 (leningnummer 1011888)

- een lineaire geldlening ad € 800.000 (leningnummer 1011513)

- een lineaire geldlening ad € 95.911,14 (leningnummer 1011514)

[A]

- een rekening-courant krediet ad € 1.500.000 (rekeningnummer [I])

- een lineaire geldlening ad € 3.260.000 (leningnummer [II])

2.5. ING en Anco c.s. zijn overeengekomen dat Anco c.s., in plaats van periodieke aflossingen op de hiervoor genoemde Rentevastleningen, vermogen zouden opbouwen in op het leven van [A] af te sluiten levensverzekeringen, waarbij de premie in effecten wordt belegd, welk vermogen aan het einde van de looptijd zou worden aangewend ter (gedeeltelijke) aflossing van de leningen. In de periode van 2002 tot eind 2007 zijn in dat kader vijf levensverzekeringen (met polisnummers [1], [2], [3], [4] en [5]) tussen [A] (als verzekeringnemer) en NN (als verzekeraar) tot stand gekomen.

2.6. Ter afdekking van het renterisico op de lineaire geldlening van € 3.260.000 heeft [A] per 1 juli 2008 een renteswap afgesloten op grond waarvan [A] (als koper van de renteswap) gedurende 5 jaar een vast rentepercentage van 4,9% aan ING verschuldigd was en ING (als verkoper van de renteswap) een variabele rentevergoeding gebaseerd op EURIBOR verschuldigd was aan [A], gelijk aan de variabele rente die [A] verschuldigd was over deze lineaire geldlening (hierna ook: het SWAP-contract).

2.7. Tot zekerheid voor al hetgeen Anco aan ING verschuldigd mocht zijn of worden heeft Anco ten gunste van ING (onder meer) een recht van hypotheek gevestigd met een inschrijving van € 16.500.000 op (onder andere) het bedrijfspand (in aanbouw) gelegen aan de [adres 1], en het woon/winkelpand gelegen aan de [adres 2], steeds te [plaats].

2.8. Tot zekerheid voor al hetgeen Anco c.s. aan ING verschuldigd mochten zijn of worden heeft [A] ten gunste van ING (onder meer) een recht van hypotheek gevestigd met een inschrijving van € 16.500.000 op (onder andere) het woon/winkelpand gelegen aan de [adres 3], het bedrijfspand gelegen aan de [adres 4] en het bedrijfspand gelegen aan de [adres 5], steeds te [plaats].

2.9. In het najaar van 2008 is gebleken dat de kosten voor een project van Anco c.s. aan de [adres 6] te [plaats] aanmerkelijk hoger waren dan aanvankelijk door Anco c.s. begroot en aan ING meegedeeld. In verband daarmee hebben Anco c.s. in oktober 2008 ING verzocht om een aanvullende financiering van € 1.000.000. Vervolgens heeft ING eind 2008 in het kader van de inventarisatie van de maximale financieringsbehoefte over het jaar 2009 gesproken met [A] over zijn (aanvullende) kredietbehoefte voor 2009. ING heeft hierop naar aanleiding van opgaven van [A] een interne reservering van € 1.000.000 voor voornoemd project gemaakt.

2.10. In januari 2009 heeft [A] (nogmaals) aan ING gevraagd om een aanvullende financiering van € 1.000.000 ten behoeve van voornoemd project. ING heeft aan dit verzoek niet voldaan. ING heeft hierbij het standpunt ingenomen dat de krediet- en vastgoedcrisis en het verhoogde risicoprofiel van de financiering aan de voor de verstrekking van de financiering vereiste goedkeuring van haar kredietcommissie in de weg zou staan.

2.11. Op 21 januari 2009 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Anco c.s., hun accountant de heer [B] van Deloitte & Touche (hierna: [B]) en de heren [C] en [D] van ING. In het door ING opgestelde verslag van deze bespreking, dat naar Anco c.s. en [B] is gezonden, staat onder meer:

“[…]

Doel van het overleg is om de volgende zaken op elkaar af te stemmen:

- Bouw [adres 6]:

€ 1.000/m extra benodigd, de huidige €2.500/m blijkt tekort.

- Echtscheiding: […] Hierbij is de intentie van partijen dat indien dit beide partijen convenieert het woonhuis aan de [adres 7] wordt overgedragen aan de ex-vrouw.

- Verkoop [adres 2] en [adres 8]: opbrengst €875/m en de [adres 4] voor €3.000/m.

- Verkoop [adres 5]: opbrengst €5.800/m. Hiervan wordt €3.000/m in april 2009 voldaan en het restant bij afname in januari 2011. […]

De volgende zaken zijn overeengekomen:

(zoals reeds in het gesprek aangegeven, zijn de gemaakte afspraken onder voorbehoud van goedkeuring van onze Risk Afdeling)

- De volledige verkoopopbrengst van de [adres 2] en [adres 8] (naar verwachting €875/m) zal in het bouwdepot t.b.v. de bouw van de [adres 6] worden geplaatst.

- De woning aan de [adres 7] wordt “om niet” vrijgegeven als blijkt dat de bevoorschotting van de portefeuille in verhouding is. Hiermee wordt gedoeld op de financiering t.o.v. de waarde. […]

- Verkoopopbrengst [adres 4] wordt voor (minimaal) €125/m in het bouwdepot van de [adres 6] geplaatst t.b.v. afbouw. Indien bij verkoop van de [straat 4] blijkt dat er meer middelen nodig zijn voor afbouw, dan dient er meer in het betreffende bouwdepot te worden gestort. Het restant van de verkoopopbrengst komt onder voorbehoud van een bevoorschottingsniveau van circa 70% (onder voorbehoud van fiat) op de portefeuille ten gunste van [A].

- De verkoopopbrengst van de [adres 5] dient te worden gebruik voor aflossing van de faciliteit van ING REF, dit geldt tevens voor de ontvangst van de eerste termijn van €3.000/m. De resterende opbrengst komt onder voorbehoud van een bevoorschottingsniveau van circa 70% op de portefeuille ten gunste van [A]. […]”

2.12. Op 17 februari 2009 heeft ING ingestemd met royement van haar recht van hypotheek op de panden aan de [straat 2] en zijn Anco c.s. tot verkoop daarvan overgaan. De koopprijs van € 875.000 is in het bouwdepot voor het project [adres 6] gestort.

2.13. Anco c.s. hebben vervolgens het pand aan de [adres 4] voor een koopprijs van € 3.000.000 verkocht. Van de verkoopopbrengst is € 125.000 in het bouwdepot voor het project aan de [adres 6] gestort. De resterende € 2.875.000 is aangewend om de financieringen geheel (leningnummer 1011513 en leningnummer 1011514) dan wel deels (leningnummer [II], leningnummer 1009374 en het rekening-courantkrediet behorende bij rekening [I]) vervroegd af te lossen. In verband met de vervroegde aflossing van de leningen heeft ING € 80.800,96 aan “fund breaking costs” bij Anco c.s. in rekening gebracht, hetgeen Anco c.s. hebben voldaan.

2.14. Bij e-mails van 9 juni 2009 heeft [B] aan ING laten weten bezig te zijn met het opstellen van een exitplan voor Anco c.s. en heeft hij ING verzocht hem te informeren over de afkoopwaarden van de levensverzekeringen, de (negatieve) waarde van het SWAP-contract en de hoogte van de boeterentes voor vervroegde beëindiging van de nog lopende financieringen.

2.15. Bij brieven van 5 juni 2009 heeft NN [A] op zijn verzoek geïnformeerd dat de afkoopwaarde van de levensverzekering met polisnummer [4] en de afkoopwaarde van de levensverzekering met polisnummer [5] tegen de koers van (zo de rechtbank begrijpt) 31 december 2008 € 193.145,04 respectievelijk € 134.697,00 bedraagt.

2.16. Op 8 juli 2009 heeft ING Anco c.s. onder meer het volgende bericht:

“Conform uw verzoek doen wij u hierbij het overzicht van de vergoeding voor vervroegde aflossingen per 8 juli 2009 toekomen:

Leningnummer [II] t.n.v. Dhr. [A] € 40.990,05

Leningnummer 1009374 t.n.v. Anco Vastgoed B.V. € 83.112,68

Leningnummer 1011888 t.n.v. Anco Vastgoed B.V. € 181.466,99

Negatieve waarde SWAP t.n.v. Dhr. [A] € 343.045,41

Vergoeding vervroegde aflossingen leningen ING Bank N.V. € 76.427,00

Voor aflossing van bovengenoemde leningen aan het einde van de looptijd zijn twee polissen afgesloten waarin kapitaal is opgebouwd. De waarde per juni 2009 is als volgt:

Polisnummer [4] t.n.v. Anco Vastgoed B.V. € 254.855,00

Polisnummer [5] t.n.v. Dhr. [A] € 177.303,00

[…]”

2.17. Op 10 juli 2009 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen ING, [A] en [B]. In een interne notitie d.d. 12 juli 2009, die ING van dit gesprek heeft gemaakt, staat onder meer:

“Gezamenlijk zijn wij tot de conclusie gekomen dat de samenwerking tussen partijen niet werkt. Reden is de vaak gebrekkige administratie van [A] en de projectontwikkelingsactiviteiten die niet passen in het huidige beleid van ING REF.

Punt is wel dat nu uit elkaar gaan in verhouding een enorm bedrag aan VVA [rechtbank: vergoedingen voor vervroegde aflossingen] gaat kosten (zie brief de datum 8 juli 2009). Tevens zit er een forse negatieve waarde in het rentecontract en wegen de premies niet op tegen de waarde van de twee verzekeringspolissen die er lopen. [...]

Donderdag aanstaande krijgt [A] een aanbieding van Rabobank. De Rabobank is naar alle waarschijnlijkheid bereid het rentecontract over te nemen maar tegen een erg hoge rente […]. Tevens is Rabobank bereid een deel Euribor te verstrekken [...] en het financieringsbedrag te verhogen. Tevens zijn zij bereid mee te gaan in de bouwactiviteiten van [A].

De negatieve waarde van de SWAP (-/- 343/m) en de afkoop van de 5 jarige lening (-/-198) doen heel veel pijn.

Gedacht wordt om de volgende propositie uit te werken [...].

- De twee panden aan de [straat 1] blijven achter als beleggingsfinanciering; De lening(en) ad. 3,2 mio waar het rentecontract aan gekoppeld is en de 5 jarige lening van 2,5 mio zouden dan aan dit resterende deel gekoppeld worden (of blijven). […] De vraag is even of wij dusdanig kunnen knippen en plakken, koppelen en ontkoppelen zodat wij de twee panden aan de [straat 1] behouden en het restant naar RABO gaat. Vraag is natuurlijk ook of dat de Rabo past.”

2.18. Op 24 augustus 2009 heeft [A] een e-mail gestuurd aan ING waarin onder meer staat:

“Om de overname van financiering door de Rabobank te laten plaatsvinden hebben wij informatie nodig van de ING. Ik heb al diverse malen gevraagd om informatie en tot op heden heeft de ING dit niet kunnen verstrekken. Daarom richt ik me tot u met onderstaande vragen:

- te leveren conformatie SWAP contract en indien niet aanwezig […] een

schrijven waarin de ING de huidige SWAP en cap beschrijven, dit ondertekend door tekeningsbevoegde bij de ING.

[…]

- wil/kan ING deze 2,5 mln verstrekken op de [straat 1] fase 1 +

sec de verpanding van de huurpenningen van deze locatie […] en welke opslag wordt gehanteerd bij de omzetting van de vaste rente naar euriborrente op de lening van 2,5 mln welke wij eventueel bij de ING willen houden.

- tevens dient een passende oplossing aangereikt te worden inzake de

boeterentes.

Wij zijn voornemens 1 oktober 2009 over te gaan naar de Rabobank en hopen op uw medewerking van u en uw medewerkers.

Gezien de verstoorde relatie lijkt het mij verstandig, deze zaken zsm af te handelen, dit is voor alle partijen beter.”

2.19. Nadat Rabobank ermee had ingestemd dat de bestaande financiering van

€ 2.500.000 ten behoeve van het project aan de [adres 1] bij ING zou blijven doorlopen, onder handhaving van de ten gunste van ING op dit onroerend goed gevestigde hypotheek en verpanding van de huurpenningen, en eveneens bereid was het SWAP contract over te nemen, zijn op 24 september 2009 de ten behoeve van ING gevestigde zekerheden (met uitzondering van voornoemde hypotheek) geroyeerd. Rabobank heeft de financiering van de vastgoedactiviteiten van Anco c.s. voor het overige overgenomen.

2.20. Bij brief van 30 september 2009 heeft NN [A] op verzoek van ING laten weten dat de afkoopwaarde van de levensverzekering met polisnummer [4] tegen de koers van 29 september 2009 € 227.974,04 bedraagt.

2.21. Bij brief van 1 oktober 2009 heeft NN Anco op verzoek van ING laten weten dat de afkoopwaarde van de levensverzekering met polisnummer [5] tegen de koers van

29 september 2009 € 158.414,35 bedraagt.

2.22. Op 15 oktober 2009 is het SWAP-contract door Rabobank van ING overgenomen.

2.23. Bij brieven van 15 december 2009 heeft NN [A], respectievelijk Anco, bericht dat zij op hun verzoek de levensverzekeringen met polisnummer [4] en polisnummer [5] heeft beëindigd en dat de afkoopwaarden, berekend tegen de koers van 6 november 2009, van € 221.628,70 respectievelijk € 153.809,59 aan hen worden uitgekeerd.

2.24. Bij brieven van 28 december 2009 en bij brief van 29 december 2009 heeft NN op verzoek van Anco c.s. bericht dat de afkoopwaarden van de levensverzekeringen met polisnummers [2], [3] en [1] tegen de koers van 24 (de eerste twee verzekeringen) en 28 (de laatste verzekering) december 2009 respectievelijk € 66.120,82, € 46.769,74 en € 163.575,37 bedragen.

2.25. Op 5 januari 2010 heeft [A] de premie van € 33.564,00 voor de levensverzekering met polisnummer [1] overgemaakt. Deze betaling is op 11 januari 2010 gestorneerd.

2.26. Bij brieven van 28 en 29 januari 2010 heeft NN Anco c.s. bericht dat zij op hun verzoek de levensverzekeringen met polisnummers [2], [3] respectievelijk [1] heeft beëindigd en dat de afkoopwaarden tegen de koers van 26 januari 2009, zijnde € 67.650,49, € 47.248,25 respectievelijk € 198.467,49, aan [A] worden uitbetaald.

2.27. Bij brieven van 27 mei 2010 heeft de raadsman van Anco c.s. ING en NN aansprakelijk gesteld voor - kort gezegd - de door Anco c.s. geleden schade als gevolg van onzorgvuldig handelen van ING en NN bij de uitvoering van de kredietrelatie, dan wel bij de advisering en uitvoering van de levensverzekeringen, en daarnaast de vernietiging van de levensverzekeringen met de polisnummers [1], [2], [3], [4] en [5] ingeroepen wegens dwaling.

3. Het geschil

in conventie

3.1. De vordering van Anco c.s. wordt hierna verkort weergegeven, in die zin dat daarbij wordt uitgegaan van de gevolgen van de onder 2.1 vermelde fusie. Anco c.s. vorderen, na wijziging van eis, dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. voor recht verklaart dat ING toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen jegens Anco c.s. en/of ING onrechtmatig jegens Anco c.s. heeft gehandeld en ING uit dien hoofde veroordeelt tot vergoeding van de door Anco c.s. geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

II. voor recht verklaart dat ING de door Anco c.s. geleden schade dient te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

III. voor recht verklaart dat Anco c.s. de verzekeringspolissen met polisnummers [1], [2], [3], [4] en [5] buitengerechtelijk heeft vernietigd en NN uit dien hoofde veroordeelt tot (terug)betaling van de door Anco c.s. in verband met voornoemde verzekeringspolissen betaalde premies;

subsidiair:

I. voor recht verklaart dat ING toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen jegens Anco c.s. en/of ING onrechtmatig jegens Anco c.s. heeft gehandeld en ING uit dien hoofde veroordeelt tot vergoeding van de door Anco c.s. geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

II. voor recht verklaart dat ING de door Anco c.s. geleden schade dient te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

III. de verzekeringspolissen met polisnummers [1], [2], [3], [4] en [5] vernietigt en NN uit dien hoofde veroordeelt tot (terug)betaling van de door Anco c.s. in verband met voornoemde verzekeringspolissen betaalde premies;

meer subsidiair:

I. voor recht verklaart dat ING toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen jegens Anco c.s. en/of ING onrechtmatig jegens Anco c.s. heeft gehandeld en ING uit dien hoofde veroordeelt tot vergoeding van de door Anco c.s. geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

II. voor recht verklaart dat NN toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen jegens Anco c.s. en/of NN onrechtmatig jegens Anco c.s. heeft gehandeld en NN uit dien hoofde veroordeelt tot vergoeding van de door Anco c.s. geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

III. voor recht verklaart dat ING en NN voor zover zij aansprakelijk zijn voor dezelfde door Anco c.s. geleden schade, hoofdelijk, des dat de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, die schade aan Anco c.s. dienen te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

zowel primair, subsidiair als meer subsidiair:

ING en NN hoofdelijk, des dat de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt in de kosten van procedure, de buitengerechtelijke kosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten en de nakosten vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis tot de dag van volledige betaling.

3.2. Anco c.s. leggen – samengevat weergegeven – aan hun vorderingen ten grondslag dat ING bij hen het vertrouwen heeft gewekt dat tussen partijen een langdurige financieringsrelatie zou blijven bestaan. Door vervolgens een toegezegde uitbreiding ad € 1.000.000 van de financiering niet te verstrekken en Anco c.s. te forceren de bancaire relatie te beëindigen zonder hen daarbij te compenseren voor de kosten daarvan, is ING toerekenbaar tekort geschoten jegens Anco c.s., dan wel heeft zij onrechtmatig jegens hen gehandeld.

Voorts heeft ING gehandeld in strijd met de (contractuele) afspraken met Anco c.s. door Anco c.s. te dwingen tot een substantiële aflossing op de bestaande financieringen, terwijl daar geen objectieve gronden voor waren. Anco c.s. zijn aldus genoodzaakt geweest de financiering van hun vastgoedactiviteiten elders onder te brengen.

Ten slotte hebben zowel NN als ING jegens Anco c.s. in strijd gehandeld met de op hen rustende zorgplicht door Anco c.s. onvoldoende te informeren over en te waarschuwen voor de kostenstructuur, het beleggingsrisico en de bevoorschottingswaarde van de levensverzekeringen, welke levensverzekeringen niet in het belang van Anco c.s. waren en dus niet door ING hadden mogen worden geadviseerd. Anco c.s. zijn de levensverzekeringen onder een verkeerde veronderstelling van zaken aangegaan en zij hebben de levensverzekeringen daarom gerechtvaardigd buitengerechtelijk vernietigd.

De als gevolg van de handelwijze van ING en NN door Anco c.s. geleden totale schade wordt vooralsnog begroot op € 930.000 (exclusief wettelijke rente) en bestaat uit de kosten die Anco c.s. hebben moeten maken in het kader van de geforceerde beëindiging van de bancaire relatie met ING, het verschil tussen de afkoopwaarden van de levensverzekeringen en de daarvoor betaalde premies, en buitengerechtelijke kosten, aldus Anco c.s.

3.3. ING en NN voeren verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5. NN vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- [A] veroordeelt tot betaling van € 33.564 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2010 tot aan de dag van volledige betaling;

- [A] veroordeelt in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis tot dag van volledige betaling.

3.6. NN legt aan haar vordering ten grondslag dat zij € 33.564 onverschuldigd aan [A] heeft betaald, omdat na uitbetaling van de afkoopwaarde van zijn verzekering met nummer [1] is gebleken dat de laatste premiebetaling – waarmee in de berekening van de afkoopwaarde rekening is gehouden – is gestorneerd.

3.7. [A] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. In de kern genomen verwijten Anco c.s. ING dat zij door onzorgvuldig optreden Anco c.s. heeft gedwongen tot het beëindigen van de financieringsrelatie, waardoor Anco c.s. schade hebben geleden. Hun verwijten concentreren zich vooral op de weigering van ING begin 2009 om de bestaande kredietfaciliteit in verband met het project aan de [adres 6] van € 2.500.000 met € 1.000.000 te verhogen. Volgens hen was deze weigering in strijd met een eerdere, eind 2008 aan hen gedane, toezegging en bovendien in strijd met het bij hen gewekte vertrouwen op een langdurige financieringsrelatie.

4.2. Bij de beoordeling van de vraag of ING jegens Anco c.s. tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen als kredietverstrekker, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat het ING als kredietverstrekker – behoudens bijzondere omstandigheden waarvan hier niet is gebleken – in beginsel vrij stond een eigen afweging te maken over de vraag of zij, gelet op de in dit geval relevante omstandigheden, (additionele) financiering aan Anco c.s. wenste te verstrekken. Dit zou anders kunnen zijn indien ING zich al tot (additionele) kredietverlening had verbonden door daartoe een (onvoorwaardelijke) toezegging te doen aan Anco c.s., dan wel door anderszins bij hen het gerechtvaardigd vertrouwen te wekken dat zij (onvoorwaardelijk) tot (additionele) kredietverlening zou overgaan. Anders dan Anco c.s. betogen is dit echter niet geval.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat ING zich niet jegens Anco c.s. heeft verbonden om een additionele financiering van € 1.000.000 ten behoeve van het project aan de [adres 6] te verstrekken. Tussen partijen is niet in geschil dat ING eind 2008 heeft geïnformeerd naar de financieringsbehoefte van Anco c.s. voor 2009 en dat ING vervolgens intern een bedrag van € 1.000.000 voor dit project heeft gereserveerd. Of ING ook aan Anco c.s. heeft meegedeeld dat zij deze reservering had gemaakt, zoals Anco c.s. stellen en ING betwist, kan in het midden blijven. Immers, zelfs al zou ING Anco c.s. hebben gezegd dit bedrag voor hen te reserveren, dan nog hebben Anco c.s. aan deze mededeling niet gerechtvaardigd het vertrouwen kunnen ontlenen dat dit gereserveerde bedrag op een later moment aan Anco c.s. als aanvullende financiering zou worden verstrekt. De enkele mededeling met betrekking tot de (interne) reservering staat naar het oordeel van de rechtbank niet gelijk aan een (onvoorwaardelijke) toezegging dat zij dit krediet aan Anco c.s. zou verstrekken. Aan het bewijsaanbod van Anco c.s. op dit punt wordt als niet ter zake dienend voorbijgegaan.

Bij dit alles is verder nog van belang dat door partijen niet is gesproken over de concrete voorwaarden waaronder de door Anco c.s. gewenste additionele financiering zou worden verstrekt en dat - naar ING onbetwist stelt - een aanvullende financiering altijd ter nadere beoordeling staat van (de kredietcommissie van) ING tegen de achtergrond van interne procedures en richtlijnen. Dat partijen de financieringsrelatie destijds zijn aangegaan met het oog op een langdurige samenwerking betekent niet dat Anco c.s. er zonder meer op mochten vertrouwen dat hen op verzoek steeds aanvullende financiering zou worden verleend. In dit verband stelt ING - onbetwist- dat zij op de financiering van het vastgoed van Anco c.s. een zogenaamde ‘loan to value’ ratio hanteerde van minimaal 70%, hetgeen inhield dat ING slechts bereid was financieringen te verstrekken tot het bedrag van 70% van de marktwaarde van de aan haar verstrekte zekerheden, zodat ook om die reden allerminst zeker was dat aanvullende financiering steeds verstrekt zou gaan worden.

4.4. Daarbij komt dat ING heeft aangevoerd dat zij weliswaar geen nieuwe financiering heeft verstrekt maar - materieel - wel de benodigde (extra) middelen voor de bouwkosten voor het project aan de [adres 6] ter beschikking heeft gesteld door Anco c.s. toe te staan de opbrengst van de verkoop van het onroerend goed aan de [straat 2] ad € 875.000 en de opbrengst van de verkoop van het onroerend goed aan de [straat 4] ad € 125.000 in het bouwdepot voor dit project te storten, in plaats van Anco c.s. te houden aan zijn verplichting deze opbrengsten aan te wenden voor de aflossing van bestaande leningen. Anco c.s. heeft dit standpunt van ING niet betwist. Dit betekent dat ING - hoewel zij daartoe niet was gehouden - wel degelijk haar medewerking heeft verleend aan het beschikbaar maken van de door Anco c.s. gewenste extra financiële middelen voor het project aan de [adres 6]. Het verwijt van Anco c.s. ontbeert in zoverre dan ook een feitelijke grondslag.

4.5. Anco c.s. hebben in dit verband nog aangevoerd dat de weigering van ING om de aanvullende financiering te verstrekken hen heeft genoodzaakt tot het verkopen van het pand aan de [straat 2]. Daarnaast heeft ING hen ook nog gedwongen om het pand aan de [straat 4] en het pand aan de [straat 5] te verkopen en de opbrengst daarvan aan te wenden ter vervroegde aflossing van bestaande financieringen. Ook deze handelwijze was in strijd met de gewekte verwachtingen, aldus Anco c.s. ING was, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van Anco c.s., volgens Anco c.s. gehouden de aanvankelijk aan hen ter beschikking gestelde kredietruimte te handhaven tot het einde van de overeengekomen looptijden, zo lang er geen objectieve gronden bestonden die vervroegde aflossing rechtvaardigden.

4.6. De rechtbank stelt voorop dat er geen aanwijzingen bestaan die de stelling van Anco c.s., dat zij door ING zijn gedwongen voornoemde panden te verkopen, ondersteunen. ING heeft aangevoerd dat Anco c.s. zelf hebben besloten onroerend goed te verkopen waarop ING met Anco c.s. in overleg is getreden over de voorwaarde waaronder ING bereid was afstand te doen van haar hypotheekrechten, namelijk dat een deel van de verkoopopbrengst in verband met het door ING gehanteerde bevoorschottingspercentage van 70% zou worden aangewend ter vervroegde aflossing van (een deel van) de financieringen. De door ING beschreven feitelijke gang van zaken wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd in de notitie van het gesprek van 21 januari 2009 (zie onder 2.11), waarin de wensen van Anco c.s. – waaronder verkoop van de panden aan de [straat 2] en de [straat 4] – als startpunt van de bespreking zijn opgesomd en waarin ook de op die dag tussen partijen bereikte overeenstemming is vastgelegd. In het licht van deze gemotiveerde betwisting van ING had het op de weg van Anco c.s. gelegen hun stelling dat zij door ING zijn gedwongen tot verkoop en dat ING eigenmachtig tot aflossing is overgegaan nader te onderbouwen. Nu zij dat hebben nagelaten houdt de rechtbank het ervoor dat Anco c.s. zonder daartoe te zijn gedwongen hebben besloten om het onroerend goed aan de [straat 2], de [straat 4] en de [straat 5] te verkopen.

4.7. In het licht van het voorgaande valt niet in te zien dat ING enerzijds ten opzichte van Anco c.s. gehouden zou zijn de omvang van haar financiering onverkort te handhaven, terwijl zij anderzijds geacht werd onvoorwaardelijk mee te werken aan het vrijgeven van haar zekerheidsrechten. Het stond ING in de gegeven omstandigheden dan ook vrij om aan het vrijgeven van haar hypotheekrechten op het onroerend goed dat Anco c.s. wensten te verkopen, de voorwaarde te verbinden dat de verkoopopbrengst zou worden gebruikt om de financiering (gedeeltelijk) vervroegd af te lossen. Het feit dat de leningen waarop de verkoopopbrengst van de [straat 4] in mindering zijn gebracht een langdurige looptijd hadden, maakt dat niet anders. Dat Anco c.s. met de door ING gestelde voorwaarden hebben ingestemd is door hen niet betwist, integendeel, zij voeren immers aan dat zij zich genoodzaakt zagen aan deze eis van ING tegemoet te komen.

4.8. Van onrechtmatig handelen aan de zijde van ING is gelet op het hiervoor overwogene geen sprake. Dat ING een (vooropgezet) plan zou hebben gehad om de relatie met Anco c.s. te beëindigen, dan wel Anco c.s. te dwingen zulks te doen, is de rechtbank niet gebleken. Uit de in het geding gebrachte notitie van ING van het gesprek op 10 juli 2009 en de onder 2.18 aangehaalde e-mail van [A] volgt het beeld dat partijen gezamenlijk tot de conclusie zijn gekomen dat de samenwerking niet naar wens verliep. Dat in ieder geval ook van de zijde van Anco c.s. werd aangestuurd op een vertrek bij ING volgt voorts uit de e-mails van [B] van 9 juni 2009 (zie onder 2.14) aan ING waaruit blijkt dat hij al een maand voor dit gesprek bezig was om een “exitplan” op te stellen. Ook het feit dat er

– mede vanwege het voorkomen van de hoge kosten van vervroegde aflossing daarvan – thans nog steeds een financiering van Anco c.s. bij ING loopt, strookt niet met het door Anco c.s. geschetste scenario dat ING hen de deur uit heeft willen werken en daaraan bovendien nog wilde verdienen. Dat Anco c.s. het niet eens waren met de weigering van ING om additionele financiering te verstrekken terwijl Rabobank daartoe kennelijk wel bereid was, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat ING hen heeft gedwongen te herfinancieren, laat staan dat ING aansprakelijk zou zijn voor de kosten die Anco c.s. in het kader van de herfinanciering door Rabobank stelt te hebben gemaakt.

4.9. Bij de beoordeling van de stellingen van Anco c.s. omtrent de levensverzekeringen neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat – als door NN en ING gesteld en door Anco c.s. niet weersproken – vaststaat dat de levensverzekeringen ten tijde van de beëindiging daarvan een positief rendement hadden behaald en dat het feit dat de afkoopwaarde lager was dan de totaal ingelegde premies – zijnde de door Anco c.s. gestelde schade – het resultaat is van tussentijdse afkoop van de levensverzekeringen waarbij de kosten die gedurende de resterende looptijd verschuldigd zouden zijn, ineens op de opgebouwde waarden in mindering worden gebracht. De vraag dient te worden beantwoord of Anco c.s. voldoende op dit afkooprisico zijn gewezen.

4.10. In de offerte behorende bij de levensverzekering met polisnummer [1] die op 17 december 2002 door ING aan [A] is gestuurd, staat (onder meer):

“Voorbeelden van rendementen en kosten

[…]

De gegeven voorbeeldwaarden zijn na aftrek van alle kosten, maar vóór effecten van inkomstenbelasting.

Aan het einde

van het jaar Totaal betaalde premie De uitkering bij afkoop en op einddatum

Op basis van pessimistische rendements-percentages Bij een bruto rendement van 4% Op basis van historie

1 22.183,- 15.571,- 17.084,- 18.130,-

3 66.549,- 48.610,- 53.359,- 59.812,-

5 110.915,- 83.803,- 92.628,- 109.762,-

10 221.830,- 183.170,- 205.376,- 280.856,-

15 332.745,- 310.671,- 350.844,- 556.102,-

20 443.660,- 455.439,- 517.401,- 967.067,-

Einddatum 554.575,- 619.016,- 706.169,- 1.576.110,-

[…]

Deze verzekeringsovereenkomst is een overeenkomst voor de lange termijn. Indien u deze verzekeringsovereenkomst voortijdig beëindigt gedurende de eerste jaren van de looptijd kunt u beduidend minder ontvangen dan u aan premies ingelegd heeft.[…]”

4.11. De offerte d.d. 20 januari 2003 behorende bij polisnummer [2], de financiële bijsluiter bij de offerte d.d. 30 mei 2006 behorende bij polisnummer [3], de offertes d.d. 18 juni 2007 behorende bij polisnummer [4] en polisnummer [5] bevatten dezelfde bewoordingen en voorbeeldtabellen van gelijke strekking op basis van de telkens voor die levensverzekeringen verschuldigde premies.

4.12. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de in de offertes opgenomen bewoordingen en waardetabellen voldoende duidelijk dat de afkoopwaarde van de levensverzekeringen gedurende de eerste 10 à 15 jaar van de looptijd zeer waarschijnlijk lager zal zijn dan de premies die tot dan toe voor de betreffende levensverzekeringen zijn ingelegd. Anders dan Anco c.s. stellen, blijkt reeds hieruit dat zij voorafgaand aan het aangaan van de beleggingsverzekeringen voor dit risico zijn gewaarschuwd.

4.13. Daarbij komt dat Anco c.s. zich voorafgaand aan het afkopen van de beleggingsverzekeringen meerdere malen (al dan niet via ING) door NN hebben laten informeren over de op dat moment geldende afkoopwaarden van de verschillende levensverzekeringen (zie onder 2.15, 2.16, 2.20, 2.21 en 2.24). Ook [B] heeft daarover informatie bij ING opgevraagd (zie onder 2.14). Anco c.s. waren er dan ook van op de hoogte wat zij zouden ontvangen indien zij tot afkoop van de levensverzekeringen zouden overgaan. Door opdracht te geven de levensverzekeringen af te kopen heeft de schade – bestaande uit het verschil tussen de ingelegde premies en de uitgekeerde afkoopwaarden – zich gerealiseerd. Gesteld noch gebleken is dat ING dan wel NN Anco c.s. hebben geadviseerd om tot afkoop van de levensverzekeringen over te gaan. Integendeel, Anco c.s. stellen dat zij hebben besloten de levensverzekeringen af te kopen omdat die verzekeringen niet pasten in de financieringsstructuur die zij met Rabobank waren overeengekomen. Dit betreft een eigen keuze van Anco c.s. en is niet aan ING of NN tegen te werpen.

4.14. Anco c.s. stellen verder nog dat zij onvoldoende zijn gewezen op de beleggingsrisico’s van de levensverzekeringen. Nu geen sprake is van een negatief beleggingsresultaat – het beleggingsresultaat op de participaties waarin uit hoofde van de levensverzekeringen werd belegd was immers positief ten tijde van de afkoop daarvan – is van enige verwezenlijking van een beleggingsrisico geen sprake geweest, zodat Anco c.s. in zoverre ook geen nadeel hebben ondervonden. Voorts zijn de stellingen van Anco c.s. dat zij niet op het beleggingsrisico zijn gewezen niet te rijmen met hun verwijten dat er dusdanig defensief belegd is dat er te weinig rendement is behaald om de kosten te compenseren. De rechtbank gaat dan ook aan de stellingen van Anco c.s. ter zake voorbij.

4.15. Ten aanzien van de verwijten van Anco c.s. die erop neerkomen dat ING dan wel NN niet hebben gewaarschuwd voor de specifieke risico’s die de kostenstructuur van de levensverzekeringen met zich mee bracht, geldt dat Anco c.s. dit verwijt slechts concreet maken door te wijzen op de verhouding tussen de kosten en de inleg per levensverzekering gedurende de looptijd. Het aldus berekende kostenpercentage is exorbitant en ING dan wel NN hadden hen hieromtrent uitdrukkelijk moeten informeren, aldus Anco c.s.

Anco c.s. miskennen echter dat het door hen opgevoerde kostenpercentage berekend is op basis van de feitelijke looptijd van onderhavige levensverzekeringen en dat de hoogte daarvan dus direct is gerelateerd aan de voortijdige afkoop van de levensverzekeringen. Uit hetgeen zij aanvoeren is dan ook niet af te leiden dat er sprake is van levensverzekeringen waarbij de opbrengst lager is dan de verzekeringnemer had mogen verwachten omdat de verzekeraar (te) hoge kosten inhoudt op de tot belegging bestemde premies. De door Anco c.s. aangehaalde e-mail van een medewerker van ING van 14 januari 2010 waarin wordt geschreven dat “polissen die met een 3 beginnen woekerpolissen zijn” maakt dit in het licht van hetgeen NN daaromtrent - onweersproken - heeft gesteld (zie haar conclusie van antwoord onder 5.16) niet anders.

4.16. Tenslotte verschillen partijen van mening over de vraag of ING aan Anco c.s. heeft toegezegd dat de volledige waarde van de premies als zekerheid voor de financiering zou worden geaccepteerd. Het antwoord op deze vraag kan echter in het midden blijven. Anders dan Anco c.s. stellen is het beweerdelijk niet meewegen van de waarde van de levensverzekeringen als zekerheid voor de financiering voor ING geen aanleiding geweest om aflossing van de bestaande financieringen te verlangen. Vastgesteld is immers dat de door Anco c.s. zelf in gang gezette verkoop van aan ING verhypothekeerd onroerend goed de aanleiding voor ING is geweest om – telkens in ruil voor vrijgave van haar hypotheekrechten – te verlangen dat de verkoopopbrengst ter aflossing van de financiering zou worden aangewend. Anco c.s. hebben daar ook mee ingestemd. Daarnaast is het feit dat er vervroegd op de financieringen moest worden afgelost en ING geen additionele financiering aan Anco c.s. wilde verstrekken niet voldoende om te kunnen oordelen dat ING Anco c.s. gedwongen heeft de financieringsrelatie met ING te beëindigen. Bij gebrek aan causaal verband tussen de stelling van Anco c.s. dat ING ten onrechte de waarde van de levensverzekeringen niet volledig heeft geaccepteerd als zekerheid voor de financiering en de schade die Anco stelt te hebben geleden, kan hetgeen ING daaromtrent met Anco c.s. heeft besproken niet tot toewijzing van de vordering leiden.

4.17. Dat het in het licht van de tussentijdse beëindiging – achteraf bezien – voor [A] voordeliger was geweest om een spaarverzekering af te sluiten dan wel op de leningen af te lossen in plaats van een levensverzekering af te sluiten, betekent niet dat de levensverzekeringen niet bij de persoonlijke omstandigheden van Anco c.s. pasten en dat ING deze financieringsconstructie dus niet had mogen adviseren. Dit klemt te meer nu Anco c.s. zelf de waardevermindering van de levensverzekeringen hebben veroorzaakt door bewust ervoor te kiezen de levensverzekeringen vervroegd te beëindigen.

4.18. Uit het voorgaande vloeit voort dat de stellingen van Anco c.s. niet tot het oordeel kunnen leiden dat ING dan wel NN jegens hen is tekortgeschoten ten aanzien van de levensverzekeringen. Nu niet tot aansprakelijkheid van ING dan wel NN kan worden geconcludeerd, kan het verweer dat Anco c.s. niet tijdig hebben geklaagd onbesproken blijven.

4.19. Op het voorgaande stuit ook het beroep op dwaling af. Dat [A] op grond van hem door NN gedane of onthouden mededeling een verschoonbaar onjuiste voorstelling van zaken had ten aanzien van de werking, verwachte opbrengst, tussentijdse (dekkings)waarde, kosten of risico’s van de door hem afgesloten beleggingsverzekeringen is niet gebleken.

4.20. De vorderingen in conventie zullen worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partijen zullen Anco c.s. hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. In de omstandigheid dat Anco c.s. hun schade zelf hebben begroot op in ieder geval € 930.000 ziet de rechtbank aanleiding het bij dat bedrag behorende liquidatietarief te hanteren. De proceskosten worden zowel aan de zijde van ING als aan de zijde van NN tot op heden begroot op € 263 aan vastrecht en € 5.160 (2 x € 2.580) aan salaris van de advocaat.

4.21. De door ING en NN gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. Anco c.s. zullen dan ook hoofdelijk veroordeeld worden in de nakosten van de procedure, als nader in het dictum bepaald.

4.22. De door ING en NN gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten wordt - nu de verschuldigdheid ervan niet wordt betwist - toegewezen als gevorderd.

In reconventie

4.23. [A] heeft, voor het geval de rechtbank de vorderingen in conventie afwijst, geen verweer gevoerd tegen de door NN in reconventie gevorderde hoofdsom ad € 33.564. De rechtbank zal deze dan ook toewijzen.

4.24. Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente stelt [A] zich op het standpunt dat de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat deze pas verschuldigd is vanaf de datum van het vonnis, omdat hij er vanwege de uitlating van ING dat er sprake zou zijn van woekerpolissen gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat NN onzorgvuldig jegens hem heeft gehandeld bij de totstandkoming van de levensverzekering. Voor zover [A] hiermee bedoelt te stellen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat wettelijke rente al voor de vonnisdatum wordt toegewezen, volgt de rechtbank [A] hierin niet. Zelfs al zou de mededeling van een medewerker van ING aan NN kunnen worden toegerekend, dan nog is de enkele mededeling dat er sprake is van “een woekerpolis” niet voldoende om daaraan gerechtvaardigd de verwachting te mogen ontlenen dat [A] de premie niet langer verschuldigd zou zijn. Nu [A] niet betwist dat hij vanaf 24 augustus 2010 jegens NN in verzuim is, zal de wettelijke rente vanaf die datum worden toegewezen.

4.25. Subsidiair heeft [A] verzocht de hoogte van de wettelijke rente te matigen vanwege de concrete feiten en omstandigheden van het geval die volgens hem maken dat toewijzing van de volledige wettelijke rente tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Nu [A] noch deze concrete feiten en omstandigheden, noch de onaanvaardbare gevolgen daarvan (voldoende gemotiveerd) toelicht, gaat de rechtbank aan dit verzoek voorbij.

4.26. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [A] worden veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie. De proceskosten worden aan de zijde van NN tot op heden begroot op € 1.158 (2 x € 579) aan salaris van de advocaat.

4.27. De door NN gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. [A] zal dan ook veroordeeld worden in de nakosten van de procedure, als nader in het dictum bepaald.

4.28. De door NN gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zal - nu de verschuldigdheid ervan niet wordt betwist - worden toegewezen als gevorderd.

5. De beslissing

De rechtbank:

in conventie:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt Anco c.s. hoofdelijk in de proceskosten, zowel aan de zijde van ING als aan de zijde van NN tot op heden begroot op € 5.423,00, steeds te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt Anco c.s. hoofdelijk in de na dit vonnis aan de zijde van ING en NN ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen – onder voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaats gevonden en de veroordeelde niet binnen veertien dagen na aanschrijving van het vonnis heeft voldaan – met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over de nakosten te rekenen vanaf veertien dagen na het verschuldigd worden van deze nakosten tot de dag van volledige betaling;

- verklaart de kostenveroordelingen in conventie uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie:

- veroordeelt [A] tot betaling aan NN van € 33.564,00 (zegge: drieëndertigduizend vijfhonderdvierenzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek vanaf 24 augustus 2010 tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van NN tot op heden begroot op € 1.158,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt Anco c.s. hoofdelijk in de na dit vonnis aan de zijde van NN ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen – onder voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaats gevonden en de veroordeelde niet binnen veertien dagen na aanschrijving van het vonnis heeft voldaan – met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, te vermeerden met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over de nakosten te rekenen vanaf veertien dagen na het verschuldigd worden van deze nakosten tot de dag van volledige betaling;

- verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.P. Pompe, mr. A.W.H. Vink en mr. B.M. Visser en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2011.?